Gelegenheidsoptimist: Ode aan het zwart

Armando_gefechtsfeld

Een ode aan het zwart – kan dat wel als gelegenheidsoptimist? Toegegeven, het zwart is allereerst het angstaanjagende, overrompelende zwart, dat je kan omsluiten als plotseling invallend duister – zo ondoordringbaar dat je bijna niet durft te ademen. Een groot doek van Armando waar je per ongeluk te dicht op gaat staan. De randen rafelig in je ooghoeken, zodat je geen uitweg meer ziet. Het omvouwt je, beknelt je, houdt je gevangen. Doodeng en fantastisch tegelijk. Bij zo’n doek begon mijn liefde voor het zwart, al klinkt zo’n liefde misschien masochistisch.


Onlangs zag ik van Armando een ander werk, met daarop een bosrand. (Ik stel het maar even zo droog, los van de beladenheid van het werk.) Een ander zwart, dat toch hetzelfde is. De bosrand markeert de grens naar een andere wereld, of nee, de bosrand ís die grens, een niet-op-zichzelf bestaand gebied, zoals de lijn tussen twee aangrenzende kleurvlakken niet bestaat. Als je de eerste boom voorbijgaat kom je in het land van de  sprookjes. Als dat te aangenaam klinkt: de bosrand verbergt ook de wereld van Twin Peaks, het zwartste sprookje voor volwassenen. Maar je stapt die eerste bomenrij niet voorbij, want een bosrand is iets waar je van een afstand naar kijkt. Je probeert door te dringen in de duisternis. Onmogelijk. Zelfs op de helderste zomerdag kun je niet door het bos heen kijken. Waardoor je blijft kijken, enigszins verontrust en met kippenvel op je blote armen. De dreiging die van het zwart van de bosrand uitgaat is te groot, te onbekend. Ze vibreert van ontembare wildheid. Het zwart temmen, dat moet de volgende stap zijn.

David Lynch, die het zwart niet alleen in Twin Peaks, maar ook in zijn films en schilderkunst onderzocht, beschrijft het als een uitgang – een uitgang die ook een toegang moet zijn, en wel tot je eigen angsten en verlangens: ‘Black has depth. It’s like a little egress; you can go into it, and because it keeps on continuing to be dark, the mind kicks in, and a lot of things that are going on in there become manifest. And you start seeing what you are afraid of. You start seeing what you love, and it becomes like a dream.’ Je zit in je stoel, sluit je ogen en gaat de uitgang door, zo ver je kunt, totdat je ogen wennen aan het zwart en er dingen uit zichtbaar worden. Of misschien is het niet eens nodig om je ogen te sluiten.

Jarenlang woonde ik in een kamer waar ik de Arithmetische Compositie van Theo van Doesburg op de muur had geschilderd. Op ware grootte, 1 bij 1 meter. Het gekantelde vierkant van een halve bij een halve meter schilderde ik zo vaak over tot het inktzwart was. Je zag het meteen als je binnenkwam. Mensen die bij me op bezoek kwamen werden onrustig van die schildering. Na een snelle blik maakten ze steevast een ironisch bedoelde opmerking (‘gezellig’), daarna probeerden ze vooral niet naar de muur te kijken. Toch werken hun ogen steeds weer getrokken door dat vierkant. Anders dan het zwart van Armando, dat je hele blikveld vult en je lichaam omvat, waardoor je uiteen lijkt te vallen en alleen nog maar kunt proberen om jezelf te beschermen – anders dan dat bosrandachtige, dreigende zwart, had het vierkant van Van Doesburg een zuigende werking waardoor je aandacht zeer scherp werd. Als je langdurig in dat vlak keek (wat ik vaak deed), kon de wereld zomaar een heel helder aanzien krijgen.

(Daarvoor woonde ik in een kamer met de Compositie XVIII in drie delen op de muur – het befaamde stuk waarvan het middelpunt buiten het doek ligt, een punt in de lege ruimte van de (witte) muur, dat ik met mijn blik probeerde te vangen.)

Oh, wat zou ik er nu niet voor over hebben een ander zwart vierkant, dat van Malevich, tegenover mijn bank te hebben hangen! Ik denk dat ik er een beter mens van zou worden – scherp, geestig, dapper, als een haast mannelijke furie. ‘Het zwarte vierkant = gevoel, het witte vlak = de leegte voorbij dit gevoel.’ Het klinkt als een oosterse wijsheid, een koan waar je jaren op kunt mediteren. Misschien is het staren in het zwart van een vierkant ook een soort meditatie, waardoor alles bijeen wordt gehouden in plaats van uit elkaar valt. Het zwart is getemd en het zwart temt jou.

Ik wilde eigenlijk alleen maar schrijven over Theo van Doesburg. Omdat ik toevallig in de buurt van Drachten was, ging ik langs de school met twee van zijn glas-in-loodcomposities. Het zwarte vierkant is maar één kant van het verhaal, in die enorme hoeveelheid glas-in-lood die Van Doesburg maakte gaat het juist om licht. In het hoge gebouw in de Torenstraat woont tegenwoordig een vioollerares. Er tegenover staat een tattooshop. Om het glas-in-lood goed te zien moet je binnen zijn, zodat het buitenlicht erdoorheen kan vallen. Nu was het een donker patchwork dat zijn geheimen niet prijsgaf.

