Grafherrie in de herfstzon

grafherrie

Bleef mijn beschrijving van de herfstzon bij een mislukte poging een paar zinnen op te diepen uit mijn geheugen, Martin Bril wist zijn lezers wel te trakteren op een citaat. Ook hij zocht al tijden naar een adequate beschrijving van dat bijzondere herfstlicht, en moest zijn meerdere erkennen toen hij de beschrijving niet zelf op papier zette, maar vond in een boek. Jammer genoeg heeft hij het niet over Noem me bij jouw naam (was dat even makkelijk geweest), maar over Robert Penn Warrens All the King’s Men. Zijn herfstlicht is dan ook niet het mijne: Bril zoekt het blauw van een high noon, terwijl het mij gaat om het roodoranje van de namiddag.

Op de een of andere manier lukt het André Aciman om in Noem me bij jouw naam woorden te vinden voor de spectrale gemoedsgesteldheid van de hoofdpersoon, een gesteldheid die we ook wel kennen als verliefdheid. Ook Bril ervaart een aan afgunst grenzende bewondering voor mensen die de woorden vinden waar jij vruchteloos naar zoekt. Een heel andere bewondering dan die voor muzikanten, die op haar beurt weer grenst aan verliefdheid. Bril noemt nog meer dingen op die ontsnappen aan de taal: het geluid van een tennisbal, de geur van vrouwenzweet en spek.

Hij vergeet het belangrijkste. Muziek. Hoe beschrijf je in vredesnaam muziek. De eerste keer dat ik me dit afvroeg was bij een concert van de Red Hot Chili Peppers, augustus 2001 in de Jaarbeurs (ja echt, de Jaarbeurs). Ik wilde de Peppers al zien sinds mijn vijftiende verjaardag, toen ze in de Rai zouden komen en ik van mijn zus een kaartje zou krijgen. Helaas, afgelast. Het optreden in de Jaarbeurs was te gek, ondanks die locatie (is sindsdien ook nooit meer een concert geweest volgens mij). Ik herinner me nog haarscherp hoe ik daar compleet uit mijn dak ging en opeens dacht ‘Hier moet ik over schrijven!’ En meteen daarop: ‘Hoe moet ik hier in hemelsnaam over schrijven?!’

Sindsdien lees ik graag over muziek, om het vak af te kijken. Het valt me op dat het bijna altijd ergens anders over gaat. Schrijven over de aan verliefdheid grenzende bewondering voor getalenteerde en knappe frontmannen is zo moeilijk nog niet. In interviews met bands gaat het over de weg naar de roem, de samenwerking met de producer, het hutje op de hei waar de plaat is opgenomen of de betekenis van een tekst – als het al niet alleen maar gaat over het sterrendom en de roddels die daarbij horen. In concertbesprekingen wordt de setlist doorgenomen, het stembereik besproken en het publiek beoordeeld.

In recensies gaat het soms over het muzikale, om het maar even zo aan te duiden. Bijvoorbeeld over het specifieke geluid dat een bepaalde producer aan een album toevoegt. Best saai. Het leert je waar je op moet letten, hoe je een plaat beter kan beoordelen. Maar het is best saai om te lezen.

Hoe had ik zo stom kunnen zijn? Natuurlijk gaat het altijd over iets anders! Wat wilde ik over de Peppers schrijven? Iets over de maatvoering en akkoordenschema’s? Welnee, ik ging uit mijn dak en dat gevoel wilde ik overbrengen. In mijn meesterwerk dat nog moet meesteren probeer ik het.

En dan, verdomd, gebeurt waar ook Martin Bril voor vreest: ‘En al die tijd bestaat het risico dat je iemand leest die er wel al in is geslaagd.’ Remco Daalder heet de man en hij schreef het boek Grafherrie. Alleen al om die titel (ondertitel: punkroman) lees je zo’n boek. Het verhaal is dun, de personages nog dunner, maar dat vergeef je hem direct als je bij de concertbeschrijvingen aanbelandt.

‘Niet elk punkconcert is ook geslaagd. Het is pas geslaagd als de muziek in je hoofd zit, in je onderbuik, in je darmen, als de gitarist je zenuwstelsel aanstuurt, de drummer je armen en benen alle kanten op zwiept, de bassist je ingewanden uitbeent, als je hoofd leeg is, alle problemen en complicaties vergeten zijn, je ledematen als die van een trekpop alle kanten uitgaan met je lichaam erachteraan. Er is geen band meer en geen publiek, er is alleen nog een massa individuen die geen individu meer zijn, maar die één grote door dezelfde krachten aangestuurde klont vormen.’

Zo doe je dat dus. Ook weer opgelost.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *