Over druipende hersenen en dode huidcellen

Goya_droom_rede

Ik heb Louis van Gaal ontmoet. Ik zag hem langs lopen en riep in zijn oor: ‘Drie nul! Ja!’ Vooruit, het was in een droom. Dat maakt deze ontmoeting voor Van Gaal misschien minder belangrijk, voor mij niet. Dingen die me in mijn slaap overkomen hebben soms meer impact dan het wakende leven. Net zoals kleine, onbeduidende voorvallen soms meer betekenis hebben dan die waar je niet omheen kunt, wier relevantie zo overduidelijk is dat ze saai worden.

Nadat ik Van Gaal had toegelachen stapte ik de kroeg in. Lekker, biertje drinken. Ik was nog niet binnen of ik zag twee jongens, ladderzat, boezemvrienden in hun dronkenschap, de armen om elkaars schouders, pils in de hand. Dat gaat mis, wist ik. En inderdaad, ze namen nog een laatste slok en vielen toen strak achterover met hun kop op de betonnen vloer. Armen om elkaars schouders. Ik keek meteen weg, maar zag aan de gezichten aan de bar dat het waar was – dat hun schedels gekraakt waren en hun hersenen eruit dropen.

Niet kijken, niet kijken, dacht ik en ik keek niet maar zag het toch. (Het was immers een droom, alle beelden hoorden bij mij, ook degene die ik niet wenste te zien.) Ik spande me zo hard in om niet om te kijken naar de boezemvrienden en hun gulp hersenen op de betonnen vloer, dat ik wakker werd. Ik deed mijn ogen open en zag meteen weer de wittige brij, de leeggelopen bierglazen naast hun hoofd, de armen nog steeds om elkaar schouders. Ik moet dit onthouden, dacht ik, hoewel ik het liefst zou vergeten. Maar ik moet morgen toch kunnen vertellen dat ik over Van Gaal heb gedroomd.

Steeds als ik weer wilde gaan slapen, stond ik in de kroeg, een halve slag gedraaid zodat ik de jongens wel moest zien.

’s Ochtends fietste ik naar het station. In de Halmaherastraat zat een kat op wacht. Hij keek alsof hij zich zwaar beledigd voelde omdat ik Halmaherastraat zo’n gekke naam vind. Opeens herinnerde ik me mijn droom weer. Hoe was ik in vredesnaam op dat beeld van die druipende hersens gekomen? Door de kat wist ik het: eens, op een andere ochtend, fietste ik ook naar het station vanaf de andere kant van de stad. Op de busbaan lag een aangereden kat, een zwarte, met witte hersentjes die uit zijn gespleten schedel dropen. In de verte kwam de volgende bus aan. Ik raakte in paniek en ben hard weggefietst. Diezelfde dag heb ik als een soort boetedoening het nummer van de dierenambulance in mijn telefoon gezet, zodat ik de volgende keer (alsjeblieft, laat er nooit een volgende keer zijn!) wél adequaat kan handelen.

Natuurlijk had ik van mijn fiets moeten stappen, de bus tegen moeten houden met wilde armgebaren, aan moeten bellen bij huizen langs de weg, alles moeten doen om te zorgen dat die arme, roemloos gestorven poes niet nog eens overreden zou worden door een harmonicabus van dertien meter. Dat heb ik niet gedaan.

Ik weet dat als ooit mijn leven als een film aan me voorbij zal gaan, ik die kat weer tegenkom. Als een beschuldigende vinger. Chris uit Into the Wild schiet een eland, voor niets, want het vlees begint al bijna meteen te rotten. ‘It is the great tragedy of my life,’ noteert hij in zijn schrift. Het onrecht achtervolgt hem, net als het beeld van die aangereden kat mij achtervolgt. Daar zie je de mens in zijn lelijkste vorm: als hij de dieren niet met respect behandelt.

In de trein gaat een meisje tegenover me zitten. Uit haar tas haalt ze een wattenschijfje en een reinigingslotion. Doodgemoedereerd begint ze haar gezicht schoon te maken, ze slaat geen porie over. Daarna wrijft ze met twee handen een crème uit. Volgt nog een lotion en nog een wattenschijfje. Ik word er onpasselijk van. Ik zie de vuiligheid en de bruine, dode huidcellen voor me op het wattenschijfje dat nu in het prullenbakje belandt. Niet kijken, denk ik, maar ook nu zie ik het toch. En het is niet eens een droom waarvoor ik niemand anders dan mezelf verantwoordelijk kan houden.

Ergens hangt het vieze wattenschijfje samen met de druipende hersenen op een busbaan of betonnen vloer. Die laatste zijn mijn eigen brandmerk, het wattenschijfje is me opgedrongen door een toevallige passant op donderdagochtend acht uur. Ze lijken in geen verhouding tot elkaar te staan. Een droom en de werkelijkheid, dode huidcellen en dode boezemvrienden (die kat was ook iemand zijn boezemvriend). Beide onbeduidend, beide in staat de hele dag te kleuren in het vaalgrijs van drab – uit de schedelpan of uit een porie.

Misschien is het geen toeval dat de aangereden kat, de dronken boezemvrienden-tot-in-de-dood en het wattenschijfje zich zo aan me opdringen. Gisteren begon ik in Dood op krediet van Louis-Ferdinand Céline en las ik als tussendoortje Sokrates’ verdediging van Plato. Dat heb je soms op novemberdagen, dat de dood als een afgevallen herfstblad door de hemel waait.

