Een sensatie die het leven verandert
Emotionele kunstbeschouwing volgens Hans Goedkoop en Henk van Os
Toegegeven: de discussie over de gebrekkige kennis die Nederlanders hebben van de vaderlandse geschiedenis duurt eigenlijk al te lang en loopt al te vaak uit op een klaagzang. Inmiddels is er een canon gemaakt met vijftig vensters, die natuurlijk ook uitnodigen tot klagen. De beta’s stelden hun eigen canon samen (geschiedenis is nu eenmaal een alfawetenschap) en het gerucht gaat dat ook gammawetenschappers bezig zijn de hoogtepunten uit hun vakgebied te canoniseren.
De vensters op de geschiedenis moeten Nederlanders, vooral kinderen en jongeren, warm laten lopen voor het vaderlandse verleden. Door bijzondere momenten te kiezen in plaats van een doorlopend verhaal te vertellen, zal de geschiedenis als een bom inslaan. Beelden (oftewel vensters) komen nu eenmaal beter aan dan lange chronologieën.
Twee sensaties

En wat mag dat dan zijn, een historische sensatie? Kort gezegd: een hevige indruk, opgeroepen door een historisch voorwerp, een kunstobject of plaats, die letterlijk in één klap het verleden levend maakt. Na zo’n indruk kun je haast niet anders dan je te verdiepen in de achtergrond of de voorgeschiedenis van het object. Het enthousiasme dat de historische sensatie wakker maakt zorgt zo vanzelf voor een uitbreiding van de kennis van het verleden.

Intermezzo: Waarom is kennis van het verleden eigenlijk noodzakelijk?
Ontvangst
Opvallend is dat het werk van de twee essayisten op een vergelijkbare, eigenaardige manier is ontvangen. Zowel Goedkoops als Van Os’ boek konden zich verheugen in uitermate positieve besprekingen in de christelijke dagbladen, terwijl de algemene dagbladen sceptisch tot ronduit afwijzend stonden tegenover de emotionele geladenheid van het werk van beide mannen. Over het algemeen hebben geen van de twee werken veel aandacht gekregen. (Een greep uit de recensies)
Het concept van de emotionele indruk als maatstaf in de kunstbeschouwing (ten slotte is Henk van Os ook in de eerste plaats kunsthistoricus) valt misschien goed in de smaak bij de religieuze lezers, omdat dit een manier is om de maatschappelijke en levensbeschouwelijke onverschilligheid van bijvoorbeeld schrijvers aan de kaak te stellen.
'Wat hij (Goedkoop) signaleert is natuurlijk een gevolg van de secularisatie: het verlies van krachtige waarden, ingebed in een levensbeschouwing. De huidige cultuur en zeker ook de Nederlandse literatoren zijn kritisch ingesteld als het gaat om levensbeschouwing. Veelal komt het erop neer dat men vindt dat het leven geen enkele zin heeft, dat de mens geen levensbestemming heeft en dat wat wij weten en kennen hoogst twijfelachtig is.’ (Tjerk de Reus, ‘Wezenloosheid van de literatuur’)

De banden hersteld
Wat houdt nu precies die ‘sensationele’ manier van kunstbeschouwing in? Dat is misschien het beste duidelijk te maken door te expliciteren waartegen de auteurs zich verzetten, namelijk de historische benadering (Van Os) en de kritiek (Goedkoop) die het kunstwerk als volledig autonoom opvat. Goedkoop maakt dit op een originele manier duidelijk. In zijn hoedanigheid van recensent leest hij zeer veel moderne Nederlandse romans. Het valt hem op dat de personages in deze romans zich steeds verder terugtrekken uit de werkelijkheid. Eerst alleen in maatschappelijke zin – de personages willen niets meer te maken hebben met de burgerlijke samenleving. Later in een meer fundamentele zin – hun perceptie van de werkelijkheid raakt geheel verstoord.

Dat deze contextgerichte benadering van kunst begint bij de persoonlijke ervaring, en dat de band tussen werk en lezer (of museumbezoeker, luisteraar etc.) de eerste is die hersteld wordt, zien we ook bij Van Os. De historische sensatie waar hij van spreekt is een puur subjectieve, niet communiceerbare gebeurtenis die jou overkomt en die je niet kunt doorgeven. Maar alleen de persoonlijke beleving kan een verbreding van de beschouwing in gang zetten; de subjectieve ervaring is een noodzakelijke voorwaarde voor objectieve kennis.
Zelfkennis: doel en middel
Goedkoop gebruikt de romans die hij leest om iets te leren. Hij durft zelfs te schrijven, bijna alsof hij iedereen op de kast wil jagen: ‘Literatuur is daarom geen doel in zichzelf. Ze is een middel.’

