Arnon Grunberg – De man zonder ziekte

de_man_zonder_ziekte

We hebben geen goden meer om ons ten gronde te richten. Wat dan wel? In de moderne tragedie van De man zonder ziekte, de nieuwe roman van Arnon Grunberg, leiden het irrationele, het ondergrondse, onbewuste en het duistere hoofdpersoon Sam naar de ondergang. Hij kan nog zo rationeel en berekenend denken te werken aan zijn eigen lot, uiteindelijk wacht het lot hem op in het donkere Irakese hol waar hij verhoord wordt, de bunker waar hij als architect aan werkt. Zijn gehandicapte zus kan niet praten (neemt dus niet deel aan die rationele wereld). Zij wil dood. Die heeft het tenminste begrepen.

Hij werpt een blik op zijn zus. Eigenlijk is ze nog geen mens, eerder een constructie die niet ten einde gebouwd is, ze is het vermoeden van een mens, een bouwput, en hij hoopt dat ze nu eindelijk zal worden afgebouwd. … Misschien was dit een transactie: hij zou sterven, zij genezen.

Wat gebeurt er in een tragedie? Je maakt keuzes, bewuste keuzes die een andere uitkomst hebben dan verwacht. Dat doet Sam ook. Misschien is hij niet heel erg overtuigd, maar hij vaart op zijn rationaliteit en neutraliteit. Helaas voor hem, er zijn andere, oncontroleerbare krachten aan het werk. In de goden geloven we niet meer, maar dat betekent niet dat we geen speelbal meer zijn van het lot.

‘De man zonder ziekte’: dat klinkt als een goede start in het leven. Toch lijkt de familie van Sam gedetermineerd, met zijn gehandicapte zus en vroeg gestorven vader. ‘Waar hebben we dit aan verdiend?’ vraagt zijn moeder als haar zoon gemarteld en wel terugkomt van een opdracht in Irak. Sam weet: ik had beter moeten opletten. De man zonder ziekte klinkt bij nader inzien dreigend. Zo’n smetteloos figuur moet een lesje leren. Vrij zijn van ziekte maakt je aantrekkelijk voor het noodlot. 

Onzichtbare krachten trekken je je lot binnen, of ze nu onzichtbaar zijn omdat ze zich letterlijk onder de grond bevinden, of ergens onder de oppervlakte van jezelf. Onder valse voorwendselen wordt Sam naar Irak gelokt, maar dat doet er niet zoveel toe. Het moest hem overkomen, hij moest zijn lesje leren. Al zijn keuzes zijn in feite vooropgezet, er is niets bewusts aan. Hij mag mooie woorden spreken over zijn idealen van architectuur die genereus is, van de gevende architect die met een beetje geluk zoveel geld verdient dat zijn zusje haar behandeling in Amerika kan krijgen. Maar misschien is hij alleen maar architect geworden om deze tragedie te ondergaan. Wat hem overkomt is niet een gevolg van zijn toevallige bestaan als architect, hij is architect geworden zodat dit hem kon overkomen. 

Waarom? Om exemplarisch te zijn (zoals een personage van Grunberg betaamt). En wat voor lesje? Een lesje van het onbewuste, zou ik zeggen. Hij is het slagveld waar een oorlog woedt tussen rationaliteit en irrationaliteit. In het Midden-Oosten gelden rationele beslissingen niet meer en regeert het toeval met een onontkoombaarheid die we niet kunnen vatten. Soms doet Sam het juiste, zoals zich niet verzetten tegen zijn bewakers. Louter toeval. Bewust bedacht, maar toevallig. (Overigens vind ik het haast dapper te noemen hoe Grunberg het Midden-Oosten als locus van het irrationele aanwijst. Zacht gezegd komt de regio er niet goed van af. Het is er vies, onrechtvaardig en pervers; en als er al iets mooi is, is het slechts vernis en krioelen daaronder de kakkerlakken.)  

Als ik nog Literatuurwetenschap studeerde, zou ik zeggen dat de ruimte van het Midden-Oosten het onbewuste is en Zwitserland het bewuste. Of zelfs all the freudian way gaan: het Id en het Superego met Sam daartussenin. Nu ik dit zo opschrijf, komt het me voor dat juist de ontmoeting tussen die twee de interessantste passages van het boek uitmaken. De redding door het Rode Kruis uit de hell-hole van Irak, het moment dat de vertegenwoordiger van de Zwitserse ambassade hem opzoekt in zijn cel in Dubai. Wrange scènes, vooral omdat zo pijnlijk duidelijk wordt dat het westen – het rationele, schone bewuste – absoluut niet kan omgaan met de irrationele, onbewuste smerigheid die óók over de mensen wordt uitgestort.

Mijn eerste reactie op De man zonder ziekte was: wat een kil boek. Dat vind ik nog steeds. Maar misschien is kilheid de enig mogelijke reactie voor Sam, zijn vriendin Nina en alle andere personages. De martelende werkelijkheid van Irak, gespiegeld aan de beangstigende krochten van het onbewuste is zo confronterend, daar kun je alleen maar afstand van proberen nemen. Je gevoelens uitschakelen, doorgaan met je leven, succesvol zijn, geld verdienen – dat is de manier waarop we geacht zijn ons te gedragen. 

