Literatuur, liefde, leren, leven: John Williams – Stoner

stoner

Het is hier en daar genoemd als een van de ‘beste boeken van 2012’: Stoner van John Williams, een herontdekking uit 1965 en een onwaarschijnlijke bestseller. Onwaarschijnlijk, omdat het een intriest verhaal vertelt van een niet erg memorabel leven. Tenminste, aan de buitenkant is het onmemorabel, want Stoner behoort tot dat genre boeken dat laat zien dat elk leven en elke mens memorabel is, als je maar nauwkeurig genoeg kijkt.

Het is ook een roman óver literatuur, waarin dit bijzondere vermogen van literatuur om een middelmatig leven boven de middelmaat te verheffen gethematiseerd wordt, want dat is precies wat met Stoner gebeurt. De boerenzoon, voorbestemd tot een werkend leven op de akkers, gaat naar de universiteit voor een agrarische opleiding maar raakt al snel bevangen door de schone letteren. Zonder te begrijpen wat er met hem gebeurt ondergaat hij de betovering en laat die de gang van zijn hele verdere leven bepalen.

Dat klinkt al best memorabel. Al was het maar door dat spiegeleffect dat hierin zit, en dat Williams op haast alle thema’s toepast. De weinig opzienbarende Stoner raakt onder invloed van de kracht van literatuur, hoe die het leven werkelijk tot leven kan brengen, ook al specialiseert hij zich in een weinig sexy onderwerp, iets met de late middeleeuwen en de invloed van Romeinse poëzie op de overgang naar de renaissance. Het boek van Williams over Stoner is zelf weer een voorbeeld van hoe met het woord een leven werkelijk tot leven wordt gebracht, haast nog meer tot leven dan Stoner ooit (in die fictieve wereld) lijkt te zijn geweest. Daar wordt hij geboren, werkt en sterft en niemand die er echt van opkijkt, ook hijzelf niet.

Dat is de intrieste stemming die in eerste blijft hangen tijdens en na het lezen: wie kijkt van dit leven op? Het is in alle opzichten mislukt, of laat ik zeggen: in geen enkel opzicht gelukt en dus ook gespeend van geluk. Het huwelijk: vanaf de wittebroodsweken een domper. De carrière: gefnuikt door een vete met een gehandicapte. Het kind: een bloem in de knop gebroken. De dood: roemloos.

He took a grim and ironic pleasure from the possibility that what little learning he had managed to acquire had led him to this knowledge: that in the long run all things, even the earning that let him know this, were futile and empty, and at last diminished into a nothingness they did not alter.

Het enige wat in het leven te leren valt is dat wat je leert in het leven nergens toe leidt. Er is maar één zekerheid: dat kennis eindigt in de zinloosheid van kennis. En die kennis heft haar eigen zinloosheid nooit op.

Maar er is toch meer aan de hand, zoals die haast magische werking van de literatuur. Terugdenkend blijven toch de passages – hoe kort ze ook zijn, in het verhaal en in Stoners levensloop – van uitzonderlijke krachtigheid hangen. Niet alleen van de Literatuur, maar ook van de Liefde, en van het Leraarschap. De kracht van die drie l’en overkomt je, maar je kunt hem niet vasthouden. Het gaat dan ook niet – concludeer ik weken na het uitlezen van Stoner – om de kennis, die zinloos is en alleen haar eigen zinloosheid weet te onderstrepen, maar om de ervaring. Die is toevallig, zoals liefde een toevallige samenkomst van twee mensen is en leraarschap die van een bevlogen meester en een leerling die zich openstelt, toevallig en tijdelijk. Maar het is die ervaring die van het leven een Leven maakt.

‘Poor Daddy,’ he heard Grace say, and he brought his attention back to where he was. ‘Poor Daddy, things haven’t been easy for you, have they?’
He thought for a moment and then he said, ‘No. But I suppose I didn’t want them to be.’

Ervaring is niet makkelijk en hoeft dat ook niet te zijn. Dat is iets waar ik al vaker over heb geschreven. Deze roman is hoort zeker thuis in die voortgaande zoektocht naar wat leven waardevol maakt, als het geluk niet altijd voor het oprapen ligt. Zie bijvoorbeeld Van de nood een deugd maken: Nietzsche, Finkielkraut, Voltaire, Gilbert en F.M. Dostojevski – De Grootinquisiteur, uit De broers Karamazov.

F.M. Dostojevski – De Grootinquisiteur, uit De broers Karamazov

grootinquisiteur

Over vrijheid en geluk, naar aanleiding van de opvoering van de gelijknamige eenakter met aansluitend discussie, geleid door ondergetekende, op de alumnidag van de Stichting Thomas More, 3 november 2012.

