De dwaze obsessie nuttig te willen zijn: Cioran, Een kleine filosofie van het verval

Wie de inhoudsopgave van Een kleine filosofie van het verval van E.M. Cioran opslaat, wordt meteen voorbereid op een bepaalde filosofische leeservaring: ‘Oefeningen in ontbinding’ heet de eerste afdeling, en daaronder volgen: ‘Genealogie van het fanatisme’, ‘De anti-profeet’, ‘Op het kerkhof van de definities’, tot onderaan de pagina, ‘De reactionaire engelen’, ‘Bekommerd om fatsoen’, ‘Het gamma van de leegte’ – en zo nog tientallen titels door. Het leest als een lange litanie, die de liefhebber van pessimistische filosofen en de schrijvers van het lijden meteen zal aanspreken.

Lees verder bij Athenaeum: De dwaze obsessie nuttig te willen zijn

Kierkegaard. Een inleiding in zijn leven en werk – Geert Jan Blanken

blanken

5 mei 2013 is de tweehonderdste geboortedag van de Deense filosoof Søren Kierkegaard, wat ongetwijfeld aanleiding zal geven tot lezingen, boeken en artikelen. Ambo publiceert alvast Kierkegaard. Een inleiding in zijn leven en werk van Geert Jan Blanken. En voor 2013 staan bij Uitgeverij Damon, die een uitmuntend uitgegeven Kierkegaardreeks heeft, Opbouwende toespraken in verschillende geest en Wijsgerige kruimels & Johannes Climacus ofwel Men moet aan alles twijfelen op het programma. Twee titels waar Geert Jan Blanken wel raad mee weet.

Geen bouwpakketjes voor het leven
Blanken beperkt zich in zijn inleiding noch tot de bekendste werken uit het oeuvre noch tot de bekendste anekdotes uit de levensloop. Wat weet de gemiddelde krantenlezer over Søren Kierkegaard te vertellen? Hij mompelt wellicht iets over ‘de vader van het existentialisme’, en wappert dan met de handen om de geloofsfanaticus op afstand te houden. Het zijn van die typische karikaturen die een groot denker zich moet laten welgevallen (Kierkegaard had hier al bij leven last van), maar die nu ook weer niet uit de lucht gegrepen zijn. Deze twee thema’s – de existentie en het geloof – komen ook bij Blanken steeds terug, voorzien van een diepgravende context en de nodige nuancering.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Zelfonderzoek dat gegrond is in verbijstering

Het is prettig dat Blanken daarbij niet in de val trapt die in de populariserende filosofie tegenwoordig wagenwijd open staat: je pikt wat bruikbare elementen uit het totale oeuvre van een filosoof, gooit er een actueel en persoonlijk sausje over en verandert een complex filosofisch bouwwerk in een IKEA waaruit je handige bouwpakketjes voor je eigen leven bij elkaar shopt. De al te verontrustende, ingewikkelde of pijnlijke inzichten laat je links liggen of bewerk je tot ze passen in een optimistische, levenskunstige zelfhulpfilosofie. Blanken waarschuwt al meteen: hier geen ‘inspirational quotes’ maar een uitnodiging tot kritisch zelfonderzoek die gegrond is in verbijstering. De titels van twee van Kierkegaards bekendere werken geven al de zwaarte van die verbijstering aan: Het begrip angst en De ziekte tot de dood.

De Romeinse keizer, de kleinburger en het individu

Dit alles neemt niet weg dat Blanken regelmatig een hedendaagse toepassing van Kierkegaards ideeën probeert te geven. Dat werkt het beste als het impliciet blijft, bijvoorbeeld in de beschrijving van Kierkegaards houding ten opzichte van ‘het publiek’, dat hij uitermate negatief beoordeelt (in Een literaire recensie):

‘Kierkegaard vergelijkt het publiek met een Romeinse keizer, die weldoorvoed en verveeld op zoek is naar opvlammende, kortstondige afleiding: een ophitsende schaterlach in plaats van de echte humor. Zo vermaakt het publiek zich — tijdelijk — als iemand eens even stevig wordt afgetuigd in de publiciteit. Maar het publiek voelt zich nog veel minder dan zo’n Romeinse keizer die mensen elkaar in een arena laat afslachten verantwoordelijk voor wat er met die mensen gebeurt. Niemand voelt zich persoonlijk aanspreekbaar. […] Het is of het publiek in de pers een hond heeft gevonden die het op iedereen kan afsturen die zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt. Als de hond zijn nivellerende aanval heeft uitgevoerd, heeft het publiek het gevoel dat niet zij, maar die hond misschien wat agressief is geweest.’

