Zomertips uit de Keldercast!

Deze zomer hoor je bij de Keldercast korte podcasts. Snelle boekentips tussen het zonnen, zwemmen en reizen door om je vakantie nog mooier te maken.

Emy tipt haar laatste liefde – wie? wie? wie? luisteren! – wiens prachtige essaybundel in vertaling een teleurstellend slechte Nederlandse titel kreeg. Nikki’s boek, The fault in our stars, was hetzelfde lot beschoren. Maar Miriam redt het imago van de Nederlandse vertalers met een oude Hongaarse schrijver over jongens die voor het eerst mogen roken. Vrijheid! Zomer!

Dezso Kosztolanyi – De gouden vlieger

gouden_vlieger

Op 8WEEKLY: ‘Hij was minder dan een mens en meer’

Dezső Kosztolányi (vert. Mari Alföldy) – De gouden vlieger

‘Hij was minder dan een mens en meer’

Laat je niet misleiden door de titel die associaties oproept met waargebeurde-verhalen-van-ver-weg. De gouden vlieger is misschien wel de beste roman van de Hongaarse interbellum-schrijver Dezső Kosztolányi. Wat is een mens, anders dan sterfelijk? Nou, ontroerend bijvoorbeeld.

Nee, ontroerend is niet het goede woord. Het geweld, de wraak en de verwoestende mislukking zijn niet te vangen met dat onschuldige woord. En toch, het lot van leraar wis- en natuurkunde Antal Novák, die in het bestek van een maand of drie zijn ondergang tegemoet gaat, grijpt je in hoge mate aan. Hij is een klassieke held, die ten onder gaat aan zijn goede bedoelingen.

Pistool
Bij de eerste zin zet je je schrap: ‘Het pistool ging met een knal af.’ Natuurlijk denk je dan aan de wet van Tsjechov: je kunt als schrijver niet een pistool laten rondslingeren zonder dat het later ook wordt afgevuurd. Het blijkt het begin van een hardloopwedstrijd, gewoon een trainingsrace van scholieren, niets bijzonders. Het is 1 mei, een nationale feestdag met drank en vreugde, de zon schijnt. Als de race gelopen is, bergt de winnaar het pistool weg in zijn zak en het is vergeten. Niet door Kosztolányi, die verschillende pistolen steeds terloops laat opduiken, tot het dan toch misgaat. Hoe wordt hier niet verklapt; die scène moet elke lezer met een zo groot mogelijke schok ondergaan.

De gouden vlieger is een meer traditionele roman dan de twee verzamelingen over Kornél Esti, of de historische evocatie van Nero, de bloedige keizer, die hij later schreef (het wraakmotief gebruikte Kosztolányi ook in Anna). Na de knal waarmee het boek begint bieden de eerste bladzijden een wat rusteloze introductie van tal van personages tussen wie de verhoudingen impliciet worden aangestipt. Leerlingen uit de examenklas, en de leraren die hen onderwijzen, zijn na acht jaar onherroepelijk met elkaar verstrengeld. Na twintig bladzijden treed je met hen echter een romanwereld binnen om je volkomen in onder te dompelen. De zomermaanden in de Hongaarse provincie: heet, stoffig, verzonken in een gouden licht en in een diepe melancholie, twee maanden with nothing to do in het vooruitzicht, dat is waar je vertoeft.

Ontspoorde dochter
Interessant genoeg was Kosztolányi’s vader rector en leraar natuurkunde. Zelf werd de auteur van school gestuurd omdat hij niet aan de autoriteit van de docenten wilde gehoorzamen. In De gouden vlieger gaat het ook om autoriteit en opvoeding. Novák gelooft in een Rousseau-achtige ontwikkeling, waarbij kinderen in vrijheid al spelende leren. Het resultaat: een ontspoorde dochter en verregaande agressie.

Het is verleidelijk De gouden vlieger behalve als moderne tragedie ook te lezen als een persoonlijk gemotiveerde verhandeling over leraar en leerling, de druk van sociale conventies en van het systeem waar kinderen doorheen worden geduwd zodat ze als aangepaste volwassenen kunnen deelnemen aan de maatschappij. Gepsychologiseer moet echter achterwege blijven. In zijn dagboek noteerde Kosztolányi:

I have always really been interested in just one thing: death. Nothing else. […] I have nothing but disdain for those writers who also have something else to say: about social problems, the relationship between men and women, the struggle between races, etc., etc. It sickens my stomach to think of their narrowmindedness. What superficial work they do, poor things, and how proud they are of it. (Uit het voorwoord van Péter Esterházy bij de Engelse uitgave van Skylark)

Zo’n maatschappelijke lezing beantwoordt inderdaad niet aan het sentiment – om nog een gevaarlijk woord te gebruiken – dat je bevangt bij het lezen. Het sentiment dat je doet meevoelen met die arme ziel Antal Novák, die goed noch slecht is, tragisch én komisch, komisch wánt tragisch. De lezer moet zelf bijna huilen, naast het lachen.

