Column: De Grote Droomshow

Terug te zien en te lezen: De Grote Droomshow van SG Erasmus en Arminius over slaap en dromen, waar ik de openingscolumn voor schreef en uitsprak.

DC 22-10-2014 DROOMSHOW [fcp]-1024×576 BOINXout from arminius on Vimeo.

Rustig, maar met lood in de benen dwaal ik door het metrostation. Geel licht, bedrukte, haastige mensen, vier zwarte tunnels die zich aan weerszijden uitstrekken – dit is onmiskenbaar de Amsterdamse ondergrondse. Ik ben verdwaald, mijn vader kwijtgeraakt in de stromen passagiers. De uitgang moet ergens boven zijn, maar is onzichtbaar. Of nee, ik ben niet verdwaald, maar weggelopen.

Altijd heb ik veel gedroomd en voor het onthouden heb ik ook talent. Dat komt misschien omdat ik dromen heb die jarenlang terugkeren. De droom over het Amsterdamse metrostation waar ik verdwaald was, dan wel weggelopen hoorde bij me, zo tussen mijn 9e en 14e. Ik heb een minder groot talent voor dromenduiding. Het schaamrood stijgt me naar de kaken als eraan denk dat ik pochte over die ondergrondse droom tegen wie het maar wilde horen – ja ja, ik als pre-puber droomde terugkerend, onthield dat allemaal en wist ook nog eens mijn weg in de Amsterdamse metro (zo’n opschepper was ik toen). Pas tien jaar later viel het kwartje: toen ik 9 was scheidden mijn ouders, mijn vader vertrok naar Amsterdam, en ik werd een om-het-weekend-naar-je-vader-kind, verdwaald en/of kwijt. Ik zeg het: schaamrood op de kaken dat ik mijn eigen onbewuste via die kinderdroom zonder het zelf door te hebben zo vaak open en bloot op tafel heb gelegd.

Maar goed, je moet je eigen schaamte in de bek kijken, heb ik geleerd van de meester die schreef: ‘Lang ben ik bijtijds gaan slapen…’ Dat is de eerste zin van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust. (Ik mag hem aanhalen, want heb de zeven delen van a tot z gelezen.) Beroemd is de scène die volgt waarin hij als kind wacht op de nachtkus van zijn moeder – als ze niet komt stort de wereld in elkaar. Maar het mooist vind ik hoe hij dat moment beschrijft tussen slapen en waken, hoe, als je langzaam wakker wordt de ruimte zonder diepte en contrast is en zich dan in elkaar schuift en weer kleur krijgt. Of andersom – als je weet dat je in slaap aan het vallen bent en nog bij bewustzijn een inkijkje krijgt in je eigen onbewuste.

Kent u dat, als je in de trein na een lange werkdag heel even je ogen dicht doet en meteen wordt bestookt met absurde beelden, verhalen en ervaringen, zodat je weet dat je geslapen hebt omdat je weet dat je droomde? Beangstigend wel, dat de drempel tussen waken en dromen zo laag is, zelfs als er honderden vreemden om je heen zitten en je met 200 kilometer per uur in een onbetrouwbare mag-geen-Fyra-meer-heten-trein door de bollenstreek raast.

Of is het juist het omgekeerde van beangstigend? Weinig geeft zo’n gevoel van veiligheid als slapen terwijl de ander wakker is. Is dat ook niet waarom Proust (en minder gevoelige kinderen) die nachtkus van zijn moeder zo nodig heeft – haast op leven en dood? Is dat ook niet waarom er niets ergers is dan niet-slapen terwijl de ander wel slaapt? Je gaat naar bed, de ander pakt een boek om nog wat te lezen, jij draait je vast om. Het gaat niet snel genoeg, daar knipt het licht aan de andere kant al uit, je krijgt een kus en voelt hoe hij op zijn zij draait en de zwaartekracht zijn werk laat doen. Ondertussen lig jij nog te denken aan je to-do-lijst. En dan, al gauw, hoor je het. De slaap, zo dichtbij (want laten we wel wezen, bij jou in bed) en toch zo ver weg. Voor je het weet ligt je met je ogen dicht want dat moet als je wil slapen energie te produceren die draadloos je telefoon op het nachtkastje zou moet kunnen opladen. Terwijl iedereen toch weet dat slapen een oefening is in oog-spier-ont-span-ning.