Steeds weer ageert Kierkegaard tegen de kleinburgerlijkheid die in het publiek samengebald is: ‘de enkeling’ is waar Kierkegaard voor schrijft, het gaat erom ‘individu’ te worden. En dat betekent voortdurend verantwoordelijkheid nemen, kiezen, en het bestaan van de mogelijkheid in je leven bevestigen. Dat verklaart natuurlijk het epitheton ‘vader van het existentialisme’ dat de negentiende-eeuwer aankleeft. Maar pas op! Het te gemakkelijke oordelen ligt altijd op de loer. Aan de buitenkant is de kleinburgerlijke man niet te onderscheiden van de ‘ridder van het geloof’. Eigenlijk kan dat alleen van binnenuit. Ook daarom is zelfonderzoek een opgave.

De geloofsfanaticus

Een van de dingen die als eerste terzijde zal worden geschoven in het populariseren van Kierkegaard is dat hij ook iets heeft van een geloofsfanaticus, zoals ik dat hierboven noemde. Maar hoewel de moderne lezer moeite zal hebben met deze rol, is het ‘nog veel lastiger om Kierkegaard zonder het christelijke te willen begrijpen’, schrijft Blanken. Ik beken eerlijk dat ook ik moeite heb de verhandelingen over het geloof te volgen, maar is dat erg? Sinds wanneer is filosofie bedoeld voor herkenning, zoals een middelmatige roman inspeelt op identificatie?

Vrees en beven, Kierkegaards onderzoek naar het verhaal van Abraham die op weg gaat om zijn zoon te offeren gaat nu juist over de absurditeit van zulk geloof. Ervan uitgaan dat je dat zomaar kunt duiden, laat staan navolgen, betekent dat je niet een greintje besef hebt van wat geloof inhoudt. We moeten dat verhaal van een vader die op het punt staat zijn zoon te offeren niet neutraliseren of platslaan tot leerstelling, maar misschien juist niet begrijpen. Het is pijnlijk, onaangenaam en ergerniswekkend — en om die redenen het onderzoeken waard. Kennis of inzicht, van geloof, het zelf, de ander, komt pas dóór de ergernis of de pijn heen. Anders gezegd: daar waar het jeukt moet je krabben.

Een proeven dat smaakt naar meer

Er zijn nog talloze thema’s meer te noemen in het werk van Kierkegaard, maar ook uit deze inleiding van Geert Jan Blanken, die zeker het woord ‘inleiding’ overstijgt. Wat dacht je van de liefde, Kierkegaards grote (levens)thema naast het geloof en het zelf? Maar ook de tijd en al haar verschijningsvormen (het ogenblik, de herinnering, het voorwaartse leven), de psychologie, de keuze en de sprong. Het gebruik van pseudoniemen en Kierkegaards beeldende stijl (hij is de filosoof die de meest sprekende metaforen, vergelijkingen en parabels heeft gebruikt). En niet in de laatste plaats de humor. Gelukkig heeft Blanken ruimschoots citaten opgenomen, zodat de lezer ook genoeg van Kierkegaards schrijven kan proeven. Een proeven dat smaakt naar meer. Maar u bent gewaarschuwd, de reis zal niet altijd aangenaam zijn.

‘Wat is het leven leeg en betekenisloos. — Men begraaft iemand; men vergezelt hem naar de groeve , men werpt drie scheppen aarde op hem; men rijdt er heen met een rijtuig, men rijdt naar huis met een rijtuig; men troost zich met het idee dat men nog een lang leven voor zich heeft. Hoe lang is 7 x 10 jaar helemaal? Waarom maakt men niet korte metten met de hele zaak, waarom blijft men niet meteen op het kerkhof en gaat mee het graf in, en trekt lootjes wie het ongeluk zal treffen de laatste levende te zijn, die de laatste drie scheppen aarde werpt op de laatste dode?’ (Of / Of)

Susan Sontag – Zoals de geest gebonden is aan het vlees

sontag_geest

Zoals de geest gebonden is aan het vlees (As Consciousness is Harnessed into Flesh), het tweede deel van de dagboeken van Susan Sontag, leest als een karakterstudie. Een impliciete zelfanalyse via de analyse van anderen – vooral minnaressen – en van de allergrootste abstracties: Amerika vs. Europa, katholicisme vs. protestantisme vs. jodendom. Dat klinkt verstrekkend en ernstig, en dat is het ook. Susan Sontag (1933-2004) was hét voorbeeld van een intellectuele vrouw – en daar zijn er niet zo veel van. Maar waarom komt die zoon dan weer roet in het eten gooien?