Ze schudt haar hoofd. ‘Het is zinloos,’ zegt ze. ‘Iedereen maakt fouten, maar je hebt je lesje geleerd.’ Ze klinkt streng en liefdevol.
Wat zou hij dan precies geleerd moeten hebben? Ze hadden zijn neus gebroken en dat zou een lesje moeten zijn? De martelkamer bleek een sanatorium, hij is er al met al als een beter mens uit gekomen. Is dat wat de mensen willen horen?
Sam neemt een hap van de appeltaart, die goed gelukt is. Bakken kan ze. De smaak van de gekaramelliseerde appels stemt hem mild. Misschien heeft Nina gelijk. Hij zal zijn lot aanvaarden, niet meer proberen het verleden te doorgronden in de ijdele hoop dat het verleden verandert als je het begrijpt.

Maar we kennen ook allemaal de zachte drang waarmee ‘het verschrikkelijke’ aan ons trekt, alsof het ons aangelijnd houdt als een hond. Als we te ver afdwalen haalt het ons met tedere rukjes weer naar zich toe. En maar al te graag geven we daaraan gehoor, gaan we terug de diepte in, zoals Sam terug gaat naar de regio waar hij gemarteld werd.

Hij zou erbij moeten horen maar hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hij er niet bij hoort, dat hij naast hun vrolijkheid staat zoals zijn zus naast gezonde mensen.

Hoewel het dus ontegenzeggelijk een kil boek is, zonder mededogen en meedogenloos (twee verschillende dingen), lijkt dat me ook juist de sleutel tot het verhaal. Hoe zijn we zo kil geworden? Hoe verhoudt de emotionele kilheid die beschaving heet, zich tot emotionele kilheid die marteling mogelijk maakt? Afstand nemen van het irrationele, het absurde, het perverse betekent niet dat dat ook afstand neemt van jou. Dat is het moderne noodlot, dat je achtervolgt en waaraan niet te ontsnappen valt. Toch nog een lesje geleerd.

Het echte leven? Een (irrationeel) spelletje

parkeren

Ik heb wel eens urenlang ’s nachts buiten gezeten, op een parkeerterrein, in de regen, zonder jas, omdat ik boos was en vond dat degene die mij boos had gemaakt gestraft moest worden. Uiteraard lag de dader prinsheerlijk te slapen. Ik strafte alleen maar mezelf. De volgende dag werd ik voor gek uitgemaakt. Zie je nou wel dat diegene straf verdiende? Later heb ik hier vaak over nagedacht, de ultieme belachelijkheid ervan. Mezelf straffen om een ander te straffen, wat dacht ik in vredesnaam? Ik dacht natuurlijk niet, dat is het punt.

Begin dit jaar, na de kerstvakantie, schreef ik over die rare paradox dat je terug op je werk verzucht ‘het echte leven is weer begonnen’, terwijl je aan het begin van de vakantie ook uitriep: ‘dit is het echte leven hoor!’ Misschien bestaat er niet zoiets als het echte leven, of misschien zijn beide levens even echt of onecht. Als je het leven beschouwt als een spel doet dat stomme onderscheid van echt en onecht er niet meer toe, want hoewel je weet dat een spelletje fictie is (wie heeft ooit serieus de wereld veroverd met Risk of miljoenen verworven met Monopoly), speel je het met doelgerichte ernst en met inachtneming van semi-willekeurige regeltjes.

Als je hebt gekookt en je gaat opscheppen, wie geef je dan het mooiste stuk vlees? Jezelf? Sommige mensen, moeders vooral, geven zichzelf standaard het minst volle bord, met de aangebrande stukjes. ‘Wil je niet mijn stuk?’ vraagt de ander misschien wel. ‘Welnee, dit is goed genoeg voor mij.’ Om dan op het sterfbed te verzuchten dat ze hun hele leven benadeeld zijn.

Op aanraden van mijn moeder (een groot eter) kocht ik Games People Play van Eric Berne, de jaren zestig-bestseller over het leven als een opeenstapeling van spelsituaties. Berne was psycholoog en schrijft dus geen filosofische verhandeling, maar geeft een systematiek van menselijk gedrag. Het grootste gedeelte van het boekje beslaat droge beschrijvingen van allerlei relaties en situaties, waarin mensen als pionnen bepaalde (onbewuste) spelregels volgen. De titels zijn het leukst, van ‘See what you made me do’ en ‘Now I’ve got you, you son of a bitch’ tot de ‘Frigid woman’. Die titels vertellen eigenlijk al genoeg.

Mijn zus en ik hebben vaak, heel vaak, samen meegezongen met de radio of tv. Ik probeerde zo mooi mogelijk te zingen; zij zo lelijk mogelijk. ‘Waarom zing je zo lelijk?’ vroeg ik een keer. ‘Omdat ik niet kan zingen, en als ik overdreven vals doe, dan denkt iedereen dat het expres is. Dan is het grappig.’ Wat het dan ook was. Was haar verdraaide, valse stem beter dan mijn jammerlijk mislukte poging mooi te zingen?

Het leven als een spel, dat klinkt vrolijk, maar je hoort al dat dat tegenvalt. In Bernes analyse zijn dit soort situaties terug te brengen tot een paar rollen die je kunt spelen. Het kind, de ouder en de neutrale volwassene. Het kind vertoont irrationeel gedrag, de ouder paternaliseert en daartussen zit ergens de persoon die je bent, die handelt en praat. Dit soort systemen irriteert me altijd een beetje, omdat het zo simplistisch is (dat druist in tegen mijn hart voor literatuur). Niettemin moet ook ik toegeven dat veel van die spelletjes erg herkenbaar zijn, zoals clichés ook altijd gewoon waar zijn.