Nee, dan slapen, terwijl de ander wakker is, slapen, terwijl de ander wakker is… voelt u het al? We zouden het hier ook kunnen doen. U hebt vast een lange dag achter de rug. En nu ook nog een lange avond in het verschiet. Als iedereen voor vijf minuten even de ogen sluit, blijf ik wakker om over u allen te waken. Dan mag u in uw dromen verdwalen, of weglopen, iemand kwijt zijn of zelf kwijt zijn, u mag naar Amsterdam of naar negentiende-eeuws Parijs, dat maakt allemaal niet uit. Ik zal u be-waken.

Dank u.

Zie je jezelf van buitenaf of van binnenuit?

orwell

Stel je de volgende situatie voor: vanavond speelt het Nederlands elftal. Je hebt afgesproken om bij vrienden te gaan kijken en je weet dat er ook iemand bij zal zijn op wie je stiekem een beetje verliefd bent. De hele dag zit je vol zenuwen en voortdurend maak je je voorstellingen van hoe je binnenkomt en hem ziet – moet je drie zoenen geven of een hand? je naam nog eens zeggen? een oranje shirt aan of juist niet? heel hard juichen of ironisch commentaar leveren? wat nou als je jezelf niet in kunt houden? Kortom: het maalt in je hoofd over jezelf in een toekomstige situatie. Nu is de vraag: zie je jezelf van binnenuit of van buitenaf?

Ik zal zelf als eerste antwoorden: ik zie mezelf altijd van buitenaf. Als ik dagdroom of denk aan wat er vanavond of morgen staat te gebeuren, zie ik mezelf in gedachten van een afstandje bezig met zus of zo. Gek, want het spreekt voor zich dat ik mezelf nooit van een afstandje heb gezien. Nu zijn er vast mensen die dit psychologisch weten te duiden (en dan komen de ‘van buitenaf-types’ er vast slechter van af dan de ‘ik val met mijzelf samen-figuren’) of neurologisch in verband brengen met de lichaam-geest-problematiek (zoals bijvoorbeeld in het boek van Thomas Metzinger). Een citaat van George Orwell zette me echter op een ander, literair, spoor:

[F]or fifteen years or more, I was carrying out a literary exercise of a quite different kind: this was the making up of a continuous ‘story’ about myself, a sort of diary existing only in the mind. … For minutes at a time this kind of thing would be running through my head: ‘He pushed the door open and entered the room. A yellow beam of sunlight, filtering through the muslin curtains, slanted on to the table, where a match-box, half-open, lay beside the inkpot. With his right hand in his pocket he moved across to the window. Down in the street a tortoiseshell cat was chasing a dead leaf’, etc. etc.
[voor het uitgebreide citaat klik op het plaatje]

Dit is iets anders dan de vraag hoe je perspectief geregeld is in je dagdromen, toch moest ik meteen daaraan denken. Als je een doorlopend verhaal over jezelf vertelt, durf ik er vergif op in te nemen dat je in je gedachten over jezelf het perspectief van een buitenstaander aanneemt.

Andere vragen die altijd leuk zijn om te stellen als je niks meer weet te zeggen:
* Hoe zie je jezelf in je droom? (ook van buitenaf)
* Denk je voornamelijk in woorden of in beelden? (eh, beide)
* En dus: vertel je een doorlopend verhaal over jezelf aan niemand in het bijzonder (vroeger meer dan nu)

Orwells innerlijke dagboek herkende ik meteen. Zeker toen ik jonger was leek het alsof ik mezelf niet anders dan als personage kon zien – niet in een verheven literaire vertelling, maar eerder in een vrij slechte soap. Het verhaal nam dan ook vaak een filmische vorm aan, alsof er voortdurend camera’s op me gericht waren. Alleen in meer poëtische buien hoorde ik in mijn hoofd de talige beschrijvingen zingen waar Orwell ook op wijst. Voorbeeld. Als ik als kind in de trein zat keek ik uit het raampje en zag ik mezelf langs het spoor rennen, of op een paard alle hindernissen nemen, letterlijk vliegensvlug rennend door de weilanden en springend over hekken, zigzaggend langs bomen, zwevend over water. Nu heb ik vele, vele uren en dagen, bij elkaar opgeteld weken, in de trein doorgebracht tussen Culemborg en Odense (Denemarken). Is het vertellen van een verhaal – ook al is het plotloos en saai, eigenlijk even plotloos en saai als een treinreis van tien uur – niet gewoon een manier om je tijd door te komen?