Het eerste deel, Herboren, besloeg de jaren 1947 tot 1963. Sontags zoon David Rieff noemt het in zijn voorwoord de ‘Bildungsroman’ van zijn moeder, bij gebrek aan echt autobiografisch werk. Dit tweede deel gaat verder van 1964 tot 1980 en is veel dikker, ruim vijfhonderd pagina’s. Het zijn de overvolle jaren, vol van succes en vol van misère, zoals de kanker waarvoor Sontag wordt behandeld en die eigenlijk alleen via notities voor Ziekte als metafoor in het vizier komt. In die zin kun je deze dagboeken juist helemaal geen autobiografie noemen. En ook nauwelijks een biografisch document, want de context van Sontags leven waarin we de notities moeten lezen is zeer summier gegeven.

Lees verder hieronder of op Athenaeum: Grasduinen door Sontags geestesleven

Het eerste deel, Herboren, besloeg de jaren 1947 tot 1963. Sontags zoon David Rieff noemt het in zijn voorwoord de ‘Bildungsroman’ van zijn moeder, bij gebrek aan echt autobiografisch werk. Dit tweede deel gaat verder van 1964 tot 1980 en is veel dikker, ruim vijfhonderd pagina’s. Het zijn de overvolle jaren, vol van succes en vol van misère, zoals de kanker waarvoor Sontag wordt behandeld en die eigenlijk alleen via notities voor Ziekte als metafoor in het vizier komt. In die zin kun je deze dagboeken juist helemaal geen autobiografie noemen. En ook nauwelijks een biografisch document, want de context van Sontags leven waarin we de notities moeten lezen is zeer summier gegeven.

Kritische zelfanalyse

Die context is ook lang niet altijd nodig. Neem de stukken over minnares Carlotta, uit begin 1970. Sontag zet haar (ex-)geliefde neer als neurotisch, kinderlijk, misschien zelfs een beetje dom. Waarom valt ze dan op haar? In de zelfanalyse die daarop een antwoord moet geven velt de schrijfster een even hard oordeel over zichzelf. Indrukwekkend is hoe ze bepaalde impopulaire eigenschappen met hand en tand verdedigt en zelfs cultiveert. Net als in Herboren, prijst ze steeds weer de ernst (‘seriousness’) en calvinistische discipline, in werk maar ook in liefdesrelaties en vriendschappen. Door iemand decennialang zo dicht op de huid te volgen, zie je dat het mogelijk is, een ‘standvastig karakter’ ontwikkelen, als een haast filosofisch doel en met religieuze volharding. Geen vrolijke dame, maar wie waardeert niet op zijn tijd een tirade tegen feestjes en sociale prietpraat? Een oprechte tirade, niet zo een die mensen graag houden op feestjes, als sociale prietpraat. Oprecht, omdat Sontag het waarmaakt, dertig, veertig jaar lang.

Opdringerige ‘middle man’

Daartegenover staat dat de ‘middle man’ – David Rieff – toch wel erg opdringerig aanwezig is door de vele, vele toevoegingen in de lopende tekst. Elke genoemde voornaam wordt vergezeld van de bijbehorende [achternaam tussen vierkante haken], elke achternaam van [voornaam], namen zijn voorzien van [toelichting, gelukkig in de vertaling niet zoals in het origineel gecursiveerd] en afk[ortingen] zijn uitgeschreven. Resultaat is een passage als de volgende:

‘[De Russische criticus en schrijver Vasili] Rozanov – het zoveelste lid van de [eind-negentiende-eeuwse, begin twintigste-eeuwse] Russische beweging waar ook [de Russische schrijver Nikolai] Berdjajev + [de Oekraïens-Russische auteur Lev] Sjestov deel van uitmaken […].’

Dit zijn bovendien niet de volledige dagboeken; soms herinneren puntjes aan passages die niet zijn opgenomen. Dat is bijna niet te verkroppen, zeker niet voor de bewonderaar van Sontag en haar vrij zwevende geest. Er zijn genoeg notities wél opgenomen die ook geschrapt hadden kunnen worden. Zoals de incomplete lijsten met films en boeken, die in Herboren al bladzijden in beslag namen, en die ook in dit deel zijn gebleven – hoewel in mindere mate. Wat voor trivialiteiten zijn niet door de ballotage gekomen, vraag je je af. Of misschien: wat voor gênante beschrijvingen van nog levende personen (Rieff zelf?), té duistere zelfkennis, of politieke geheimen? Sontag minglede ondanks haar afkeer van sociale verplichtingen met hooggeplaatsten, ging op studie- dan wel propagandareis naar Vietnam en China en tafelde met de beroemdste kunstenaars en schrijvers.