Ik kan slecht tegen onnauwkeurig taalgebruik. Niet alleen op papier, maar ook in gesprekken. En dan gaat het niet alleen om woordgebruik, maar ook om wat er gezegd wordt. Mensen die een verhaal opdissen dat ik al ken en dat dan verkeerd vertellen. Die een vraag stellen vanuit een soort stream of consciousness, incoherent en ook nog met verkeerde verwijswoorden. Dan doe ik alsof ik ze niet begrijp en dwing ik ze om duidelijker te zijn, zich te herhalen, net zolang tot de vraag correct is. Terwijl ik al lang het antwoord weet en dat ook meteen had kunnen geven. Dit is waarlijk een van mijn slechtste eigenschappen.

Interessant bij Berne is dat irrationeel gedrag zo’n groot deel van de systematiek uitmaakt. Met andere woorden, irrationaliteit krijgt haar rechtmatige plaats en wordt zelfs voorspelbaar. Is dat niet ook wat literatuur laat zien? In elk geval de literatuur waar ik van houd; verhalen over mensen die welbewust tegen zichzelf kiezen, hun eigen ondergang bewerkstelligen en worstelen met hun rationele dubbelganger. Zie bijvoorbeeld Huid en haar van Arnon Grunberg; een roman die ook nog eens handelt over economie – zogenaamd de meest rationele wetenschap, die juist tot in alle poriën doordrongen is van irrationele keuzes.

Iedereen die rookt, eet of drinkt om zichzelf te troosten, winkelt zonder geld op de bank, valt op foute mannen dan wel vrouwen, begrijpt dat. Zij die het niet begrijpen, liegen.

Veel van Bernes spelletjes zijn self-fulfilling prophecies. ‘See what you made me do’: jij wilde dat ik mee ging naar dat feest op jouw werk, nu heb ik je baas beledigd. ‘Now I’ve got you, you son of a bitch’: jij bent zo’n eikel, denk maar niet dat ik vriendelijk tegen je ga doen, zie je nou wel hoe je reageert, onbeleefde klootzak die je er bent.

Ten slotte een positief spelletje, de antithese van de son of a bitch. Als een eikel reageert als een onbeleefde klootzak moet je simpelweg zo vriendelijk en beleefd mogelijk doen. Ook al word je beledigd tot op het bot, simpelweg zo vriendelijk en beleefd mogelijk doen. Dan win je de wereld en miljoenen, gegarandeerd.

Lees ook: Het echte leven? Een spelletje

Boeken 2010: tips en een tegenvaller

Eigenlijk wilde ik deze week mijn boekeneindejaarsoverzicht bloggen, maar mijn laptop ligt op de intensive care. En zonder mijn geheugensteun Bookpedia komt er niets van enig jaaroverzicht. Heb je dan geen back-up gemaakt, hoor ik al gniffelen. Jawel, van mijn hele systeem maakte ik 8 december een back-up, maar de Bookpediagegevens moet je eerst exporteren voor het wordt opgeslagen. 10 april 2010 laatste export, dat schiet dus niet op.

Vandaar een andere aanpak. Eerst kijk ik terug op de Nieuwe boeken in het najaar, die ik afgelopen zomer signaleerde. Maakten ze hun belofte waar? Deel twee (morgen): nieuwe boeken in het voorjaar. Waar kijk ik het meest naar uit? Deel drie, ijs, weder en Apple-chirurgie dienende, de beste boeken van 2010.

Waar verheugde ik me het meest op, die 23e juli 2010, na het doorploegen van de aanbiedingscatalogi van de uitgeverijen?

1. André Aciman – Witte nachten
‘Wie op Google Earth zoekt naar Straus Park, op de kruising van West 106th Street en Broadway in New York, ziet een piepklein parkje waar het verkeer langs raast. Een man hangt op een bankje, voetgangers steken gehaast het kruispunt over. Loop in westelijke richting en je belandt op Riverside Drive. Aan het eind van 106th Street leidt een trap naar een park met groene bomen en een standbeeld van Samuel J. Tilden. Draai je om en kijk omhoog naar het flatgebouw op de hoek, zo’n New Yorks appartementencomplex uit het begin van de twintigste eeuw. Daar in het penthouse, denk je, was het feest. Een paar verdiepingen lager: het appartement van Clara. Op Google Earth is het altijd overal dag, dus er zijn geen verlichte ramen waarachter je een vrouwengestalte een sigaret ziet opsteken.

Het overkomt me niet vaak dat ik tijdens het lezen van een roman Google Earth open om te zien waar het verhaal zich afspeelt. Witte nachten, de tweede roman van schrijver en literatuurwetenschapper André Aciman, roept dat verlangen wel op. Aciman beschrijft het gebied rond Straus Park zo nauwkeurig en laadt het zo vol met betekenis dat je daar zelf rond wilt lopen, op dat bankje wilt zitten.

De tweede roman van André Aciman bracht me niet alleen verrukkelijk leesplezier (verrukkelijk in de melancholische zin van het woord), maar ook een persoonlijk hoogtepunt: een recensie van mijn hand in de Groene Amsterdammer! Helaas nog steeds niet online beschikbaar, maar wie wil kan van mij een digitale kopie krijgen. Overigens het ideale boek voor de kerstvakantie, want het speelt tussen Kerstavond en Oud en Nieuw en er ligt net zo’n dik pak sneeuw als hier en nu.