Grappig figuur’
Antal Novák is een ‘grappig figuur’ vinden zijn leerlingen, en terecht: kijk maar naar die weduwnaar met zijn onaangepaste kleren, zijn vooruitstrevende idealen en ingebakken fatsoen, zijn liefde voor de natuurkunde en zijn onaangepaste dochter. Aan de andere kant, leerlingen lachen hoe dan ook om hun leraren, wat ze ook doen of hoe ze er ook uit zien. Was hij dus lachwekkend? Dat is een vraag die opgehelderd moet worden. Hij was het een beetje, maar hij was het in elk geval wel. In de eerste plaats omdat hij een mens was, en omdat ieder mens lachwekkend is.

Verderop stelt Kosztolányi juist: ‘Hij was geen mens. Hij was minder dan een mens en meer.’ Alles wijst erop dat Novák een tragische figuur zal blijken, eerder dan een komische. Hij houdt van de kinderen, die hem uitlachen. Hij houdt van zijn dochter, die hem bedriegt. Hij houdt van de natuur- en wiskunde, die hem in zekere zin ook bedriegt. Natuurwetten? Experimenteel bewijs? De objectieve schoonheid van getallen? Het helpt Novák geen klap als hij gevangen komt te zitten in de chaotische strijd met mensen die het op hem voorzien hebben, zoals een eindexamenleerling die gezakt is en op wraak zint, of zijn dochter die liever geesten oproept dan naar pappie te luisteren.

Great cosmic irony
Wat is een mens? In de fabelachtige verhalen over Kornél Esti voerde Kosztolányi zijn alter ego op, geïntroduceerd door een ‘vriend’. Zo kon hij een kant van zichzelf, als schelm en archetype dandy, uitvergroten. Ook hier zijn de personages vooral types: de sporter die niet kan leren, de vrijgezelle tante, de cynische journalist die uit is op een relletje. Dat klinkt niet aanbevelenswaardig, maar hoewel het geen ‘hele mensen’ zijn, weet Kosztolanyi ze toch uitermate menselijk te maken. Dat komt omdat hij juist de beperking van het type laat zien, de mislukking die erin schuilgaat. We willen misschien wel heel graag een type zijn, omdat het makkelijk is en richting geeft aan het bestaan. Maar het is onmogelijk vol te houden, het doelloze leven zal als een boemerang op je terugslaan.

Kosztolányi creëert vanuit het besef dat de mens gebukt gaat onder ‘a great cosmic irony’, zoals een recensent schreef. Verlangens en strevingen leiden tot niets, alles is uiteindelijk zinloos. Dat is waar Novák ook achter komt. Voor Kosztolányi volgt hieruit echter compassie voor hen die tóch verlangen en streven. Verwondering over al dat geploeter, zonder de dood uit het oog te verliezen. Dat maakt het werk van Kosztolanyi tegelijk tragisch en komisch, en ja, ontroerend. In de woorden van Kornél Esti: ‘omdat ik mezelf niet kon troosten, legde ik me toe op het troosten van anderen.’

Meer over Dezso Kosztolanyi:
Dezsö Kosztolányi – De avonturen van Kornél Esti
Nero, de bloedige dichter
Kornel Esti, de enige held in dit verhaal
Techniek in de literatuur VII

Dezsö Kosztolányi – De avonturen van Kornél Esti

esti2

Op 8WEEKLY: Maak kennis met een vriend voor het leven
En lees ook op dit blog Kornel Esti, de enige held in dit verhaal en over een andere roman van Kosztolányi: Nero, de bloedige dichter

Kornél Esti is een levenslange vriend van iedereen die De bekentenissen van Kornél Esti las. Wat een plezier om te ontdekken dat schrijver Dezsö Kosztolányi nog meer Esti-verhalen schreef, nu met enkele verspreide verhalen verzameld in De avonturen van Kornél Esti.

Bijna zou je jaloers worden op de lezers die met Esti kennismaken door deze avonturen; zij hebben nog een hele roman in het verschiet liggen. Dat boek uit 1933, vertaald in 2006, werd de hemel in geprezen, maar is nooit zo beroemd geworden als het werk van bijvoorbeeld Kosztolányi’s landgenoot Sándor Márai. Hoewel de ‘overige verhalen’ die het tweede deel van deze bundel uitmaken zeker de moeite waar zijn, is het overduidelijk dat Kosztolányi door de schepping van zijn alter ego Esti zijn plek aan het literaire firmament verdient.