Wiki-dagboek

Ik wil niet te veel zeuren, want het is prachtig dat deze rijke bron van het geestesleven van een bijzondere vrouw beschikbaar is. Hoe moet het dan wel? Mijn voorstel is het volgende. Op internet verschijnen alle dagboeknotities, met uitgebreide toelichting (a.u.b. niet alle woorden veranderen in een knalblauwe, onderstreepte hyperlink). Eventueel gegoten in wiki-vorm, zodat iedereen zijn kennis kan toevoegen. Als een Russische professor toevallig veel weet over Vasili Rozanov en een ander over Lev Sjestov, waarom dat dan niet delen? Als ik een essay schrijf over boekideeën die nooit groter worden dan een woord in een notitieschrift, waarom daar dan niet naar linken? In druk verschijnt een korte selectie van coherente, langere passages, ingeleid met een voorwoord (van een Sontag-kenner), uitgeleid door een nawoord (van haar zoon), zonder vierkante haken en een stoelendans van namen en toenamen.

Het derde en laatste deel moet nog verschijnen. Dat zal er vast niet anders uitzien dan de eerste twee. Ik zal het lezen, potloodstrepen in de kantlijn plaatsen en in mijn eigen (online) notitieboekjes mijn eigen links aanbrengen. In de hoop dat die zich ooit zullen verweven met die van anderen, niet in de laatste plaats met die van Sontag zelf, als het web waarin zij haar minnaars vangt en vasthoudt.

J.M. Coetzee en Paul Auster – Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011

coetzee_auster

Twee literaire grootheden van de afgelopen decennia, J.M. Coetzee en Paul Auster, ontmoeten elkaar, gek genoeg pas in 2008. Het is een ontmoeting die meteen vruchten afwerpt. Coetzee stelt Auster voor een briefwisseling te beginnen. Die wil wel, maar dan ‘niet alleen eettafelgesprekken – iets rigoureuzers’. Het resultaat is nu, na drie jaar heen en weer schrijven, verschenen: Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011. Een vriendschap is het zeker, en een rigoureuze vriendschap ook.

Een boek als dit voelt als een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid: twee grote hedendaagse schrijvers gunnen je een blik in hun leven, hun preoccupaties en werkwijze, maar ook in hun privéleven. Gaandeweg ontwikkelen ze een vriendschap die ontroert. We zijn getuigen van hun worsteling met het ouder worden, met hun eigen vak en relevantie als schrijver, met de wereldpolitiek en de ongemakken van beroemd zijn. Dat is veel ja, maar dat hoort bij zo’n cadeau.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid

Een boek als dit voelt als een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid: twee grote hedendaagse schrijvers gunnen je een blik in hun leven, hun preoccupaties en werkwijze, maar ook in hun privéleven. Gaandeweg ontwikkelen ze een vriendschap die ontroert. We zijn getuigen van hun worsteling met het ouder worden, met hun eigen vak en relevantie als schrijver, met de wereldpolitiek en de ongemakken van beroemd zijn. Dat is veel ja, maar dat hoort bij zo’n cadeau.

Van Paul Auster konden we dit jaar al Winterdagboek lezen, zijn autobiografische geschiedenis opgetekend aan de hand van zijn lichaam. Tijdens de briefwisseling werkt hij daaraan, tot zijn eigen verbazing lijkt het. Ondertussen corresponderen de twee over het nut van romans (Coetzee: ‘ik moet zeggen dat ik mijn geduld verlies met fictie’). Iedere schrijver legt natuurlijk zichzelf in zijn werk – deze twee niet in het minst – toch vinden zij het fictieve juist het interessante. Dat is de paradox van literatuur, hier zoekend in een dialoog onder woorden gebracht.

Sport
Beiden schrijven uiterst helder en drukken toch de ene na de andere complexe gedachte uit. Zo te denken, zo te leven, dat is niet voor veel mensen weggelegd. Gelukkig, denk je, verlummelen zij ook hun tijd voor de televisie, kijkend naar sport. Samen analyseren ze die toch wel zinloze tijdsbesteding. Topsporters, is de conclusie, heffen de grens tussen het ethische (het heroïsche van de overwinning – of van de nederlaag) en het esthetische (denk: mooi voetbal) op. Coetzee:

‘Wat, merk ik, heel erg lijkt op mijn reactie op artistieke meesterwerken waarbij ik uitvoerig stilsta (reflectie, analyse) totdat ik een goed idee krijg van wat erbij kwam kijken om ze te maken; ik kan zien hoe het gedaan is maar ik had het nooit zelf kunnen doen, dat is me niet gegeven; toch is het gedaan door een man (af en toe een vrouw) zoals ik; wat een eer om tot de soort te behoren waarvan hij (nu en dan een zij) een voorbeeld is! En op dat moment kan ik geen onderscheid meer maken tussen het ethische en het esthetische.’

Dat is ongeveer zoals je je als lezer voelt als Coetzee en Auster onder je neus corresponderen.