Daarom, Louis van Gaal: bedankt. Door jou hing er in elk geval ook nog een vaag gevoel van victorie over deze kattige, katerige ochtend.

Drie keer over bepaalde liefde

doeschka_meijsing

Doeschka Meijsing heeft de AKO Literatuurprijs gewonnen. Over de liefde is de eenvoudige maar veelzeggende titel van haar winnende roman. Hoewel het vooral ook over géén liefde gaat, wat er gebeurt met een mens die verlaten is voor een ander. De bekroning is volkomen terecht, want dit boek heeft eigenlijk alles wat je van een boek verlangt.

Wat is dat dan?

Ten eerste, een lekker herkenbaar verhaal. Wie heeft er nou geen liefdesverdriet gehad? ‘Pas langzaamaan bedaarde ik. In een van de huizen aan de overkant wilde een man zijn vrouw met een hakmes de hersens inslaan, terwijl zij een bord spaghetti boven zijn hoofd omkieperde. Het moest gezichtsbedrog zijn, even later zaten ze rustig tegenover elkaar aan tafel. Ik bleef bij de open ramen staan, alsof ik de vluchtweg moest bewaken. Ik miste het leven met Jula plotseling heel hevig, het leven dat dan wel niet uit zo’n gloeiend beschaamde verliefdheid was voortgekomen, maar dat zo prettig was geweest, zo door en door op elkaar ingespeeld, zonder al te hevige ruzies, vanzelfsprekend, nooit verveeld.’

Daarbij is het verhaal semi-autobiografisch en daar doet niemand moeilijk over. Iedereen weet wie de inspiratiebronnen vormden voor de hoofdpersonen. Het is (ook) een wraakboek, een afrekening met de voormalige geliefde. Niet verbitterd of met een blinde furie die alle kwaliteit uitvlakt; dit boek is een overwinning op de voormalige geliefde. Dit boek is namelijk beter. Beter dan de relatie, beter dan wat ‘de ander’ die snol te bieden heeft. Doeschka Meijsing is hier de berijder van de praalwagen.

Dat komt omdat het boek gewoon ontzettend goed geschreven is. Eerst hardop lachen en op de volgende bladzijde je tranen (van woede) wegslikken: wie doet dat Meijsing na?

Een mooi boek om te lezen na Noem me bij jouw naam van André Aciman. Waar Aciman voortdurend de nuance van het ontluikende gevoel zoekt, en de voorbije liefde een onderstroom in het dagelijks leven wordt, nauwelijks merkbaar maar richtingbepalend, gaat Meijsing kopje onder. Zo kan het ook gaan: dat je liefje op een dag een ander heeft en beste vrienden wil blijven. De hoer!

(Ik las de boeken in de omgekeerde volgorde: eerst het verhaal van de razende, vervloekte, vervloekende en tegelijk lamgeslagen Pip en daarna over de zoete verliefd-op-de-liefde Elio van Aciman. Is ook wat voor te zeggen: om na de hel die de volwassen liefde kan zijn terug te keren naar de paradijselijke weemoed van de puberliefde, net als wanneer je het lekkerste hapje op je bord voor het laatst bewaart. Er zijn mensen die het lekkerste eerst opeten. Die zullen teleurgesteld door het leven gaan en eindigen in de ring van hebzuchtigen.)

Beide boeken gaan over homoliefde. In Noem me bij jouw naam zijn het twee mannen, van wie er uiteindelijk een trouwt en kinderen krijgt met een vrouw (het lot van de ander is onduidelijker, hij bemint er velen maar hoe die er tussen de benen uitzien, staat niet vermeld). Meijsing schrijft over twee vrouwen, de een verlaat de ander voor een man – die haar een kind kan schenken.

Toeval? Misschien. Net als de keuze voor Mulisch’ Twee vrouwen (waarin, jawel, de ene vrouw een kind laat verwekken door een man die eerst de geliefde was van de andere vrouw om vervolgens de man te verlaten en terug te keren naar de vrouw, als ik het goed begrijp), dat in een recordoplage van 1.000.000 (één miljoen) exemplaren door heel Nederland wordt verspreid in het kader van Nederland Leest.

Doet er niet toe. Hier zijn andere machten aan het werk: de macht van de schrijver die de pen weet te hanteren. Hier zie je de liefde. Over de liefde.

Lang, wollig en charmant

Object_collectors_item

Erg trendgevoelig zou ik mezelf niet noemen. Ik hou wel van winkelen, maar vind nieuwe modehypes vaak ‘Belachelijk!’. Twee jaar later, als de driekwartmouwen of strakke pijpen al volkomen ingeburgerd zijn, loop ik er alsnog mee.

Soms is er opeens een mode die ik wel leuk vind. Of leuk denk te vinden. In dit geval: die me handig lijkt. Dan moet je eigenlijk al op je hoede zijn, als je kleding handig gaat noemen. Dat staat immers meestal gelijk aan: totaal oncharmant. Ik heb het over die lange wollen vesten die je met een wollen bandje om je middel dichtknoopt, en die alle modebewuste dames in deze roerige tijden een veilig, huiselijk gevoel geven. Ik wil ook een veilig en huiselijk gevoel, dat lijkt me logisch. En ik wil het gewoon warm hebben.

