Flirt met het concrete

Vandaag herlas ik de inleiding die ik schreef bij Memento. Nagelaten vertalingen van Gerard Rasch. Elders op deze site is die geheel terug te lezen.

Daarom als illustratie hier een gedicht uit Memento, van Miron Bialoszewski.

Flirt met het concrete

plots
liefde
voor wie? wie?

de benen gebogen
omgekeerd knielend
beken ik het
de eerste
stoel
en er is ontroering
en samen buigen
en nu jij
o stoel
ik hou van je
stoel
ik hou van je
en dit is een tragische liefde
want daar is meteen
het loeren van het bedrogene al buiten de stoel
het zal uitkijken
mij ziengoed eruit zien
zich wreken

heb ik bedrogen? …?
ja:
buiten de stoel
wreekt zich – heeft uitgekeken
de bedrogen
rest van de wereld
die er mooi uitziet
er niet uitziet voor mij

Boy in Venice

Gisteren was ik een avondje alleen thuis. Een beetje moe en vastbesloten het rustig aan te doen, maakte ik van de gelegenheid gebruik een film te kijken waarvan ik vermoedde dat mijn vriend hem niet erg boeiend zou vinden: Death in Venice, de klassieker uit 1971 van Luchino Visconti, naar het boek van Thomas Mann uit 1912.

Het boek heb ik jaren geleden gelezen, en vermengt zich in mijn herinnering met De Toverberg. Iets met een ziekelijke man (Von Aschenbach) die urenlang met een deken over zijn benen op het strand zit te denken en naar die ene mooie jongen kijkt. Net als Hans Castorp in het sanatorium uit De Toverberg, die op zijn balkon in een soort slaapzak mijmert over de andere gasten, en dan vooral over de lijdelijk-mooie Claudia Chauchat.

En dan is er natuurlijk die ene mooie jongen – eigenlijk nog een jongetje – Tadzio, van wie ik een keer een foto zag op de cover van het boek The Beautiful Boy van Germaine Greer. Calvin Klein-model meets Jim Morrison, maar dan te jong om echt sexy te zijn, heel erg jaren zeventig en het onderwerp van de obsessie van een oude man. Björn Andresen, heet hij, en ik begrijp dat Visconti hem ‘the most beautiful boy in the world’ vond. Germaine Greer blijkbaar ook. Zoiets moet ik dan toch zien.

Zo saai en traag als het verhaaltje klinkt (hoewel De Toverberg niet in de laatste plaats een avonturenroman is met enkele onvergetelijk spannende cliffhangers), zo saai en traag vond ik het begin van de film. Steeds zien we een overzichtsshot, waarbinnen dan wordt ingezoomd. Het lijkt alsof in- en uitzoomen in 1971 maar op één snelheid kon. Ook is steeds de afstand die de camera overbrugt dezelfde. Op een zeker moment denk je ‘daar gáán we weer’ en kun je drie seconden lang een andere kant opkijken.

Maar opeens kreeg de film me in mijn greep. De blikken die Von Aschenbach en Tadzio uitwisselen, dat nauwelijks waarneembare glimlachje rond de jongensmond die het koude zweet doet uitbreken bij de cholerische oudere man, ze krijgen juist door die merkwaardige close-ups betrekking op jou en voor je het weet ben je als kijker zowel object als subject van de hunkering. Dat gaat zo subtiel dat ik niet eens merkte dat mijn ergernis omsloeg in fascinatie. Tadzio’s mondhoek die een millimeter krult, de manier waarop Von Aschenbach gelukzalig zijn wenkbrauwen optrekt, hoe hij zweeft tussen hoop en wanhoop, tussen gekte en zelfbeheersing, passie en rede: het zit allemaal in één complexe gezichtsuitdrukking besloten.

Veel gesproken wordt er in deze film niet, het gaat om het kijken, naar elkaar en naar de hemel, naar de opsmuk van de toeristen en de natte haren van jongens die uit de zee komen gestormd. Alles begint en eindigt met de ogen. En verdomd als het niet waar is: twee uur na het ergerlijke begin, wordt bij het overbekende einde mijn blik waterig en wazig. Net als die van Von Aschenbach, vlak voor hij in het aangezicht van zoveel schoonheid voor het laatst zijn ogen sluit. Van Björn Andresen is weinig meer vernomen. Hij blijft voor altijd the beautiful boy in de branding op het Lido.