Later die dag zocht ik in het Kröller-Müller naar Van Doesburgs Compositie XVIII in drie delen. Het hing er niet meer. Opgeborgen in het depot om plaats te maken voor een tentoonstelling, denk ik. Ik hield stil bij de drie frames met glas-in-lood die daar ook staan opgesteld en waar ik nooit goed naar had gekeken. Voor het raam, met de bomen op de achtergrond, kreeg het licht vrij spel. Ik keek door de oppervlakte heen, tegelijk was er niets dan de oppervlakte om naar te kijken, het spel van vlakken en kleuren. Het leek alsof de oppervlakte van alles verborg, in het opene. Als ik haast nonchalant langs het kader van lood keek, was het alsof meteen daarachter het bos van de Veluwe begon. De bosrand, die rand zonder dikte, of anders met de dikte van een bos. De raamwerken verloren hun licht en werden in mijn toegeknepen ooghoek bijna zwart, zwarte vierkanten waar je niet meer doorheen kunt kijken. Een uitgang naar een andere wereld, waar je dat ziet waar je bang voor bent en dat waar je van houdt. Ik dacht aan de vioollerares en de tattooshop.

Lees bij De Optimist: Gelegenheidsoptimist: Ode aan het zwart

De flexibele mens en zijn angsten: Richard Sennett

levenskunst

Jobhoppen, relatiehoppen en religieshoppen, daaruit bestaat het leven tegenwoordig. Vaste relaties hebben we als ketens van ons af geworpen om ons helemaal te richten op vrijheid en zelfontplooiing. Daarmee hebben we echter een hoop waardevols weggegooid, dat niet zo makkelijk weer te hervinden is. Richard Sennett stelt in zijn werk deze cultuurpessimistische diagnose van de hedendaagse maatschappij, die haast geen samenleving meer te noemen is. Hoe krijgen we weer vaste grond onder de voeten?

Prof. dr. Joep Dohmen geeft in zijn lezing over Sennett in de serie Levenskunst toe dat hij de praktische uitwerking van Sennetts ideeën niet op alle punten overtuigend vindt. In de praktijk van bedrijfsleven en politiek zullen idealen als vakmanschap en respect gestalte moeten krijgen. Dohmen constateert dat er een spanning is tussen het individuele verlangen om een ‘vakman’ te worden en het verlangen naar sociale cohesie, zoals beide door Sennett beschreven worden.

Het kapitalisme heeft ons beroofd van de vaste pijlers die we hadden. Natuurlijk leidde die vastigheid ook tot vervreemding en verveling. Maar, vraagt Sennett, zal flexibilisering werkelijk het kwaad van de routine genezen? We zijn ‘flexibele mensen’ geworden. Aan de ene kant is dat omdat we voortdurend onszelf voorop zetten en niet meer loyaal zijn aan een ander, laat staan een werkgever. Aan de andere kant is het een uitwas van de manier waarop de economie werkt. Vandaag werd bekend gemaakt dat in 2011 nog maar 2000 mensen direct een vast contract kregen in een nieuwe functie, tegenover 83.000 in 2010. Het gaat verder dan dat: een op de vijf kinderen groeit op in een gezin zonder beide biologische ouders en nog veel meer huwelijken stranden.

Dohmen haalt een interessante notie van Sennett aan: voor het eerst geldt de elite als norm in de samenleving. Alleen het beste is nog goed genoeg en iedereen spiegelt zich aan de top. Zou het vroeger niet in een boer opkomen om zichzelf te vergelijken met zijn landheer, nu komt het niet in je op om je níet aan de sport-, film- of intellectuele sterren te meten. En als je voor de sterren onderdoet, heb je dat in feite aan jezelf te danken. In plaats van een ander om hulp te vragen, wenden we ons bij falen tot de overheid die steeds meer een abstracte instantie wordt. Hulp is eigenlijk een vies woord en afhankelijkheid een smet. Daarom is de flexmens angstig. Hij loopt voortdurend het risico om te falen – als hij zijn vaste bodem niet verliest (baan, relatie), dan wel zijn flexibiliteit. Dat klinkt als een verlies-verliessituatie.

Hoe komen we hieruit? Het zou helpen als we niet meer bang zijn voor routine, maar juist ritme opbouwen. Een bescheiden opstelling hebben tegenover de ander, hulpvaardigheid waarderen en respect niet eisen maar betonen. Er is niets mis met het opzetten van een ‘sociaal masker’ in het publieke domein, vindt Sennett. Uiteindelijk is het echter een kwestie van institutionele veranderingen. Bedrijfsleven, politiek en economie moeten fundamenteel anders ingericht worden. Anders heb je misschien wel allemaal geoefende, vakkundige, behulpzame individuen, maar blijft de samenleving ‘doelloos drijven’. Het is een moeilijk te verteren conclusie voor iedereen die best een steentje wil bijdragen aan een betere wereld, maar erop rekent dat in zijn eentje te kunnen doen, vanuit eigen inzicht en onplooiing – precies zoals Richard Sennett de eenentwintigste-eeuwer beschrijft.

De lezing is hier geheel terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]

Statusangst en de remedie van Schopenhauer

statusangst

Ik heb eens de fout gemaakt om zomaar, zonder nadenken, te laten vallen dat ik misschien wel een beetje last heb van statusangst. Op mijn werk. Dat heb ik geweten, want die tussen neus en lippen door geplaatste opmerking is al een paar keer terug in mijn gezicht geboomerangd.

Wat ik bedoelde was dat ik soms bang ben dat mensen me niet serieus nemen. Dat komt natuurlijk voort uit een menselijk al te menselijke onzekerheid over het eigen kunnen (misschien wel vrouwelijk al te vrouwelijk). Tijdens mijn studie is dat verder gevoed doordat de mannelijke studenten serieuzer werden genomen dan ik (een vrouw), ook al waren ze minder serieus met hun studie bezig dan ik.

Nu werk ik aan de universiteit en ontmoet ik aan de lopende band doctoren, hoogleraren en oude mensen die op gratis lezingen afkomen. Om de vriendelijke der openingszinnen te memoreren: ‘Goh, wat studeer jij?’ ‘Is dit een leuk bijbaantje?’ Zucht. (Begin ik al vervelend te klinken? So be it.)