Jongens zie je er nooit mee: een korte jas gecombineerd met een strak shirtje en een broek die op de heupen hangt. Het blote randje is een echt meidenprobleem. Je zit op de fiets, pakt je stuur en daar is het blote randje al. Koud! En in de winter, als je zwembandjes wit en kippenvellerig zijn, is het blote randje ook weinig verleidelijk. Handig dus, een lang wollen vest!

Jongens zullen zonder blote rand-probleem vast geen lange wollen vest-mode hebben. Gefeliciteerd. In mijn zoektocht naar het ultieme wintermode-item heb ik wel tien vesten gepast. Geloof me: ze zijn niet handig, maar wel totaal oncharmant. Uiteindelijk kwam ik wel thuis met iets wolligs en langs, maar het was een jurk. Zonder bandje om je middel maar gewoon lekker strak, en superdun omdat er meer gaten in zitten dan wol.

Thuis paste ik mijn nieuwe jurk nog eens. Er gebeurde iets geks: ik dacht plotseling dat ik een grote kralenketting om moest doen, omdat dat hoort bij opengewerkte, strakke, wollen jurken met een brede hals. Meteen toen ik dat dacht had ik de neiging met mijn benen wijd te zitten en op de grond te spugen, precies midden tussen mijn voeten.

Het was die kralenketting. Die hoort bij het plaatje. Alleen zou ik dan uitgegumd zijn, zoals indianen die hun ziel kwijtraken als er een foto van ze wordt gemaakt. Ik voelde de dikke houten kralen al als een strop om mijn hals knellen – de benauwde visie van de modehype.

Ander voorbeeld: jong en/of hip Nederland loopt er al jaren mee, de rest maanden, en sinds de vakantie heb ik ook een broek met strakke pijpen. Ik deed hem aan en haalde bijna automatisch mijn laarzen uit de kast om die strakke pijpen daarin te stoppen. Zoals het hoort. Ik had de tweede nog niet aan, of daar zat ik op de beddenrand, benen wijd, klaar om te spugen. Beter: tuffen.

Wat gebeurt hier? Waarom heb ik zo’n weerzin tegen het modeplaatje? Het kan er best leuk uitzien, grote kralenkettingen en laarzen over je broek. Hoewel, als ik het typ verzamelt het speeksel zich al in mijn mond. Hoe kan het dat mijn identiteit gedefinieerd wordt door een kralenketting? Zonder ben ik Miriam, mét ben ik een wezen uit een parallelle wereld. Ik gedraag me als een boer zodra ik eruitzie als een plaatje.

Het zal wel komen doordat ik het gevoel verafschuw dat ik iets doe omdat het moet. Noem het een autoriteitsprobleem. Maar… zie ik de modepopjes dan als autoriteit? Misschien wil ik me niet identificeren met mensen die klakkeloos trends volgen zonder na te denken. Maar als ik twee jaar later tóch de strakke pijpen aantrek, zegt dat dan niet iets over de snelheid van mijn denken, mijn uitermate sterke hang naar conventionaliteit? Of zou het komen omdat ik kralenkettingen nog altijd associeer met handwerkjuffen en strakke pijpen in laarzen met paardrijmeisjes? Dat moet het zijn. Het heeft tijd nodig voor oude associaties slijten.

Uiteindelijk trok ik mijn lange wollen jurk aan over mijn strakke pijpen. Zonder laarzen en kralenketting. Die komen over twee jaar wel.

Werk aan de winkel IV

StrengthsFinder

Ik moet mezelf tot de orde roepen. Al die tijd heb ik het over zelfkennis alsof we allemaal als eenzame monades over de aardkloot dwalen, gedoemd tot een vrije wil en met relaties die alleen maar bestaan uit beperking en gebondenheid, alsof de anderen op deze wereld zijn om jouw dromen te saboteren.

Zo’n somber wereldbeeld heb ik niet, sterker nog, ik ben optimist tegen beter weten in. Ik geloof zelfs, uche uche, in vooruitgang. Persoonlijke vooruitgang en, mompel mompel, vooruitgang van de Mensheid. Dat anderen alleen maar op de wereld zijn gezet om jou dwars te liggen, is niet slechts een zeer egocentrisch idee, maar ook te pessimistisch voor dit lachebekje.

Anderen zijn er nu eenmaal dus dan moet je er wat mee, je kunt ze niet negeren. Elk mens is anders, elke ontmoeting ook, je bent zelf voor iedereen anders en iedereen ontmoet jou verschillend. Daarin valt dus veel over jezelf te ontdekken. Denk aan de hond van Mulder in De Wandelaar van Adriaan van Dis, die Mulder kanten van zichzelf laat zien waarvan hij het bestaan nooit kon vermoeden. (Die zee van mensen, dieren en ontmoetingen vraagt wel de teruggetrokken, periodieke eenzaamheid van de monade om hem te destilleren tot zelfkennis, om het brakke water helder te krijgen.)

Soms neemt een ontmoeting extreme vormen aan; dan is het zaak extra goed op te letten. Bij een sollicitatiegesprek bijvoorbeeld. Moet je nagaan: je zit met een klein aantal wildvreemden in een ruimte en bent misschien wel een uur lang volledig op elkaar gefocust. Je wil zo snel mogelijk zo veel mogelijk van elkaar weten, je hebt elkaar nodig, en je bedriegt elkaar in wederzijds vertrouwen, want beide partijen proberen zichzelf te verkopen.