Ik denk het wel. Iemand met een geest ‘voorbestemd om schrijver te worden’ – dan heb ik het vooral over George Orwell – is altijd in desperate need of material. Of toch in elk geval als kind en jongeling, als het leven saai is en de verveling je nog dagenlang kan teisteren. Ik weet zeker dat veel lezers (ofwel veellezers) dit herkennen: letterlijk álles lezen wat in je handen valt, van reclamefolder tot shampoofles. (Dan word je ouder en heb je daar geen tijd meer voor, omdat er altijd nog tien boeken en twintig tijdschriften op je wachten, nog los van de vergaarbak die Instapaper heet.) Een continu verhaal vertellen aan niemand in het bijzonder drukt ook de behoefte uit aan actie en sensatie. Weg met de saaiheid en de verveling!

Maar ook toont zich hier de geboorte van de schrijver. Iedereen heeft wel eens gedacht dat hij ten onder zal gaan aan ennui, en daarom in zijn hoofd een sensationeel verhaal bedacht waarin alles anders zal zijn. De schrijver heeft nog een andere behoefte daar bovenop: de behoefte aan het werken met taal. Ook daarin is hij in desperate need of materiaal. In zijn verhaal, verteld in stilte aan niemand in het bijzonder, traint hij zijn literaire taalgevoel. Het gaat hem niet alleen om drama en sensatie, maar ook om beschrijvingen. De nauwkeurigheid van een vergelijking, de melodie van een zin, woordenschat en opmerkingsvermogen. Alleen degene die compulsief is zal ver komen.

Of zijn dit allemaal smoesjes omdat ik bang ben dat jezelf standaard van buitenaf beschouwen eigenlijk duidt op een persoonlijkheidsstoornis (in het slechtste geval) of ijdele hoogmoed (ook in het slechtste geval)?

Op zee van Toine Heijmans: over goede en slechte eindes

op_zee

En toen werd hij wakker en bleek het allemaal een droom. Of: en toen werd eindelijk de diagnose gesteld en bleek hij al die tijd al hallucinant te zijn. Twee manieren om níet een verhaal te eindigen. Net als ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. Eind goed al goed is gewoon niet interessant. Wakker worden uit een droom of gelabeld worden als psychisch gestoord klinkt misschien iets minder fijn, maar is voor de lezer die net al je avonturen heeft beleefd even onbevredigend.

Dat onbevredigende gevoel bleef me ook bij na het lezen van de roman Op zee van Toine Heijmans. Het is goed geschreven, beklemmend en bovendien geïllustreerd met prachtige tekeningen. De ik-figuur gaat maandenlang alleen zeilen. Op het laatste stukje, van het noorden van Denemarken terug naar Harlingen, krijgt hij gezelschap van zijn zevenjarige dochter. Al vanaf de eerste bladzijden weet je dat het mis zal gaan en de tekeningen van een zwarte, dreigende zee maken dat je angstig verder leest.

Zonder te verklappen wat er misgaat en hoe dat vervolgens afloopt, wil ik toch iets zeggen over het einde. Het zette me aan het denken over wat ik verlang van eindes – en dus van een leeservaring. Met zo’n vijftig bladzijden te gaan, bemerkte ik dat mijn angst veranderde; ik was niet meer bang voor de zee en voor die vader met zijn veel te jonge dochter. Ik was bang dat het toch nog goed ging aflopen. Dat is raar. Ben ik een sadist die alleen geniet van het allerergste lijden? Wil ik mezelf zo graag pijnigen met de scherpste pijn die een personage kan ondergaan? Iedereen gaat dood en niets komt ooit goed!

Het deed me denken aan Ronald Giphart. Ik had een kleine twitterdiscussie met hem over een van zijn roman Ik omhels je met duizend armen. Het verhaal van de dood van zijn moeder, een vreselijke episode. En toch had ik daar aan het eind ook zo’n onbevredigend gevoel, omdat het gek genoeg leek alsof alles toch nog goed kwam, ondanks de dood. Een prachtig afscheid, een familie samengebracht in verdriet, een les geleerd. Haast feelgood. Het maakte me boos. (Laat ik het erop houden dat ik het las vanuit een zeer persoonlijke zoektocht naar iets van ‘zingeving’.)

Vervolgens las ik zijn andere roman IJsland en verdomd, daar gebeurde hetzelfde. Ondanks de trieste gebeurtenissen, toch een ‘goed einde’ of misschien moet ik zeggen een zinvol einde. En dus een onbevredigend gevoel. Wat is dat toch? Misschien moet ik toch concluderen dat ik simpelweg niet tegen goede eindes kan. Maar waarom? Noem ik mezelf niet tegelijkertijd een optimist in hart en nieren? Dan zou ik goede eindes moeten omarmen met duizend armen.