Om me te wapenen tegen die mensen – die het over het algemeen goed bedoelen -, om me te wapenen tegen mezelf en mijn achteloze opmerking die maar niet ongedaan gemaakt wil worden, besloot ik het boek Statusangst te lezen. Ik had me de titel van Alain de Bottons boek eigen gemaakt zonder het ooit opengeslagen te hebben. (Ik hoor nu sommige mensen denken: als dat is hoe het zit met die belezenheid van jou, geen wonder dat je dan last hebt van statusangst. So be it.)

Bij De Botton gaat het meer om afgunst op materieel vlak en niet zozeer om de angst geestelijk niet voor vol te worden aangezien. Keeping up with the Joneses, de auto van de buurman en zo. Zoals hij dat zo goed kan, traceert hij de geschiedenis van die afgunst en biedt hij handreikingen waar de lezer in het dagelijks leven wat mee kan aanvangen. Vroeger hadden mensen geen last van statusangst omdat de maatschappij een hiërarchie kende die onveranderlijk werd geacht. Met opwaartse mobiliteit, keuzevrijheid en van die dingen meer, ontstond de overtuiging dat je succes van jezelf afhangt. En dat anderen je daarop mogen, nee zúllen afrekenen.

Dat lijkt niet echt op mijn probleem van toepassing. Het interesseert me werkelijk geen biet wat voor auto de buurvrouw rijdt. (Een onderdeel van mijn hippie-opvoeding waar ik me gelukkig mee prijs.) Nee, het probleem ligt ook niet in het feit dat anderen meer hebben, kunnen of doen en dat ik dat ook wil, het gaat niet om bezit. Het gaat natuurlijk om gedachten. Dat is ook de fuck-up eraan. Want bezit kun je beïnvloeden en gedachten niet.

Maar gelukkig heeft Alain de Botton ook altijd een oplossing. Die oplossing is meervoudig en ga ik hier niet helemaal uit de doeken doen (de catharsis die tragische personages bieden, want hun zit het al helemaal niet mee, het aantrekkelijke van een bohemienbestaan (zie hippie-opvoeding)). Eén citaat is echter blijven hangen:

‘Andermans hoofd is een te ellendige plek om als zetel voor waar geluk te dienen.’
Arthur Schopenhauer, Parerga en Paralipomena

Dit werkt in noodsituaties als een mantra. En vervolgens, als de statusangst is gaan liggen, als een instrument voor methodische reflectie. Wat statusangst – of in elk geval mijn verschijningsvorm ervan – doet, is jouw waarde laten afhangen van wat zich in het hoofd van een ander afspeelt. Van gedachten inderdaad. Andermans gedachten kun je niet veranderen, maar je kunt ze wel negeren. Beter gezegd: jouw versie van andermans gedachten – die per definitie onkenbaar zijn – kun je negeren.

Dat schept rust. Pfiew, wat is jouw hoofd een ellendige plek om als zetel voor mijn geluk te dienen, bekijk het maar! Daar doe ik niet aan mee. Maar daar moet je niet stoppen (zeg ik, niet Alain de Botton). Want er zijn natuurlijk mensen wier mening wél waardevol is. Die wél als de zetel van je geluk dienen (bij wijze van spreken). Wie zijn dat? Dan wordt het interessant.

Karin Johannisson – De kamers van de melancholie

Op 8WEEKLY: Een huis voor de wolvenman

Wat is melancholie? Als niemand het je vraagt, weet je het, maar moet je het uitleggen, dan ontbreken je de woorden. De Zweedse hoogleraar ideeën– en wetenschapsgeschiedenis Karin Johannisson geeft in De kamers van de melancholie woorden aan dat onbestemde gevoel. Het hoofdthema van melancholie is verlies. Maar dat verlies heeft vele gedaanten: verlies van jezelf, van de wereld, van structuur.

Melancholie is de oervorm van het psychisch lijden, schrijft Johannisson, en die neemt de gestalte aan van de tijd waarin je leeft. Haar methode van onderzoek naar de geschiedenis van de melancholie is excellent: op zoek naar ‘collectieve gevoelens’ gaat ze uit van de premisse dat elk gevoel belichaamd wordt door een individu. Brieven, patiëntenverslagen maar ook romans zijn de voornaamste bron. Alleen al voor de citaten daaruit is dit boek absoluut de moeite waard. Een hele stoet melancholici trekt aan je voorbij, zonder dat er twee dezelfde zijn – vanwege de tijd waarin zij leven.

Glamoureus
Neem de zenuwen: als de wetenschap die een eeuw of drie geleden ontdekt, krijgt de elite er terstond last van. Verfijnde zenuwen worden mode, want ze staan in relatie tot een verfijnde smaak. Op een gegeven moment is de mode voorbij en is nervositeit typisch iets voor de lagere klassen. Of voor vrouwen. Melancholie neemt dan weer een andere vorm aan die sociaal geaccepteerd is, vaak gerelateerd aan intellectuele arbeid of aan kunstenaarschap.

Melancholie kan in die modieuze vorm ook een bijna glamoureuze rol zijn om te spelen. Terecht stelt Johannisson de vraag of dat iets afdoet aan het gevoel erachter. Jongelingen die in navolging van Goethes jonge Werther in een depressie belandden, zijn een beroemd voorbeeld. Natuurlijk lieten zij zich meeslepen en was het ‘hip’ om neerslachtig te zijn. ‘In onze tijd is melancholiek zijn de verhevenheid die iedereen aspireert’, aldus Kierkegaard. Toch laten patiëntenverslagen en brieven zien dat er écht geleden werd. Lees de beschrijving van Samuel Butler:

Zijn ziel woont in een zijn lichaam zoals een mol in de grond, die in de duisternis werkt en ingebeelde voortbrengselen opwerpt, […] hij denkt van glas te zijn en vreest dat alles waarbij hij in de buurt komt hem zal breken. Wat zijn gedachten ook maar binnendringt, het draait zich vast als een schroef, en hoe meer hij wrikt en weegt, des te dieper graaft het zich in.

