Update: Essay in de Revisor – nu online

cover

[Oorspronkelijk gepubliceerd 11 september 2016]

Op 1 april mocht ik in de Westerkerk optreden als voorprogramma van het denkbeest uit Ljubljana, Slavoj Žižek, ter gelegenheid van de G10 van de economie en filosofie. In het essay dat ik daar voorlas vertrok ik vanuit Žižeks beschrijving van een ‘event’ als een gebeurtenis die niet tot haar oorzaken is terug te voeren (heel kort door de bocht gezegd) – en probeerde te laten zien hoe dat ook iets kan verhelderen over sleutelmomenten in je eigen leven. Titel: ‘Voor en na [vul in: naam van partner, land, lichaamsdeel]’.

Omdat het beschrijven ervan al gauw saai klinkt, als de samenvatting die het in feite ook is, kun je maar beter het essay gewoon lezen. En! Dat kan nu ook, want het is opgenomen in het jongste nummer van de Revisor. Daar ben ik trots op, want al sinds mijn jongste studentenjaren wilde ik al eens in de Revisor staan. En nu is het zover. Een event!

Te koop bij de boekhandel of online.

Update: de jaargang van Revisor (2016, ik sta op pp. 34-37) is nu geüpload naar de dbnl, dus dat betekent dat het essay daar online te lezen is en daarom ook hieronder gearchiveerd wordt. “Update: Essay in de Revisor – nu online” verder lezen

Keldercast #10 over waanzin in de literatuur

Voor het eerst op hard//hoofd en voor het eerst met drie verschillende boeken! In het kader van de Boekenweek kozen Emy, Nikki en ik voor boeken over de waanzin: Jan Foudraine – Wie is van hout… Een gang door de psychiatrie (1971), Ingeborg Bachmann – Malina en Brullen van Marie Kessels. Daarnaast natuurlijk tips en een cameo voor Zlatan Ibrahimovic.

Klik op het plaatje om te luisteren.

Schermafbeelding 2015-03-08 om 19.53.57

 

 

 

Zou je jezelf je eigen leven toewensen?

titaantjes_waren_we

Stel je voor, je krijgt de kans om een brief te sturen aan je jongere ik. Wat zou je erin zetten? Welke kennis wil je jezelf meegeven, voor welke misstappen jezelf behoeden? In Titaantjes waren we staan 75 brieven van Nederlandse auteurs aan hun jongere ik. Het boek verschijnt ter gelegenheid van de Boekenweek. Voor 8WEEKLY schreef ik er een recensie over. Maar op de echt interessante vragen kun je in een recensie eigenlijk niet ingaan.

Boeken waarin de schrijvers een duidelijke opdracht is gesteld, verleiden de lezer haast automatisch ertoe die opdracht zelf ook te vervullen, al is het maar in gedachten. De lezer zal een stuk eerlijker zijn, omdat niemand de brief zal lezen. Bij het zoveelste ‘wees gerust, alles komt goed’ in Titaantjes waren we, kon ik een gaap niet meer onderdrukken. Waren dit echte schrijvers? Waar was hun verbeeldingskracht dan gebleven? Ik bedoel niet dat het van weinig fantasie getuigt om uit te komen op ‘alles komt goed’ (hoewel dat ook zeker zo is). Ik bedoel dat zij blijkbaar zijn vergeten wat er in de tussenliggende tijd gebeurd is en zich niet kunnen voorstellen wat er nog staat te gebeuren.

Wie weet lopen ze morgen onder een tram. Of erger nog, hun kind. Krijgen ze kanker. Of erger nog, hun kind.

Wie weet hebben ze jaren geleden iemand verloren en zijn ze daar bovenop gekomen. Ze denken dat ze kunnen zeggen ‘alles komt goed’. Maar bagatelliseren ze daarmee niet de diepe ellende die de jongeling nog voor zich heeft? Vind ik wel.

Mooier zijn de brieven die het kind in ere houden. Die eerlijk en rauw zijn, zoals het leven dat dat kind tegemoet gaat. Zou je jezelf je eigen leven toewensen? Dat is nog eens een echte vraag. Bijna te eerlijk voor een gelegenheidswerk. Toch stelt Adriaan van Dis die vraag in zijn brief en het antwoord is niet vertederend, geruststellend of bagatelliserend.

Zou je jezelf je eigen leven toewensen? Ik word er bijna bang van, van zo’n vraag. Omdat er meerdere, ook negatieve antwoorden op te geven zijn. (Los van wat mijn eigen antwoord zou zijn.)

Het is een vraag die ook gesteld wordt in The Pillowman, een toneelstuk van Martin McDonagh. Op Wikipedia heet het een zwarte komedie, maar in mijn herinnering was het toch vooral zwart. De pillowman bezoekt kleine kinderen met een ellendig leven in het vooruitzicht en overtuigt ze ervan er een eind aan te maken, voor het te laat is. Geinig.

