André Aciman – Harvard Square

harvard-square

André Aciman laat in Harvard Square een heel ander beeld van Harvard University zien dan de glamour en genialiteit van de verfilmde upperclass. Zijn naamloze verteller en alter ego is een straatarme immigrant, die vooral studie-ontwijkend gedrag vertoont – voor  deze promovendus een existentiële staat. Zoals ook Acimans romans Noem me bij jouw naam en Witte nachten zich in de tussentijd afspelen – tijdens een lange zomer en de week tussen kerst en oud en nieuw – zo doolt ook deze man rond in onbestemde tijd, voor een belangrijk examen waarvan zijn toekomst afhangt.

Ook ballingschap is een thema van Aciman, zelf van Egyptische afkomst maar al jaren woonachtig in de VS. Ballingschap betekent ook leven in een tussenstadium, kun je zeggen, gekenmerkt door ontheemding. Altijd onderweg naar een onbekende bestemming, vanuit een plaats waarnaar je niet meer terug kunt keren, leeft de balling in een permanent tussenstation.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Leven in de tussentijd
Meer over André Aciman hier.

In Harvard Square volgen we de ik een paar maanden, van het eind van de zomer van 1977 tot januari van het volgend jaar, wanneer hij zijn tussentijdse examens in de zeventiende-eeuwse literatuur moet doen. Aan Harvard betekent dat dat je zo’n beetje dat je álle boeken uit die eeuw gelezen moet hebben, plus de literatuur erover. Hij hangt wat met een boek op het dakterras, maar kan zich niet zetten tot serieuze studie. Dat komt grotendeels doordat hij zich laat meeslepen in een opmerkelijke vriendschap.

In café Algiers aan Harvard Square ontmoet hij zijn lotgenoot Kalaj – spreek uit ‘kalash’, naar kalasjnikov. Waar de ik-figuur verlegen is, is Kalaj een player met een buitengewoon grote bek. Ze zijn als de dikke en de dunne, de Jood en de Arabier, zonder een biet te geven om politiek. Ze zijn allebei even arm, maar Kalaj is een kok uit Tunesië die zich heeft omgeschoold tot taxichauffeur, terwijl de verteller zijn eerste stappen zet in de Ivy League-wereld en op theekransjes onderonsjes voert met de vrouw van de professor.

 

Hij kon wreed zijn, ik was zelden aardig

Kalaj verslijt de ene vrouw na de andere, met slechts één doel: een verblijfsvergunning veroveren. De hoofdpersoon zou dezelfde energie in zijn examen moeten stoppen – dat is in feite zíjn verblijfsvergunning – maar probeert wanhopig zijn vriend na te doen. Hij schept tegen Kalaj op over zijn verovering door haar niet bij haar naam te noemen:

‘“Ik was eigenlijk van plan om bij la quarante-deux aan te kloppen als ik met mijn werk klaar ben. Zij is mijn reserve,” zei ik in een poging om een sfeer van mannelijke solidariteit op te roepen die hij volgens mij wel kon waarderen.
“Nou, gefeliciteerd, jij bent een reserve en zij is een reserve, je hele leven is één grote reserve. Ik wil niet beweren dat ik meer weet dan jij, maar het enige echte in jouw leven zijn je boeken, en wie weet zijn die wel de geniepigste reserve van allemaal. Ik begrijp het niet, en om heel eerlijk te zijn wil ik dat ook niet. Bonne soirée.”
Rat-tat-tat.’

Onder al die bravoure gaat natuurlijk onzekerheid schuil. De vrienden vinden elkaar in hun ontheemding, het verlangen naar het verleden of naar de toekomst, als het maar elders is. In de tussentijd brengen ze het heden samen door. Zowel met Amerika als met elkaar hebben ze een haat-liefdeverhouding. ‘Hij kon wreed zijn. Ik was zelden aardig,’ stelt de ik.

De twee willen zo graag opgenomen worden in het beloofde land dat ze zich op voorhand indekken tegen teleurstelling door constant Amerika en de Amerikanen af te zeiken, in hun gezamenlijke Franse taal. Alles wat ze doen is een afgeleide. Koffie drinken om niet te hoeven studeren. Wijn drinken om er gratis hapjes bij te krijgen. Seksen om je gelijk te behalen op een wereld die jou eigenlijk niet wil herbergen. Dwepen met Frankrijk om je verlangen naar Amerika te verbergen.

Slechtheid en eenzaamheid

We zitten in de tussentijd, die niet kan voortduren. Het gaat mis als de twee werelden elkaar te dicht naderen. Als iedereen op ziekenbezoek komt bij de verteller – Harvardstudenten en -professoren in dezelfde kamer als Kalaj en de serveerster van café Algiers – realiseert hij zich dat hij moet kiezen.

De aantrekkingskracht van Acimans schrijverschap ligt – naast het beschrijven van die tussentijd en de plaatsloosheid van de balling – in zijn oprechtheid, zeker waar het gaat om slechte eigenschappen. De verteller schaamt zich voor zijn laffe acties, maar probeert ze niet goed te praten of te verbergen. Integendeel, steeds probeert Aciman ze zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven, waar ze vandaan komen, welke emoties en driften eraan ten grondslag liggen. In Noem me bij jouw naam en Witte nachten ging het daarbij om de verschillende gezichten van de (erotische) liefde, van het orgiastische geluk tot de lelijke tronie van verraad. De vriendschappelijke liefde verschilt daar niet erg van.

De conclusie is steeds even eenvoudig maar daarom niet minder confronterend: we staan er uiteindelijk allemaal alleen voor. ‘Ik stond even ver van hem af als van de mensen hier,’ beseft de hoofdpersoon. Hij is alleen op de wereld, in een wereld die bovendien ook niet de zijne is.