Wolvenman
De kamers van de melancholie zijn veelvormig. In het boek gaan steeds weer deuren open, waarachter nieuwe en boeiende interieurs verschijnen. Zoals dat van de wolvenman uit de achttiende eeuw, waarin het dierlijke en wilde een uitweg zocht. Met als onverwacht symptoom: gulzig schrokken. Eten is een onderdeel van melancholie waar we nu niet meteen aan denken. Voor de achttiende–eeuwse melancholicus, die bij copieuze diners aanzit waardoor zijn lichaamssappen verstoord raken, is het een prominent symptoom. Barlaeus, de Nederlandse hoogleraar filosofie uit de zeventiende eeuw, eet

paling ‘vetter dan de dijen van Cleopatra’, baars met sneeuwwit vlees en brasem ‘even mollig als het achterwerk van Andromache’, en bovendien het verboden hazenvlees met zijn zwarte bloed. ‘Wat ben ik zelf anders dan een haas?’ In zijn relatie met voedsel bevestigt hij het beeld van de melancholicus die bezeten is van eten, of eerder nog van boulimisch verslinden. Na afloop heeft hij de zwartgalligheid uitgespuugd, zegt hij.

Nog één opmerkelijk voorbeeld. De moderne insomnia – slapeloosheid – berust misschien wel op een misverstand, zegt Johannisson. In vroeger tijden was het gebruikelijk om vroeg in de avond naar bed te gaan, na middernacht wakker te worden, een uur of twee te ‘verpozen’ en dan de tweede nachtrust in te gaan. Tegenwoordig associëren we elk nachtelijk waken met slapeloosheid en dus met een probleem. Een opvatting die duidelijk hoort bij onze op efficiëntie gerichte tijd. Wie heeft er nog tijd om tussen twaalf en twee gewoon wakker te zijn, zonder iets te doen?

Zelfverbranding?
De kamers van de melancholie
is niet een boek om in één ruk uit te lezen, daarvoor staat het huis te vol. De geschiedenis van al die individuen, gevangen in hun gevoelens, die weer gevangen zijn in de geschiedenis, kan je onrustig maken of juist ten prooi doen vallen aan de ennui van een dandy. Aan het eind blijft de lezer wel met een groot raadsel zitten: wat is in ’s hemelsnaam zelfverbranding?

Angst: een wetenschapsfilosofische encyclopedie

angst_encyclopedie

Als het niet heel cynisch zou klinken, zou je ‘angst’ in deze tijd een modewoord kunnen noemen, of zelfs een hype. Verkiezingen zijn in de greep van angst, het klimaat is een bron van angst, net als terrorisme. Er is angst voor onze gezondheid – terwijl we nooit gezonder zijn geweest; angst voor crisis en werkloosheid – terwijl we nooit welvarender zijn geweest. Onder de titel Encyclopedie van de angst organiseerde ik voor Studium Generale een serie lezingen over angst. Welke rol speelt angst in de wetenschap? Angst kan een drijfveer zijn om kennis op te doen. Maar wetenschap kan ook angst aanjagen. En hoe bestudeer je angst als maatschappelijk fenomeen? Hoe doorbreek je de angsthype om van angst een productieve kracht te maken?

Professor Sander Bais is theoretisch natuurkundige en schrijver van het boek Keerpunten. Angst associeert hij voornamelijk met onwetendheid. Ze stamt van vooroordelen. Kennis kan die angst wegnemen en je wereld openbreken. Relativeringsvermogen en het verbreden van je wereldbeeld is van het grootste belang. Bais durfde in zijn lezing stellig te zijn over vooruitgang in de wetenschap: die bestaat en moeten we nastreven. Toch veroorzaakt de wetenschap ook vaak onrust. Denk aan de ophef over vaccinaties en de aanhoudende discussie over evolutie. Het sprekendste voorbeeld is wel het gerucht dat de deeltjesversneller in Genève zwarte gaten zou maken die de aarde zouden verzwelgen. Hoe kunnen mensen dit geloven? Bais wijst op de rol van de media. Het gerucht over de zwarte gaten werd breed uitgemeten, terwijl de gerechtelijke uitspraak dat het gerucht nonsens is, nergens aandacht kreeg.

Een aantal belangrijke thema’s rond angst zijn daarmee aangestipt. Maar wat is angst precies? Professor Damiaan Denys is psychiater en filosoof. Hij doet vooruitstrevend onderzoek naar de behandeling van extreme angststoornissen door middel van ‘Deep Brain Stimulation’. Met elektroden worden bepaalde delen van de hersenen geprikkeld, waarna de angst verdwijnt en mensen hun leven weer kunnen oppakken. Angst is in dit geval dus heel nauwkeurig te lokaliseren in de hersenen. Is angst in de toekomst dan volledig en permanent uit te schakelen en kan de psychiatrie zichzelf binnenkort opdoeken? Willen we dat wel? Denys eindigde zijn betoog met de Venus van Milo. Wat maakt dit beeld zo mooi? De imperfectie. Angst heeft te maken met perfectie door imperfectie, met schoonheid en kunst. Een medische of biologische beschrijving zal nooit de angst in haar geheel kunnen vatten. Daarvoor is ook een meer existentialistische, literaire benadering nodig.