Wanneer is het te laat? Voor de meest ellendige kinderen is het bij hun geboorte al te laat. Dan rest alleen te zeggen, ‘het was beter geweest als je niet was geboren’, zoals Grunberg schrijft in zijn niet-geschreven brief. Zulke mistroostige woorden hebben geen plaats in een jubileumboek, vind hij. Nu staan ze er toch in, in de inleiding. Van Dis bewijst dat zo’n brief juist in een vrolijk jubileumboek waarin alles goed komt, tot de beste van het geheel behoort.

Lees ook mijn recensie Boekenweekessay: een jubileumboek als goudmijn op 8WEEKLY

75 auteurs schreven op uitnodiging van de CPNB een brief aan hun jongere ik. Het resultaat is bijeengebracht in Titaantjes waren we, een bijzondere uitgave van het Boekenweekessay, ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Boekenweek. Tips over je kapsel en huiveringwekkende visioenen: het is er allemaal in terug te vinden.

De 75 schrijvers uit Nederland en België vormen samen een mooie staalkaart van de Nederlandse letteren, van columnisten tot oeuvrebouwers. Dit levert natuurlijk niet 75 briljante brieven op (wat een luxe zou dat zijn!), maar wel een fijn bladerboek waarmee je de tijd tot de volgende Boekenweek goed doorkomt.

Vooral doorgaan
Wat zou je je jongere ik willen meegeven van de kennis die je nu bezit? Het is een open vraag die veel dezelfde antwoorden oplevert, namelijk: niets. Of: vooral doorgaan, alles komt goed. Er rijst een archetype van de schrijver uit op. Die was als kind eenkennig, had niet veel vriendjes maar wel gekke kleren, hield zielsveel van lezen en produceerde zijn eerste gedichtjes en verhaaltjes al op de lagere school. Vaak is het eerste inzicht in de menselijke eenzaamheid hem of haar al op de kleuterschool overvallen. Zal dat ooit goed komen? Ja, stelt de oudere gerust, alles komt goed. Alleen al het feit dat ik nu deze brief schrijf, op uitnodiging, zegt genoeg.

Dat, zoveel mag duidelijk zijn, zijn de minder interessante brieven. Gelukkig variëren veel schrijvers op hetzelfde thema. Sommigen op een grappige manier. Arthur Japin die zijn ik toebijt: ‘Wat dacht je, op school kotsen ze me uit, laat ik mijn populariteit eens opschroeven door op ballet te gaan?’ Herman Koch laat een oud-klasgenote aan het woord die hem juist zijn populariteit en arrogantie verwijt. Dat hij ooit beroemd zou worden, ja, dat zat er toen al in. Wat ervan waar is weten we niet. Maar wie naar het fotokatern in het midden van het boek bladert, stuit op een pasfoto van de jonge god Herman Koch, die als een Jim Morrison met Alexander de Grote-kapsel in de camera loert. Wie had dat gedacht.

Brillenwinkel
De meeste indruk maken de auteurs die de opdracht bloedserieus hebben genomen. Want wat zou je werkelijk tegen je jongere ik zeggen als je de kans kreeg? Dat is niet niks. Gerrit Komrij: ‘Briljante jongen, op weg naar het niets. (…) De literatuur is een doodlopende straat.’ Vooruit, hij eindigt met: ‘Begin een brillenwinkel.’ Dan Adriaan van Dis. Hij schreef een van de kortste en indrukwekkendste brieven met een duister visioen, dat nog dagenlang een huivering langs mijn ruggengraat trok. Dan dacht ik gauw weer aan Aaf Brandt Corstius, die een heerlijk vraag-en-antwoord-spel bedrijft. ‘Nog iets: pas laat in je leven zul je ontdekken welk kapsel bij je hoofd past.’

De brieven in Titaantjes waren we zijn gealfabetiseerd op voornaam, zoals kinderen dat zouden doen. Dat gezegd hebbende, blijkt uit bovenstaande hoe je het boek níet moet lezen: na Aaf, Adriaan en Arthur, kwamen Gerrit en Herman nog aan, maar daarna verslapte aandacht en werden Jan tot en met Willem steeds meer een herhaling van zetten. Dat komt niet door de brieven van Jan en Willem senior, maar door de overdaad. Doe het rustig aan en je hebt een Boekenweekessay om een jaar lang plezier aan te beleven.