2. Jaap van Heerden – Fascinaties. Een intellectuele autobiografie
‘Hij schreef essays voor het AMC Magazine over psychologie, filosofie en literatuur. Dat moet wel interessant zijn.’ Absoluut waar. De korte stukken kunnen zelfs dienen als voorbeeld van hét essay. Met verwondering observeert hij de wereld, stelt daar onbevangen vragen over en via allerlei interessante associaties en zijsporen ontleedt hij vervolgens de mechanismen achter gedrag, cultuur, taal et cetera. Vooral gaat dit boekje over wetenschapsfilosofie, maar dan op een totaal niet hermetische manier. Fascinerend. Binnenkort een recensie op 8WEEKLY.

3. Max Blecher – Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid
‘Oorspronkelijk verschenen in 1936, de beste tijd voor een boek om te verschijnen. Ik hoop op een roman even mooi als Kornel Esti of even vreemd als Oliebol.’ Maakt zijn belofte meer dan waar. Een korte roman waarin een hele wereld samenkomt, als een heel kleine diamant waaruit lichtstralen naar alle kanten weerkaatsen. Het merkwaardige van dit boek is dat het steeds herinneringen oproept aan andere boeken, films en lang begraven gevoelens. Niet omdat het niet origineel is, maar omdat alles hierin samenkomt. Binnenkort een recensie op 8WEEKLY (ik krijg het druk).

4. Peter Sloterdijk – Filosofische temperamenten
‘Ik wil al een tijdje iets van Sloterdijk lezen, maar de dikke pillen schrikken me af. Boom brengt dit najaar een ideaal boekje om mee te beginnen.’ Tegenvaller.

5. Bart Slijper – Onder de blauwe oneindigheid. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk
Niet helemaal gelezen, maar even in gebladerd voor ik het doorstuurde aan de 8WEEKLY-recensent. Die was erg positief, zie Een vriendschap van toen bloeit weer op.

6. Arnon Grunberg – Huid en haar
Check: Het recht op mislukking: Arnon Grunberg, Huid en haar
En: Gesprek voor 8 december
Lees dit boek!

Het recht op mislukking: Arnon Grunberg, Huid en haar

huid_en_haar

Arnon Grunberg vat het leven voor je samen in zijn nieuwste roman Huid en haar:

‘Ze hadden elkaar ontmoet, ze waren met elkaar naar bed gegaan. Lang zou het niet duren, had ze gedacht, maar het was een mooi verhaal. Was dat niet een van de doelen in het leven, dat het uit mooie verhalen moet bestaan? Die je elkaar kunt vertellen in de winter, ’s avonds voor de haard, zittend op een schommelstoel?
Het was anders gegaan, het duurde wel lang en hoe langer het duurde hoe meer de schoonheid van het verhaal verbleekte.’

Gelukkig heb je nog een keus:

‘Hier zit ze, gereed om haar leven te vergooien. Met een zekerheid die haar zelf verrast, beseft ze op dat moment dat het daarom gaat, dat is de kern van leven, dat je het kunt vergooien. Dat je het vergooit.’

Grunberg is een van de weinigen die de mislukking op waarde weet te schatten. Moedwillig je leven vergooien: dat is een even legitiem streven als dat naar succes. In de Volkskrant las ik een interview met ‘leider’ (ex-Shell) Jeroen van der Veer. Mooie uitspraak, onverwachts: ‘democratie is het hebben van het recht op je eigen ondergang’.

Gratis tip aan Grunberg: morgen een voetnoot over het recht op de eigen ondergang. Meer over mislukken als hoger doel: Mislukking en het karakter als catastrofe.

Arnon Grunberg: de onuitroeibare hoop

arnon_grunberg

De levensbeschouwelijke zin van de literatuur: glad ijs in de literatuurwetenschap. Hoe het wel en hoe het niet moet was te horen op een symposium ‘met en over’ Arnon Grunberg, gisteren in het Academiegebouw in Utrecht. Hoe het niet moet: ervan uitgaan dat het literaire werk ertoe dient de overtuigingen van de schrijver aan de wereld op te dissen. Hoe het wel moet: het werk beschouwen als iets wat je confronteert met de wereld, met je denken en met jezelf. Het werk als katalysator voor je eigen levensbeschouwing.

‘We komen in de romans niet zo dicht bij de meningen van de schrijver Arnon Grunberg als in de non-fictie.’
‘Ik vind mijn romans anders heel gemeend.’

In de vier lezingen waarmee de dag opende, gingen letterkundigen in op het werk – de interviewer prof. Johan Goud hield het vooral bij de auteur. Hoewel het erg boeiend was om vanaf de tweede rij Grunberg letterlijk te zíén dénken – zorgvuldig koos hij zijn woorden, herhaaldelijk vroeg hij Goud om de vraag te verduidelijken en een aantal maal verklaarde hij niet tevreden te zijn met zijn eigen antwoord – waren de lezingen het boeiendst om naar te luisteren.

Alle vier de sprekers leken het erover eens te zijn dat in het werk van Grunberg een ontwikkeling zichtbaar is van een jonge, ironische schrijver naar een schrijver van romans die gedocumenteerd zijn en gericht op een waarheid. Een zeer pijnlijke en harde waarheid bovendien. Grunberg toont in zijn laatste romans een wereld die van alle geloof, hoop en liefde is ontdaan, waarin ‘het pijnlijke nog pijnlijker wordt gemaakt’. Een schrijver die voorbij de ironie en voorbij het postmodernisme gaat.

Misschien dat ik daarom zo’n liefhebber van Grunbergs werk ben: ik pleitte laatst ook ervoor om voorbij de ironie te reiken en de ernst van de waarheid in ere te herstellen. Hoe vreselijk die waarheid ook mag zijn, ze verdient het recht in de ogen te worden gekeken in plaats van weggelachen.