De bevestiging van deze eigenschap bij zichzelf leidt tot een analyse van de jacht op onmiddellijke ervaringen in onze maatschappij. De analyse is aan de ene kant diepgaander, omdat Goedkoop nu uit eigen ervaring weet waar hij over praat, aan de andere kant is die eerlijker, omdat een belangrijk vooroordeel geen kans meer krijgt om zich te doen gelden. Blijkbaar kunnen intellectualiteit en een hang naar oppervlakkigheid zich heel goed in één persoon verenigen.
Uiteindelijk keert Goedkoop weer terug naar de roman, die eveneens een diepgaande analyse heeft ondergaan. Zo toont Goedkoop aan hoe bestudering van de context heel vruchtbaar kan zijn voor het begrip van een roman, van de lezer en van de werkelijkheid waarin roman en lezer samen bestaan. Goedkoop laat van het aloude schema (schrijver – tekst – lezer) alleen de auteur buiten beschouwing, hoewel hij er niet vies van is ook verwijzingen naar het leven van de schrijver aan te wijzen, zoals in het geval van Connie Palmen. Het is dan ook bijna onmogelijk om het bestaan van zo’n verwijzing in bijvoorbeeld Palmens I.M. te negeren.

De invloed van de werken op de individuele ‘consument’ is groot. En als elke sensatie of aanraking met kunst in de eerste plaats persoonlijk is (later kan die boven het persoonlijke niveau uitstijgen), zullen deze essayisten iets van hun persoonlijke ondervinding moeten delen, wil hun argument overtuigen. Bovendien is de zelfkennis die ze daarmee etaleren niet alleen een doel in zichzelf. De zelfkennis fungeert ook als een middel, namelijk om iets te leren over de maatschappij waarin het onderwerp van de kennis, het ‘zelf’ leeft.
Intermezzo: Filosofische zelfkennis
Blijft de vraag of zelfkennis, ervaringsanalyse en dergelijke ook belangrijk zijn als het gaat om kunst, literatuur en geschiedenis. Zoals we hebben gezien gebruiken Van Os en Goedkoop de kunst met een bepaald doel, namelijk het vergroten van hun inzicht in de maatschappij of het stimuleren van historisch besef. Wanneer zij spreken over hun emotionele ervaringen of sensaties met kunst, bevinden ze zich in een eerder stadium. De indrukken die ze beschrijven (en die we met gemak onmiddellijk kunnen noemen, dus Goedkoop hoeft niet naar de drugs te grijpen), zijn indrukken van de kunst ‘om de kunst’, pas later, als de intellectueel weer grip krijgt op zichzelf, begint het proces waarin die indruk wordt omgezet in kennis en inzicht.
Degenen tegen wie de twee schrijvers zich afzetten, gaan nu juist uit van de mogelijkheid het kunstwerk los van zijn context te beschouwen. Toch willen deze autonomistische critici ook iets over het werk kunnen zeggen, al treden zij daarmee niet buiten de grenzen van dat werk. Maar Van Os en Goedkoop laten zien dat alles wat je als individuele criticus over een werk kunt zeggen, begint bij je allereerste ervaring van dat werk. Als je geen aandacht besteedt aan wat het werk tegen jou over jou zegt, kun je ook zelf weinig over het werk zeggen.

Het probleem van de methode
Voor kennis heb je indrukken nodig, maar om indrukken te krijgen is kennis vereist. Zowel Goedkoops als Van Os’ betoog bevatten deze cirkelredenering. Zeker Van Os schrijft met het oogmerk bij te dragen aan de oplossing voor het nijpende gebrek aan historische kennis. De cirkelredenering maakt het echter moeilijk een soort methode uit de essays te distilleren. Alles mooi en wel, maar hoe krijg ik ook van die indrukken?
Deze vraag is wat gemeen en overbodig, want de reden dat Van Os en Goedkoop me aanspreken is nu juist dat ik in hun beschrijvingen mezelf en mijn omgang met kunst herken. Die indrukken heb ik dus al binnen. Een andere vraag is: wat moet je doen als je zo’n ervaring rijker bent? Moet je die publiek maken? Of moet je je alleen uitspreken wat die ervaring je oplevert, dus alleen de ‘objectieve’ of algemene inzichten en niet de manier waarop je die inzichten hebt verkregen? Maar is dat dan wel eerlijk en reëel? En is er een manier om die sensaties te faciliteren? Van Os antwoordt op deze laatste vraag ontkennend, Goedkoop gaat in het geheel niet op de kwestie in. Waardevolle en leerzame indrukken kun je met alle boeken opdoen, zegt hij, zelfs met romans die eigenlijk onder de maat zijn.

Misschien kunnen Van Os en Goedkoop inderdaad leren hoe ze hun autobiografie meer kunnen integreren in een algemeen betoog, misschien is het een kwestie van onderwerpkeuze en voelen weinig mensen zich aangesproken door de passages uit juist hun levens, misschien hangt alles af van de stilistische kwaliteiten van de essayist, die immers ervoor zouden moeten kunnen zorgen dat elk onderwerp en elke ervaring interessant wordt.
Intermezzo: Proust en de impressie
Ten slotte: naderen de essayistiek en kunstkritiek op deze manier de literatuur niet te dicht? Begeven we ons niet te ver in het schimmige middengebied van de driehoek literatuur – autobiografie – kritiek? Ja, waarschijnlijk doen we dat. Nee, dat is helemaal niet erg. Voor hen die nog twijfelen: grensvervaging is heel modern. En heel ouderwets.
© Miriam Rasch 2005-2008
Hans Goedkoop, “Een verhaal dat het leven moet veranderen” Amsterdam, Augustus, 2004.
Henk van Os, “Moederlandse geschiedenis” Uitgave van het CPNB, Boekenweekessay 2005.