Beste boeken 2012

word-existentialist

De lijst staat verder naar beneden, eerst de Bookpedia-statistieken:

Ik las dit jaar 40 boeken boeken, waarvan 5 grotendeels gelezen.
Mee bezig: de teller staat op 8, nadat een aantal terug zijn gebracht op Ongelezen of Niet uitgelezen. Waanzin.

Uiteindelijk heb ik een stuk minder boeken gelezen dan voorgaande jaren (2008, 2009, 2010, 2011). Dat heeft zo z’n redenen, ik ben aan een nieuwe baan begonnen waar ik veel losse dingen voor heb gelezen – boeken die ik voor het grootste gedeelte heb doorgewerkt zijn meegeteld.

Een andere reden: er zijn maar weinig boeken geweest die me zodanig hebben meegesleept dat ik ze als een hongerige wolf heb verslonden. Een matig boekenjaar dus, in mijn optiek.

Ik las vooral veel filosofie en essays, de uitgeverijen Lemniscaat en Boom zijn beter vertegenwoordigd dan de grote literaire jongens. Bijna de helft stamt uit 2012 – mijn conclusie: minder nieuwe boeken lezen en meer oude zal het leesgenot misschien weer doen verhogen.

Gemiddeld aantal sterren: 3,175. Wat inderdaad een zeer gemiddeld getal is.
Waarvan twee keer 1 ster (dat is nog nooit voorgekomen denk ik) (hier en hier vind je welke dat zijn).
En ook slechts twee keer 5 sterren (tekenend).

Voor wie zijn die vijf sterren dan?
Ten eerste Gary Cox – Word existentialist die me inspireerde tot een heus manifest.

En twee, een boek dat ik nota bene al gelezen had, jaren terug, en nu onderwerp was van de leesclub waar iedereen jaloers op mag zijn, Bier met Boeken: Vladimir Nabokovs Pnin.

Nu ik erover nadenk is Bier met Boeken misschien wel mijn beste ‘boek’ van het jaar.

Vooruit, er was natuurlijk meer moois. Hier dan:
André Aciman – Alibi’s. Essays over elders. Een intellectueel genot, zeker ook om een recensie over te schrijven. (Zinnen als herinneringen)
J.M. Coetzee en Paul Auster – Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011. Ook dat recenseerde ik, voor Athenaeum: Een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid.
Dit was toch ook het jaar van mijn ontmoeting met Paul Auster, groot schrijver en groot mens. (Hier mijn verslag)
Susan Cain – Stil. Absolute eye-opener over wat het betekent om introvert te zijn. (Introvert en extravert, de kantoortuin en zure matten)

Lees vooral ook:
Oek de Jong – Pier en oceaan (Mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee)
John Williams – Stoner (Literatuur, liefde, leren, leven: John Williams – Stoner)
Patrick Lapeyre – Het leven is kort en het verlangen oneindig (recensie en een rêverie over de verliefde man)
John Green – Een weeffout in onze sterren. Onlangs in één ruk uitgelezen, prachtig boek over ziekte, dood, liefde en vriendschap en zestien jaar oud zijn.
In een doorwaakte nacht las ik in enkele uren Imre Kertész – Liquidatie. Een heftige ervaring.

De filosofische tips:
Mark Vernon – Een beetje geluk met filosofie. Korte stukjes, maar vol diepgang en nergens maakt Vernon zich er makkelijk van af.
Michael Sandel – Rechtvaardigheid. Erg Amerikaans, maar niemand legt de categorische imperatief van Kant beter uit dan hij.
Bert Keizer – Waar blijft de ziel? Essay voor de Maand van de Filosofie.
Daar hoort ook bij gelezen te worden: Jan Bor – Wat is wijsheid?
(Nu nog mee bezig, dus mag eigenlijk niet: Paul van Tongeren – Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst en op de valreep begonnen aan Karl Ove Knausgård – Vader, een boek dat aan me trekt en duwt en waar ik snel naar terug wil en tegelijk bang voor ben)

Zo bezien was het toch een mooi boekenjaar! Maar mijn wens voor volgend jaar is weer omvergeblazen worden. Is het niet door boeken uit 2013, dan zoek ik ze zelf wel in het verleden.

Zinnen als herinneringen: André Aciman – Alibi’s

alibis


Op 8WEEKLY: Zinnen als herinneringen

De autobiografische essays in Alibi’s van André Aciman zijn een verkenning van de plaatsen waar de auteur geleefd heeft, die hij heeft verloren en gezocht. En verkenning in één woord, van ballingschap.

Schrijven over de liefde, of beter: verliefdheid, dat doen er weinigen zo doordringend als de van oorsprong Egyptische André Aciman in zijn romans Noem me bij jouw naam en Witte nachten. Verliefdheid is het vehikel voor de achterliggende thematiek van herinnering, de ervaring van geluk en melancholie – en natuurlijk vooral hoe de ervaring van geluk door de processor van het geheugen verandert in melancholie. Al eerder schreef Aciman een essaybundel genaamd Valse papieren, wat bijna klinkt als een andere vertaling van Alibi’s. In beide bundels gaat het over hetzelfde als in die romans: herinnering, ervaring, melancholie en geluk. Maar hier geen liefdesgeschiedenis die dit in een verhaalvorm giet.

Aciman durft
Schrijven over liefde is een ultieme test kun je zeggen; Aciman flikte het ‘m om je alle stadia mee te laten voelen. Van vlinders in je buik tot aan het soft-erotische toe, maar ook de constante angst die je overal achtervolgt als je verliefd bent, zonder de zekerheid dat die liefde ook beantwoord wordt. Een zekerheid die je nooit in zijn geheel zult bezitten. De verliefdheid is zo fantastisch beschreven, dat je zelf verliefd wordt. Het zijn boeken die je stemming in bezit nemen tijdens het lezen, ook al zweven ze soms op het randje van de kitsch. Maar Aciman durft in elk geval.