Dat is precies van dr. Hans van Stralen en stadsdichter van Utrecht Ingmar Heytze gaven. Angst is een kernbegrip in de existentialistische filosofie. Met het bewustzijn van wat beter kan, ontstaat ook angst voor ongeluk en mislukking. De vrijheid die de mens heeft – hij kán beter – is beangstigend. Hoe verhoudt zich dit tot Bais’ vooruitgangsgedachte, waarin kennis juist leidt tot een afname van angst? Is er een kern in het menselijk bestaan die ontsnapt aan wetenschappelijke kennis, maar niet aan het denken en bewustzijn? Een kern waarin de angst huist?

Ingmar Heytze is ervaringsdeskundige op het gebied van angst. Hij noemt angst ‘het testbeeld van het bestaan’. In een angstaanval staat de wereld stil, ze houdt op te bestaan. Om uit de angst te breken is beweging essentieel. Dan is ook een productieve inzet van angst mogelijk, bijvoorbeeld om poëzie te schrijven. De reflectie komt pas achteraf. Productie en reflectie zijn twee vormen van beweging die een manier van omgaan met angst kunnen aangeven.

In de documentaire ‘Angst’ van Michiel van Erp wordt ook duidelijk hoe belangrijk beweging is. Soms letterlijk: door hardlopen leert een van de vrouwen in de film haar angst beheersen. Misschien moet kennis ook worden beschouwd als een vorm van beweging: je neemt iets tot je dat je binnenste aan het schuiven brengt. Zo kan kennis angst helpen beheersen, hoewel misschien niet wegnemen. In de film speelt ook een ander soort beweging, ‘esthetische beweging’. De camera registreert de angst van de hoofdrolspelers niet objectief, maar met een duidelijk esthetisch doel. Door heel dicht op de huid van zijn onderwerp te zitten, laat de filmmaker je als het ware in die huid kruipen. Dat roept vragen op. Mag je de angst van anderen tot kunst maken? Hoe oprecht is de angst die voor de camera tentoongespreid wordt? En: doet dat er eigenlijk toe?

Een heel ander beeld liet professor Huub Schellekens zien. Een reclamefilmpje voor een wondermiddel genaamd Havidol – have it all. Niet echt, maar door een kunstenaar gemaakt als parodie op de farmaceutische industrie, die liever geld wil verdienen dan genezen. Inspelen op de angst van het publiek is een veelgebruikt marketinginstrument. Dat heeft ook invloed op het wetenschappelijk en universitair onderzoek naar medicijnen. Innovatie loont niet, zoveel mogelijk bestaande medicijnen verkopen wel. De industrie doet zelfs aan disease mongering: ziektes bedenken bij een bepaald medicijn in plaats van andersom. Toch ziet Schellekens de toekomst positief in: er is maar één iemand nodig die echte verandering wil doorvoeren om de marktwerking te stoppen. En diegene zal vroeg of laat wel opstaan.

Professor Frank Furedi is minder optimistisch. Furedi muntte het begrip culture of fear en heeft het over fear mongering: angst zaaien. In alle lagen en delen van de samenleving ziet hij hoe angst wordt ingezet. Als machtsmiddel en als manier om de wereld te begrijpen. Elke cultuur krijgt zijn eigen angst, zegt Furedi. Wat is de overheersende angst van onze tijd? In onze cultuur is de angst geïndividualiseerd. Angst is versplinterd en niet meer vast te pinnen op één onderwerp.

Toch zijn er nog wel grote, eenentwintigste-eeuwse angsten te noemen. Zoals de kredietcrisis. Professor Henriëtte Prast vertelde over angst als factor in de economie. Economie wordt altijd gezien als een veld waarin rationele actoren zich bewegen. Geheel ten onrechte. Irrationaliteit speelt een grote rol bij het maken van economische beslissingen. Maar ook irrationeel gedrag kan wetenschappelijk bestudeerd worden. Het vraagt alleen om een andere wetenschappelijke houding en een nieuw begrippenkader. Dan kunnen we beter begrijpen wat er bij extreme momenten als de kredietcrisis gebeurt.

Een andere grote angst van deze tijd, die ook vraagt om een andere wetenschappelijke benadering, is klimaatverandering. De ontwikkelingen in het klimaat zijn enorm veelomvattend en complex. Er spelen factoren in mee waarover niets met zekerheid te zeggen is. Hoe kun je die onzekerheid incorporeren in je wetenschappelijk onderzoek? Je zult moeten leren leven met grote foutmarges en daar het beleid op afstemmen. Professor Arthur Petersen, die onder andere adviseert aan het klimaatpanel, hield een pleidooi voor voorzichtigheid. Het is mogelijk om door geavanceerde technieken bijvoorbeeld opwarming van de aarde tegen te gaan. Maar de gevolgen op de lange termijn zijn totaal onduidelijk. Reden genoeg om er niet zomaar mee te beginnen, aldus Petersen. Ook hij houdt de media verantwoordelijk voor veel van de maatschappelijke angsten. De media houden niet van nuance en foutmarges. Toch zullen ze een andere verhouding tot de wetenschap moeten zoeken als het gaat om complexe problemen als het klimaat.

De wetenschap van de angst loopt van de individuele ervaring – die in het beste geval haar expressie kan vinden in poëzie en in het slechtste geval behandeld moet worden met elektroden – tot grote maatschappelijke angsten die in de cultuur spelen. De wetenschap kan haar bijdrage leveren aan het verminderen van angst, door vooroordelen te ontkrachten en het wereldbeeld te vergroten. Ze moet zich echter bewust blijven van de manier waarop haar bedoelingen en resultaten voor het publiek komen. Dat kan ook juist angst opwekken. Een filosofische houding van reflectie en nuance is misschien moeilijk te verkopen, maar juist door hier bewust van te blijven en hierop te reflecteren, is de angst te beheersen.