De laatste maanden heb ik redelijk veel van die extreme ontmoetingen gehad. Eigenlijk waren ze allemaal best gemoedelijk. Ik heb ook een aantal vreselijke tests moeten doen: competentie zus, vaardigheden zo. Dat is dus precies hoe het niet moet: heb je het ideale instrument om even lekker de diepte in te gaan (gewoon een gesprek van mens tot mens), gooien ze alles op gestandaardiseerde tests met gestandaardiseerde vragen en gestandaardiseerde uitkomsten. Hoe dan ook: genoeg brakke poelen tot mijn beschikking.

Het extreemst, hoewel ook heel gemoedelijk, was een gesprek waarin na drie kwartier werd gezegd: ‘Ik ga nu het boek voor je halen.’ Dat verstond in verkeerd, hij zei: ‘Ik ga nu Het Boek voor je halen.’ De ander die erbij zat legde half knipogend uit: ‘Dat betekent dat je door bent naar de volgende ronde.’

Thuis moest ik het boek lezen (Now, discover your strengths), waarin een Amerikaanse managementgoeroe uitlegt dat mensen talenten hebben, vijf zelfs voor iedereen, en dat die talenten gestimuleerd moeten worden. Goh. Er hoorde ook een online test bij, die je talenten voor je zou opsporen. ‘Je kan het niet fout doen,’ verzekerde mijn potentiële baas me. ‘Het gaat om talenten, die zijn altijd goed.’ Onzin natuurlijk, want het ging erom of mijn vijf talenten wel zouden passen bij de talenten van de baas. Die van mij bleken toch fout. Ik vond het niet heel erg dat mijn sterke punten niet liggen op het vlak van wannabe Amerikaanse managementgoeroes.

Een andere keer had ik een gesprek bij een uitzendbureau. Wederom een gemoedelijke bedoening. Toen het gesprek afgelopen was, wilde de intercedente me haar kaartje aanbieden. Verkeerd verstaan. Ze zei: ‘Mag ik je mijn kaartje laten uitkiezen?’ Toch nog extreem. Op haar bureau spreidde ze vier verschillende visitekaartjes uit, in primaire kleuren en met gepaintbrushte afbeeldingen. ‘Je kunt het niet fout doen,’ zei ze er nog bij, ‘kies er maar één uit.’ De uitzendtarot wees uit wat zij al dacht: ik was creatief. Of was het nou harmonieus? Een doorzetter? Strategisch, verantwoordelijk, eigenwijs, intelligent, dom, blond?

Mis poes.

Grafherrie in de herfstzon

grafherrie

Bleef mijn beschrijving van de herfstzon bij een mislukte poging een paar zinnen op te diepen uit mijn geheugen, Martin Bril wist zijn lezers wel te trakteren op een citaat. Ook hij zocht al tijden naar een adequate beschrijving van dat bijzondere herfstlicht, en moest zijn meerdere erkennen toen hij de beschrijving niet zelf op papier zette, maar vond in een boek. Jammer genoeg heeft hij het niet over Noem me bij jouw naam (was dat even makkelijk geweest), maar over Robert Penn Warrens All the King’s Men. Zijn herfstlicht is dan ook niet het mijne: Bril zoekt het blauw van een high noon, terwijl het mij gaat om het roodoranje van de namiddag.

Op de een of andere manier lukt het André Aciman om in Noem me bij jouw naam woorden te vinden voor de spectrale gemoedsgesteldheid van de hoofdpersoon, een gesteldheid die we ook wel kennen als verliefdheid. Ook Bril ervaart een aan afgunst grenzende bewondering voor mensen die de woorden vinden waar jij vruchteloos naar zoekt. Een heel andere bewondering dan die voor muzikanten, die op haar beurt weer grenst aan verliefdheid. Bril noemt nog meer dingen op die ontsnappen aan de taal: het geluid van een tennisbal, de geur van vrouwenzweet en spek.

Hij vergeet het belangrijkste. Muziek. Hoe beschrijf je in vredesnaam muziek. De eerste keer dat ik me dit afvroeg was bij een concert van de Red Hot Chili Peppers, augustus 2001 in de Jaarbeurs (ja echt, de Jaarbeurs). Ik wilde de Peppers al zien sinds mijn vijftiende verjaardag, toen ze in de Rai zouden komen en ik van mijn zus een kaartje zou krijgen. Helaas, afgelast. Het optreden in de Jaarbeurs was te gek, ondanks die locatie (is sindsdien ook nooit meer een concert geweest volgens mij). Ik herinner me nog haarscherp hoe ik daar compleet uit mijn dak ging en opeens dacht ‘Hier moet ik over schrijven!’ En meteen daarop: ‘Hoe moet ik hier in hemelsnaam over schrijven?!’

Sindsdien lees ik graag over muziek, om het vak af te kijken. Het valt me op dat het bijna altijd ergens anders over gaat. Schrijven over de aan verliefdheid grenzende bewondering voor getalenteerde en knappe frontmannen is zo moeilijk nog niet. In interviews met bands gaat het over de weg naar de roem, de samenwerking met de producer, het hutje op de hei waar de plaat is opgenomen of de betekenis van een tekst – als het al niet alleen maar gaat over het sterrendom en de roddels die daarbij horen. In concertbesprekingen wordt de setlist doorgenomen, het stembereik besproken en het publiek beoordeeld.

In recensies gaat het soms over het muzikale, om het maar even zo aan te duiden. Bijvoorbeeld over het specifieke geluid dat een bepaalde producer aan een album toevoegt. Best saai. Het leert je waar je op moet letten, hoe je een plaat beter kan beoordelen. Maar het is best saai om te lezen.