Wat vooral gedurfd is, is dat hij in zijn romans de grens over gaat en niet alleen het verlangen naar geluk beschrijft, maar ook het bereiken ervan. Dat is misschien nog moeilijker in woorden te vatten dan de liefde. En weer flikt-ie het hem. (Uiteraard zullen de personages dat geluk weer net zo hard verliezen, maar ondertussen las ik nergens, behalve misschien in sommige gedichten, zo’n gewaagde en geslaagde poging om een nauwkeurige weergave te geven van ervaren geluk.) Ook in Alibi’s staat een essay waarin de schrijver verder gaat dan je durft te hopen. In ‘Mijn Monetmoment’ (be)zoekt Aciman een villa waar Monet ooit schilderde – zoals gezegd gaat het in deze bundel steeds om plaatsen. Getraind in ellende als je als moderne lezer bent, zit je te wachten op de slechte afloop die je al van verre denkt te zien aankomen. Maar nee! Het geluk bestaat, in die villa van Monet aan de Italiaanse bloemenkust. Het is een essay van grote schoonheid.

Zoektocht van een balling
Noem me bij jouw naam en Witte nachten zijn romans waarvan je denkt: wat gebeurt er nou helemaal? In essays hoeft natuurlijk minder te gebeuren; er moet gedacht worden en die gedachten, die zoektocht, graag in een mooie taal gegoten. De essays van Aciman handelen ook letterlijk over een zoektocht, de zoektocht van de balling naar zijn thuis. Over zichzelf vertelt hij:

Ik ben geboren in Alexandrië, Egypte. Maar ik ben geen Egyptenaar. Ik ben geboren in een Turkse familie maar ik ben geen Turk. Ik werd in Egypte naar Britse scholen gestuurd maar ik ben geen Brit. Mijn familie ging in Italië wonen en ik heb Italiaans leren spreken, maar mijn moedertaal is Frans.

Zelfs zijn eigen naam kent hij niet – iedereen noemt hij bij een andere naam, hanteert een andere uitspraak. (Dit vind ik heel herkenbaar. Miriam, Mie-jam (op z’n Deens), Mirjam, Ras, Rasj, en altijd: Rasch-met-s-c-h.) Zoals bij zoveel ballingen – en ‘gewone’ emigranten – is er altijd het verlangen dat heen en weer gaat tussen het verlaten land en de huidige verblijfplaats. Op zee verlang je naar het land en aan land wil je naar zee, wist Slauerhoff al.

Herinneringen zijn onbetrouwbaar
De ondertitel van Alibi’s luidt ‘Essays over elders’. De plaatsen die Aciman beschrijft zijn plaatsen die verdwenen zijn, verloren in de geschiedenis van een leven. Maar niet alleen in plaats is de balling altijd elders, zelfs als hij thuiskomt. Ook in gedachten, die steeds verwijlen bij de herinnering, bij het verleden. Herinneringen zijn voor de balling essentieel, helaas zijn ze ook onbetrouwbaar. Dat is niet heel erg:

wat je voor je ziet roept een denkbeeldig elders op. Maar het is via het kanaal van dat denkbeeldige elders dat je begint te zien wat zich voor je ogen afspeelt.

Oftewel: ‘om ergens te zijn, moet je vermoeden dat je elders bent of zou kunnen zijn’. Om te kunnen bestaan, moet je een alibi hebben. De balling leeft elders in de tijd – nooit in het nu, maar altijd in het verleden, dat vervormd wordt door het heden, of in de toekomst, geprojecteerd als een gedroomde herinnering. Wat de balling doet is ‘repeteren voor het heden’ terwijl ondertussen dat heden natuurlijk gewoon voorbijglijdt. Ervaring ís herinnering, of: ‘Je meet de tijd niet in eenheden van ervaringen, maar in de toename van hoop en verwachte spijt.’ Het resultaat: de balling is ook elders als het gaat om de mensen om hem heen, en zichzelf. Altijd is hij weg van zichzelf, een zelf dat niet bestaat.

Zinnen als herinneringen
Aciman put graag uit het literaire verleden, wat bij zijn thematiek ook voor de hand ligt. Toch ligt het er niet heel dik bovenop, dit zijn geen essays die van citaten en geleende verhalen aan elkaar hangen. Proust, van grote afstand te herkennen als een van zijn voorbeelden (alleen al vanwege zijn mijmering over plaatsen en hun namen), komt wel voor, maar slechts af en toe. Mooi is het verhaal over de zeventiende-eeuwse bewoners van het beroemde Place des Vosges in Parijs. Je herkent de academicus die Aciman ook is, maar hij laat de geleerde nooit spreken, hij is het zelf; een mens en een schrijver en een lezer die zich laat overrompelen. Die als kind al in een verliteratuurde wereld leeft, waar het waas van boeken en vertelsels overheen ligt, ‘die zowel ons alibi als het archief van ons innerlijkste leven zijn’.

Zijn stijl is zoekend, cirkelend om zinnen die steeds anders geformuleerd terug lijken te komen, omdat ze op zichzelf, in één keer, niet hun geheimen prijsgeven, maar in veelvuldige, wisselende constellaties wel. Het zijn zinnen als herinneringen. Als je de kwaliteit van een boek kunt afmeten aan het aantal potloodstrepen in de marge, dan staat Alibi’s op eenzame hoogte. Toegegeven, je moet ervan houden en je laten meevoeren door wat Kundera een stijl als een ‘litanie’ noemt, de muzikale herhaling van woorden en zinnen. Wat Aciman zegt over Rome is ook van toepassing op zijn taal: ‘de kortste afstand tussen twee punten is nooit een rechte lijn maar een acht’. Een acht die meerdere malen in zijn baan gevolgd wordt.