Sevilla, zestiende eeuw. Christus is teruggekeerd op aarde, verricht een wonder, wordt opgepakt en opgesloten door de inquisitie. De brandstapel wacht. In de nacht bezoekt de Grootinquisiteur zijn gevangene en legt hem uit hoe de wereld nu (dat wil zeggen, in de zestiende eeuw) in elkaar zit. De kerk heerst weliswaar in naam van Christus, maar dat is schijn. In werkelijkheid hanteren ze de principes van de duivel: ‘Geef de mens brood, beheers zijn geweten en heers over de wereld.’ Christus is haast een moderne held – hoewel we hem zelf niet horen en alleen leren kennen via de woorden van de Grootinquisiteur. De nadruk op vrijheid, kennis en individualiteit die aan Christus wordt toegeschreven, staat lijnrecht tegenover de gehoorzaamheid die de kerk eist, het dom houden van de mensen en het streven naar gemeenschappelijkheid (eigenlijk: world domination). Het maakt van deze Christus een voorloper van de twintigste-eeuwse, existentiële mens. Misschien kunnen we zeggen, een echt eind-negentiende-eeuws mens, de tijd waarin Dostojevski de parabel schreef. In de kern draait deze monoloog om de vrijheid. Hieronder enkele gedachten over vrijheid en behoefte, geluk en het zwijgen.

*
Wat is de betekenis van de vrijheid? Laat ik proberen de verschillende denkbewegingen in de tekst te ontrafelen. Christus staat voor het geloof in vrijheid, geloof belijden in vrijheid. ‘Ik wil jullie vrijmaken’ – dat is de ware vrijheid. De kerk van de Grootinquisiteur heeft de mensen deze vrijheid afgepakt en er een illusie van vrijheid voor in de plaats gezet. Hij beweert dat mensen de vrijheid helemaal niet aankunnen. In feite is dat de existentialistische formulering van ‘de last van de vrijheid’. De mens kan niet omgaan met vrijheid; zodra hij die heeft, zoekt hij naar manieren om ervan af te komen, ‘ergens voor te kunnen knielen’. Is de vrijheid echt zo beangstigend?

*
In de woorden van de inquisiteur herkennen we wel een psychologisch inzicht dat hout snijdt. Namelijk: in hoeverre kun je vrij zijn als je behoeftig bent, ‘brood’ nodig hebt. Wat voor betekenis kan vrijheid hebben als je honger hebt? De moderne, existentiële vrijheid is misschien wel een elitair probleem. Je zult eerst moeten zorgen voor je behoeftes voor je je met zoiets als vrijheid kunt bezighouden.

Omgekeerd leveren die behoeftes je ook een excuus om je niet met vrijheid – die last – bezig te hoeven houden. Is de moderne, ‘elitaire’ mens niet almaar bezig met het najagen van behoeftes – laat hij zich niet gewillig knechten door het consumentisme, zoals dat dan heet, om maar niet met die ware opgave van vrijheid geconfronteerd te worden? Waar gaat het najagen van je behoeftes over in onvrijheid? Het is een val waar iedereen in gevangen zit: je bent niet vrij als je niet zelfstandig in je eigen behoeftes kunt voorzien. Je moet wel een mate van vrijheid opgeven voor het materiële. Maar het is heel makkelijk je in het materiële te verliezen en steeds meer behoeftes voor jezelf te creëren die om vervulling vragen, zodat je maar niet over ‘dat andere’ hoeft na te denken.

*
De Grootinquisiteur zegt: vrijheid tast het geluk van de massa aan. Haast niemand kan omgaan met de last van de vrijheid – men gaat daaronder gebukt en wij leveren de mensheid een gunst door haar die last af te nemen, te ontlasten. Geluk is rust, deemoed, vrij zijn van zorgen. Hij stelt vervolgens dat dit betekent: alleen de zwakke gelukkig kan zijn. Het schokkende is dat de Grootinquisiteur regelrecht toegeeft dat hij aan bedrog en leugens doet om zo de macht te verkrijgen.

Is vrijheid een overschat goed, dat geluk in de weg staat? Willen wat je hebt, is wel als recept voor geluk gegeven, in plaats van willen wat je niet kunt krijgen. Dat houdt ook in dat je een deel van je vrijheid (in wensen, dromen en verlangen) moedwillig moet opgeven, om gemoedsrust en dankbaarheid ervoor in de plaats te krijgen. Het probleem ligt natuurlijk in de dwang van de Grootinquisiteur: hij houdt de mensen klein en zwak, onder het mom van zelfopoffering. Terwijl geluk toch ook te maken heeft met een besef van accomplishment: niet meer willen dan je hebt, maar dan wel wetende dat wat je hebt in elk geval deels uit jezelf is voortgekomen. Rust mag een belangrijk bestanddeel zijn, maar dan wel rust na activiteit, productie. Deemoed, ja, maar dan iets als reflectieve deemoed. Ik noteerde eens: Geluk = Rust (na actie) + Reflectie (in realisme). Dichterbij een definitie ben ik nog niet gekomen.

*
Het einde van de monoloog intrigeert. Christus heeft de hele woordenstroom lang niet geantwoord. In feite geeft hij gehoor aan het bevel van de inquisiteur, die begint met te zeggen: ‘Zwijg!’. Als de tirade – een soort anti-preek – voorbij is, staat Christus op en geeft zijn aanklager een kus. Dan gebiedt de Grootinquisiteur hem om te gaan. Wat betekent die kus? Waarom laat de Grootinquisiteur Christus gaan? Maar even goed: waarom gaat hij? Hij doet precies wat de Grootinquisiteur van hem eist. Sommige toeschouwers ergerden zich aan de passiviteit van Christus. Waarom zegt hij niets terug? Waarom oefent hij niet daadwerkelijk zijn vrijheid uit door zich te verdedigen? Die passiviteit stoort.