Hoe had ik zo stom kunnen zijn? Natuurlijk gaat het altijd over iets anders! Wat wilde ik over de Peppers schrijven? Iets over de maatvoering en akkoordenschema’s? Welnee, ik ging uit mijn dak en dat gevoel wilde ik overbrengen. In mijn meesterwerk dat nog moet meesteren probeer ik het.

En dan, verdomd, gebeurt waar ook Martin Bril voor vreest: ‘En al die tijd bestaat het risico dat je iemand leest die er wel al in is geslaagd.’ Remco Daalder heet de man en hij schreef het boek Grafherrie. Alleen al om die titel (ondertitel: punkroman) lees je zo’n boek. Het verhaal is dun, de personages nog dunner, maar dat vergeef je hem direct als je bij de concertbeschrijvingen aanbelandt.

‘Niet elk punkconcert is ook geslaagd. Het is pas geslaagd als de muziek in je hoofd zit, in je onderbuik, in je darmen, als de gitarist je zenuwstelsel aanstuurt, de drummer je armen en benen alle kanten op zwiept, de bassist je ingewanden uitbeent, als je hoofd leeg is, alle problemen en complicaties vergeten zijn, je ledematen als die van een trekpop alle kanten uitgaan met je lichaam erachteraan. Er is geen band meer en geen publiek, er is alleen nog een massa individuen die geen individu meer zijn, maar die één grote door dezelfde krachten aangestuurde klont vormen.’

Zo doe je dat dus. Ook weer opgelost.

Ik heb eb

plint

Bloed. Prikken. Bloedprikken. Talloze mensen krijgen rillingen bij deze woorden. Ik niet. Ik kijk de andere kant op en onderga de aderlating… tja, gelaten.

In de bloedprikruimte van het ziekenhuis hangen postergedichten. Goed idee: je hebt iets om naar te kijken en concentreert je op het lezen. Voor je het weet zijn de tubes weer gevuld en krijg je een watje om te stelpen. Gelukkig zijn de gedichten op de posters vaak makkelijk, meer versjes dan poëzie, anders is de verpleegster klaar voor je bij de laatste regel bent. Ze worden ook regelmatig vervangen.

Bloedprikken krijgt daarmee iets stemmigs. Dat komt ook door de sfeer in de wachtruimte. Ik bedoel niet de sfeer die iedereen benauwt zodra hij witte jassen ziet en die specifieke ziekenhuisgeur ruikt. Nee, in de wachtruimte voor de bloedpoli (lekker woord) wordt nog ouderwets gewacht.

Vroeger was dat heel normaal, tegenwoordig wachten mensen eigenlijk nooit meer. Ze bellen, mailen, lezen een gratis krant of roken bij de rookpaal (een heel andere actie dan gewoon een peuk opsteken). Allemaal dingen die in het ziekenhuis niet mogen. Toegegeven: de Metro ligt hier ook in de gangen, maar niemand leest hem.

Zo zit je dan heel rustig met tien, vijftien mensen te wachten. Geen mobiel, geen sigaret, geen krant. Sommige mensen maken een praatje. Op mompeltoon. Af en toe klinkt de zoemer en verdwijnt iemand in een bloedprikcabine. Als ze eruit komen hoor je ze zachtjes fluisteren: ‘ik heb eb, doet dat zeer? nee zegt de zee, een zee heeft geen zeer.’

(gedicht Frank Eerhart, beeld Milja Praagman)

Trefzeker herfstzonnetje

noem_me_bij_jouw_naam

Laatst werd ik geconfronteerd met de noodzaak van het gedigitaliseerde aantekenboekje. Buiten scheen de zon op zo’n herfstachtige, rode, laaghangende manier waardoor je vanzelf volstroomt met melancholie en verlangens. Niet lang daarvoor las ik in Noem me bij jouw naam van André Aciman een passage waarin exact dit herfstige gevoel ‘van de schoonheid en de troost’ beschreven staat.

Dus ik ging op zoek. Het stond ergens achterin, dacht ik, want het verhaal beslaat een zomer die onherroepelijk afloopt. Achterin geen herfst. Ah, het was in een flash forward van de oudere verteller, aan het begin van het tweede deel. Ook in het midden geen herfst. Was het dan toch…? Eerste hoofdstuk alleen maar zon, zomer, ontblote bovenlijven (zie foto). Ik scande het hele boek van achteren naar voren, er nog steeds van overtuigd dat het in het laatste deel moest staan. Toen van voren naar achteren. Helaas, de passage bleef onvindbaar, ik moet het doen met de slechte parafrase van mijn geheugen. Het was zoiets van dat de herfstzon aan een nieuw schooljaar doet denken maar ook tegelijk aan de voorbije zomer en dat je dan dus zo’n dúbbel gevoel krijgt, weet je wel, van verwachting gemengd met weemoed en dat dan in herfstkleur.

Dit voorval leerde me ook dat ik zulke citaten natuurlijk wel in mijn opschrijfboekje moet opschrijven, anders heb je er in gedigitaliseerde vorm ook niks aan.

Misschien ligt het ook aan de roman zelf: Noem me bij jouw naam is zo’n boek waaruit het moeilijk citeren is, omdat je uiteindelijk alles wil citeren. Een los citaat kan dit boek geen recht doen, omdat het dan lijkt op het dagboek van een bakvis: ‘ Vuur als angst, als paniek, als nog één minuut en ik ga dood als hij niet op mijn deur klopt, al zou ik liever hebben dat hij nooit klopt dan dat hij nu klopt.’ Dit is duidelijk geen zinnen-boek, maar een verhaal-boek. Het vertelt van alle vormen die de eerste verliefdheid van een vijftienjarige kan aannemen, van begeerte tot liefde-tot-in-de-dood.