Maar lukt het Grunberg ook? Hij probeert er voorbij te gaan, maar lijkt daar niet geheel in te slagen. Noch in de vorm – nog steeds speelt Grunberg met verschillende rollen (als hij zich bijvoorbeeld zogenaamd volkomen serieus inschrijft bij een huwelijksbureau voor Russische en Oekraïense dames) en met ironische distantie (als hij zich na zijn embedded reportages in Irak en Afghanistan laat embedden in Leidsche Rijn). Noch inhoudelijk – niemand kan beweren dat in de latere romans van Grunberg geen ironie zit.

Maar, zo kwam naar voren in een van de lezingen (van Erik Borgman), ook lukt het Grunberg niet om de hoop en de liefde (van geloof weet ik het niet zo goed) volkomen van de aardbodem te vegen. Lees het einde van De Asielzoeker, maar ook passages uit De Joodse Messias (een van de meest afschrikwekkende romans die ik ken, maar wel steengoed), en je voelt dat een wortel van de hoop ergens diep onder de grond blijft zitten, onuitroeibaar ondanks alle pesticiden die de mens om zich heen verspreidt.

De onuitroeibare hoop. Wie zou in vredesnaam de hoop uit willen roeien, vraag je je af. Nou, omdat hoop per definitie vals is, in Grunbergs universum. Beter de folterende waarheid dan de hoop die verblindt. Misschien is hoop als ironie: ze schept afstand, legt een mooi floers over de feiten, zoals de ironie daar de lach overheen drapeert. Grunberg wenst de hoop dood, maar de hoop laat zich niet doodwensen. Is dat ondanks de pogingen van de schrijver zo? Of vraag ik dan te veel naar de persoon en zijn mening?

Jaap Goedegebuure ging ook in op de ironie van Grunberg. Hij zag niet alleen een ontwikkeling binnen het oeuvre, maar ook binnen een roman als Tirza. De lezer wordt de roman binnengehaald met een grappig, ironisch verhaal. De schrijver en zijn personages blijven op een veilige afstand. Door het groteske karakter, kan de lezer wel lachen om al die zielenpoten. Als hij eenmaal ver genoeg naar binnen is gesleept, krijgt hij de pijnlijke waarheid keihard om de oren geslagen. De waarheid als foltering.

Grunberg vertelde dat hij wil dat de lezer uiteindelijk alle afstand verliest en volkomen samenvalt met het werk, zonder bewustzijn dat hij aan het lezen is. Daarvoor moet je hem verleiden, om de tuin leiden ook. (Overigens heb ook ik gehuild bij het einde van De Asielzoeker, net als Erik Borgman. Missie geslaagd.)

‘Vroeger vond ik het misschien wel leuk om een mythe van mezelf te creëren, nu ben ik wel zo’n beetje klaar met mezelf. Het gaat me om andere mensen, de wereld.’

Je verschuilen achter allerlei rollen, om de ander de naakte waarheid te kunnen tonen, dat hebben we vaker gezien. De ironie is een middel om dat te bereiken. Het probleem is dat tegenwoordig niemand nog iets wil bereiken met ironie, behalve dan een scheve grijns. Over de ‘levensbeschouwelijk zin’ van Grunbergs werk werd uiteindelijk niet zo heel veel gezegd. Misschien maar beter ook, laat elke lezer er haar eigen zin uit halen. Het is interessanter om te horen hoe een schrijver te werk gaat om iets bij de lezer te bewerkstelligen, dan om te horen welke boodschap hij wil verkondigen. Als hij een duidelijke boodschap te verkondigen heeft, is hij vast en zeker een niet zo interessante schrijver.

Verschillende lezers verbinden een persoonlijke levensbeschouwelijke betekenis aan een roman als De Asielzoeker. Over die betekenissen kun je discussiëren. Het is mooi om te horen hoe een geschoolde en nauwkeurige lezer als Erik Borgman zo’n werk heeft begrepen, wat hij eruit haalt en hoe hij erop reageert. Dat zet je aan het denken over je eigen interpretatie – en dat betekent ook nadenken over je eigen ‘beschouwing van het leven’. Daar heb ik na gisteren in elk geval wel zin in gekregen.

Nieuwe boeken in het najaar

catalogi

De najaarscatalogi, waarin uitgeverijen de boeken die staan te verschijnen aankondigen en vooral aanprijzen: de stapel doorwerken kost evenveel moeite als het lezen van een net iets te dikke roman. Naar welke boeken kijk ik het meeste uit? Voorbij de bizarre superlatieven en ronkende gemeenplaatsen.

1. André Aciman – Witte nachten verschijnt al in augustus bij uitgeverij Anthos. Aciman schreef eerder Noem me bij jouw naam, een geweldige roman. Ik blogde hierover: ‘Aciman beschrijft die vormen (van verliefdheid) zo nauwkeurig, laat alle nuances van verlangen, onzekerheid, seksuele opwinding, depressie en geluk zien, dat hij daar letterlijk een heel boek voor nodig heeft. Eigenlijk is het geen verhaal, maar een stemming, een wolk van gevoel die uit de bladzijden opstijgt, een prisma van verliefd-zijn. Een paar losse zinnen zullen maar één kleurnuance uit het spectrum tonen. Elke zin heeft de andere nodig, zoals elk verlangen het andere nodig heeft.’ Lees verder bij Trefzeker herfstzonnetje. Ik kan niet wachten tot (deze week?) de drukproef op de mat ploft.