En hoe zit het met al degenen die leven in de cultuur van angst – of we nu zelf bang zijn of niet? Voor ons individuen geldt ook: sta onzekerheid toe en relativeer. Geniet van de verscheidenheid en imperfectie die het leven interessant maken. Maar durf ook risico’s te nemen, dan zullen veel van de angsten ongegrond blijken. Zonder verantwoordelijkheid verzandt relativering echter in onverschilligheid. De alomtegenwoordigheid van angst in onze cultuur wijst op een probleem dat aandacht verdient. Reflectie houdt onzekerheid en verscheidenheid in stand. Als reflectie een beweging is die angst leert beheersen, is het belangrijk te weten welke kant je op beweegt en je niet als een windvaan heen en weer te laten blazen.

Alle lezingen in de serie Encyclopedie van de angst zijn opgenomen. Terugzien kan via www.sg.uu.nl. Lees ook de blogs over de aparte lezingen op het Studium Generale nieuwsblog.

Het onbehaaglijke van Angst

angst

Onlangs kreeg ik een nieuwe pincode. Aha! Kon ik weer eens het synesthesieverhaal checken. Zweefden er kleuren voor mijn ogen bij de cijfertjes? Jazeker. Nu ik dit weet, kan ik mijn pincode zelfs beter onthouden, omdat hij in één kleurenpalet aan mij verschijnt. Dat klinkt misschien nogal gestoord, maar sinds ik de documentaire Angst van Michiel van Erp zag, weet ik dat gek met cijfertjes nog een heel andere dimensie aan kan nemen.

De documentaire was onderdeel van de serie Encyclopedie van de angst, die ik deze maanden presenteer bij Studium Generale. ’t Hoogt in Utrecht was de locatie voor drie vertoningen, waarvan ik er eentje bijwoonde. In eerste instantie wilden we (of eigenlijk ik) drie films draaien, waarbij de studenten er één moest kiezen en de organisatie een soort marathon ervan kon maken. Naast de documentaire had ik gekozen voor The Blair Witch Project (angst voelen in de bioscoopzaal) en Das Leben der Anderen (leven in angst). Uiteindelijk bleef alleen Angst over, wat ik jammer vond. Een van de onderdelen van een reeks over angst had toch ook de ervaring van angst moeten zijn. Een soort empirisch experiment tussen alle wetenschappelijk-abstracte lezingen door. En een documentaire, dat is eigenlijk een soort lezing, dacht ik.

Gelukkig had ik het bij het verkeerde eind. Het kijken naar Angst levert ervaring genoeg en voldoende basale reacties om lekker te reflecteren.

Michiel van Erp volgt zes mensen die allemaal een angststoornis hebben: een man is bang om te vallen, een meisje is obsessief met douchen bezig uit angst dat anderen haar vies vinden, een ander heeft slaapangst. Laat ik het ronduit zeggen: ze haalden het bloed onder mijn nagels vandaan. Wat een zielenpietjes. ‘Pull yourself together man!’ wilde ik roepen tegen de gezichten op het scherm, die jankten, zenuwachtig knipperden of wezenloos voor zich uit staarden. Mijn geduld raakte al na een minuut of vijf op. En toen moest ik nog anderhalf uur.

Maar in dat anderhalve uur sloeg mijn stemming om. Hoe meer je van de hoofdpersonen te weten komt, hoe onbehaaglijker het wordt. Ik had te snel geoordeeld. Deze mensen hadden echt een probleem, dat hen allang boven het hoofd was gegroeid. Hun angst kroop onder mijn huid, kil, naar, eng.

Cijfertjes waren het breekpunt. Ik zie een kleurenwaaier als ik aan mijn pincode denk. Het meisje met een doucheobsessie zag in al haar handelingen cijfers en in alle cijfers een onheilspellende dan wel gelukbrengende symboliek. Vaker het eerste dan het laatste. Van een meisje dat last heeft van onzekerheid en misschien gewoon snakt naar aandacht, veranderde zij binnen één shot in iemand met een serieuze stoornis waar je je als kijker niets bij voor kunt stellen (vanaf 32.33 minuten) Het meisje gaat steeds sneller spreken: ‘Ik heb shampoo, dat doe ik in mijn hand. Ik tel de een, ik weet niet waarom en dan knijp ik twee keer, want het is met één hand knijpen, vijf vingers aan één hand is tien en tien is een goed getal en één is niks, terwijl twee bevestigt wat ik doe…’

Volg je het nog? Tegen zo iemand zeg je niet ‘Pull yourself together man!’

Met zeer gemengde gevoelens verliet ik de zaal. De documentaire had me met de neus op de feiten gedrukt: ik kan niet tegen zielenpietjes, vertrouw erop dat iedereen zichzelf kan redden, vertrouw erop dat zielenpietjes zich altijd aanstellen. Onaardige tiepje, ik.

Later moest ik terugdenken aan wat Damiaan Denys over de film had gezegd. Deze Vlaamse psychiater uit Amsterdam sprak eerder in de reeks over de allernieuwste behandeltechniek voor zwaar angstige patiënten. Heel dunne elektrodes worden operatief in de hersenen geplaatst en door schokjes te geven, kan de angst letterlijk worden uitgeschakeld. Mocht de batterij van de elektrode op gaan, dan komt binnen een paar seconden de angst weer terug. Denys had de film natuurlijk ook gezien (lang voordat ik hem zelf zou zien). Hij had er zijn bedenkingen bij, vertelde hij. Bedenkingen die voortkwamen uit een onbehaaglijk gevoel. Die mensen spelen allemaal theater. Ze kicken op de camera. Dat kan ook niet anders, waarom zou je als gestoorde in een documentaire willen optreden? Dit zijn mensen die in hun dagelijks leven liefst elke confrontatie uit de weg gaan. Waarom laten ze de camera dan toe in hun intieme leven, hun diepste gedachten en grootste angst? Dat theatrale aspect stoorde hem.