De minst sterke essays zijn die waarin Aciman schrijft over zijn laatste, langdurige woonplaats, die hij nog steeds betrekt: New York. Aciman, oude man, denk je onwillekeurig. Een huisvader die overpeinst hoe zijn zoons het huis uit gaan. Gelukkig geeft hij je in de laatste twee stukken alsnog een klap om de oren. Wat kunnen we zeker weten? Niets, omdat het geheugen ons bedriegt; tweemaal niets omdat de schrijver ons ook bedriegt. Maar dat dubbele bedrog levert hier de zekerheid van een grandioze leeservaring. Een ervaring van herinnering, melancholie, geluk.

André Aciman • Alibi’s. Essay’s over elders • Ambo • 22,50 • 234 pagina’s • 9789026325717

 

Boeken 2010: tips en een tegenvaller

Eigenlijk wilde ik deze week mijn boekeneindejaarsoverzicht bloggen, maar mijn laptop ligt op de intensive care. En zonder mijn geheugensteun Bookpedia komt er niets van enig jaaroverzicht. Heb je dan geen back-up gemaakt, hoor ik al gniffelen. Jawel, van mijn hele systeem maakte ik 8 december een back-up, maar de Bookpediagegevens moet je eerst exporteren voor het wordt opgeslagen. 10 april 2010 laatste export, dat schiet dus niet op.

Vandaar een andere aanpak. Eerst kijk ik terug op de Nieuwe boeken in het najaar, die ik afgelopen zomer signaleerde. Maakten ze hun belofte waar? Deel twee (morgen): nieuwe boeken in het voorjaar. Waar kijk ik het meest naar uit? Deel drie, ijs, weder en Apple-chirurgie dienende, de beste boeken van 2010.

Waar verheugde ik me het meest op, die 23e juli 2010, na het doorploegen van de aanbiedingscatalogi van de uitgeverijen?

1. André Aciman – Witte nachten
‘Wie op Google Earth zoekt naar Straus Park, op de kruising van West 106th Street en Broadway in New York, ziet een piepklein parkje waar het verkeer langs raast. Een man hangt op een bankje, voetgangers steken gehaast het kruispunt over. Loop in westelijke richting en je belandt op Riverside Drive. Aan het eind van 106th Street leidt een trap naar een park met groene bomen en een standbeeld van Samuel J. Tilden. Draai je om en kijk omhoog naar het flatgebouw op de hoek, zo’n New Yorks appartementencomplex uit het begin van de twintigste eeuw. Daar in het penthouse, denk je, was het feest. Een paar verdiepingen lager: het appartement van Clara. Op Google Earth is het altijd overal dag, dus er zijn geen verlichte ramen waarachter je een vrouwengestalte een sigaret ziet opsteken.

Het overkomt me niet vaak dat ik tijdens het lezen van een roman Google Earth open om te zien waar het verhaal zich afspeelt. Witte nachten, de tweede roman van schrijver en literatuurwetenschapper André Aciman, roept dat verlangen wel op. Aciman beschrijft het gebied rond Straus Park zo nauwkeurig en laadt het zo vol met betekenis dat je daar zelf rond wilt lopen, op dat bankje wilt zitten.

De tweede roman van André Aciman bracht me niet alleen verrukkelijk leesplezier (verrukkelijk in de melancholische zin van het woord), maar ook een persoonlijk hoogtepunt: een recensie van mijn hand in de Groene Amsterdammer! Helaas nog steeds niet online beschikbaar, maar wie wil kan van mij een digitale kopie krijgen. Overigens het ideale boek voor de kerstvakantie, want het speelt tussen Kerstavond en Oud en Nieuw en er ligt net zo’n dik pak sneeuw als hier en nu.

2. Jaap van Heerden – Fascinaties. Een intellectuele autobiografie
‘Hij schreef essays voor het AMC Magazine over psychologie, filosofie en literatuur. Dat moet wel interessant zijn.’ Absoluut waar. De korte stukken kunnen zelfs dienen als voorbeeld van hét essay. Met verwondering observeert hij de wereld, stelt daar onbevangen vragen over en via allerlei interessante associaties en zijsporen ontleedt hij vervolgens de mechanismen achter gedrag, cultuur, taal et cetera. Vooral gaat dit boekje over wetenschapsfilosofie, maar dan op een totaal niet hermetische manier. Fascinerend. Binnenkort een recensie op 8WEEKLY.

3. Max Blecher – Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid
‘Oorspronkelijk verschenen in 1936, de beste tijd voor een boek om te verschijnen. Ik hoop op een roman even mooi als Kornel Esti of even vreemd als Oliebol.’ Maakt zijn belofte meer dan waar. Een korte roman waarin een hele wereld samenkomt, als een heel kleine diamant waaruit lichtstralen naar alle kanten weerkaatsen. Het merkwaardige van dit boek is dat het steeds herinneringen oproept aan andere boeken, films en lang begraven gevoelens. Niet omdat het niet origineel is, maar omdat alles hierin samenkomt. Binnenkort een recensie op 8WEEKLY (ik krijg het druk).

4. Peter Sloterdijk – Filosofische temperamenten
‘Ik wil al een tijdje iets van Sloterdijk lezen, maar de dikke pillen schrikken me af. Boom brengt dit najaar een ideaal boekje om mee te beginnen.’ Tegenvaller.

5. Bart Slijper – Onder de blauwe oneindigheid. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk
Niet helemaal gelezen, maar even in gebladerd voor ik het doorstuurde aan de 8WEEKLY-recensent. Die was erg positief, zie Een vriendschap van toen bloeit weer op.