Aciman beschrijft die vormen zo nauwkeurig, laat alle nuances van verlangen, onzekerheid, seksuele opwinding, depressie en geluk zien, dat hij daar letterlijk een heel boek voor nodig heeft. Eigenlijk is het geen verhaal, maar een stemming, een wolk van gevoel die uit de bladzijden opstijgt, een prisma van verliefd-zijn. Een paar losse zinnen zullen maar één kleurnuance uit het spectrum tonen. Elke zin heeft de andere nodig, zoals elk verlangen het andere nodig heeft.

In zijn nauwkeurige en uitputtende beschrijvingen van de liefde lijkt Aciman op Proust. Ik kocht het boek ook vanwege een recensie waarin dat stond. Ik dacht zelfs dat Aciman een Fransman was, kocht de vertaling en las het boek op vakantie in Frankrijk. Later kwam ik er achter dat hij Amerikaan is (ik lees Engelstalige boeken altijd in het Engels).

Aciman heeft meer met Proust gemeen: hij is zijn schaamte voorbij. Dat klinkt meteen zo liederlijk (er zitten ook wel liederlijke, expliciete passages in het boek) – wat ik bedoel is dat hij zich niet meer schaamt voor zijn schaamte. Hij schrijft zoals Proust ons voorhoudt en voordoet: tot voorbij het punt waar het pijn doet, waar je je terug wil trekken achter het veilige masker van conventionaliteit. Je voelt hem zoeken naar dat punt, en als hij het heeft gevonden, prikt hij nog eens extra met zijn woorden in de wonde. Daar ontstaan de prachtigste passages, omdat ze tegelijk aarzelend zijn (in het leven van de verliefde vijftienjarige is niets zeker) en die aarzeling zonder omkijken blootleggen.

De aarzeling blootleggen, zonder aarzelen; dat wat zo diep verborgen ligt, bijna buiten bereik, trefzeker verwoorden: Noem me bij jouw naam van André Aciman is het beste voorbeeld van hoe je over het meest uitgesleten onderwerp in de wereld kunt schrijven op een volstrekt eigen manier, die verrassend maar ook volkomen herkenbaar is. Iedereen die ooit verliefd is geweest, moet dit lezen. En dan aan mij dat citaat van die herfstzon doorgeven.

Maand van de spiritualiteit

maand_spiritualiteit

Elke dag, week of maand is tegenwoordig wel aan iets gewijd. Hebben we op dit moment Geschiedenis en Borstkanker, november is de Maand van de Spiritualiteit. Als aanloop tot de feestmaand, die in plaats van spiritueel vooral consumenteel is geworden. Het thema van de Maand is ‘Mijn betere ik’, oftewel Word wie je bent!

Maanden Van worden over het algemeen feestelijk geopend en afgesloten, daartussenin merk je er weinig van. Een van de happenings op de openingsmanifestatie van de Maand van de Spiritualiteit is de workshop De zin van het leven van godsdienstfilosoof Annewieke Vroom. Lef heeft ze in elk geval, met zo’n titel.

In de krant Trouw, een van de initiatiefnemers van de Maand, vertelt ze alvast waar we zo ongeveer die zin van het leven moeten zoeken. De kop zegt alles: ‘Aanvaarden van het ik is belangrijker dan het ik verbeteren.’ Alsof het wetenschappelijke bewijs onomstotelijk vastligt, zo staat het daar: aanvaarden is belangrijker, omdat het het diepste verlangen van de mens is. Voel je het ook al in je onderbuik?

Ik voel me dan natuurlijk aangesproken, met mijn Word wie je bent en Nietzsche, Proust en Sartre. (Op de site staat dat Sartre in de workshop aan bod zal komen, in de krant verklapt Annewieke hoe: als een ‘kunstmatig streven’.) Is aanvaarden belangrijker dan verbeteren? Aanvaarding is hoe dan ook een voorwaarde voor verbetering, zegt de godsdienstfilosofe. Maar wat moet je dan aanvaarden?

Ook Sartre heeft het over het aanvaarden van de dingen die gegeven zijn. In zijn kenmerkende prachtige bewoordingen (ahum): de geworpenheid. De mens wordt pats boem het leven in geworpen, temidden van allerlei zaken waar hij niets aan kan doen. Hij krijgt bepaalde ouders, die wel of niet een geloof aanhangen, hij moet het doen met een fysieke gesteldheid, is lelijk, mooi of onopvallend, woont in een zeker land, in een zekere tijd, onder een dictator of onder Balkenende. In feite begint het menselijk leven zoals zoveel verhalen in medias res – je valt er middenin en loopt altijd achter de feiten aan.

Die geworpenheid, daar hebben we allemaal last van, de een wat meer dan de ander. Als je de dingen die nu eenmaal gegeven zijn niet kan aanvaarden, kom je nooit verder. Dan blijf je steken in een apathisch wachten op het noodlot, in plaats van je leven eigen te maken. Eigen maken in dubbele zin: je leven van jezelf maken door het actief te leiden en verantwoordelijkheid te nemen voor je keuzes, maar ook je het leven eigenmaken, verinnerlijken – dat wat gegeven is door en door kennen en verpersoonlijken.