Het zwijgen is echter ook op te vatten als een protest, weliswaar onhoorbaar, maar niet minder actief. Door te zwijgen laat Christus zien (horen) hoe het niet dwingen van mensen eruit kan zien, geeft hij tegenwicht aan de luidruchtige, van woorden overladen, bevelende tirannie van de Grootinquisiteur. Christus illustreert in zijn stille, zwijgende, stilzwijgende houding wat vrijheid is. Die is oneindig groot, niet in te vullen, niet op voorhand vorm te geven. Zijn zwijgen wordt zo een spiegel voor de ziel. Of de Grootinquisiteur in bezit is van een ziel valt te betwijfelen. Hij veroordeelt Christus zonder blikken of blozen tot de brandstapel. Maar dan zijn laatste woorden – ga heen en keer nooit weer… die tonen aan dat hij is in elk geval in staat is bewogen te worden.

De grootinquisiteur. Over het geloof van de vrijheid. Gespeeld door Paul Cobben en Quinten Rutten, 3 november 2012, Eindhoven.

Hoe een zin te schrijven: Stanley Fish en Dostojevski’s Duivels

fishduivels

‘Zichzelf blijven is het slimst – dat gelooft immers niemand.’

Deze zin komt uit Duivels van Dostojevski en is in al zijn eenvoud fantastisch. Sinds ik het boekje How To Write A Sentence And How To Read One van Stanley Fish las, valt mijn oog vaker op dit soort juweeltjes. Fish is een zinnen-aficionado, en dit boekje zijn evangelie. Eerste zinnen, laatste zinnen, gewoon mooie zinnen: hij probeert ze te begrijpen én te schrijven. Hoewel het verre van volledig is, staan er een aantal mooie overdenkingen in. Wat maakt een zin tot een goede zin? Ik las het boekje naast Duivels, dus hierbij mijn eigen overdenkingen, aan de hand van de roman van de meester.

1. Onvergetelijk goede zinnen zijn als een steen, gegooid uit onverwachte hoek. (Ik zou zeggen: als een katapult afgeschoten vanuit het struikgewas.) Een goede zin maakt steeds meer tempo om uiteindelijk hard aan te komen, bam! in je hoofd. De zin is een wereld op zichzelf, hard en af. De zin hierboven (‘Zichzelf blijven is het slimst – dat gelooft immers niemand.’) is een goed voorbeeld. Hij begint met een haast clichématige constatering, gekeuvel, om na de gedachtestreep een eigenzinnig wereldbeeld je hoofd binnen te katapulteren. Een wereldbeeld dat het keuvelende cliché op z’n kop zet. In vier woorden.

Of neem deze:
‘Als ik op dat moment gedroomd had, zou ik het nog niet hebben geloofd.’
Dit lijkt een paradox. Meestal geloof je iets juist als je zeker weet dat je het met je eigen, wakkere ogen hebt gezien. Wat de spreker ziet is zó ongeloofwaardig dat het uit een droom lijkt te komen. Het is echter nog ongeloofwaardiger dan alle waanbeelden die een droom kan fabriceren. Of vertolkt dit misschien een diepere waarheid? Moet je alleen geloven in dat wat je droomt? De persoon die deze zin uitspreekt is alleen al door deze zin een individu, omringd door zijn eigen werkelijkheid. Duizelingwekkend, zoals de werkelijkheid bij Dostojevski zich wel vaker voordoet.

2. Zinnen kunnen ‘naar voren leunen’, lean forward. Dan zijn ze geen in zichzelf besloten, harde en affe wereld, maar dragen ze eerder de belofte van die wereld, die zich zal ontvouwen na de punt. Fish bespreekt zulke naar voren leunende zinnen in een hoofdstuk over eerste zinnen van romans. Wat mij betreft kunnen dat soort ‘eerste zinnen’ zich in het hele verloop van een boek kunnen voordoen, bij elke nieuwe plotontwikkeling.

Bijvoorbeeld, opnieuw in alle eenvoud:
‘Toch gebeurde er in dit geval iets anders, iets raadselachtigs.’
Een heerlijk Dostojevskiaanse, negentiende-eeuwse zin. Er gebeurt iets. Wat gebeurt er? Niet dat ene wat je zou verwachten. Nee, iets anders. De zin roteert om het woord ‘anders’. Dat slaat op ‘de andere van een aantal mogelijkheden’. Maar wat er gebeurt is ook anders, buiten het gewone vallend. Iets raadselachtigs, iets wat zich opent, iets wat vragen oproept, iets complex, iets anders. Er voltrekt zich een intrige.