2. Jaap van Heerden – Fascinaties. Een intellectuele autobiografie. Verschijnt bij Prometheus in november. Jaap van Heerden is wetenschapsfilosoof en emeritus hoogleraar Algemene Psychologie. Hij schreef essays voor het AMC Magazine over psychologie, filosofie en literatuur. Dat moet wel interessant zijn.

Uit de catalogus: ‘Zijn fascinaties vinden hun oorsprong in eenvoudige vragen. Waarom verontschuldigen mensen zich tegenover wildvreemden als zij op de verkeerde verdieping uit de lift stappen?’ (Dit overkwam mij vandaag. Misschien dat het toeval van deze beschrijving, die overeenstemt met mijn persoonlijke verwondering in de lift, de enige reden is dat ik het boek wil lezen. Een betere reden heb je ook niet nodig, toch?) En verder: ‘Strekt goddelijke genade zich ook uit tot buitenaardse wezens? Moeten we ons schuldig voelen aan de vervolging van de eerste christenen in het oude Rome, of kunnen we dat met een gerust hart aan de Italianen overlaten?’

3. Max Blecher – Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid. Uitgeverij L.J. Veen, november. Oorspronkelijk verschenen in 1936, de beste tijd voor een boek om te verschijnen. De catalogus belooft: ‘Blechers werk werd vergeleken met dat van Franz Kafka, Bruno Schulz en André Breton en is in vele opzichten een voorloper van het existentialisme.’ De vertaling is van Jan Mysjkin.

Max Blecher was Roemeen en hij werd maar 31 jaar. Op zijn negentiende kreeg hij ruggenmerg-tbc, en was hij veroordeeld tot een liggend leven (net als Marcel Proust, op latere leeftijd). Het boek verschijnt in de reeks L.J. Veen Klassiek. Ik hoop op een roman even mooi als Kornel Esti of even vreemd als Oliebol.

4. Peter Sloterdijk – Filosofische temperamenten. Bij Uitgeverij Boom in november. Ik wil al een tijdje iets van Sloterdijk lezen, maar de dikke pillen schrikken me af. Boom brengt dit najaar een ideaal boekje om mee te beginnen: ‘Van Plato tot Foucault brengt Sloterdijk het leven van negentien denkers en de inhoud van hun werken op onverwachte en soms humoristische wijze met elkaar in verband. Daarbij presenteert hij deze denkers niet uitsluitend als leveranciers van ideeën en analyses, zoals gewoonlijk in historische overzichten van de filosofie gebeurt. Sloterdijk tracht de denkers in hun temperament te treffen: in de urgente problemen die ze aan de orde willen stellen, in de heftige conflicten die ze soms aangingen, en in de persoonlijke emoties die hun stijl van schrijven bijzonder maken.’

5. Bart Slijper – Onder de blauwe oneindigheid. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk. Verschijnt in november bij Bert Bakker. Bij het lezen van deze titel was ik opeens terug in mijn studententijd. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk: het absolute scharnierpunt van de Nederlandse poëzie, hoogst romantisch, studentikoos, overdreven, melancholisch, niet voor niets ‘god in het diepst van mijn gedachten’.

Het is een dun boekje, 148 pagina’s, en daarom kijk ik ernaar uit: ik verwacht een kort verhaal van alleen maar hoogtepunten. Niet een ellenlange beschrijving van alle koppen koffie en eierdoppen klare die de twee samen dronken en wat ze daarvoor betaalden in welk café op welke hoek van welke kruisende straten. Dat belooft de catalogus ook: ‘Al snel na de kennismaking op 15 mei 1880 is hun relatie zo intens dat zij liefdesgedichten voor elkaar schrijven. Later wordt Kloos steeds veeleisender, totdat zijn vriend het niet meer volhoudt en in het voorjaar van 1881 het contact verbreekt.’

6. Ten slotte kijk ik natuurlijk uit naar de nieuwe Grunberg. Onze oom heb ik niet eens uitgelezen, toch blijft Grunberg de beste schrijver van Nederland en is het verschijnen van een nieuwe roman altijd een spannende gebeurtenis. Hoe vaak dat ook gebeurt (ongeveer elke twee jaar). Arnon Grunberg – Huid en haar verschijnt in oktober bij Nijgh en Van Ditmar. ‘Een verhaal over pervers plezier, overspel, verboden liefde en machtsmisbruik, met de Amerikaanse en Nederlandse academische wereld en de stedelijke politiek van New York als decor.’ Klinkt goed.

Boksen met Arnon en Henk

Beuken is leuk, bleek weer eens bij de Kings of Leon. Daar heb ik al eens eerder iets over geschreven. Bij de literaire masterclass van Querido kregen we les van Arnon Grunberg. De man die bij de soldaten in Afghanistan verbleef en wiens stopwoord lijden is, liet ons zijn motto aan den lijve ondervinden: om te schrijven moet je pijn voelen. En klappen krijgen. We gingen een ochtend boksen met Henk. Hierbij mijn verslag van die dag, 2 maart 2007.