De mens zal dus ondanks zijn geworpenheid iets van het leven moeten maken. Of, zo zie ik het liever, dankzij. Wat zou je kunnen maken zonder bouwstenen? Hoe meer bouwstenen, hoe inspannender het levenswerk – maar ook: hoe meer mogelijkheden er iets bijzonders van te maken. Ze zeggen niet voor niets ‘an unhappy childhood is a writer’s goldmine’. Met aanvaarding alleen kom je nergens, laat de vooruitgang dan maar zitten. Moesten vrouwen vroeger dan ook maar aanvaarden dan ze minder waren dan de man? Of de zwarte dan de blanke?

Waar je Sartre niet (of minder) over hoort, is het feit dat de geworpenheid niet exclusief bij de geboorte hoort, maar het hele leven doorgaat. Steeds weer gebeuren er dingen die van grote invloed zijn op jou, maar waar je zelf geen invloed op kunt uitoefenen. Vooral natuurlijk zolang je nog afhankelijk bent van anderen, zoals je ouders. Ze kunnen gaan scheiden, besluiten te emigreren, doodgaan. Je bent nooit klaar (gelukkig). Hoe ouder je wordt, hoe meer je zelf ook de geworpenheid van anderen bepaalt. In dit idee ligt de basis voor een moraal besloten, die je bij een simpel aanvaarden nooit zult vinden.

Aanvaarden is geen doel, maar een voorwaarde. Belangrijk, maar van ondergeschikt belang. En het diepste verlangen van de mens? Als de diepte van een verlangen de maatstaf wordt van wat de zin van het leven is, zijn we denk ik ver van huis. De mens is de mens een wolf. Spiritualiteit is geen gegeven, daar moet je iets voor doen. Kiezen voor je betere ik, daar ga je heus niet dood aan.

Digitaliseren is eindeloos

bookpedia

Al je digitale foto’s uitzoeken en de mooiste in een album laten afdrukken, de 38 toneelstukken van Shakespeare lezen, de stoel van Gerrit Rietveld nabouwen, je leven grandioos laten mislukken: iedereen bedenkt wel eens zo’n project dat op voorhand al gedoemd is te stranden. Ik ben daar ook heel goed in.

Als het project enigszins begrensd is, en het einde al vanaf het begin in zicht, maakt het nog enige kans van slagen. Zo heb ik al mijn cd’s op de computer gezet en goed getagged (toch ook een hels karwei). Alle muziek die er nu bij komt is al digitaal, dat is fijn. Opslaan en sluiten, cd’s in de schuur en klaar.

Dat is bij de twee projecten waar ik nu middenin zit – al maandenlang – wel anders. Het ene: mijn notitieboekjes digitaliseren. Het andere: mijn bibliotheek digitaliseren. Zowel van de notities als van de boeken komen er elke week nieuwe bij en dat maakt deze projecten tot projecten zonder eind.

Om het mezelf makkelijker en leuker te maken, en om een stok achter de deur te hebben, besloot ik het professioneel aan te pakken. Ik schafte twee programmaatjes aan die gemaakt zijn voor mensen zoals ik: Bookpedia en Notebook.

Af en toe voer ik een plank boeken in Bookpedia in. Maar dan staat er naast de bank alweer een stapel nieuwe. Omdat ik ondanks een neiging tot luiheid ook een tikkeltje perfectionistisch ben, wil ik per boek alle categorieën vullen. Voor ik het weet ben ik een half uur aan het nadenken wanneer ik De vermoorde dichter van Guillaume Apollinaire ook alweer heb gelezen (ik ben inmiddels trouwens bij de D). Heb ik het überhaupt gelezen? Ik heb er nu 128 ingevoerd, ik schat dat er dan nog zo’n 800 te gaan zijn…

Andere keren, vooral als ik weer eens als een vergeetachtige professor in mijn aantekenboekje zit te bladeren, op zoek naar dat ene citaat van zus of zo, andere keren voer ik een paar weken notities in Notebook in. En omdat ik wel praktisch en rationeel ben, maar ook heel goed ben in dagdromen, verlies ik mezelf in herinneringen aan de tijd dat ik die notities maakte. Het merendeel van de aantekeningen is een briljant citaat, daar word ik dan heel blij van. Dan droom ik weg in ellenlange gedachtespinsels, die allemaal uit dat citaat zijn af te leiden. Zowel de rationaliteit als het dagdromen vallen wat mij betreft onder het kopje nadenken. Inmiddels ben ik aanbeland in 2005.

Behalve dat je heel makkelijk boeken en citaten kunt terugvinden (mits je alles hebt ingevoerd natuurlijk), hebben de programma’s ook geinige extra’s. Notebook somt bijvoorbeeld in een alomvattende index alle gebruikte woorden op, zoals hier het begin van de K: En Bookpedia houdt je gemiddelde voorkeuren bij:

Mooi vind ik dat, kachel kader kakkerlakken… En zolang mijn vaakst gegeven beoordeling 4* is, ben ik op de goede weg.

Misschien is het ook wel fijn om te weten dat dit twee projecten zonder eind zijn. Dat betekent namelijk ook dat ze nooit definitief kunnen stranden.

Boetekleed is verdwijnmantel

atonement

Filmpersonages zijn vaak goed of slecht, en als ze slecht zijn en toch de hoofdrol spelen, beschikken ze wel over een verleden of een goed gevoel voor humor, waardoor ze alsnog sympathiek overkomen. Ik heb nu kennisgemaakt met een personage dat zo naar is dat ze eigenlijk niet de hoofdrol in een film zou mogen krijgen.