Invoelingsvermogen
Ze schrijven ook veel over ouder worden, hoewel de energie van beide heren wonderbaarlijk lijkt (Coetzee noemt zichzelf bejaard en dat is hij ook). Daar gaan ze, reizend van hot naar her vanuit Australië en New York, naar optredens in Europa, fietsvakanties in het Franse heuvellandschap en ontmoetingen om de brievenvriendschap te bestendigen. Vermoeiend. Ze lijden dan ook onder jetlags, niet zonder humor – ‘het ergste geval van jetlag in de geschiedenis van de mensheid’. De jeugdige vastberadenheid om te blijven produceren, wordt eigenlijk alleen ondergraven door het opmerkelijke gegeven dat Auster correspondeert per fax (!). En vooruit, ook door de brieven waarin de twee literaire reuzen elkaar raad vragen over hoe om te gaan met slechte recensies of vervelende lezersbrieven. Het is haast ongelooflijk dat ze die nog zo’n impact laten hebben, misschien niet op hun werk, maar zeker op hun humeur. Aan de andere kant is het een uitdrukking van het enorme invoelingsvermogen waar beiden blijk van geven.

Precies dat gedeelde invoelingsvermogen, gepaard aan oprechte genegenheid, lijkt de basis te vormen van de innige vriendschap die ontstaat. Het is interessant om te zien hoe dat bij de twee leidt tot verschillende manieren om de wereld te duiden. Steeds weer toont Auster zich de man van het concrete, gepassioneerd ten strijde trekkend tegen onrecht, vol verhalen bij elk detail dat hij tegenkomt, artikelen uit de krant knippend voor zijn vriend en wilde ideeën pennend over de oplossing van het conflict in het Midden-Oosten. Coetzee reageert afstandelijker, probeert de verhalen te herleiden tot hun abstracte zeggingskracht, zoekt naar algemeenheden in het woelen van de wereld. Bijvoorbeeld als het gaat om de financiële crisis die tijdens de briefwisseling in alle hevigheid losbarst. Het zijn gewoon getallen die veranderen, stelt Coetzee, getallen die niet naar iets reëels verwijzen – daar zijn het getallen voor. Dat ziet Auster anders:

‘Ik weet niet hoe erg de economische crisis heeft toegeslagen in Australië, maar hier zijn de gevolgen verwoestend. Nog niet de totale wanhoop van de Grote Depressie waar we ons anderhalf jaar geleden op voorbereidden, maar niettemin afschuwelijk; afschuwelijk voor de velen die het het zwaarst te verduren hebben.’

Rigoureus gezegd, maar immer vriendschappelijk.

Nu hun project is voltooid (ze gingen al een jaar langer door dan de bedoeling was) is het enige dat je kunt wensen dat Coetzee en Auster elkaar blijven schrijven. Ergens de stille hoop koesteren dat je zelf eens zulke brieven zult mogen ontvangen – en de nog stillere hoop dat je ze ooit zult kunnen schrijven. Berusten in de wetenschap dat andere mensen het ethische en esthetische kunnen laten samenballen waar dat jou vast nooit zal lukken. En ten slotte, vasthouden aan de gedachte dat zulke briefwisselingen, samen met de diepgaande vriendschap die ze met zich meebrengt, altijd kunnen ontstaan, hoe oud je ook denkt dat je bent.

Piet Calis – Literaire vriendschappen en andere misverstanden

calis

Literaire vriendschappen en andere misverstanden is de titel van Piet Calis’ gelegenheidsuitgave voor de Boekenweek. Het is niet een overzicht van illustere koppels als Willem Kloos en Jacques Perk of Ter Braak en Du Perron, maar een bundeling van portretten van 62 ‘literaire vrienden’ van de literatuurwetenschapper. Al die schrijvers – en een heel enkele schrijfster – zitten opgepropt in dit dikke rode boekje als een straatklinker. Elk krijgen ze zo’n vijf pagina’s, elk van hen introduceert Calis aan de hand van een interview of een persoonlijker ontmoeting. Dat leidt wel eens tot een herontdekking of een aardig citaat, maar vooral tot heel veel namen, feiten en anekdotes, en niet tot een verhaal.

Lees verder hieronder of op Athenaeum: Literaire namen, feiten en anekdotes

De gelatenheid van na-oorlogse schrijvers

De enige rode draad is Piet Calis zelf, en zijn stijl van ‘opa vertelt’. Het zal toch niet echt zo zijn dat al die kunstenaars, de avant-gardisten uit het interbellum, zij die hun familie verloren in de oorlog, de experimentele Vijftigers tot aan rebel Jan Cremer, allemaal praten met de zoete stem van Piet Calis? Zo gelaten waren die toch niet? De zwaar gehandicapte detectiveschrijver Ab Visser: ‘Ik ben eigenlijk altijd wel moe, lichamelijk tenminste, maar geestelijk niet. Wil ik geestelijk afgemat worden, dan moet er heel wat gebeuren.’