3. Fish heeft ook een eenvoudige tip om zelf zulke zinnen te leren schrijven. Analyseer de zin – allereerst op de schoolse manier van grammaticale zinsontleding, vervolgens inhoudelijk (vormen de woorden een paradox? een tegenstelling? hoe volgt de informatie van de ene bijzin op de andere?). En imiteer. Hij geeft vele voorbeelden van eigen imitaties, in het volle besef dat hij met zijn imitaties de meesters niet overtreft. Vooral bij aforistische zinnen werkt het imiteren. Durf ik dat aan?

Men neme een Dostojevskiaans aforisme:
‘Mijn uitgangspunt is onbeperkte vrijheid, mijn conclusie onbeperkte dictatuur.’

De structuur is duidelijk:
Mijn uitgangspunt is [bijvoeglijk naamwoord A] [zelfstandig naamwoord B], mijn conclusie [bijvoeglijk naamwoord A] [zelfstandig naamwoord -B].

Bedenk dan waar je iets over wilt zeggen. Bijvoorbeeld over liefde. Welke haast filosofische concepten staan in het denken over liefde als B en -B tegenover elkaar? Laten we zeggen: de Ene, romantische liefde, en de toevallige aantrekkingskracht van velen. Welk bijvoeglijk naamwoord is op beide van toepassing? Laten we zeggen: eeuwig. Of hartverscheurend. Of voorbestemd. Voeg ten slotte alles bij elkaar.

‘Mijn uitgangspunt is eeuwige liefde, mijn conclusie eeuwige aantrekkingskracht.’

Of:
‘Mijn uitgangspunt is hartverscheurende romantiek, mijn conclusie hartverscheurende seks.’

Of:
‘Mijn uitgangspunt is de voorbestemde Ene, mijn conclusie het voorbestemde toeval.’

Stanley Fish, How To Write A Sentence And How To Read One. HarperCollins Publishers, 2011

Meer over Duivels dat eerder Boze geesten heette: Waarom ik zo van Dostojevski houd
Meer over liefde hier.

Klassieker: Dostojevski – Aantekeningen uit het ondergrondse

ondergrondse

Op 8WEEKLY over vrije wil en determinisme, zelfhaat en haat voor de ander, kortom: Op de bodem van het menselijk bestaan.

Waarom lees je? Waar ben je naar op zoek in de literatuur? ‘Ik lees om te zien waartoe de taal in staat is,’ zei iemand met wie ik hierover in discussie was. ‘Ik lees om te begrijpen waartoe de mens in staat is,’ antwoordde ik. Op dat moment las ik Misdaad en straf van Fjodor Dostojevski. Aantekeningen uit het ondergrondse, de korte roman die hij twee jaar voor Misdaad en straf schreef, daalt af tot op de bodem van de menselijke existentie. Op die bodem is het donker en koud, en toch keer je er steeds weer terug.

‘Korte roman’ is eigenlijk geen goede aanduiding voor Aantekeningen uit het ondergrondse. Het boek telt slechts 150 pagina’s en bestaat uit twee delen. In het eerste deel spreekt een man. ‘Ik ben een ziek man… Ik ben een slecht man.’ Een furieuze, soms glasheldere, dan weer verwarde monoloog gericht aan de ‘heren’. Dat zullen zijn vage kennissen van vroeger zijn, die je op één hand kunt tellen, maar bij uitbreiding al zijn medemensen, de hele wereld. In het tweede deel verlaat de man zijn ondergrondse woning voor een keiharde confrontatie met de wereld en zijn medemensen.

Twee-maal-twee-is-vijf
In een groot deel van de monoloog fulmineert de man tegen het modern-wetenschappelijke wereldbeeld, dat in 1864 – toen Aantekeningen uit het ondergrondse verscheen – steeds meer geaccepteerd raakte. Zelf zou hij eerder zeggen: ‘in zwang raakte’, want de opvatting dat alles in de wereld onderhevig is aan wetten van oorzaak en gevolg ziet hij als een gril en als een regelrechte dwaling. Het determinisme ontneemt de mens zijn vrije wil. Het is bovendien te rationeel en positivistisch: de wetenschappelijke visie gaat uit van vooruitgang gebaseerd op een redelijke afweging. Voortdurend hamert de verteller op de valsheid van deze ideeën. Want wat doet de mens? Hij doet wat hij niet wil, hij gelooft wat niet waar is en hij vernietigt in plaats van te scheppen.

Maar wanneer is het dan, om te beginnen, in al die duizenden jaren voorgekomen, dat iemand handelde uitsluitend uit eigenbelang! Wat dan te doen met de miljoenen feiten, die bewijzen, hoezeer de mensen welbewust, dus in het volle besef van hun eigen belangen, deze op de achtergrond plachten te schuiven en fluks een andere weg insloegen, op goed geluk af, met alle risico’s van dien, zonder dat iets of iemand ze daartoe dwong, alleen maar omdat ze blijkbaar nu juist de aangewezen weg niet wilden gaan, doch koppig, eigenzinnig een andere, lastige, absurde weg insloegen, die ze zowat in het donker hadden gevonden.