6. Arnon Grunberg – Huid en haar
Check: Het recht op mislukking: Arnon Grunberg, Huid en haar
En: Gesprek voor 8 december
Lees dit boek!

Witte nachten in De Groene Amsterdammer

aciman_witte_nachten

‘In de tweede roman van André Aciman verwijst alles naar “de andere oever”. In het op afstand houden van geluk ligt het geluk besloten.’

Vandaag in De Groene Amsterdammer: mijn recensie van Witte nachten van André Aciman. ‘Het leven is altijd ergens anders’. Kopen dus! (Tijdschrift én roman.)

Wie op Google Earth zoekt naar Straus Park, op de kruising van West 106th Street en Broadway, New York, ziet een piepklein parkje, waar het verkeer langs raast. Een man hangt loom op een bankje, voetgangers steken gehaast het kruispunt over. Loop in westelijke richting en je belandt op Riverside Drive. Aan het eind van 106th St. leidt een trapje naar een parkje met groene bomen en een standbeeld van Samuel J. Tilden. Draai je om en kijk omhoog naar het flatgebouw op de hoek, zo’n New Yorks appartementencomplex uit het begin van de twintigste eeuw. Daar in het penthouse, denk je, was het feest. Een paar verdiepingen lager: het appartement van Clara. Op Google Earth is het altijd, overal dag, dus er zijn geen verlichte ramen waarachter je een vrouwengestalte een sigaret ziet opsteken.

Het overkomt me niet vaak dat ik tijdens het lezen van een roman Google Earth open om te zien waar het verhaal zich afspeelt. Witte nachten, de tweede roman van schrijver en literatuurwetenschapper André Aciman, roept dat verlangen wel op. Aciman beschrijft het gebied rond Straus Park zo nauwkeurig en laadt het zo vol met betekenis dat je daar zelf rond wilt lopen, op dat bankje wilt zitten, en dus Google Earth er op naslaat.

Witte nachten beslaat de acht dagen tussen Kerstavond en Oud en Nieuw. New York gaat verscholen onder een pak sneeuw, die de stad een sprookjesachtig karakter geeft en haar buiten ruimte en tijd plaatst. Klinkt als De Avonden meets Proust meets Sex and the city. Twee jonge mensen ontmoeten elkaar op een feest, zo’n feest waar je alleen van kan dromen. Limousines rijden over de besneeuwde Riverside Drive, er is een grote kerstboom, zingende gasten rond de piano, amuses in de bibliotheek en een achtergang die naar een enorme keuken leidt. Een balkon dat hoog boven de stad uitzicht biedt op een sprookjeswereld waarin niet New Jersey maar Italië aan de andere kant van de Hudson ligt, op het verleden, en op andere feestjes in andere appartementen.

De hoofdpersoon, een jongeman van achtentwintig met een voorliefde voor Beethoven en negentiende-eeuwse Russen, denkt op dat balkon terug aan de feestdagen in zijn ouderlijk huis, met zijn vader. ‘Een keer op een avond stonden hij en ik bij de ijskoude flessen en keken we vanaf het balkon naar de volle huiskamer van buren in de andere toren. “Daar is het echte feest, wij doen maar alsof,” zei hij. “En zij vinden waarschijnlijk dat zíj er niks van bakken en dat bij ons het echte feest is,” zei ik in een poging hem op te vrolijken. “Dan is het erger dan ik dacht,” zei hij. “We leven nooit in het hier-en-nu, het leven is altijd ergens anders, en er is altijd iets wat ons de eeuwigheid ontrooft. Wat we veilig in het ene vertrek opbergen sijpelt door naar een ander, als een oud hart met lekkende kleppen.”’

Nu is hij wel op het goede feest, hij staat naast een oogverblindende vrouw die hij niet kent, maar met wie hij al meteen in een intieme tête-à-tête is verwikkeld. Door zich met z’n tweeën van de rest te verwijderen – zijn zingende gasten rond de vleugel niet immens vervelend? – en een eigen taaltje te spreken, doorspekt met veelbelovende neologismen. ‘Voor jouw nymformatie…’

Die gesprekken tussen Clara en de verteller zijn als een spannend potje tennis. Aciman laat je toehoorder zijn bij het fascinerende spel van de verleiding door het woord. Geen van tweeën zegt wat hij bedoelt, achter elke zin schuilt een andere, beiden willen gevat, grappig en erotisch tegelijk zijn, zonder iets van hun ware gevoelens prijs te geven. Niet alleen hun woorden zeggen iets anders dan bedoeld, alles in deze roman verwijst naar een ‘andere oever’, waar misschien wel Italië ligt in plaats van New Jersey. De personages leven het leven gezien door de kunst; een verhaal van Dostojevski (‘Witte nachten’ verwijst naar de korte roman van Dostojevski over een ongelukkige liefde die alleen bestaat uit een paar nachtelijke ontmoetingen), een muziekstuk. Beethovens Heiliger Dankgesang, dat ben ik, zegt de verteller tegen Clara. Om zich later af te vragen: waarom zei ik dat? Geen idee wat ik ermee bedoelde. Het klonk gewoon goed. Of de films van Eric Rohmer, van wie zij gedurende de week een retrospectief bezoeken: ‘die verwarde, intieme, toevallige momenten uit ons leven die Rohmer voor ongeveer een uurtje van ons had geleend, waarna hij ze had opgerekt, opgepoetst, al het niet ter zake doende eruit had verwijderd, ze van een ritme had voorzien, een cadans, een wijsheid zelfs, om ze vervolgens op een scherm te projecteren met de belofte ze na de voorstelling aan ons terug te geven, slechts een tikkeltje veranderd, zodat we ons leven zouden terugkrijgen, maar dan van de andere kant gezien – niet zoals het was, maar zoals we het ons altijd hadden voorgesteld, het idee van ons leven.’ Of in de woorden van Marcel Proust, aan wie Aciman schatplichtig is: ‘zoals Dostojevski een leven zou beschrijven, uitgaande van de andere kant, van de illusies, de overtuigingen die je geleidelijk aan bijstelt’.
Probleem is dat je met al die omtrekkende bewegingen in het steekspel van de liefde niet weet wanneer iets wél gemeend is. Zodra de twee serieus toenadering tot elkaar zoeken, begint de ellende. Het verleidelijke woordspel werkt, ze vallen voor elkaar.

