Seks en filosofie: Alain de Botton – Meer denken over seks

botton_seks

Op 8WEEKLY: Seks en filosofie. Filosofie en seks.

Seks en filosofie. Filosofie en seks. Zo, nu ben ik in elk geval verzekerd van heel veel pageviews. Zoiets moet Alain de Botton ook hebben gedacht, maar dan met betrekking tot verkochte exemplaren van zijn boekje Meer denken over seks.

‘Filosofie voor een ontspannen seksleven’ staat er op de achterflap. Dat is belangrijk, omdat de vraag zich tijdens het lezen opdringt of je je niet hebt vergist met de veronderstelling een filosofisch werkje in handen te hebben. ‘The School of Life’ levert zelfhulpboeken nieuwe stijl, maar wél expliciet onder de noemer filosofie.

Kluwen van vooroordelen
Oké. Wat is filosofie? Het stellen van de juiste vragen, is een antwoord. De betekenis van woorden en hun werking onderzoeken, kun je ook zeggen. Plus natuurlijk tienduizend dingen meer. Eén ding is echter zeker: Meer denken over seks is geen filosofie, zelfs geen populaire filosofie, ook niet filosofisch als in ‘diep’, het is zelfs geen denken en ook geen zelfhulpboek.

Bataille, Foucault, Michel Onfray, maar ook Plato en Schopenhauer: namen die in het lijstje ‘Filosofie en seks’ staan (ja, ik heb zo’n lijstje). Aangevuld met schrijvers Houellebecq en Grunberg, Coetzee en Willem Jan Otten (over porno). Alles bij elkaar niet echt het recept voor een ‘ontspannen seksleven’ – en waar zijn de vrouwen? – maar denk eens kritisch (ook wel: filosofisch) na over dat woordenpaar, ‘ontspannen seksleven’ en er ontvouwt zich direct een kluwen van vooroordelen en begripsverwarring. Niet erg, want daar houden filosofen van. Alain de Botton? Die houdt alleen van gladstrijken, van schijnproblemen en overstuurde ironie.

De kaasschaaf erover
Bovenstaande namen zoek je tevergeefs dit ‘filosofisch boek over seks’ zoals het nog eens in de inleiding heet. Schopenhauer en Flaubert komen zijdelings voorbij, maar de meest aangehaalde naam is – naast het fictieve echtpaar Jim en Sally – tromgeroffel… Freud. Nu zijn er gegronde redenen om Freud (deels) een filosoof te noemen, maar De Botton bekommert zich daar niet om. Filosofie is hier: psychologie, aangevuld met een snufje neurowetenschap en evolutiebiologie. De kaasschaaf erover en het overblijfsel strooien over slecht vertelde anekdotes over oninteressante mensen: dat is de filosofische methode die hier gebruikt wordt.

Erger is dat De Botton slordig formuleert, wat onhandig is als je de betekenis van woorden en hun werking wilt onderzoeken, en antwoord op antwoord stapelt zonder zich te verwonderen, zonder te vragen dus. Af en toe duikt er een aardige zin op: ‘Erotiek lijkt zich dan ook het scherpst af te tekenen op het raakvlak van het formele en het intieme.’ Maar vooral krab je je op je hoofd om de platitudes en volkomen rare stellingen; en nee, je krabt je bij het lezen niet ergens anders. Als je in elk geval nog opgewonden zou raken van Meer denken over seks, was er al iets gewonnen.

Bijvoorbeeld
Over impotentie: ‘Impotentie kwam voort uit de toenemende empathie die ontstond door de verbreiding van de Gulden Regel (‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’).’ Over seksuele therapie: ‘Dat zo’n hulpdienst er nog niet is, komt alleen maar doordat het kapitalisme nog in de kinderschoenen staat.’ In aanloop naar een stuk over internetporno:

Zoals pleitbezorgers van het internet altijd weer benadrukken, is het een fantastisch leermiddel dat de steeds wisselende verstandelijke inbreng van over de continenten verspreide volkeren samenvoegt tot één gigantische, constant actieve mondiale geest.

(Ik vermoed dat bij deze laatste zin een specifieke vorm van ironie in het spel is, en een gehaaste vertaler.) De vreugde om Aristoteles tegen te komen, wordt al snel gesmoord in, ja in wat eigenlijk?

Voortreffelijkheid, zoals omschreven door Aristoteles in de Ethica Nicomachea – de volledige ontplooiing van wat het meest kenmerkend is voor de mens in overeenstemming met de deugden – is een gepasseerd station wanneer een anonieme vrouw ergens in de voormalige Sovjet-Unie op een bed wordt gedrukt, er drie penissen ruw in haar lichaamsopeningen worden geduwd en het tafereel dat zich vervolgens afspeelt wordt vastgelegd ter vermaak van een internationaal publiek van maniakken.

Snel Marcus Aurelius erbij gepakt, die seks beschreef als ‘niets anders dan het over elkaar heen wrijven van stukjes ingewand, gevolgd door de spastische uitscheiding van wat slijm’.

Statusangst en de remedie van Schopenhauer

statusangst

Ik heb eens de fout gemaakt om zomaar, zonder nadenken, te laten vallen dat ik misschien wel een beetje last heb van statusangst. Op mijn werk. Dat heb ik geweten, want die tussen neus en lippen door geplaatste opmerking is al een paar keer terug in mijn gezicht geboomerangd.