Luidkeels dromen
In zeventien verhalen volgen we min of meer chronologisch de levensloop van Kornél Esti, eerst student, dan journalist, uiteindelijk beroemd schrijver en dichter. Een vriend van hem tekent de verhalen op en misschien is dat de reden dat Esti voelt als je hoogsteigen boezemvriend. Een prachtig stijlmiddel: kiezen voor een verteller die zelf anoniem blijft, maar duidelijk houdt van zijn ‘reisgenoot’ in dit leven. Zo zijn de verhalen direct doordrenkt van warmte, ook al zijn ze vaak geschreven als monoloog van de hoofdpersoon. Toch zou het perspectief van Esti als ik-figuur een heel andere verhouding opleveren. ‘We dronken geel en rood door elkaar, ook groen, allerlei wilde borrels, begon Kornél Esti. We waren de hele nacht luidkeels aan het schreeuwen.’

Scènes uit het leven zijn het, die op zich niet zo bijzonder lijken. Neem de jongelingen waartoe Esti behoort. Studenten die luidkeels dromen van het schrijversbestaan. Komen we die niet al te vaak tegen? Het verschil is dat deze groep zich niet overbluft, want ze bezit een uitzonderlijke verbeelding. Zo begint het geestige verhaal ‘Oorvijg’:

In het gezelschap rond Esti, dat uit gelijkgestemde kerels van een jaar of twintig bestond, gebeurde het regelmatig dat ze zomaar ineens iemand een oorvijg wilden geven, zonder enige aanleiding, alleen om te genieten van de plotseling ontstane dramatische situatie, als een soort experiment. Met dit idee, dat nieuw noch geestig genoemd kan worden, konden ze zich urenlang vermaken zonder het ook maar één keer uit te voeren, want de laffe, zoete dromerij bevredigde hen volkomen en de uitvoering zou voor hen slechts een slap aftreksel van de voorstelling zijn geweest.

De dood van een hoed
Beroemd schrijver of niet, Esti ontwikkelt zich tot de meest aimabele man die je je kunt voorstellen: intelligent en humorvol, maar vooral ook behept met een groot gevoel van mededogen voor de mensheid. Nee, voor de wereld, waaronder ook de dingen vallen. Neem ‘De hoed’, waarin Esti zijn hoed niet weet te redden van een pijnlijke dood. Absurd, maar Kosztolányi maakt de empathie van Esti met zijn hoed volkomen geloofwaardig en dus ontroerend. Esti’s motto is dan ook: ‘omdat ik mezelf niet kon troosten, legde ik me toe op het troosten van anderen’.

Esti is een welgestelde heer vergeleken met de meeste van zijn generatiegenoten. In het Boedapest van de jaren twintig en dertig heerste geen overvloed. Alleen de fantasie raakt nooit op. Dan kan een hoed leven en doodgaan, kan een nooit gegeven oorvijg urenlang vermaak geven. In veel verhalen draait het om de uitwassen van de verbeelding, ‘de onwaarschijnlijkheid van het waarschijnlijke’ zoals het ergens heet.

Zeven vette jaren
In het tweede deel introduceert Kosztolányi meer personages die aan het kortste eind hebben getrokken. Zij gaan gebukt onder armoede – een thema dat ook in zijn ‘dienstmeisjesroman’ Anna aan de orde kwam. Toch zijn de vrolijke verhalen het sterkst, zoals ‘Zeven vette jaren’ over een drankfestijn waar de garderobe van een van de drinkebroers van eigenaar wisselt en weer terug. Zonder reden, gewoon omdat het geestig is. Wat de verbeelding vermag wanneer de verveling toeslaat.

Vrienden van Kornél Esti zullen dit boek blind aanschaffen en zich geroepen voelen na de avonturen weer de eerdere roman op te pakken. Onbekenden lezen beter eerst het tweede deel met overige verhalen, leren dan Esti kennen in het eerste deel, om zich ten slotte te laten overdonderen door de onmisbare Bekentenissen.

Nero, de bloedige dichter

Nero, de bloedige dichter

Primeurtje: mijn recensie van Nero, de bloedige dichter door Dezsö Kosztolányi. Morgen op 8WEEKLY, nu al hier te lezen.