Nee, ik voel me voor de gek gehouden. Mijn eerste ingeving is: het is niet realistisch. Een onzinargument, want het allerergste is over het algemeen niet realistisch. In het gemiddelde leven komt het gemiddeld juist wel goed. We gaan allemaal dood, maar in de tussentijd komt het goed. (Dit is zelfs een motto van mijn optimistische zelf: ‘ik ga er niet dood aan’. Een veilig motto, dat slechts één maal niet opgaat.) Denk aan al die bijna-ongelukken, toevallige gelukjes, vergeten verdriet, geheelde breuken, ziektes die overgaan of waar je mee leert leven. Realistisch is het dus juist wel, zelfs ‘hij werd wakker en het bleek allemaal een droom’.

Het is dan ook erger: ik voel me écht voor de gek gehouden, zoals je dat voelt bij de droom die als een konijn uit de hoge schrijvershoed komt. Aan het eind van Op zee verandert het perspectief. Dan weet je wel hoe laat het is (meer verklap ik niet) – je bent voor de gek gehouden. Hetzelfde gebeurde in IJsland: wij lezers wisten niet alles, maar waren samen met de hoofdpersoon voor de gek gehouden.

Eigenlijk stoppen deze verhalen waar ze hadden moeten beginnen: met een zwierig gebaar wordt het konijn uit de hoge hoed getrokken en dan valt het doek. Maar wat ik wil weten is wat er achter dat doek gebeurt. Ik wil niet de buiging van de goochelaar zien, ik wil hem zijn make-up zien afpoetsen. Je moet tot op de bodem graven en zelfs als de bodem een rotsbodem blijkt te zijn, wil ik weten wat dáár nog eens onder zit. Dat is bikkelen, bikkelen met een verroeste pikhouweel.

Driedubbel leven met Kader Abdolah, Floris Cohen en Isaac Newton

newtonCohenAbdolah

Met een kopje koffie op het terras van café Hoffmann: dat is nog eens lekker werken. ‘Zit je daar wel goed,’ vraagt Floris Cohen, ‘je zit almaar tegen de zon in te knijpen.’ Geen probleem, op deze eerste lentedag. Cohen, verbonden aan het Descartes Centrum aan het Janskerkhof, vertelt over Newton, genie met een onuitstaanbaar karakter. Het stralende weer nodigt uit tot een ontspannen gesprek over de lezing die Cohen voor Studium Generale zal houden in de lustrumreeks Kennis voor de toekomst. Dat was in mijn droom vannacht wel anders.

Hoe komt het dat ik droom over Floris Cohen? Bij Studium Generale leid je af en toe een (drie)dubbelleven. We denken nu al na over het voorjaarsprogramma van 2012. Soms twijfel ik in welk jaar we nu leven. Tegelijk zitten we in het staartje van de lopende reeksen. Acht weken lang heb ik me bezig gehouden met tijd. Tijd voor de oerknal, tijd voor de historicus. ‘Tijd is een vierdimensionaal blok’, ‘tijd is onbetrouwbaar’. De nouvelle vague van de film L’année dernière à Marienbad. Is het gek dat mijn hoofd soms de draad van de tijd kwijtraakt en ’s nachts een uurtje doorwerkt?

Ik zat aan een tafel in de werkkamer van Floris Cohen. Naast me zag ik tot mijn verbazing Kader Abdolah, de auteur van het boekenweekgeschenk. Zijn snor was ook in werkelijkheid imposant (het was niet zo’n droom waarin je doorhebt dat het een droom is). Opeens kreeg ik iets aangereikt. Het was een stukje paling. We aten gedrieën. Abdolah veegde zijn vingertoppen af aan zijn snor. Als er maar geen stukjes in bleven hangen. Waar moest ik mijn vingers aan afvegen?

Nu zat ik lekker in de zon op het terras, geen vis of snor in de buurt. Newton, zo vertelde Cohen, was uitzonderlijk omdat zijn talent gepaard ging met een gigantisch doorzettingsvermogen. Hij rustte niet tot hij het bewijs voor zijn theorieën sluitend had gemaakt. Een les voor wetenschappers van de toekomst.

Eerder had ik al gesproken met Jelle Reumer en Paul Schnabel over Darwin en Freud, die ook in de reeks aan bod komen (net als Florence Nightingale over wie Marieke Schuurmans zal vertellen). Ook al van die harde werkers. Hoe lang deed Darwin er niet over om zijn evolutietheorie zo goed te onderbouwen dat hij hem publicabel achtte? En Freud, wiens oeuvre elf delen beslaat (in de Nederlandse vertaling die Schnabel me liet zien) en die talloze patiënten in zijn praktijk had, die droomde vast ook wel eens over zijn werk. Wat zou Freud eigenlijk vinden van die droom van mij over snorren en paling? Freud, zo verzekerde Schnabel me, was de eerste onderzoeker van de psyche die het luisteren naar de patiënt voorop stelde, zonder meteen een moreel oordeel te vellen. Ook een mooie les. Luisteren, niet oordelen, hard doorwerken. En af en toe dromen over de toekomst.