Het slaan begint met de bel. De bel – dat is die ene slok bier die het verschil maakt tussen aangeschoten zijn en dronken. Of met ‘Everybody knows that you’re insane’. Een rocknummer als een speedbal. De bel gaat onverwachts, ook al wacht je erop. Als hij dan luidt, hoor je hem niet eens. Ik hoor niet goed. Ik let misschien ook niet goed op. Nu al heb ik last van boksershersenen.
Mijn sparringpartner heet Alex. Hij is altijd sneller dan ik. Vanuit een andere hoek van de zaal loopt hij mijn kant op, de borst vooruit, armen als riemen om door de mensen heen te roeien. Zijn bierglas, niet noodzakelijk leeg, laat hij op de vloer ketsen zodat zijn hand vrij is voor de eerste stomp. Ik denk altijd dat hij een praatje komt maken, maar in de ring wordt niet gepraat. Dat vergeet ik steeds.
Alex is groot en sterk, of toch, groter en sterker dan ik. Groter, sterker en sneller. Daarom is het leuk om hem te slaan. Zijn arm nodigt uit, hij houdt hem een stukje van zijn lichaam af alsof hij een tattoo wil laten zetten. Ik geef hem een blauwe plek die een nacht blijft zitten, net iets beter dan een plakplaatje.
De eerste klap is van hem. Ik kijk beledigd, wrijf over mijn bovenarm, zet een onzekere stap achteruit. Dat hoort zo, als meisje. Zijn ogen glinsteren, want hij kent het spel en wacht rustig tot het spel een wedstrijd wordt. Dan haal ik uit.
Alex mag groot en sterk zijn, ik sla hard. Hij grijpt ook naar zijn arm en moet net als ik zijn evenwicht hervinden met zo’n turnerspasje. Maar hij blijft glunderen, omdat hij weet dat hij aan de beurt is. Hoeveel jongens mogen meisjes slaan? Ik ben het meisje dat hij mag slaan. Zijn vriendin, Lisa, kijkt hoofdschuddend toe.
Op heel bijzondere avonden durft Alex me in mijn gezicht te slaan. Met de vlakke rechterhand op mijn linkerwang, één keer kreeg ik zelfs een vuistslag op m’n oog. ‘Zooooo,’ zei ik. ‘Boksershersenen.’ In de ring wordt niet gepraat, alleen gestraft. Alex maakte gebruik van mijn tijdelijke gezichtsverlies om me een loei in de maag te verkopen. Sorry zeggen deed hij niet. Misschien omdat Lisa hem zonder omhaal een tik op zijn achterhoofd gaf, als een bovenmeester uit de jaren vijftig. De scheidsrechter, van wie we dachten dat die alleen maar aan de tapkast van de kantine hing, bleek zich plotsklaps toch in de ring te bevinden.

De bel in de boksschool kun je niet missen. Je hoeft er niet eens voor op te letten. Daar ben ik blij om, dat er gelegenheden zijn waar je simpelweg tot de orde wordt geroepen. De ander heeft geen voorsprong, hij is zelfs verplicht je te groeten voor hij zich op je slaap richt. De scheids houdt alles in de hand, zelfs de uitkomst.
Alex doet het fout: de houding van een mannetjesputter, met vooruitgestoken borst en breed uitgezette armen is de grootste bokszonde. Dat zegt Henk, de trainer. Hij commandeert: ‘Armen hoog!’ ‘Kin op de borst!’ ‘Door de knieën!’ In de ring wordt blijkbaar wél gepraat.
Het slaan van een meisje schenkt Henk geen noemenswaardige vreugde. Van dít meisje dan. Hij is erop gefixeerd een andere meid uit de les te laten voelen hoe primitief zijn sport is. Zij heeft hem kwaad gemaakt en ik ben maar surrogaat. In zijn gezicht zoek ik de glunderende blik van Alex, die wacht tot het spel een wedstrijd wordt. Stom, ik sta al midden in de wedstrijd, tegenover een opgefokte vent die elke dag een slappe hap voor z’n kiezen krijgt. De enige die glundert is Grunberg, de bovenmeester van vandaag. Ik sla en doe alvast een stapje naar achteren, hoewel ik nog niet moet incasseren.
Henk vindt het niks. ‘Wat doe je nou?’ Hij houdt zijn handschoen omhoog. ‘Waar sla je nou? Hier?’ Ik wil uithalen. ‘Nee,’ stoot hij uit, ‘hier moet je slaan.’ Hij bokst tegen zijn eigen hoofd, ‘hier!’
Even snel als hij tegen zijn eigen hoofd slaat, krijg ik een rechtse vol op mijn neus. Ik wankel achteruit en wrijf over mijn neus: de meisjesdans vraagt erom gedanst te worden. Met een bokshandschoen over je neus wrijven is zinloos en ik laat mijn handen zakken. Hop! een linkse op de bovenlip. ‘Wat zeg ik?’ Henk praat op een redelijke toon, je zult hem niet snel horen schreeuwen. ‘Armen hoog!’ Ik laat mijn armen zakken. Ik ben een slechte leerling, ik let niet goed op. In de ring wordt gepraat en ook gestraft.
‘Niet weglopen.’ Dat is de scheids. Hij kan me wat.
Henk loopt achter me aan. We hebben getraind op de schoudertik, nu laat hij zien hoe het moet. Ik weet dat hij eigenlijk op mijn gezicht mikt. Zijn schijnbewegingen gaan vergezeld van het afranselgeluid uit Hollywood. ‘Dsj, dsj dsj.’ Ik ben opgejaagd wild. ‘Moet ik jou kwaad maken? Ik moet jou kwaad maken, hè.’ Hij heeft gelijk. Ik draai me om.
Aan de achterste zijde van de ring laat hij zich in de touwen vallen. Zijn armen met die groteske handen hangen werkloos langs zijn lichaam. ‘Sla dan.’ Ik kijk naar zijn gezicht. Ik durf niet. Dan zie ik hoe zijn gezicht verandert, het bloed trekt eruit weg, zijn ogen breken, geen spier beweegt nog. Het beetje bloed dat een ander uit zijn bovenlip heeft geslagen is een rode lap. Het is absoluut zeker dat wat ik ook doe, niets ervan in de boksershersenen van Henk zal doordringen.
Ik neem de tijd. Een beetje draaien, zodat Leonardo je door de benen kan spelen, de voeten in een hoek van 45 graden, kin op de borst, hoofd achter de linkerschouder, armen hoog. Rechtse directe. Nog een. Nog een. Zo snel mogelijk terughalen. En nog een. Tot Henk het welletjes vindt en mijn verdediging ontmaskert als dronken poortwachter.