Sterker, het gaat om Grote Liefde. ‘Ik kende haar nog maar vier dagen, maar ik wist a dat het hier om planeten ging en om levens die werden gestuurd door het noodlot, goden en de nevels van geesten die voorbij zweefden en weeklaagden over liefdes die de tijd niet kan helen en smeekbeden niet kunnen terughalen. Je bent als een vloek op mijn land neergedaald, Clara, het zal mijn bloed generaties kosten om je weg te spoelen.’ Maar wat dan. Wat doe je met geluk als je het vindt?

In zijn eerste roman, Noem me bij jouw naam, onderzoekt Aciman dezelfde vraag. Een jongen van een jaar of zeventien valt in een zinderende Italiaanse zomer voor de jonge, academische, Amerikaanse god Oliver. Je gelooft het niet als je het leest, maar ze krijgen elkaar. Weinig schrijvers durven die grens over te gaan van de beantwoorde liefde. Hoe schrijf je over gevonden geluk? Niet, want geluk is nooit bevredigend, zeker niet in de literatuur.
De jongeman in Witte nachten had in het penthouse aan Riverside Drive misschien het idee nu eens op het juiste feest in de juiste toren te zijn beland, maar dat is een illusie. Hij is altijd aan de overkant. Dat doet hij zelf: steeds weer creëert hij afstand. Tot Clara, tot het geluk. Nachtenlang verlangt hij naar haar, gaat hij met haar uit, luistert naar verhalen over haar ex Inky. Als het moment komt dat ze hem mee naar boven vraagt, naar het gedroomde appartement in het hoekgebouw, schrikt hij terug. Het is te snel, te spannend. Hij laat haar gaan. Je zou hem een klap willen verkopen, wat doet ie nou?!

Dat is geen truc, bedacht om het verhaal spannend te houden, het is de overtuiging waar het werk van Aciman op drijft. In het op afstand houden van geluk, ligt het geluk besloten. ‘Waarom ben ik zo gelukkig vanavond?’ vraagt de hoofdpersoon zich op het feest af. Terwijl hij voortdurend in een aan waanzin grenzende onzekerheid verkeert, die zelfs leidt tot mild hartfalen. Beter richt je je op de schoonheid van het verlangen, de melancholie van de herinnering. Dat is het dichtste bij geluk dat je kunt komen, in Acimans universum.

Deze thematiek komt ook terug in Valse papieren, de collectie autobiografische essays die Aciman publiceerde in 2000, nog voor zijn eerste roman. ‘Verhalen en beschouwingen over ballingschap en herinnering’ luidt de ondertitel. Aciman, opgegroeid als jood in Egypte, in zijn jeugd verhuisd – gevlucht – naar Rome en van daar naar Parijs en Amerika, schrijft over zijn zoektocht naar zijn thuisland. Die is natuurlijk gedoemd te mislukken, al was het maar omdat Alexandrië nu Caïro is. Maar belangrijker is dat hij streeft naar die mislukking. Hij gaat op reis om zoals dat heet ‘iets af te sluiten’. Eenmaal aangekomen ontdekt hij dat hij liever niets afsluit. Dat geldt niet alleen voor zijn tocht naar de stad van zijn kindertijd, waar hij het graf van zijn grootvader bezoekt. Als hij – levenslang Proustadept – naar Illiers-Combray gaat, speelt hetzelfde. Hij arriveert met de clichématige ideeën over het ‘met eigen ogen zien’ van het huis waar Proust zijn impressies opdeed, de tuin waar hij uren aaneengesloten zat te lezen, het pad naar de kant van Swann. Vergeefs natuurlijk. Vergeefs, gelukkig. Want zou het niet verschrikkelijk zijn als zo’n enkel bezoek voorgoed de deur naar de herinnering of het kunstwerk dicht zou slaan?

Het gaat niet om geluk, maar om de belofte van geluk. Niet om bevrediging, maar om verlangen. In een van de stukken beschrijft Aciman een episode uit zijn leven, waarin hij verliefd werd op een meisje dat woont in een hoekappartement tussen Riverside Drive en Straus Park. Daar loopt hij, net als in het openingshoofdstuk van Witte nachten: een jongeman op weg naar een feest, met in een tasje twee flessen wijn, waar de verkoper een kartonnetje tussen heeft gestoken om het tinkelen tegen te gaan. Maar waar Aciman in ‘Een hemelse omnibus’ een relatie met haar krijgt die uitloopt op een drama, laat hij in Witte nachten de deur van de herinnering wijd open staan.

In Valse papieren staat ook een prachtig essay over nostalgie, ‘Pensione Eolo’. Nostalgie hoort bij ballingschap als de Perzische tafeltapijtjes bij je oudtante. Ben je op de ene plek, dan verlang je naar de andere, ben je weer terug, dan blijkt het verlangen mee te zijn gedraaid. Nostalgie bevindt zich in de leegte tussen die twee plaatsen, net als het verlangen. Elke avond als hij Clara heeft thuisgebracht en op z’n best een zoen heeft gekregen, gaat de jongeman in Straus Park op een bankje zitten, vlakbij het beeld van Mnemosyne, godin van de herinnering. Daar is hij in de leegte tussen haar huis en zijn huis, tussen verlangen en bevrediging, in een verhouding die misschien nog niet begonnen is en misschien al geëindigd. Hij bestaat niet meer in ruimte en tijd, verandert langzaam in een ijssculptuur. Daar is hij het gelukkigst. Het is een toestand van wat Aciman in ‘Pensione Eolo’ noemt: ‘vooruitbeleefde nostalgie’.