[Verschenen op het Lustrumestafetteblog op DUB]

Wensdroom: wortel worden

wortel

Een ascetisch leven in een verlaten grot, ergens in een vergeten eiland in de Egeïsche Zee: een beetje overdreven natuurlijk, maar toch een steeds terugkerend idee. Een ideaalbeeld, overdreven zoals het een ideaalbeeld betaamt. Misschien kan ik het beter uitleggen als ik zeg: ik wil een wortel zijn.

Ja, heel duidelijk uitgelegd inderdaad! Een wortel?! En wat heeft dat met een grot te maken?

Het leven in een verlaten grot is een leven los van alle verleidingen, van al het teveel, los van alle anderen. Een ascetisch leven – niet in de christelijke, priesterachtige zin, maar eerder in de Romeinse. En wat gebeurt er als je lang genoeg in een grot leeft? Dan ga je eruit zien als een wortel.

Ik weet niet hoe ik aan het beeld van de wortel kom. Heb ik het ergens gelezen? Misschien is het eigenlijk de wortel die voor de neus van de ezel hangt die de kar niet wil trekken. Want als één ding duidelijk wordt als je hierover leest, is het dat velen voor mij hetzelfde idee hebben gehad, maar dat niemand het ideaal heeft weten te verwezenlijken. Mocht het je lukken echt als een wortel te worden, dan ga je daar zelf niet meer over schrijven. Dan wordt er óver geschreven. Zoals over Franciscus van Assisi. En die sprak dan weer met de dieren en is door moderne onderzoekers min of meer weggezet als een gek.

Jammer ook dat het ascetische streven bijna altijd direct een religieuze invulling krijgt. Ik las het boekje Licht en schaduw van Wittgenstein. Hij schrijft ook over zijn verlangen naar zuiverheid, eenvoud, het naakte leven. En de mislukking daarvan. Maar ook gaat het over het licht, het zoeken naar God, de eenwording et cetera. Natuurlijk mislukt dat, denk ik dan.

In het boekje sluimert wel een interessante paradox van het ascetisch ideaal: aan de ene kant lijkt Wittgenstein te balen (om het populair te stellen) dat hij zo weinig werk verzet. Hij heeft last van rusteloosheid, die hij niet weet om te zetten in handelen. En wat er uit zijn handen komt, vindt hij middelmatig. Daarom moet hij zijn leven veranderen. Aan de andere kant impliceert het streven naar eenwording – de kern van de verandering – dat alle handelen overbodig is, ijdel. Immers: mocht het lukken een wortel te worden, dan ga je daar niet meer over schrijven.

Wat bereik je dan als je een wortel bent? Geen idee. Een saai leven, waarschijnlijk. Juist in de spanning ontstaat iets, kan een schepping plaatsvinden (kijk maar naar Wittgenstein, die inmiddels zeker niet als middelmatig te boek staat). Maar zonder de botsing met een streven geen spanning, zonder ideaal geen vooruitgang. Laat mij dus maar dromen van een grot op een eiland. Al was het maar om er stukjes over te kunnen schrijven.

Stuff that dreams are made of: Bijlmer en boek

bijlmer

Back to the Bijlmer. Heel af en toe mag ik van mezelf iets schrijven over dromen en/of poezen. Ik geloof niet in voorspellende dromen, mysterieuze tekens of boodschappen van geesten. Nee hoor, een droom is als een blokkendoos. Door het bouwwerk te onttakelen kun je er je voordeel mee doen. De enige die tekenen geeft en boodschappen stuurt ben je zelf. ‘We are such stuff / As dreams are made on’, met nadruk op we.

Wat zal ik als eerste beschrijven, de blokken of het bouwwerk? Het bouwwerk, omdat de droom ook letterlijk een bouwwerk was. Geen wilde achtervolgingen of spannende avonturen – ik was in een ruimte en deed daar niet veel meer dan heel goed om me heen kijken. Het was de flat van mijn vader in de Bijlmer, Koningshoef 232 (inmiddels gesloopt) aan de metrohalte Kraaiennest. Daar ben ik al bijna twintig jaar niet geweest. Best bijzonder om er weer eens binnen te stappen. Het gekke was: iemand anders woonde er, en wel schrijver X. Ik bestudeerde heel nauwkeurig de dingen die aan de muur hingen, die mijn vader daar had opgehangen, twintig jaar geleden (in werkelijkheid had hij die dingen helemaal niet aan de muur hangen en herkende ik een droomvoorstelling). Plotseling viel me op dat op al die papiertjes en dingetjes ‘Peter’ stond. Peter?