Over het engagement van Ed. Hoornik in de jaren dertig: ‘We leefden in een totaal onrechtvaardige, door klassentegenstellingen en kolonialisme verscheurde maatschappij en wilden daar iets aan doen.’ Einde citaat. Wát ze wilden doen, wát Ab Visser wel afmatte, dat komen we niet te weten. Waarom vraagt Piet Calis hier niet door? Misschien omdat er nog 61 vrienden op aandacht wachten.

Modieus gekleed

Piet Calis is literatuurhistoricus en vervulde haast alle functies die je binnen de literaire wereld kunt bedenken. Hij was leraar, tijdschriftredacteur, criticus, onderzoeker, journalist, en schreef op een blauwe maandag zelf ook gedichten. Geen wonder dat hij in die wereld – die toen nog veel kleiner was dan nu – alle hoofd- en bijrolspelers leerde kennen. Ongetwijfeld is Calis prettig gezelschap, met zijn voorkeur voor ‘dans en meisjes’. Het is jammer dat hij niet meer van het opmerkingsvermogen van zijn literaire vrienden heeft overgenomen.

Bovendien is hij meer gefixeerd op het uiterlijk dan je van een literatuurhistoricus zou verwachten. Vrouwen zijn blond dan wel ‘donkergelokt’, vele schrijvers zijn ‘dapper’ of ‘opgewekt’. Zij gaan ‘modieus gekleed’. Wat ze dan aan hebben wordt niet vermeld. Een uitzondering is Hugo Raes, ‘elegant rondsluipend op zijn beige suède schoenen’.

De ontdekking van Herman Claeys

De hier bij elkaar gebrachte ontmoetingen zijn in veel gevallen delen van langere interviews. Liever had ik een keuze daaruit verzameld gezien, in de hoop op meer uitspraken als deze van Herman Claeys:

‘Hoe absurd het ook is om te ageren tegen de bestaande orde, omdat je er toch niets aan veranderen kunt, nog oneindig veel absurder zou het zijn om niet te reageren en zich gewoon te laten gebruiken, misbruiken.’

Van de Vlaming Herman Claeys had ik nog nooit gehoord, en dat is een voordeel van dit soort literatuurbeschrijvingen: je leert altijd wel iets nieuws. Of je voelt je geroepen om weer eens een roman uit de jaren zestig uit de kast te pakken (tip: De vadsige koningen van de elegant rondsluipende Hugo Raes). In de jaren zestig eindigen de Literaire vriendschappen feitelijk, er komen er geen nieuwe bij. De schrijvers zijn gesorteerd op geboortejaar en het laatste cohort is de ‘generatie van 1930-1940’. Hekkensluiter is Jan Cremer, die Piet Calis op 6 juni 1964 tegenkomt in Blokker, bij het optreden van The Beatles. ‘Er was een nieuwe tijd begonnen. Yeah – yeah – yeah!’ besluit Calis zijn boek. Meer dan een halve eeuw later kun je dat alleen maar ironisch lezen.

Jaap van Ginneken – Het enthousiasmevirus

ginneken

‘Stemmingsbesmetting’: met dat woord duidt Jaap van Ginneken, massapsycholoog en schrijver, een heel aantal fenomenen, van Occupy en plotselinge verschuivingen in de publieke opinie tot teamgeest op de werkvloer. Door de sociale media en mobiel internet doet stemmingsbesmetting zich nog vaker en sneller voor. Nieuwe wetenschappelijke inzichten in bijvoorbeeld werking van spiegelneuronen in de hersenen tonen aan dat die ‘explosieve verspreiding van gevoelens’ ook diep in de natuur verankerd is. In Het enthousiasmevirus beschrijft hij deze twee ontwikkelingen op een toegankelijke, soms wat overvloedige wijze.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Hoe gevoelens besmetten – op afstand

Besmetting op afstand

De aanstekelijkheid van emoties is vanzelfsprekend bij moeder en kind. In kleine kring van naaste familie en directe collega’s kijkt niemand ervan op. Maar ook buiten lijfelijke nabijheid treedt die aanstekelijkheid op, zo laat Van Ginneken zien: onder het personeel van beursgenoteerde bedrijven en zelfs in de internationale politiek. Ook op grote afstand en tussen onbekenden is het mogelijk, vooral nu ‘iedereen online is’ zoals het in de ondertitel van Het enthousiasmevirus luidt. Dat betekent dat de manier waarop de publieke opinie vormt krijgt verandert en het reguliere beeld op economie, mode en psychologie om aanpassing vraagt.