Nostalgie, schrijft Aciman, is geen plaats en ook geen verlies, maar ‘de tekst die het verlies moet vastleggen’ – literatuur dus. En nostalgie kan niet zonder het besef dat elke literaire terugkeer en literaire herinnering onvervuld moet blijven. Dat is wat de auteur heeft gedaan door van zijn dramatische liefdesgeschiedenis een roman te maken, een zeer literaire roman bovendien, die de lezer even uittilt boven ruimte en tijd. En dat is ook wat ik doe, wegdromend achter mijn laptop bij Google Earth, verlangend naar een park in New York dat alleen op papier bestaat. Ik wil het met eigen ogen zien, in het besef dat de werkelijkheid tekort zal schieten tegenover de roman Witte nachten.

André Aciman, Witte nachten, Anthos, 376 blz., 19,95 euro, ISBN 9789041416414

 

Nieuwe boeken in het najaar

catalogi

De najaarscatalogi, waarin uitgeverijen de boeken die staan te verschijnen aankondigen en vooral aanprijzen: de stapel doorwerken kost evenveel moeite als het lezen van een net iets te dikke roman. Naar welke boeken kijk ik het meeste uit? Voorbij de bizarre superlatieven en ronkende gemeenplaatsen.

1. André Aciman – Witte nachten verschijnt al in augustus bij uitgeverij Anthos. Aciman schreef eerder Noem me bij jouw naam, een geweldige roman. Ik blogde hierover: ‘Aciman beschrijft die vormen (van verliefdheid) zo nauwkeurig, laat alle nuances van verlangen, onzekerheid, seksuele opwinding, depressie en geluk zien, dat hij daar letterlijk een heel boek voor nodig heeft. Eigenlijk is het geen verhaal, maar een stemming, een wolk van gevoel die uit de bladzijden opstijgt, een prisma van verliefd-zijn. Een paar losse zinnen zullen maar één kleurnuance uit het spectrum tonen. Elke zin heeft de andere nodig, zoals elk verlangen het andere nodig heeft.’ Lees verder bij Trefzeker herfstzonnetje. Ik kan niet wachten tot (deze week?) de drukproef op de mat ploft.

2. Jaap van Heerden – Fascinaties. Een intellectuele autobiografie. Verschijnt bij Prometheus in november. Jaap van Heerden is wetenschapsfilosoof en emeritus hoogleraar Algemene Psychologie. Hij schreef essays voor het AMC Magazine over psychologie, filosofie en literatuur. Dat moet wel interessant zijn.

Uit de catalogus: ‘Zijn fascinaties vinden hun oorsprong in eenvoudige vragen. Waarom verontschuldigen mensen zich tegenover wildvreemden als zij op de verkeerde verdieping uit de lift stappen?’ (Dit overkwam mij vandaag. Misschien dat het toeval van deze beschrijving, die overeenstemt met mijn persoonlijke verwondering in de lift, de enige reden is dat ik het boek wil lezen. Een betere reden heb je ook niet nodig, toch?) En verder: ‘Strekt goddelijke genade zich ook uit tot buitenaardse wezens? Moeten we ons schuldig voelen aan de vervolging van de eerste christenen in het oude Rome, of kunnen we dat met een gerust hart aan de Italianen overlaten?’

3. Max Blecher – Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid. Uitgeverij L.J. Veen, november. Oorspronkelijk verschenen in 1936, de beste tijd voor een boek om te verschijnen. De catalogus belooft: ‘Blechers werk werd vergeleken met dat van Franz Kafka, Bruno Schulz en André Breton en is in vele opzichten een voorloper van het existentialisme.’ De vertaling is van Jan Mysjkin.

Max Blecher was Roemeen en hij werd maar 31 jaar. Op zijn negentiende kreeg hij ruggenmerg-tbc, en was hij veroordeeld tot een liggend leven (net als Marcel Proust, op latere leeftijd). Het boek verschijnt in de reeks L.J. Veen Klassiek. Ik hoop op een roman even mooi als Kornel Esti of even vreemd als Oliebol.

4. Peter Sloterdijk – Filosofische temperamenten. Bij Uitgeverij Boom in november. Ik wil al een tijdje iets van Sloterdijk lezen, maar de dikke pillen schrikken me af. Boom brengt dit najaar een ideaal boekje om mee te beginnen: ‘Van Plato tot Foucault brengt Sloterdijk het leven van negentien denkers en de inhoud van hun werken op onverwachte en soms humoristische wijze met elkaar in verband. Daarbij presenteert hij deze denkers niet uitsluitend als leveranciers van ideeën en analyses, zoals gewoonlijk in historische overzichten van de filosofie gebeurt. Sloterdijk tracht de denkers in hun temperament te treffen: in de urgente problemen die ze aan de orde willen stellen, in de heftige conflicten die ze soms aangingen, en in de persoonlijke emoties die hun stijl van schrijven bijzonder maken.’

5. Bart Slijper – Onder de blauwe oneindigheid. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk. Verschijnt in november bij Bert Bakker. Bij het lezen van deze titel was ik opeens terug in mijn studententijd. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk: het absolute scharnierpunt van de Nederlandse poëzie, hoogst romantisch, studentikoos, overdreven, melancholisch, niet voor niets ‘god in het diepst van mijn gedachten’.