Dostojevski’s ‘twee-maal-twee-is-vijf’ is de meesterlijke vondst die dit het kortst samenvat. Het kan wel zo wezen dat twee keer twee vier is, maar wat als ik het daar gewoon niet mee eens ben? ‘Twee-maal-twee-is-vier’ mag de steen der wijzen zijn voor de moderne wetenschap, maar het is niet menselijk. Het is zelfs ‘onbeschaamd’. Zeggen dat twee maal twee vijf is, dat is de uitdrukking van je menselijkheid.

Sprookjeswereld
Kluizenaar in krotwoning doorziet leugenachtigheid van moderne maatschappij? Dat is niet het hele verhaal. ‘De heren’ tegen wie hij praat, dat zijn degenen die wél weten te leven, een leven ‘hebben’ in de zin dat zij meester zijn (of denken te zijn) over hun eigen bestaan. Ten onrechte natuurlijk. Zij leven in een sprookjeswereld die niets met de werkelijkheid te maken heeft en dat wordt ze ingewreven ook. Maar toch… toch is het leven in die sprookjeswereld ook aantrekkelijk. Je ontkomt niet aan de indruk dat de ondergrondse verteller er wat graag bij zou willen horen.

Deze heren zijn mannen van de daad, die zich niet verliezen in ‘ledigheid van de geest’. Een leven in de geest – een leven in het ondergrondse – leidt tot zwaarmoedigheid of spleen, spleen leidt tot liederlijkheid en liederlijkheid tot bestraffing, zo leren we. Dat klinkt opvallend deterministisch voor iemand die zo fel ten strijde trekt tegen het determinisme. Zo is het voortdurend in de Aantekeningen: als je je vinger probeert te leggen op een boodschap, op ‘de moraal van het verhaal’, glipt die meteen weer tussen je vingers door. Steeds weer neemt de verteller zijn woorden terug, beweert het tegenovergestelde van wat hij eerder zei of ontkent zijn eigen uitspraken. Zulke meerduidigheid klinkt voor de moderne lezer misschien vanzelfsprekend, maar dat is die niet. Ook de moderne literatuur vertelt vaak juist een eenduidig verhaal, trekt een sprookjeswereld op. En anders doet de moderne wetenschap dat wel, zoals het nog steeds hevige debat rondom determinisme en vrije wil laat zien. Wat als beide bestaan, als beide waar zijn?

Engelachtig
‘Ik lees om te begrijpen waartoe de mens in staat is.’ Wel, dit is waartoe de mens in staat is: welbewust kiezen tegen het eigenbelang in. En niet alleen het eigenbelang, ook tegen het belang van de ander in, zelfs tegen het belang van een geliefde in. Het schrijnendst wordt dit in het tweede deel, waarin de ondergrondse man een haast even ondergrondse vrouw ontmoet. Liza is in alles zijn tegendeel. Zij schenkt hem haar liefde en hij? Hij vernietigt haar. Spleen, liederlijkheid en bestraffing – daar heb je je determinisme in de praktijk. Of juist de vrije wil?

Ten eerste kon ik niet meer gaan beminnen want ik herhaal het, beminnen betekende voor mij tiranniseren en moreel de baas spelen. Ik heb me mijn leven lang zelfs geen andere liefde kunnen voorstellen, en het is zo ver met mij gekomen dat ik tegenwoordig soms meen, dat liefde inderdaad bestaat in het vrijwillig afstaan door de geliefde persoon van het recht, haar te tiranniseren. Ook in mijn dromerijen in het muizehol heb ik mij liefde nooit anders voorgesteld dan als een strijd, die ik altijd liet beginnen met haat en eindigen met morele onderdrukking, en daarna kon ik me dan niet voorstellen, wat je met een onderdrukt schepsel moest beginnen.

In latere romans, waaronder Misdaad en straf, voert Dostojevski ook engelachtige vrouwen op, die er soms iets beter van afkomen. De vrouw, zo lijkt het, staat buiten de tegenstelling van ‘twee-maal-twee-is-vier’ en ‘twee-maal-twee-is-vijf’. Na het lezen van deze zwarte liefdesgeschiedenis (voorafgegaan door een haast nog zwarter drinkgelag) wil je weer opnieuw beginnen aan het eerste deel, op zoek naar antwoorden. Die antwoorden zijn er natuurlijk niet. De twee delen zijn geen illustratie van elkaar, maar staan als twee zuilen naast elkaar. Ze ondersteunen niets, maar leunen op die koude, harde en donkere bodem van de menselijke existentie.

Vertaling
De meerduidigheid van Aantekeningen uit het ondergrondse maakt dat je dit boek steeds opnieuw kunt lezen en dan ook steeds iets nieuws leest. Geen wonder dat het steeds opnieuw vertaald wordt. De citaten hierboven komen uit mijn editie uit 1957, in de vertaling van Hans Leerink. De nieuwste vertaling (van Monse Weijers) is nu ook in pocket beschikbaar. Waartoe is de taal in staat? Reden genoeg om ‘fluks’ te gaan lezen, voor het eerst of voor de zoveelste keer. Immers: 2 x 2 = 5.