De blokken in de blokkendoos:
1. Afgelopen woensdag was de sterfdag van mijn vader (zes jaar geleden was ook een woensdag)
2. Ik las Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, dat voor een groot deel in de Bijlmer speelt. De parkeergarages, de markt, de liften. Metrohalte Kraaiennest, het winkelcentrum en de ‘getto-Albert Heijn’ waar wij in de weekenden boodschappen deden. Hij beschrijft hoe mensen vuilnis over het balkon naar beneden gooien – ik ben op mijn negende aan een wisse dood ontsnapt toen iemand van zes hoog een zak ijs naar beneden gooide, die een halve meter voor mij met een enorme klap neerkwam. De flats die hij beschrijft, de kamers, de lange balkons, de keuken om het hoekje. (En Grand Café Het Vervolg, dat na elven transformeert van jasjedasje-borrelkroeg tot goudentanden-bubblingjoint, maar dat was een andere tijd.)
3. De schrijver X die kort na het overlijden over mijn vader zei, ‘Het was een vreemde man. Ik heb het altijd een vreemde man gevonden’, (ik dacht, bedankt voor deze meelevende woorden) en van wie ik nu elke week interessante artikelen lees, waarbij ik dan altijd denk ‘Jij bent een vreemde man, altijd al gevonden’.

Tel 1, 2 en 3 bij elkaar op en je hebt mijn droom. Ik zie nog haarscherp het droominterieur van de flat voor me. Het was een totaal ander interieur dan de Bijlmerflat van mijn vader. Doet er allemaal niet toe, zo gaat dat nu eenmaal. De grote vraag die overblijft is: who the fuck is Peter?

Ik hou het voorlopig op een foutje in de neuronenhuishouding. Ik ken meerdere Peters, maar wat hebben die in de Bijlmer te zoeken? Alsof er in de Lego-doos opeens een Duplo-stuk opduikt. Dan kun je wel proberen het stuk in je bouwwerk te passen, maar het verzakt en stort in. Je wordt wakker.

Aleksander Wat: Verdoemd

aleksander_wat

Voor Gedichtendag, een gedicht. Het komt uit Memento en is van Aleksander Wat. Een gedicht dat zwaar, grappig, ellendig, prachtig en bizar is. En dat allemaal tegelijkertijd!

Verdoemd

Eerst droomde ik van een koffiemolen.
Een heel gewone. Zo’n ouderwetse. Donker koffiekleurig.

(Als kind hield ik ervan het dekseltje open te klappen, te kijken en ogenblikkelijk dicht te slaan. Met angst, trillend! Tot mijn tanden klapperden. Het was alsof ik erin werd fijngemalen! Ik heb altijd geweten dat het slecht moest aflopen.)

Eerst was er dus een koffiemolen.
Of misschien leek het maar zo, want even later was het al een molen met wieken geworden.
Die molen stond op zee, op de lijn van de horizon, precies in het midden.
De vier wieken draaiden krakend rond. Ze vermaalden vast iemand.
En boven op elke wiek
draaide een equilibrist in wit
mee op de maat van Die lustige Witwe
met zijn linkerhand leunend op de wiek zweefde hij vloeiend,
met zijn voeten in de ether zilveren vlammen slaand.
Daarna doofde hij. De een na de ander. En zou het donker zijn geweest als de maan niet had gebrand.
Maar waar kwamen die nu vandaan? Voltigeuses?! Mijn beminde voltigeuses!
Licht op zware hoewel snelle molenpaarden
galopperen ze achter elkaar en ik zie er talloze,
sommige in plooiende tule, andere blootjes in zwarte zijden kousen,
weer andere in gitten – goudkleurig, turquoise, zwart, en regenboogkleurig,
de lendenen als suiker zo wit! Als tanden! En sterk, ijzersterk, zo sterk!

(Als jongen droomde ik van een voltigeuse – alleen een voltigeuse! Een voltigeuse zadelde de grote liefde van mijn leven! Ach! Ik heb er nooit een gekend. En dat is waarschijnlijk beter, want wat was dat voor een paar geweest: een voltigeuse en een boekhouder in de genationaliseerde begrafenisonderneming.)