Het is een dun boekje, 148 pagina’s, en daarom kijk ik ernaar uit: ik verwacht een kort verhaal van alleen maar hoogtepunten. Niet een ellenlange beschrijving van alle koppen koffie en eierdoppen klare die de twee samen dronken en wat ze daarvoor betaalden in welk café op welke hoek van welke kruisende straten. Dat belooft de catalogus ook: ‘Al snel na de kennismaking op 15 mei 1880 is hun relatie zo intens dat zij liefdesgedichten voor elkaar schrijven. Later wordt Kloos steeds veeleisender, totdat zijn vriend het niet meer volhoudt en in het voorjaar van 1881 het contact verbreekt.’

6. Ten slotte kijk ik natuurlijk uit naar de nieuwe Grunberg. Onze oom heb ik niet eens uitgelezen, toch blijft Grunberg de beste schrijver van Nederland en is het verschijnen van een nieuwe roman altijd een spannende gebeurtenis. Hoe vaak dat ook gebeurt (ongeveer elke twee jaar). Arnon Grunberg – Huid en haar verschijnt in oktober bij Nijgh en Van Ditmar. ‘Een verhaal over pervers plezier, overspel, verboden liefde en machtsmisbruik, met de Amerikaanse en Nederlandse academische wereld en de stedelijke politiek van New York als decor.’ Klinkt goed.

Trefzeker herfstzonnetje

noem_me_bij_jouw_naam

Laatst werd ik geconfronteerd met de noodzaak van het gedigitaliseerde aantekenboekje. Buiten scheen de zon op zo’n herfstachtige, rode, laaghangende manier waardoor je vanzelf volstroomt met melancholie en verlangens. Niet lang daarvoor las ik in Noem me bij jouw naam van André Aciman een passage waarin exact dit herfstige gevoel ‘van de schoonheid en de troost’ beschreven staat.

Dus ik ging op zoek. Het stond ergens achterin, dacht ik, want het verhaal beslaat een zomer die onherroepelijk afloopt. Achterin geen herfst. Ah, het was in een flash forward van de oudere verteller, aan het begin van het tweede deel. Ook in het midden geen herfst. Was het dan toch…? Eerste hoofdstuk alleen maar zon, zomer, ontblote bovenlijven (zie foto). Ik scande het hele boek van achteren naar voren, er nog steeds van overtuigd dat het in het laatste deel moest staan. Toen van voren naar achteren. Helaas, de passage bleef onvindbaar, ik moet het doen met de slechte parafrase van mijn geheugen. Het was zoiets van dat de herfstzon aan een nieuw schooljaar doet denken maar ook tegelijk aan de voorbije zomer en dat je dan dus zo’n dúbbel gevoel krijgt, weet je wel, van verwachting gemengd met weemoed en dat dan in herfstkleur.

Dit voorval leerde me ook dat ik zulke citaten natuurlijk wel in mijn opschrijfboekje moet opschrijven, anders heb je er in gedigitaliseerde vorm ook niks aan.

Misschien ligt het ook aan de roman zelf: Noem me bij jouw naam is zo’n boek waaruit het moeilijk citeren is, omdat je uiteindelijk alles wil citeren. Een los citaat kan dit boek geen recht doen, omdat het dan lijkt op het dagboek van een bakvis: ‘ Vuur als angst, als paniek, als nog één minuut en ik ga dood als hij niet op mijn deur klopt, al zou ik liever hebben dat hij nooit klopt dan dat hij nu klopt.’ Dit is duidelijk geen zinnen-boek, maar een verhaal-boek. Het vertelt van alle vormen die de eerste verliefdheid van een vijftienjarige kan aannemen, van begeerte tot liefde-tot-in-de-dood.

Aciman beschrijft die vormen zo nauwkeurig, laat alle nuances van verlangen, onzekerheid, seksuele opwinding, depressie en geluk zien, dat hij daar letterlijk een heel boek voor nodig heeft. Eigenlijk is het geen verhaal, maar een stemming, een wolk van gevoel die uit de bladzijden opstijgt, een prisma van verliefd-zijn. Een paar losse zinnen zullen maar één kleurnuance uit het spectrum tonen. Elke zin heeft de andere nodig, zoals elk verlangen het andere nodig heeft.

In zijn nauwkeurige en uitputtende beschrijvingen van de liefde lijkt Aciman op Proust. Ik kocht het boek ook vanwege een recensie waarin dat stond. Ik dacht zelfs dat Aciman een Fransman was, kocht de vertaling en las het boek op vakantie in Frankrijk. Later kwam ik er achter dat hij Amerikaan is (ik lees Engelstalige boeken altijd in het Engels).

Aciman heeft meer met Proust gemeen: hij is zijn schaamte voorbij. Dat klinkt meteen zo liederlijk (er zitten ook wel liederlijke, expliciete passages in het boek) – wat ik bedoel is dat hij zich niet meer schaamt voor zijn schaamte. Hij schrijft zoals Proust ons voorhoudt en voordoet: tot voorbij het punt waar het pijn doet, waar je je terug wil trekken achter het veilige masker van conventionaliteit. Je voelt hem zoeken naar dat punt, en als hij het heeft gevonden, prikt hij nog eens extra met zijn woorden in de wonde. Daar ontstaan de prachtigste passages, omdat ze tegelijk aarzelend zijn (in het leven van de verliefde vijftienjarige is niets zeker) en die aarzeling zonder omkijken blootleggen.

De aarzeling blootleggen, zonder aarzelen; dat wat zo diep verborgen ligt, bijna buiten bereik, trefzeker verwoorden: Noem me bij jouw naam van André Aciman is het beste voorbeeld van hoe je over het meest uitgesleten onderwerp in de wereld kunt schrijven op een volstrekt eigen manier, die verrassend maar ook volkomen herkenbaar is. Iedereen die ooit verliefd is geweest, moet dit lezen. En dan aan mij dat citaat van die herfstzon doorgeven.