Heerser van moord en waanzin

Het succes van Sándor Márai heeft geleid tot een herontdekking van de Hongaarse literatuur uit het begin van de twintigste eeuw. Een van de schrijvers wiens werk de laatste jaren in vertaling verschijnt is Dezsö Kosztolányi (1885–1936). Zijn historische roman Nero, de bloedige dichter uit 1922 is na Anna en De bekentenissen van Kornél Esti een nieuw hoogtepunt. Een boek om uit te blijven citeren.

Nero kennen we vooral als de gek die hij aan het einde van zijn leven was, een krankzinnige keizer die het Romeinse rijk aan de rand van de afgrond bracht en zelfmoord pleegde. De schrijver doet niet aan ontmythologisering; Nero blijft een meedogenloos, ongrijpbaar onmens. Kosztolányi introduceert de keizer echter als onzekere jongeman, rouwend om zijn vader (die is vergiftigd door zijn moeder, de eerste van vele moorden in het boek). De jongen die zijn eerste stoppels offert aan de god van de jeugd – wat hem de bijnaam Vuurbaard oplevert – zinkt steeds dieper weg in een poel van eenzaamheid en waanzin.

Lauwerkrans
Nero, de bloedige dichter is geen biografie, maar het portret van een mislukte kunstenaar en een bloedstollend mooie beschrijving van het leven in het Romeinse rijk, zowel aan het hof als in de achterbuurten.

‘Het was nog altijd zeer heet. Poppaea haalde uit haar kleine tas een slang tevoorschijn en wikkelde die om haar hals, om door het koude bloed verfrist te worden.’

Aan politiek maakt Kosztolányi nauwelijks woorden vuil. Het gaat hem om de ziel. En Nero heeft de ziel van een dichter, niet van een politicus. Hij zoekt goddelijke macht, geen wereldse. Eerzucht is wat hem drijft. Uit verlangen naar applaus en bewondering laat hij zich lauwerkransen omhangen in het theater. Hij krijgt alle aandacht die hij wil – hij is de keizer, wie zal hem tegenspreken?

Verveling en moord
Uiteraard volgt op het succes de verveling. En de verwoestende twijfel. Hoe kan Nero ooit weten of hij een goede dichter is, als niemand hem de waarheid durft te zeggen? Wat heb je aan honderden lauwerkransen als je in de kroeg door het volk belachelijk wordt gemaakt? Nero is mislukt, als kunstenaar en politicus. Zou iemand hem al de waarheid durven zeggen, dan wil hij haar niet horen. De gesprekken die hij voert met zijn broer Britannicus (wel een geniaal dichter) en zijn leermeester Seneca (gluiperige retoricus), waarin hij worstelt met de waarheid, behoren tot de beste stukken van de roman. Nero mag mislukt zijn, Kosztolányi schittert als een briljant:

‘”En mijn twijfels, Britannicus. Als de rottende wonden van een leeuw onder de Afrikaanse zon. Abcessen, overdekt met gele etter en een levende krans van wormen.”‘

Moord is het instrument dat Nero aangrijpt om zijn mislukking onzichtbaar te maken. De Vuurbaard is waarlijk een bloedige dichter. Broedertwist of moedermoord, nergens schrikt hij voor terug. Doden wordt een verslaving, een eerste levensbehoefte. Door te doden, bevestigt Nero de goddelijke macht die hij zo lang zocht, bevestigt hij zijn leven.

‘”Ik ben onschuldig,” zei hij terwijl hij stierf.
“Dat weet ik” antwoordde de keizer. “Dat maakt het nog interessanter,” en hij keek aandachtig toe hoe de onbekende man zijn laatste adem uitblies.’

Hemelse waanzinnige
Zelfs in de dood mislukt Nero. Roemloos komt hij aan zijn eind op een stoffige zandweg, waar hij met een bot zwaard uit de rekwisietencollectie van het theater zichzelf wil doorboren – ‘maar het zwaard wilde niet in zijn keel dringen’. Zijn secretaris moet hem op de punt naar beneden duwen. De Vuurbaard trekt een laatste spoor langs de sterren voor hij in stof uiteenvalt:

‘Aan de wolkenloze hemel straalden de gele punten van de sterren, en onder aan de horizon raasde de komeet voorbij die het einde van de keizer had voorspeld. Met verward, rood haar stormde die hijgend verder, met een bloedig bericht, als een hemelse waanzinnige.’

Dezsö Kosztolányi laat de lezer verbluft achter. Kosztolányi is niet bang voor grote woorden, maar vliegt nergens uit de bocht. Als een wagenmenner met tien volbloed raspaarden aan de teugels. Dit is literatuur op het allerhoogste niveau.