Jaap van Ginneken behandelt bijvoorbeeld ‘stemmingsbesmetting’ in de economie. Zeker sinds de aanhoudende crisis begint door te dringen dat het idee van de homo economicus, die op rationele wijze beslissingen in zijn eigen voordeel neemt, een illusie is. Gevoel speelt een aanzienlijke rol in economie, zo wordt steeds meer duidelijk, en dat ‘subjectieve gevoel’ staat niet op zichzelf maar is onderhevig aan sterke invloed van buitenaf. Dat is te begrijpen in analogie met applaus in een theater; het applaus dat soms moeizaam op gang komt en vervolgens het hele publiek wildenthousiast krijgt. Al in de negentiende eeuw huurden theaterdirecteuren daarom klapvee in, dat vanaf de voorste en achterste rijen het applaus op gang moest brengen. Om een groep van duizend mensen mee te krijgen in een wave, schrijft Van Ginneken, heb je maar drieëndertig enthousiastelingen nodig. Zowel in de economie als in het theater verspreidt dat enthousiasme – of juist de angst – zich vervolgens als een virus.

Een wat ruim kader voor hypes

Van Ginneken gaat van voorbeeld naar voorbeeld, het een nog actueler dan het andere: Occupy, de Arabische Lente, het succes van de iPad. Dat springt enigszins van de hak op de tak. De stemmingsbesmetting werkt als een kader waarbinnen heel veel hypes en plotselinge veranderingen te plaatsen zijn. Dat maakt Het enthousiasmevirus als geheel wat overvloedig. Voor de zeer actuele zaken, zoals de revoluties in de Arabische landen, zal het lastig zijn geweest om ze verder uit te diepen, omdat ze nog steeds spelen en de afstand ontbreekt. Toch lijkt het soms alsof alles wel heel mooi in het kader past, terwijl dit juist extreem complexe processen zijn, waar ook tal van andere accenten te leggen zijn.

De rol van internet en sociale media is een constante die de lezer bij de les houdt. Interessant is de notie van internet als een medium van ‘massale individualisering’: iedereen krijgt online op basis van persoonlijke voorkeur opties voorgeschoteld; een unieke combinatie van massaliteit en individualiteit, van machinerie en persoonlijkheid. Van Ginneken spreekt van ‘het wandelende web’ van tablets en smartphones; we gaan toe naar een situatie waarin iedereen altijd online is. Dat heeft een aantal gevolgen. Je hoort meteen het nieuws, dat zonder interpreterend perspectief steeds een immense relevantie lijkt te hebben. Tegelijk zoek je zelf meteen nadere informatie, om tot een ‘eerste definitie’ van de gebeurtenis te komen. Dat bij elkaar genomen zorgt voor een onmiddellijke stemmingsverandering die zich in concentrische cirkels ‘over de aarde’ uitbreidt, besmettelijk is. De beeldcultuur versterkt dat nog eens.

Spiegelneuronen

Jaap van Ginneken put hoofdzakelijk uit de relatief jonge disciplines van de massapsychologie en de sociologie van collectief gedrag. Ook permitteert hij zich uitstapjes naar de evolutionaire biologie en het neurologische onderzoek naar spiegelneuronen (dat aan de basis van deze theorie ligt). Nog maar anderhalf decennium geleden ontdekten Italiaanse wetenschappers dat in de hersenen dezelfde neuronen oplichten op het moment dat je zelf iets doet of ervaart (bijvoorbeeld je eetlust bevredigen of huilen), als wanneer je iemand anders dat ziet doen. Je hersenen maken daar geen onderscheid tussen, maar spiegelen wat ze bij een ander zien gebeuren. Het kopiëren van emoties, oftewel de ‘besmetting’ daarmee zonder directe aanraking, ligt dus al in onze natuur besloten. Verwacht geen uitputtende behandeling van deze wetenschappelijke revolutie, ook hierin geeft Van Ginneken vooral in vogelvlucht een idee van de materie.

Dit boek verschijnt bij Business Contact en de schrijver probeert dan ook te laten zien wat de praktische toepassing is voor bijvoorbeeld communicatieprofessionals bij bedrijven die te maken krijgen met een plotselinge hype (het zijn natuurlijk vooral haatcampagnes die hen tot wanhoop kunnen drijven). Daarnaast helpt het weet hebben van stemmingsbesmetting om de teamgeest en werksfeer te bevorderen. Een toegankelijke en praktische inleiding in een vakgebied dat de komende jaren ongetwijfeld nog veel opzienbarend onderzoek zal opleveren.

Antoine de Kom – Het misdadige brein. Over het kwaad in onszelf

de_kom

Verdachte H. loopt met de psychiater die hem onderzoekt door de tuin van de instelling waar hij wordt vastgehouden op verdenking van moord. H. heeft geen stoornis, concludeert Antoine de Kom, de psychiater. Hij lijdt aan een patstelling: ‘zijn en/of niet-zijn’. Dat klinkt bekend.