Tja! niets duurt eeuwig. Want een ogenblik later defileerden in plaats van
de voltigeuses de Sabijnsen, in bruidsuitrusting, hoe dan ook veel trivialer,

(elf jaar geleden was ik verliefd op een zekere Sabina, gescheiden, maar maakt het uit: het was niet wederkerig).

Derhalve geen
ontvoerde Sabijnsen – vervoerende, dat wel. Waarheen?
Waar heen? Kan ik weten waarheen?
Hoe het ook zij – naar het zelfverlies.

Ik werd wakker. Ik wist dat het slecht moest eindigen.

(Saint-Mandé, juni 1956)

Metadromen

treinrails

Iemand hield me in een houdgreep in mijn bed. Met een kreet schoot ik los en werd wakker. Het was een droom. Nee wacht: het was een metadroom, want ik lag in een ander bed in een andere kamer en eigenlijk hield niemand me in een houdgreep, maar die niemand was er toch. Ik werd weer wakker, nu echt.

Iedereen heeft wel eens gedroomd dat ie bijna dood ging. Ik lag eens in mijn droom op treinrails, hing aan de perronrand en probeerde met alle macht mezelf omhoog te hijsen. In de verte zag ik een trein met een onthutsende snelheid op me afkomen. Ik was zo dichtbij het veilige perron, maar het lukte niet me te bewegen. Eerder ontglipte de perronrand me, nog even en ik moest hem laten gaan. Het is maar een droom, het is maar een droom, riep ik in mezelf, maar toch was ik bang. Ik riep het zo lang en hard tot ik wakker werd – net voor de trein over me heen zou denderen.

In een droom kun je niet doodgaan zegt men. Als je droomt dat je doodgaat, ga je ook echt dood. Dat zou ik na mijn minuten op de treinrails nog kunnen geloven. Het zou ook meteen verklaren waarom je zo bang bent in je droom, zelfs als je weet dat het een droom is. Toch is het een broodjeaapverhaal. Ik ben een keer doodgegaan in een droom. Ik kan niet controleren of het levensecht – doodsecht – was, maar zo voelde het wel. Of het voelde juist niet. Ik herinner me vagelijk een zeer verschrikkelijke toestand. Enkele maanden zat die toestand vers in mijn geheugen, inmiddels is de herinnering eraan versleten. Zelfs een terugkeer uit de dood is blijkbaar niet memorabel genoeg om je voorgoed bij te blijven.

Ik zou dit allemaal niet opschrijven (er bestaat immers een ongeschreven regel tégen blogs over dromen) als ik vanochtend na mijn metadroom en het ontwaken daaruit niet opnieuw was ingeslapen om in een metametadroom terecht te komen. Ik droomde namelijk dat ik dit stukje ging typen, over een metadroom, over bijna-doodgaan in je droom, over de mogelijkheid om echt dood te gaan in je droom en zelfs over het dromen over het schrijven van het stukje over het dromen over…

Mijn hele leven droom ik al levendig en ik heb ook nooit een probleem mijn dromen de volgende ochtend te herinneren. Ze hebben altijd een betekenis. Niet in de zin dat ze iets voorspellen of symbolisch verwijzen naar een of ander verborgen trauma. Het is vaak heel simpel: er zijn dingen die je bezighouden en die komen terug in je droom, vermengd met wat dan ‘dagrest’ heet. Ik vraag me vaak en graag af wat al die rare gebeurtenissen ’s nachts te betekenen hebben. Maar wat doe je met metadromen? Wat vertellen die? Deze vertelde me dat ik een stukje moest typen. Daar moet ik het maar mee doen en jullie ook.

Over druipende hersenen en dode huidcellen

Goya_droom_rede

Ik heb Louis van Gaal ontmoet. Ik zag hem langs lopen en riep in zijn oor: ‘Drie nul! Ja!’ Vooruit, het was in een droom. Dat maakt deze ontmoeting voor Van Gaal misschien minder belangrijk, voor mij niet. Dingen die me in mijn slaap overkomen hebben soms meer impact dan het wakende leven. Net zoals kleine, onbeduidende voorvallen soms meer betekenis hebben dan die waar je niet omheen kunt, wier relevantie zo overduidelijk is dat ze saai worden.

Nadat ik Van Gaal had toegelachen stapte ik de kroeg in. Lekker, biertje drinken. Ik was nog niet binnen of ik zag twee jongens, ladderzat, boezemvrienden in hun dronkenschap, de armen om elkaars schouders, pils in de hand. Dat gaat mis, wist ik. En inderdaad, ze namen nog een laatste slok en vielen toen strak achterover met hun kop op de betonnen vloer. Armen om elkaars schouders. Ik keek meteen weg, maar zag aan de gezichten aan de bar dat het waar was – dat hun schedels gekraakt waren en hun hersenen eruit dropen.