En inderdaad, tijdens het kijken was ook dat een onbehaaglijke onderstroom van de ervaring. Dat komt ook door de raamvertelling die de documentaire omlijst, verteld door Arthur Japin (groots op de affiche) – wiens angstige ervaringen geen geheim zijn. En het verhalende is maar één van de esthetische middelen die Van Erp gebruikt. Nu weet ik heus wel dat elke documentaire, ook die van 1Vandaag of Hart in Actie dit soort middelen gebruikt. Maar in combinatie met de uiterst pijnlijke, rock-bottom angstgevoelens van de hoofdpersoon, zet het poëtische gemijmer van Japin je aan het denken. Wie zijn die mensen? Kijk nog eens naar de poster: dat meisje achter de luxaflex is er het ergst aan toe van allemaal, ze heeft geen leven meer, kan niet slapen, niet alleen zijn, niet voor zichzelf zorgen. Daar staat ze dan op de affiche. Een prachtige, esthetische, nieuwsgierig makende affiche. Bekruipt me toch weer een onbehaaglijk gevoel.

Een oneindig dunne draad

wiskundige_punt

‘Mijn ritme veranderde: overdag sliep ik, ’s nachts lag ik wakker. Ik begon ook last te krijgen van een soort angstvisioenen, waarbij ik het gevoel had dat alles zich samenbalde tot een compacte massa, kleiner en kleiner, tot er uiteindelijk één loodzwaar punt overbleef. Niet te harden zo zwaar. Daarna raakte de boel weer los en ontstond er een draad, die almaar dunner werd, oneindig lang en dun, en dan weer dikker en weer dunner, heen en weer…’

Herman Finkers was als kind ernstig ziek, vertelt hij in Hollands Diep. Dit angstvisioen stamt uit die tijd. Een herkenbaar visioen, dat gevoel dat je almaar groter wordt, uitdijt als het heelal, tot je opeens weer heel klein en nietig bent, als een wiskundige punt, omringd door oneindig veel andere punten. Loodzwaar inderdaad, zo zwaar dat het net zo goed licht kan zijn.

Dit zo treffend verwoorde visioen verwijst naar een gedeelde menselijke ervaring (mocht Finkers dat nog niet weten, dan verzeker ik het hem hierbij). Een vriend bekende eens schoorvoetend dat hij soms, tijdens een koortsaanval of in een heel zwaarmoedige bui, alle gevoel voor proporties verloor en daar het gevoel voor terugkreeg een lange, uitgerekte draad te zijn. Alsof je in een zwart gat gezogen wordt, dat eindeloos, aan alle kanten aan je trekt, je verplettert onder een enorm gewicht. De deegroller van het niets. Zwarte materie. Er hoorde ook een marcherende stoet bij, van talloze andere draden, die tegelijk reusachtig veel groter en microscopisch veel kleiner waren. Ook dat herken ik. Eenmaal had ik dit visioen als klein kind en vertaalde de hoeveelheid draden of punten of zwarte gaten in Chinezen, omdat ik kort tevoren had geleerd hoeveel er daarvan leven. Meer dan een miljard.

‘De angst dat een klein wollen draadje, dat uit de rand van de deken steekt, hard zal zijn, hard en scherp als een naald; de angst, dat dit kleine knoopje van mijn nachthemd groter is dan mijn hoofd, groot en zwaar; de angst, dat dit broodkruimeltje, dat nu van mijn bed valt, van glas is en in duizend splinters zal stukspringen op de grond, en de beklemmende vrees, dat daarmee eigenlijk alles gebroken zal zijn, alles en voorgoed; de angst, dat het strookje papier van een opengescheurde envelop iets verbodens is, dat niemand zien mag, iets onbeschrijflijk kostbaars, waarvoor geen enkel plekje in de kamer veilig genoeg is; de angst, dat ik, als ik in slaap val, het stuk steenkool zal inslikken dat voor de kachel ligt; de angst, dat er een of ander getal in mijn hersens zal beginnen te groeien, tot het geen ruimte meer in mij heeft; de angst, dat het graniet is, grijs graniet, waarop ik lig; de angst, dat ik zou kunnen schreeuwen en dat men dan voor mijn deur zou gaan samenscholen en haar ten slotte openbreken; de angst, dat ik mij zou kunnen verraden en alles zeggen, waarvoor ik bang ben; en de angst, dat ik niets zou kunnen zeggen, omdat niets is uit te spreken, – en de andere angsten… de angsten.’

Rilke voegt met deze beschrijving van het visioen, uit Het dagboek van Malte Laurids Brigge, nog iets toe: wol. Voor mij hebben wollen pluisjes evengoed met het visioen te maken. Daarom is die eerste zin ook zo treffend. Maar wat wol ermee te maken heeft? Misschien is het de structuur: wol vormt eenheid, maar vol lucht (lege materie) en die piepkleine pluisdraadjes die eruit steken zijn nu eenmaal onverdraaglijk. Op de kleuterschool hadden mijn vriendinnetjes en ik eens voor de grap een vel papier versnipperd en in de lucht gegooid. Het sneeuwt! De juf was boos. We moesten alle snippertjes een voor een oprapen van de vloer. Nog steeds voel ik het kippenvel dat de pluizige vloerbedekking mij gaf, toen ik met duim en wijsvinger die snippertjes probeerde te pakken. Een vormende ervaring.