Wat ik bedoelde was dat ik soms bang ben dat mensen me niet serieus nemen. Dat komt natuurlijk voort uit een menselijk al te menselijke onzekerheid over het eigen kunnen (misschien wel vrouwelijk al te vrouwelijk). Tijdens mijn studie is dat verder gevoed doordat de mannelijke studenten serieuzer werden genomen dan ik (een vrouw), ook al waren ze minder serieus met hun studie bezig dan ik.

Nu werk ik aan de universiteit en ontmoet ik aan de lopende band doctoren, hoogleraren en oude mensen die op gratis lezingen afkomen. Om de vriendelijke der openingszinnen te memoreren: ‘Goh, wat studeer jij?’ ‘Is dit een leuk bijbaantje?’ Zucht. (Begin ik al vervelend te klinken? So be it.)

Om me te wapenen tegen die mensen – die het over het algemeen goed bedoelen -, om me te wapenen tegen mezelf en mijn achteloze opmerking die maar niet ongedaan gemaakt wil worden, besloot ik het boek Statusangst te lezen. Ik had me de titel van Alain de Bottons boek eigen gemaakt zonder het ooit opengeslagen te hebben. (Ik hoor nu sommige mensen denken: als dat is hoe het zit met die belezenheid van jou, geen wonder dat je dan last hebt van statusangst. So be it.)

Bij De Botton gaat het meer om afgunst op materieel vlak en niet zozeer om de angst geestelijk niet voor vol te worden aangezien. Keeping up with the Joneses, de auto van de buurman en zo. Zoals hij dat zo goed kan, traceert hij de geschiedenis van die afgunst en biedt hij handreikingen waar de lezer in het dagelijks leven wat mee kan aanvangen. Vroeger hadden mensen geen last van statusangst omdat de maatschappij een hiërarchie kende die onveranderlijk werd geacht. Met opwaartse mobiliteit, keuzevrijheid en van die dingen meer, ontstond de overtuiging dat je succes van jezelf afhangt. En dat anderen je daarop mogen, nee zúllen afrekenen.

Dat lijkt niet echt op mijn probleem van toepassing. Het interesseert me werkelijk geen biet wat voor auto de buurvrouw rijdt. (Een onderdeel van mijn hippie-opvoeding waar ik me gelukkig mee prijs.) Nee, het probleem ligt ook niet in het feit dat anderen meer hebben, kunnen of doen en dat ik dat ook wil, het gaat niet om bezit. Het gaat natuurlijk om gedachten. Dat is ook de fuck-up eraan. Want bezit kun je beïnvloeden en gedachten niet.

Maar gelukkig heeft Alain de Botton ook altijd een oplossing. Die oplossing is meervoudig en ga ik hier niet helemaal uit de doeken doen (de catharsis die tragische personages bieden, want hun zit het al helemaal niet mee, het aantrekkelijke van een bohemienbestaan (zie hippie-opvoeding)). Eén citaat is echter blijven hangen:

‘Andermans hoofd is een te ellendige plek om als zetel voor waar geluk te dienen.’
Arthur Schopenhauer, Parerga en Paralipomena

Dit werkt in noodsituaties als een mantra. En vervolgens, als de statusangst is gaan liggen, als een instrument voor methodische reflectie. Wat statusangst – of in elk geval mijn verschijningsvorm ervan – doet, is jouw waarde laten afhangen van wat zich in het hoofd van een ander afspeelt. Van gedachten inderdaad. Andermans gedachten kun je niet veranderen, maar je kunt ze wel negeren. Beter gezegd: jouw versie van andermans gedachten – die per definitie onkenbaar zijn – kun je negeren.

Dat schept rust. Pfiew, wat is jouw hoofd een ellendige plek om als zetel voor mijn geluk te dienen, bekijk het maar! Daar doe ik niet aan mee. Maar daar moet je niet stoppen (zeg ik, niet Alain de Botton). Want er zijn natuurlijk mensen wier mening wél waardevol is. Die wél als de zetel van je geluk dienen (bij wijze van spreken). Wie zijn dat? Dan wordt het interessant.

Alain de Botton over mislukking (en succes)

We wouldn’t call Hamlet a loser, he is someone who has lost.
(Alain de Botton, TEDTalk A kinder, gentler philosophy of success)

Dit citaat is onvertaalbaar en prachtig. Het duidt precies aan wat tragiek inhoudt: verliezen van het leven, zonder een mislukkeling te zijn. Er gaat ook een grote troost van uit. Ik schreef in Mislukking en het karakter als catastrofe: ‘Graven tot op de bodem van je catastrofale karakter, de mislukking recht in de ogen kijken en weer omhoog klimmen om de hele wereld je vondsten te tonen.’

Dat is wat Hamlet (Shakespeare) heeft gedaan. Misschien moet er geen mislukking staan, maar verlies. Het leven is een aanhoudende strijd met de wereld en uiteindelijk verliest iedereen. Door je verlies te tonen aan de wereld van wie je hebt verloren, boek je toch nog een symbolische overwinning. Wel oppassen dat je je niet verliest in de glorie van het verlies en via de omgekeerde weg van slachtoffercultus jezelf als overwinnaar ziet.