Treinkaartje lezen

piep_midas_dekkers

NS is hoofdsponsor van de Boekenweek, dus vandaag reisde ik met 179.999 andere mensen gratis met de trein, het Boekenweekgeschenk, Een tafel vol vlinders van Tim Krabbé, als alternatief treinkaartje in de tas. Opvallend veel mensen zaten ook echt te lezen in de trein. En opvallend veel mensen lazen daadwerkelijk hun treinkaartje. Ik had het al gelezen dus had nog een ander boek mee (toevallig met een pauw op de voorkant, dus ik paste wel in het dierenthema Tjielp Tjielp). Omdat ik voor 8WEEKLY een recensie mocht schrijven van dat andere Boekenweekboekje, het boekenweekessay (zonder hoofdletter), Piep, had ik al twee, drie weken geleden een lijvig promotiepakket met beide boekjes in huis. Ik zag niemand in de trein Piep lezen, het nochtans zeer vermakelijke pamfletje van Midas Dekkers.

Kopen dus, voor 2,50 euro, en/of lees mijn recensie Het dier als mens als dier. Dun genoeg voor een treinrit naar Groningen. Behalve als je in Haren woont.

Boeken waarin dieren de hoofdrol spelen zijn vaak kinderboeken of kookboeken: in de eerste draagt het varken een potsierlijk broekje, in de andere niet eens zijn eigen huid. Daar mag wel eens verandering in komen, vindt Midas Dekkers. In het boekenweekessay Piep. Een kleine biologie der letteren pleit hij voor waarachtige dierenkarakters. Dieren hebben de mens namelijk genoeg te vertellen.

Kinderen worden overstelpt door dieren, in hun boeken en in hun bed. Het zijn knotsgekke beesten die niets met echte dieren van doen hebben. Tegen de tijd dat de kinderen volwassen lezers zijn met een hang naar realisme en psychologisch drama, kleeft aan alle beesten een zotte kinderachtigheid. Daarom zijn dieren in de ‘serieuze’ letteren uit den boze.

Natuurbarbaren
Dat is niet altijd zo geweest. Denk maar aan de fabels van Aesopus of de domineedichters. Maar ook daarin zul je lang zoeken naar dieren die gewoon dieren zijn, en niet zinnebeelden van een moraal. Uiteenlopende citaten laten zien hoe het ook anders kan. Aardig is dat Dekkers daarbij niet bang is schrijvers aan te halen die zich enigszins in de periferie van de literatuur bevinden, zoals Kees Stip en Herman Pieter de Boer. Misschien is dat ook niet toevallig als de meeste ‘grote’ schrijvers zich niet aan dieren wagen.’Een leeuw is iemand die bang is voor niemand’ dichtte De Schoolmeester in de negentiende eeuw. Dat geeft precies aan waar het knelt: het dier is iemand, een individu, en niet alleen een soort. Net zo min als in de biologie, waar alleen over soorten gesproken mag worden, komen in de letteren individuele dieren voor. Er zingt eens een vogel, maar of het een nachtegaal is of een merel weet niemand. Dekkers signaleert een soort dédain onder cultuurminnaars. Het geeft geen pas om de ene vogelsoort van de andere te kunnen onderscheiden. ‘Natuurbarbaren,’ bijt hij ze toe.

Dier in het dier
En dat terwijl bepaalde mensen toch heel goed het dier als individu kunnen zien. Huisdiereigenaren geven allereerst hun nieuwe beste vriend een naam en dichten hem in de loop van de tijd een uitgebreid karakter toe. Dat is alvast een stap in de goede richting, want met een huisdier heb je een gids die je kan inleiden in de wondere wereld van de dieren.

Als je daar dan in gaat ronddwalen is het zaak je ten volste in te leven in de dieren die je tegenkomt. En dan niet op de halfzachte manier van de natuurbeschermer, voor wie dieren eerst zielig moeten zijn. Het gaat om ‘het dier in het dier’, om Koos van Zomeren aan te halen, een van de schrijvers die Dekkers vaak noemt. Het zou niet te moeilijk moeten zijn – de mens is immers ook een dier. ‘Freud is dood, Darwin leeft,’ schrijft Dekkers, we zijn allemaal met elkaar verbonden.

Paradox
Hierin schuilt een merkwaardige paradox. De dieren zijn een manier om tot zelfkennis te komen: ‘kijken in andermans kop is levensvoorwaarde’. Om ze als individu te zien moet je ze ook als individu benaderen. Tegelijk mag je ze niet beroven van hun eigenheid, hun totale anderszijn. Het is een dun lijntje waar de dierenvriend en letterkundige op balanceert.

Je inleven in een dier is het moeilijkste wat er is. Midas Dekkers doet het op zo’n eigenzinnige manier, dat kunnen er maar weinig. Hij schudt de veren van de wetenschapper van zich af en tooit zich met die van de kunstenaar. Díe bezit de vermogens om zich in te leven en van een soort een verzameling individuen te maken. Het is dan ook een genot om Piep te lezen. Het dier Dekkers is gezegend met een feilloos gevoel voor humor en stijl.