Henk daagde mij uit maar liet het er zelf bij zitten. Kon hij dit meisje niet in de maag beuken? Ik weet wat het is om drie minuten voorover te staan, om zonder functionerend middenrif lucht in de longen te zuigen en vijf liter bier binnen te houden. Het is me gelukt.
Hij trok zijn gezicht uit en vroeg me erop slaan. Ik aarzelde, deed het toen, eenmaal, tweemaal, tot hij er genoeg van had.
Naderhand vroeg Arnon Grunberg: ‘Wat vóelde je toen?’ Een merkwaardige vraag voor een schrijver die enkele uren eerder het zelfonderzoek naar de schroothoop had verwezen.
‘Toen ik hem sloeg, of toen ik door hem geslagen werd?’
‘Toen jij hem sloeg.’
Iemand met een bokshandschoen vijfmaal achtereen recht op zijn smoel rammen voelt net als het incasseren van een stomp in de maagstreek: er gaat een bel af en tegelijk weet je dat er nog drie minuten te gaan zijn. Incasseren en uitdelen voelen voor mij hetzelfde. Bewijs me dat ze niet hetzelfde zíjn.
Zo moet je schrijven: je gezicht afleggen en je terugtrekken in de mist van je boksershersenen. En dan zonder omzien op jezelf rammen, desnoods in de edele delen.
Ik heb nog veel te leren: dat je elkaar moet groeten voor en na het afranselen, dat de neus het mikpunt is, dat slaan niet hetzelfde hoort te voelen als geslagen worden.
Doorvechten, ook als het eindsignaal klinkt.

Werk aan de winkel III

Lunetten

Elke dag zaterdag: de mensen die de overstap hebben gewaagd naar – bij wijze van spreken – zielige zwerfkatjes redden, benoemen zo hun nieuw gevonden geluk. In de Volkskrant Banen van vorige week las ik over de bedrijfseconoom die bakker werd en de maatschappelijk werkster die op de bus zat.

Het zijn altijd hoger opgeleide mensen die een ‘ambacht’ gaan uitoefenen, met hun handen gaan werken. En dan op weerstand stuiten van hun omgeving, want als je een goede opleiding hebt genoten is het toch zonde om daar niet iets mee te doen. Andersom zal je het niet gauw horen: als een handwerker besluit de overstap te maken naar management of advies (aangenomen dat hij de kans krijgt), wordt hij waarschijnlijk vooral toegejuicht. Meer geld, meer status, meer kenniseconomie. Hoewel loodgieters inmiddels hetzelfde uurloon schijnen te bedingen als, pak ‘m beet, een in de filosofie afgestudeerde webredacteur.

De econoom die bakker wordt: het is de omgekeerde Amerikaanse droom (hoewel deze specifieke bakker exclusieve broden levert aan sterrenrestaurants) en daarom zagen veel mensen zijn carrière als een mislukking. Een paar herfsten geleden, toen er geen kredietcrisis was, maar wel een hoge werkloosheid, had ik uit redelijke wanhoop het plan opgevat om mijn leven te laten mislukken. Ongeveer zoals die bakker maar dan zonder de exclusieve broden. Wat ik zou gaan doen wist ik niet, want als ik dat wist en het vervolgens uitvoerde, zou er al iets niet mislukt zijn.

Ik verloor mezelf in visioenen van mijn mislukte leven. Ik woonde in Lunetten, daar wonen veel leuke mensen, maar ook veel mislukte mensen. Ik had een knipperlichtrelatie en een kat. Geen werk en niet eens recht op een uitkering. Aan alle randvoorwaarden was voldaan.

Zoals dat bij mij dan gaat, schreef ik in mijn hoofd een roman over een mislukkeling. Voor ik het wist vormden zich om mij heen wilde ideeën van de mislukking als Gesammtkunstwerk, waarin mijn hele leven de inzet zou zijn in een project met foto’s, filmpjes, een boek, een dagboek, een website met een forum en nog veel meer. De antiheld was ik zelf, tegelijk mislukt en in mijn mislukte staat volkomen gelukt, tot kunst verheven, en weldra met prijzen overladen.

Net als Grunberg, die exemplarische mislukkelingen tot leven heeft gewekt in zo voortreffelijk gelukte romans (als De Asielzoeker bijvoorbeeld). Waar hij als gelukt literator in elk geval enigszins los staat van zijn opgevoerde misbaksels, moest ik beide in mij verenigen.

Je begrijpt: dit plan was bij voorbaat mislukt, ten onder gegaan aan interne tegenstrijdigheden. Misschien dat het in zijn onuitgevoerde staat de hoogste graad van niet-lukken heeft bereikt die mogelijk was. Misschien dat ik deze kerst een nieuwe poging kan wagen.