Waarom ik zo van Dostojevski houd

boze_geesten

Ik hoef maar enkele tientallen pagina’s te lezen in een roman van Dostojevski – Boze geesten in dit geval – om in enkele zinnen te kunnen vertellen waarom ik zo van hem hou.

De ambtenaar met een nietszeggend baantje op het Russische platteland werkt ‘met administratieve wellust’. Het is een gewemel van kleurloze types, ‘die op hun veertigste opeens uitgroeien tot personages’. Waarop je alleen nog kunt uitroepen: ‘Ik verzeker u, dat ik met mijn neus in een intrige ben gevallen.’

Daar smul ik van. Vooruit, de ietwat oubollige vertaling die al meer dan een halve eeuw meegaat, is daar mede debet aan. Maakt het uit? Het is precies die oubolligheid, de kneuterigheid van de notabelen met hun drankneus, de revolutionaire jongeling met zijn bleke, maar buitengewoon knappe gezicht, het bleue meisje dat oppervlakkig ademt – die de onvermijdelijke ondergang zo hartverscheurend en zelfs beangstigend maakt. Want die ondergang zit natuurlijk besloten in de wellust, al is ze administratief, in het uitgroeien tot personage en het vallen in een intrige.

De wellust wordt een kwelling en de drankneus een delirium.

Maar niet iedereen gaat ten onder. Sommigen, misschien zelfs de meesten, blijven hun kneuterige zelf. Zoals in De idioot, wanneer de notabelen en jongedames zich na de hardop voorgelezen afscheidsbrief van een revolutionaire jongeling met ziekelijk gelaat, eens goed uitrekken en gapend de zonsopgang bekijken. Vreselijk. Ook al is die jongeling op zichzelf een kwelling en een delirium. (Zie De biecht van Ippolit.)

Het heeft ook iets troostrijks. Als ik op kantoor tussen de ambtenaren mijn taken verricht, denk ik graag even aan die administratieve wellust. En als ik de chaos van het leven overzie, bedenk ik dat ik ben uitgegroeid tot personage, en dat lang voor mijn veertigste. Met mijn neus in een intrige gevallen, dat klinkt goed. Onvermijdelijk. Dramatisch, kunstzinnig, romantisch. Een wending, een clou, catharsis aan de einder.

Dostojevski geeft mij misschien wel de stem om een verhaal te vertellen, zoals Sennett schreef. Het is niet mijn eigen stem, maar maakt dat uit? Het is wel mijn verhaal.

Fjodor Dostojevski. Mensen zijn dom en slecht

levenskunst

Wat kunnen we leren over ons eigen leven van een negentiende-eeuwse, Russische schrijver, die ter dood veroordeeld werd, op het laatste moment genade kreeg en naar Siberië werd verbannen, die vuistdikke romans schreef over moorden, gepleegd vanuit theorieën die de Nietzscheaanse Übermensch voorafschaduwen? Dostojevski laat ons door zijn schrijven ervaren wat het betekent om te leven in een wereld waarin God niet bestaat. Hij geeft geen antwoorden, maar dwingt de lezer een standpunt in te nemen. Een filosofische houding die steeds opnieuw aandacht verdient.

Misdaad en straf
Raskolnikov is de hoofdpersoon van het meesterwerk Misdaad en straf. Hij pleegt een moord op basis van het onderscheid tussen gewone en buitengewone mensen. De laatste zijn zeldzaam: genieën als Pasteur, profeten als Mohammed of staatslieden als Napoleon. Raskolnikov stelt de vraag of een buitengewoon mens het recht heeft om een ander uit de weg te ruimen bij het verwezenlijken van zijn grote idee. Had Napoleon het recht om duizenden soldaten op te offeren? En: is Raskolnikov zelf een buitengewoon mens? Natuurlijk denkt hij van wel. Hij wil het bewijzen, en wel door middel van een moord.

In de roman staan twee typen moraal tegenover elkaar: de Übermenschtheorie en de gemeenschapszin. De eerste wil dat de mens boven zijn medemensen uitstijgt en zich ontwikkelt tot een uniek individu. De gemeenschapstheorie vraagt juist van de mens op te gaan tussen de anderen. Dostojevski laat de twee theorieën botsen door de idee van de Übermensch te criminaliseren. Hij associeert die de hele tijd met moord, duisternis en straf. Toch geeft hij geen eenduidig oordeel en de uitslag van de botsing blijft onzeker. Het is aan de lezer om te beslissen waar het gelijk ligt.

De gebroeders Karamazov
Ook in De gebroeders Karamazov schrijft Dostojevski over een moord, gepleegd op grond van een theorie. In dit geval: ‘Als God niet bestaat is alles geoorloofd.’ Er volgt uiteindelijk een veroordeling – of dat van de echte moordenaar is of niet laat ik in het midden. Voor de gemeenschap is de moord vergolden.

Weerlegt Dostojevski met zijn roman dan de theorie ‘Als God niet bestaat is alles geoorloofd’? Zo eenvoudig is het niet. Net als bij de Übermenschtheorie criminaliseert Dostojevski de gedachte dat God niet bestaat. Hij associeert die steeds met moord en doodslag. Maar wat betekent die theorie, los van bloedvergieten? Als God niet bestaat is de mens volstrekt vrij. Een gedachte die niet alleen vooruitloopt op de filosofie van Nietzsche, maar ook op het existentialisme van Sartre.