H. is Hamlet, een van de tien ‘wereldberoemde misdadigers’ die Antoine de Kom, tevens dichter, onderzoekt in zijn intrigerende boek Het misdadige brein. Over het kwaad in onszelf. De onderzochte subjecten – negen mannen en een vrouw – zijn niet allemaal literaire personages, wel zijn ze allemaal dood. Bin L., De S.(ade) en E.(ichmann) zijn enkelen van de beoefenaars van het kwaad, die De Kom ontmoet.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Moordverdachte als een luipaard

Een nieuw gezicht voor misdadigers

Hij praat met ze in de realistische omgeving van de penitentiaire instelling waar ze verblijven, in afwachting van hun proces waarvoor ze psychiatrisch onderzocht moeten worden. De Kom heeft een duidelijke opdracht: hij moet onderzoeken of verdachte een stoornis heeft die hem wellicht ontoerekeningsvatbaar maakt. In sommige zaken zien we De Kom als getuige optreden in de rechtbank en onder vuur liggen van de advocaten. De diagnose die de psychiater stelt valt niet altijd in goede aarde.

Hij wil niet alleen diagnosticeren, maar ook begrijpen wat deze figuren tot het kwaad gedreven heeft. Dat betekent: teruggaan naar de omstandigheden waaronder iemand is opgegroeid, de verhoudingen binnen het gezin in kaart brengen, liefdesrelaties onder de loep leggen. Binnen het bestek van een tiental bladzijden leer je zo ‘de verdachte’ kennen als een persoon met een geschiedenis die vaak tragisch te noemen is.

Het kwaad wordt daarmee niet goedgepraat. Een van de briljante aspecten aan Het misdadige brein is juist dat Antoine de Kom ‘de verdachten’, met hun anonieme initiaal, in feite hun persoonlijke geschiedenis teruggeeft. Tegelijk maakt hij daarmee inzichtelijk hoe zij tot hun misdrijf zijn gekomen. Het gruwelijke van dat misdrijf intensifieert eerder dan dat het afneemt, precies omdat het personen zijn die het op hun geweten hebben. Niet voor niets is de ondertitel Over het kwaad in onszelf. (Het ‘brein’ in de titel noemen lijkt overigens een knieval voor de huidige hersenhype, die weinig tot niets met de inhoud te maken heeft.)

Antoine de Kom was als psychiater verbonden aan het Pieter Baan Centrum. Met dit boek bewijst hij ook schrijver te zijn. In een heldere, haast parlando stijl, bespreekt hij de verschrikkelijke daden van zijn verdachten.

‘“Dit is geen verhoor maar een gesprek. Ik ben geen rechercheur maar probeer u te begrijpen,’ zeg ik. ‘Het dossier is enorm maar de kern is vrij eenvoudig: u vereenzelvigde zich met een bizarre opdracht, wilde koste wat het kost uw doel bereiken en die ambitie leidde tot onbeschrijfelijke excessen.”
“Maar dokter, dokter, ik was de eerste die dat signaleerde! Ik moest van mijn direct baas Müller rapport uitbrengen over wat er gebeurde… ik zag dat er Joden werden doodgeschoten… onze SS stond in een grote kuil te schieten, mijn knieën begaven het, ik zei later tegen mijn baas dat dit toch geen oplossing was, onze mannen werden sadisten! Ik stond bij een kuil waar een moeder haar tweejarig kind smekend omhooghield. Ik had willen roepen: ‘Niet schieten! Pak dat kind aan!’, maar toen schoten ze en stukjes hersenen spatten op mijn jas. Het was walgelijk en helemaal niet volgens mijn plan.”’

De vogel had geen enkele invloed op de gestelde diagnose

Parallel daaraan, onderaan de bladzijde, loopt een interview van de schrijver met zichzelf (neem ik aan). Je wordt deelgenoot van zijn overwegingen, indrukken, twijfels en soms ook angsten. De Kom is zeker van zijn kennis en kunde, maar weet ook exact de grens daarvan aan te geven. Een consequente houding die werkelijk indrukwekkend is. Zo wordt hij evengoed een persoon van leven en bloed, wijs en humoristisch. Op elke pagina staat wel een observatie die verrast.

Interviewer: Hoe gaat u te werk als u verdachten vergelijkt met dieren?
Psychiater: Dat is net als schoenen kopen. Je let op de maat en dan op het model.
Interviewer: Wat is het vreemdste dier dat ooit in uw wachtkamer heeft gezeten?
Psychiater: Dat was een agapornis, een echte welteverstaan. De eigenaar was meer een luipaard. De vogel ging op mijn schouder zitten. De eigenaar werd verdacht van moord. Hij wees mij erop dat ik in mijn oorlel zou worden gebeten.
Interviewer: U maakt wat mee als misdaadpsychiater. Was de vogel van invloed op de diagnose?
Psychiater: De vogel had geen enkele invloed op de gestelde diagnose.

Een boek om van te huiveren en van te houden.