Ik heb het over Briony Tallis uit het Oscarwinnende Atonement. Eerder las ik al het boek van Ian McEwan, waar ik ook zo mijn bedenkingen bij heb. Atonement (in vertaling Boetekleed) is een van die verhalen waarover het moeilijk spreken is, omdat er een verrassing in zit die je niet wil verklappen. Die verrassing is echter de grootste reden van mijn bedenkingen. Ik waarschuw dus alvast: ik ga de verrassing verklappen. Je kunt nu nog iets anders gaan doen.

Het verhaal van Atonement is gruwelijk. En dan heb ik het niet over de verwondingen van soldaten die tot in detail beschreven worden, maar over de makkelijk uitgesproken leugen die de plot in gang zet en de levens van alle betrokkenen ingrijpend verandert, in negatieve zin. De dertienjarige Briony Tallis beschuldigt de verse minnaar van haar zus, tevens huisvriend en beschermeling van haar vader, valselijk van verkrachting. Ze weet dat ze liegt en houdt voet bij stuk. ‘I saw him.’

Haar vastberadenheid maakt Briony onuitstaanbaar, ja, zeg maar gerust een kutkind. Het filmpersonage weet geen moment sympathie te wekken, ik ergerde mij groen en geel aan haar. Enig begrip voor haar daad zou een interessant dilemma in de kijker opwekken, maar die daad is door en door egoïstisch en buitenproportioneel. In het boek is de innerlijke wereld van het kind nog zo mooi en genuanceerd beschreven dat je je als lezer op een ongemakkelijke manier medeplichtig voelt. Je wordt volledig meegevoerd in Briony’s prepuberale wereld, vol niet herkende emoties en fantasieën, zodat je als vanzelf in de leugen belandt. In de film is het gewoon een kutkind.

Nou ja, zulke sterke gevoelens van afkeer bij een fictief personage bieden op zich al genoeg stof tot nadenken. Bovendien wordt Briony ouder en ze realiseert zich dat door haar leugen een onschuldig man in de gevangenis zit en haar zus haar grote liefde kwijt is. De Tweede Wereldoorlog breekt uit en ze probeert iets goed te maken door gewonde soldaten te verplegen, net als haar zus met wie ze geen contact meer heeft. De minnaar en ex-beschermeling vecht aan het front. Wat blijkt? Alles komt goed: ondanks de oorlog beleven zus en minnaar een gelukkig samenzijn. Briony vraagt vergiffenis, die ze niet krijgt. Weten dat zij ze niet voor eeuwig uiteen heeft gedreven, is echter al een hele troost.

Dan komt de verrassing. Ik kende hem al uit het boek: Briony heeft ook het einde verzonnen. Niks gelukkig samenzijn, de twee geliefden gaan beiden dood aan het begin van de oorlog. Briony, inmiddels gevierd schrijfster, geeft ze in een boek het geluk terug dat ze hen eerst ontnomen had. Het is haar manier om boete te doen. Boete doen door de lezer bij de neus te nemen: die had ik nog niet eerder gehoord.

In de film duurt deze ontknoping zo’n vijf minuten, in het boek tientallen bladzijden. Zeer ergerniswekkend, vergelijkbaar met ‘en toen werd hij wakker en bleek het allemaal een droom’. Die Briony speelt voor God door in te grijpen in deze levens en wil vergiffenis krijgen door precies hetzelfde te doen. Begrijpt ze niet dat ze die gedoemde minnaars met rust moet laten? Dat ze wel genoeg ellende heeft aangericht?

Ik ben de enige die er zo over denkt. Ik heb geen één negatieve recensie van het boek kunnen vinden. Wel van de film, maar de kritiek heeft dan geen betrekking op het verhaal van McEwan, maar op de presentatie in de film. Dat zet me aan het denken: hou ik er niet van als een auteur me om de tuin leidt? In de recensies heet het een briljante wending, een postmoderne ontknoping of een reflectie op metatekstueel niveau. Pft! Ik vind het een trucje. Een trucje dat niet werkt, omdat ik Briony nog steeds onuitstaanbaar vind.

Hieruit volgt een meer verontrustende vraag: ben ik te star om te vergeven? Kan iedereen het kreng uit het begin loslaten en de boete van de oudere Briony op waarde schatten? Iedereen, behalve ik? Of ziet niemand in dat de boetedoening van de bejaarde Briony gestoeld is op dezelfde bemoeizucht als die van de dertienjarige? Ben ik de enige die dit doorziet? Wie is hier blind?

Mag je iemand die openlijk het boetekleed aantrekt afwijzen? Zijn er vormen van boetedoening die niet voldoen? De film roept deze vragen niet op, denk ik, daarvoor moet je bij het boek zijn. Dat maakt de film middelmatig en het boek – toch – goed. Dat komt vooral door de ongeëvenaarde stijl van Ian McEwan, die een caleidoscopisch beeld van een feilbaar karakter weergeeft.

Maar lees liever Saturday, waarin je ook van die stijl kunt genieten en je emotionele betrokkenheid niet aan een kutkind hoeft te geven. Waarin écht verrassende plotwendingen de plaats innemen van trucjes, en mijmeringen over een ver verleden vervangen zijn door zeer diepgravende en intelligente overpeinzingen over de actualiteit.