Het verhaal van de Grootinquisiteur
Via het verhaal van de Grootinquisiteur legt Dostojevski de vraag neer of wij de vrijheid wel willen. De last van de vrijheid is zo zwaar dat we hem niet kunnen tillen. Om waarlijk vrij te zijn moet je afstand doen van eten, geloof en autoriteit. Alleen als we alle houvast kunnen loslaten, zijn we vrij. Maar dat leidt tot angst, onzekerheid en schuldgevoel. En het zal je niet geliefd maken. Vrijheid heeft een hoge prijs. Stel jezelf de vraag: willen we die vrijheid wel? Kunnen we de vrijheid aan? Ben je in staat afstand te doen? Willen we dat ook wel? Waarom zouden we niet kiezen voor autoriteit en geloof? Dostojevski geeft geen antwoord. Hij laat de beslissing aan de lezer over. Een belangrijke denker, ook in deze tijden waarin vrijheid het brandpunt van veel discussie vormt.

Kijk de lezing van Maarten van Buuren over Dostojevski terug.

De biecht van Ippolit

holbein_christus
Al heel lang wilde ik iets schrijven over de biecht van Ippolit, uit Dostojevski’s De Idioot. Tot nu toe heb ik alleen maar omtrekkende bewegingen gemaakt. De epilepsie van prins Mysjkin kwam ter sprake, evenals de waanzin van de doodstraf die Mysjkin van dichtbij heeft meegemaakt, wat hem met Dostojevski doet samenvallen. En ik schreef over verraad, het ergste wat er is – juist omdat je eraan bent overgeleverd. Al deze dingen komen samen in de biecht van Ippolit, een lang, bizar, verschrikkelijk, ontroerend, razernij opwekkend ’hoofdstuk’ uit De Idioot.

Ippolit is een doodzieke jongen, een typisch Dostojevski-karakter: meelijwekkend (hij is immers jong en stervende), hyperintelligent, een sociaal misbaksel en door de combinatie van deze eigenschappen een ronduit ergerniswekkend wezen. Maar hij is authentiek (al is het in zijn onoprechtheid), hij doorziet zichzelf en alle anderen, de schone schijn van de burgerlijkheid. Een terdoodveroordeelde, noemt hij zichzelf.

Op een gegeven moment roept Ippolit al zijn kennissen bijeen. Zijn laatste dagen zijn geteld en hij weet dat. Hij wil een lange brief voorlezen, zijn ’biecht’. Naar goed negentiende-eeuws romangebruik lezen we de hele brief mee – Ippolit moet urenlang aan het woord zijn, van het vallen van de nacht tot het ochtendgloren. Hij gaat er een eind aan maken, dat is wat hij op moet biechten. ’Een goede daad’ noemt hij dat, en zijn ’laatste overtuiging’. Na de beschrijving van de laatste minuten van een misdadiger die op weg is naar zijn executie, kruipt Dostojevski nu in de huid van een jongeman die óók ter dood veroordeeld is, en zelf zijn eigen beul zal zijn.

Gretig klampte ik me aan die nieuwe gedachte vast, gretig analyseerde ik haar in al haar kronkels, in al haar aspecten (ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan), en hoe meer ik mij erin verdiepte, hoe meer ik er bezit van nam, des te angstiger werd het me om het hart.

Binnen een zin voltrekt zich hier de beslissing. De aanwezigen (waar de lezer er een van is) maakt hij tot getuige. Na het voorlezen van de brief zal het gebeuren. Het zijn de georkestreerde laatste woorden van een vreselijk hautain mannetje dat zich in een martelaarsrol wringt, maar juist door dat hautaine, dat verlangen om een soort Christus te worden, spreekt de ontzetting van de beslissing. Een jongen van een jaar of zeventien die sterft. De walging die dat oproept.

Maar dan. De brief is uit. De ochtend breekt aan. De aanwezigen… gapen, strekken de stijve ledematen. Hij gaat zich door het hoofd schieten. ’De zon is op!’ roept Ippolit, wat betekent dat het moment daar is. ’Dacht u dan soms dat de zon vandaag niet op zou komen?’ Zij schamperen, mompelen, glimlachen, laten hem gaan.

Het verraad is verbijsterend. En het ergste: het verraad is alledaags.

Laatste ogenblikken van een terdoodveroordeelde

vuurpeloton

De doodstraf achtervolgt me. Niet dat Magere Hein dagelijks met een strop achter me aan rent als een cowboy die een buffel wil vangen. Soms heb je gewoon van die thema’s die steeds weer opduiken – als je geluk hebt zijn het lieve, pasgeboren poesjes, soms de doodstraf. Ik probeerde het te negeren en dat ging een tijdlang goed. Tot ik weer moest denken aan de doodstraf voor een hond en ik die poster tegenkwam: ‘Voortaan voor iedereen die straf verdient: straf.’ Straf voor mensen aan wie de wereld ten onder gaat, mensen als Saddam Hoessein, die de doodstraf krijgen.