Hoe het visioen te verklaren, deze gedeelde menselijke ervaring (vier casussen, uit drie landen, drie generaties en twee sekses)? Het uitdijende heelal, de zwarte gaten en de microscoop wijzen een mogelijke weg om het visioen te duiden. Het gaat om afstand. De allergrootste afstand – die tussen sterrenstelsels en tot aan het einde van de ruimte; en de allerkleinste afstand – van deeltjes die ontsnappen aan alle natuurwetten en op verschillende plekken tegelijk kunnen bestaan. De mens, wij, staan daar precies tussen. Het allergrootste verhoudt zich zo tot het allerkleinste, met de mens als gemene deler. Maar soms dringt de afstand zich aan ons op, hij trekt aan ons van beide kanten, duwt ons weer samen, maakt ons plat, verplettert ons. Niet alleen tegenover het immense staan we nietig; ook tegenover het piepkleine. Niet eens pluisjes, maar draadjes die uit het pluisje steken. (Niet voor niets beschrijft de astronomie de ruimte als ‘schuim’.) Als we bestaan uit deeltjes die op meerdere plekken tegelijk bestaan, wie zijn we dan? Het is de ervaring van de onmogelijke mogelijkheid van oneindigheid.

Het laatste woord is aan Rilke: ‘De werkelijkheid is langzaam en onbeschrijflijk uitvoerig.’

Cosmic fear

Wie de woorden het eerst liet vallen, weet ik niet meer. Maar opeens zong het rond op de vergadering: cosmic fear. En het klonk als iets wat we al jaren kenden, waar bibliotheken over vol geschreven zijn: cosmic fear, u kent het wel. Ik gokte erop dat het begrip ergens eind achttiende eeuw zou zijn ontstaan, in die verwarrende jaren die tegelijk het eind van de Verlichting en het begin van de Romantiek worden genoemd. De jaren tussen Burkes traktaat over het sublieme (1757) en Goya’s ets De slaap van de rede brengt monsters voort (1797). Daar moesten we iets mee doen, ik zag het al voor me: een magere jongeman, gekleed in een katoenen hemdrok die half door zijn knieën gaat, de armen ten hemel richt alsof hij die op zich neer voelt drukken en omhoog probeert te duwen – en dan die hemel: vol melkwegstelsels en nova’s en duizenden jaren geleden ontplofte sterren.

Helaas. Cosmic fear bestaat nauwelijks. In elk geval niet zoals gedacht. Waarschijnlijk is het bedacht door de vroeg-twintigste-eeuwse schrijver H.P. Lovecraft, die een oeuvre van horrorverhalen op zijn naam heeft staan dat een grote cultstatus geniet. Maar zijn cosmic fear, de allergrootste en allerdiepste angst die bestaat, heeft zelfs geen cultstatus bereikt. Een band ontleende er zijn naam aan, maar ook die band zwemt ergens in de onmetelijke ruimte van het internet rond – anoniem, niet eens cult.

Het sublieme was een geliefd onderwerp bij de vakgroep Literatuurwetenschap tijdens mijn studie. Niet alleen omdat het een categorie in de kunsten is die bijna tijdloos schijnt (voor het eerst beschreven aan het begin van de jaartelling en nog steeds actueel), maar ook omdat het zo tot de verbeelding spreekt. Het sublieme is een ervaring die tegelijk beangstigend en verrukkelijk is, die je doet huiveren van genot en van vrees. Bekendste voorbeeld is de overweldigende ervaring die de natuur kan geven, als je een berg hebt beklommen en uitkijkt over het uitstrekkende land. Hoe klein en nietig ben je tegenover de wereld! Wat betekent jouw leven tegenover het eeuwige leven van de aarde! Velen hebben geprobeerd deze ervaring in de literatuur weer te geven. Het laat zich raden hoe moeilijk dat is.

Bahktin, een filosoof en literatuurwetenschapper uit de twintigste eeuw, is de enige van wie ik een citaat over cosmic fear heb kunnen vinden.

We must bear in mind the enormous role of cosmic fear – fear in the face of the immeasurably great and the immeasurably powerful: in the face of the starry heavens, of the material mass of mountains, of the sea, and fear in the face of cosmic upheavals and elementary disasters – in ancient mythologemes, worldviews, systems of images, in languages themselves and the forms of thinking bound up with them. At the very foundation of human thought, discourse, and imagery there had been deposited a kind of dark memory of the cosmic upheavals of the past and a kind of vague fear of future cosmic shocks. This cosmic fear, fundamentally not mystical in the strict sense (being a fear in the face of the materially great and in the face of a materially insurmountable force), is used bij all religious systems for the suppression of the person and his consciousness.

Uiteindelijk is de ervaring van het sublieme een mooie ervaring, die mensen vrijwillig opzoeken. Cosmic fear, denk ik, verschilt niet zo van het sublieme, behalve dat het uiteindelijk een negatieve ervaring zal zijn, waarin de angst overheerst. Een ervaring die iedereen zal proberen te vermijden.

Niet iedereen is zomaar in staat zijn angsten te vermijden. Dat leert het boek dat ik nu aan het lezen ben, over vrouwen, krankzinnigheid en de geschiedenis van de psychiatrie Gek, slecht en droevig. Is het toeval dat de schrijfster (Lisa Appignanesi) haar verhaal begint in 1796, twee jaar na Goya’s ets? In gedachten maak ik van de man in katoenen hemdrok, die gebukt gaat onder de hemelen en haar cosmic upheavals een vrouw. Maar gek genoeg steekt zij niet haar armen omhoog om de hemel terug te duwen. Ze zit gebukt en laat de sterrenregen op haar schouders neerkletteren.