Niet kijken, niet kijken, dacht ik en ik keek niet maar zag het toch. (Het was immers een droom, alle beelden hoorden bij mij, ook degene die ik niet wenste te zien.) Ik spande me zo hard in om niet om te kijken naar de boezemvrienden en hun gulp hersenen op de betonnen vloer, dat ik wakker werd. Ik deed mijn ogen open en zag meteen weer de wittige brij, de leeggelopen bierglazen naast hun hoofd, de armen nog steeds om elkaar schouders. Ik moet dit onthouden, dacht ik, hoewel ik het liefst zou vergeten. Maar ik moet morgen toch kunnen vertellen dat ik over Van Gaal heb gedroomd.

Steeds als ik weer wilde gaan slapen, stond ik in de kroeg, een halve slag gedraaid zodat ik de jongens wel moest zien.

’s Ochtends fietste ik naar het station. In de Halmaherastraat zat een kat op wacht. Hij keek alsof hij zich zwaar beledigd voelde omdat ik Halmaherastraat zo’n gekke naam vind. Opeens herinnerde ik me mijn droom weer. Hoe was ik in vredesnaam op dat beeld van die druipende hersens gekomen? Door de kat wist ik het: eens, op een andere ochtend, fietste ik ook naar het station vanaf de andere kant van de stad. Op de busbaan lag een aangereden kat, een zwarte, met witte hersentjes die uit zijn gespleten schedel dropen. In de verte kwam de volgende bus aan. Ik raakte in paniek en ben hard weggefietst. Diezelfde dag heb ik als een soort boetedoening het nummer van de dierenambulance in mijn telefoon gezet, zodat ik de volgende keer (alsjeblieft, laat er nooit een volgende keer zijn!) wél adequaat kan handelen.

Natuurlijk had ik van mijn fiets moeten stappen, de bus tegen moeten houden met wilde armgebaren, aan moeten bellen bij huizen langs de weg, alles moeten doen om te zorgen dat die arme, roemloos gestorven poes niet nog eens overreden zou worden door een harmonicabus van dertien meter. Dat heb ik niet gedaan.

Ik weet dat als ooit mijn leven als een film aan me voorbij zal gaan, ik die kat weer tegenkom. Als een beschuldigende vinger. Chris uit Into the Wild schiet een eland, voor niets, want het vlees begint al bijna meteen te rotten. ‘It is the great tragedy of my life,’ noteert hij in zijn schrift. Het onrecht achtervolgt hem, net als het beeld van die aangereden kat mij achtervolgt. Daar zie je de mens in zijn lelijkste vorm: als hij de dieren niet met respect behandelt.

In de trein gaat een meisje tegenover me zitten. Uit haar tas haalt ze een wattenschijfje en een reinigingslotion. Doodgemoedereerd begint ze haar gezicht schoon te maken, ze slaat geen porie over. Daarna wrijft ze met twee handen een crème uit. Volgt nog een lotion en nog een wattenschijfje. Ik word er onpasselijk van. Ik zie de vuiligheid en de bruine, dode huidcellen voor me op het wattenschijfje dat nu in het prullenbakje belandt. Niet kijken, denk ik, maar ook nu zie ik het toch. En het is niet eens een droom waarvoor ik niemand anders dan mezelf verantwoordelijk kan houden.

Ergens hangt het vieze wattenschijfje samen met de druipende hersenen op een busbaan of betonnen vloer. Die laatste zijn mijn eigen brandmerk, het wattenschijfje is me opgedrongen door een toevallige passant op donderdagochtend acht uur. Ze lijken in geen verhouding tot elkaar te staan. Een droom en de werkelijkheid, dode huidcellen en dode boezemvrienden (die kat was ook iemand zijn boezemvriend). Beide onbeduidend, beide in staat de hele dag te kleuren in het vaalgrijs van drab – uit de schedelpan of uit een porie.

Misschien is het geen toeval dat de aangereden kat, de dronken boezemvrienden-tot-in-de-dood en het wattenschijfje zich zo aan me opdringen. Gisteren begon ik in Dood op krediet van Louis-Ferdinand Céline en las ik als tussendoortje Sokrates’ verdediging van Plato. Dat heb je soms op novemberdagen, dat de dood als een afgevallen herfstblad door de hemel waait.

Daarom, Louis van Gaal: bedankt. Door jou hing er in elk geval ook nog een vaag gevoel van victorie over deze kattige, katerige ochtend.