Roel Bentz van den Berg (van wie ik nog steeds niet zijn nieuwe boek Engelen in regenjas in huis heb) schrijft in zijn essay ‘Elke executie is een kruisiging’ uit Zapdansen over de fascinatie die hij als kind had voor de doodstraf, of liever met terdoodveroordeelden. ‘Ik probeerde mij dan, met een gretigheid die ik me nu nauwelijks nog kan voorstellen, in te leven in de gemoedstoestand van iemand die weet: over twee dagen, tien uur, vijftien minuten, acht seconden, wordt mijn leven beëindigd.’ Vervolgens fileert hij in zijn meanderende, maar nooit afdwalende, altijd relevante essay de afschuwelijke idee van de doodstraf. Die is een pervertering van het menszijn en als ze ooit wordt ingevoerd, ‘die dag zal ik me ziek melden bij het leven’.

Ik ben tegen de doodstraf, maar waarom? Ik dacht: dat behoeft geen reden omdat alle redenen om ervoor te zijn slecht zijn en alle redenen om ertegen te zijn goed. Per definitie. Toch vind ik dat Bentz van den Berg te ver gaat in zijn afkeuring. Als de mens zich de beslissing over de dood aanmatigt, zal hij nooit de heiligheid van het leven kunnen waarborgen. Dat klinkt bijna als pro-life activisme, en op de dag dat abortus wordt verboden, meld ík me ziek bij het leven.

En euthanasie dan? Ooit heb ik van heel dichtbij me kunnen inleven in ‘de gemoedstoestand van iemand die weet: over twee dagen, tien uur, vijftien minuten, acht seconden, wordt mijn leven beëindigd’ – zelfs in degene die in de rol van beul werd gedwongen. Reden te meer om tegen de doodstraf te zijn. En tegelijk niet blind te varen op iets ijls als de ‘heiligheid van het leven’, waarmee de diepte van lijden geen recht wordt gedaan. Het doden van een mens – dat is iets waar geen principes voor bestaan. Waarom zou dat dan wel bij de doodstraf gelden? Ik weet het niet. Misschien had Hitler of Stalin wel de doodstraf verdiend, mensen aan wie de wereld letterlijk ten onder is gegaan. Te makkelijk. Ik durf eigenlijk geen rechtlijnige uitspraken te doen.

Dostojevski maakte het zelf mee, hij werd ter dood veroordeeld en wist: ‘over twee dagen, tien uur, vijftien minuten, acht seconden, wordt mijn leven beëindigd.’ Voor het vuurpeloton werd hem gratie verleend. De literatuur is de plek om over deze materie te praten en te denken. Het meest indringende stuk proza dat ik ooit heb gelezen staat in zijn roman De Idioot. Prins Mysjkin vertelt over een terechtstelling die hij heeft meegemaakt in Lyon. Hij ziet de veroordeelde die door de stad naar het schavot wordt gebracht en weet wat hij moet denken: ‘Nog heel lang, nog drie straten lang heb ik te leven; eerst komt deze straat, dan die, daarna nog die met de bakker op de hoek… o, dat duurt nog zo lang, voor we bij die bakker zijn!’ En dan: ‘Zij met hun tienduizenden en niemand van hen wordt terechtgesteld, maar ik word wel terechtgesteld!’ De prins zegt: ‘En te bedenken dat dit zo doorgaat tot aan de laatste fractie van een seconde, wanneer het hoofd reeds op het blok ligt en wacht en… weet en plotseling boven zich het staal hoort neersuizen! Dat hoort hij zonder twijfel!’

Dostojevski is hier prins Myskin en veroordeelde tegelijk. Zelfs hier matigt hij zich niet een oordeel aan. Een groot schrijver.

Van Saddam Hoessein was de executie op internet terug te zien. Voor het eerst en voor het laatst (denk ik) in mijn leven kon ik mijn perverse nieuwsgierigheid niet bedwingen. My first snuff movie.

‘Het is merkwaardig dat de mens in zulke uiterste seconden zelden of nooit het bewustzijn verliest! Integendeel, je hersens zijn juist dan verschrikkelijk actief en helder, zij werken dan blijkbaar razend, zo hard als een machine die op volle toeren draait: ik stel me zo voor dat hem van alle kanten flarden van misschien absurde, onafgemaakte gedachten die nergens op sloegen, door het hoofd flitsten, als: ” Wat kijkt die vent naar mij, hij heeft een wrat op zijn voorhoofd; kijk toch eens, hoe verroest die onderste knoop is aan de jas van de beul…” en ondertussen weet je alles en herinner je je alles; ergens is een punt dat je niet kunt vergeten en je kunt onmogelijk in zwijm vallen en alles draait en wentelt maar om dat ene punt heen.’

Stel nu dat Dostojevski wél was neergeschoten. Waar vond de wereld dan het meest indringende stuk proza dat ooit geschreven is?

Stel nu dat Achterhuis gelijk heeft en het lezen van De Idioot of het kijken van de executie van Saddam een gewelddadige kern loswoelt? Ik kom er niet uit.