What’s going on? Het essay in de wereld

Bij de presentatie van De wereld in jezelf: De Nederlandse en Vlaamse literatuur van de 21e eeuw in zestig essays, 7 februari 2019, Spui25. 

Ik wil beginnen met een paar brokstukken aan u te vertellen, lapidaria uit de afgelopen maanden die in een zeker verband met elkaar lijken te staan. Een essayistisch verband hoop ik. Of dat dan ook nog iets belangwekkends over het essay zegt, moet straks maar blijken.

1.

In januari bezocht ik een conferentie in Berlijn. Zoals dat nog kan in Duitsland, spraken de Duitsers Duits en alle andere mensen Engels. Bij de ingang van de zaal kon je in ruil voor een pasje met foto van jezelf een koptelefoon krijgen om de simultaanvertaling te volgen. Hoewel mijn Duits verre van goed is heb ik de service niet gebruikt. Het luisteren naar een simultaanvertaling is gewoonweg irritant; de spreker hoor je nog door de audio heen, die staat immers een tiental meter voor je en het gaat hier echt niet om geluiddichte koptelefoons. Maar ik durf ook wel te beweren dat ik begreep wat er gezegd werd, wat iets anders kan zijn dan dat ik het verstond. ‘Hoe komt het toch dat het zo makkelijk is om een Duitse presentatie te volgen en haast onmogelijk om een Duits artikel te lezen?’ vroeg ik na afloop aan een Berlijnse kennis. Hij hoefde niet lang na te denken. ‘Iedereen denkt dat-ie moet schrijven als Adorno.’ Hij doelde (denk ik) op van die Duitse tangconstructies, u weet wel, zinnen die inderdaad ook een Duitser niet zomaar uit zijn mouw schudt tijdens een presentatie voor een groot publiek. Of de sprekers expliciet waren geïnstrueerd om niet voor te lezen maar hun verhaal min of meer te vertellen aan het publiek, weet ik niet, maar dat is wel wat ze deden. Ze waren met ons bezig, koptelefoon of niet.

2.

Nu had ik onlangs aan Adorno en het schrijven moeten denken, maar dan op een heel andere manier. De Adorno van het essay, die tegen het ideologische zenden was, voor wie het essay noch ‘een eerste principe, noch een laatste’ had (Engelse pdf). Het essay als een verzameling lapidaria, brokstukken, nooit helemaal af, altijd met open eindjes, zodat het zich alleen al in de vorm verzet tegen dogma’s. Maar blijkbaar, als ik mijn kennis volgde (die overigens had gestudeerd in Frankfurt, de thuisplaats van Adorno en de Frankfurter Schule), was Adorno inmiddels zelf verstard tot een dogma, een voorbeeld dat alleen maar middelmatige en nodeloos ingewikkelde teksten tot gevolg had.

3.

Hoe ontsnap je aan het zenden, waarbij je een punt overbrengt met de vanzelfsprekendheid van Waarheid, een vanzelfsprekendheid die de relativiteit van Waarheid verhult? En hoe te ontsnappen zonder meteen te vervallen in onbegrijpelijkheid of al dan niet figuurlijke tangconstructies? Het is een vraag die zich vaak aan me opdringt op een concrete plek: het klaslokaal. In de pauze van een van mijn lessen hoorde ik mijn studenten praten over een mededocent van de minor waarin ik les geef: Filosofie in een postdigitale wereld. Ik spitste blijkbaar vrij duidelijk mijn oren, want een van de studentes keek me aan zei: ‘Ja, mevrouw, hij is gewoon echt zo’n docent waar je thuis bij het avondeten over vertelt (de meeste studenten wonen nog thuis). Hij begint te praten en een paar uur later is het college opeens voorbij!’ Ik geloof meteen dat mijn collega een meeslepende orator is. Maar ergens stak het wel. Ik was dus niet de docent over wie je thuis bij het avondeten vertelt. Aan de andere kant was ik blij, want wat ik nastreef in mijn lessen is niet oreren maar verwarring zaaien. Natuurlijk, kennisoverdracht is ook belangrijk (en dat is niet zo vanzelfsprekend meer in het onderwijs) – maar voor mij hoort verwarring ook bij kennis. Zonder verwarring geen filosofie.

4.

Ik raakte bevangen door ‘the undercommons’ – een concept van Fred Moten en Stefano Harney. Ik probeer het te begrijpen als een soort essayistische methode toegepast op leren, en op leven (nee, alsjeblieft niet op een ‘leven lang leren’). Ook daarin gaat het om het proberen te opereren los van (of onder de oppervlakte van) dwingende structuren, dogma’s, beleidsmaatregelen en management. In plaats daarvan stellen zij juist het niet-gestroomlijnde, het probeersel, het amateuristische, het essayistische voor. ‘Study’ noemen ze dat ook wel, en daaronder valt van alles: van samen muziek luisteren met drank erbij, tot het klaslokaal binnenlopen en dan als docent ook in de klas gaan zitten en de studenten zelf het laten oplossen (dit heb ik nog niet aangedurfd). ‘Study seems to me perpetually immature, perpetually premature, perpetually unready,’ zegt Stefano Harney. Het gaat om het samenkomen van menselijke brokstukken en wat daaruit ontstaat. Als dat niet zo vriendelijk klinkt – menselijke brokstukken – dan zij het zo. Mensen voelen zich nu eenmaal verbrokkeld, niet serieus genomen of beschadigd. En brokstukken leven op als ze met meer zijn, ook al passen ze niet echt op elkaar. Het prachtige voorbeeld dat Harney en Moten geven is het begin van ‘What’s Going On’ van Marvin Gaye – u weet wel, waar je geroezemoes hoort, ‘hey what’s happening brother, what’s happening’, en dan begint het lied. Ze stellen: ‘of course the title is already letting you know: goddam it, something’s going on! This song emerges out of the fact that something already was going on.’

5.

Er staat dus nog iets op het spel: er is niet alleen geen eerste principe, noch afronding in een laatste, maar ook niet een eerste persoon die gaat staan en zijn verhaal doet en na afloop zijn papieren bijeen raapt en weer vertrekt. Er is al iets aan de gang. Iets verwarrends, verbrokkelds, informeels en gezamenlijks. Een ander brokstuk heeft te maken met iets wat ik misschien meteen in het begin had moeten melden, maar waar ik een beetje beschroomd over ben: misschien (misschien, misschien) heeft dit ook te maken met de vermoeidheid die ik bemerk – bij mezelf! – ten aanzien van het ik-genre. Ja, ik weet het, ik zeg ook steeds ik. Dat is deel van het probleem, wie is er nooit moe van zichzelf? Laat ik het dan ook bij mezelf houden: ik ben moe van mijn ik. Mijn essay-ik. Het ik dat nog zo twijfelend mag doen, maar toch maar ergens binnenkomt, gaat staan, z’n verhaal doet en na afloop weer verdwijnt.

6.

Het zit zo, ik heb ook (te) veel zitten lezen over het posthumanisme – niet te verwarren met het transhumanisme. De posthumanist schuift (of schrijft) zichzelf uit het centrum van de belangstelling. Niet meteen het leven uit, niet terug de zo moeizaam achter ons gelaten stilte in (Fred Moten en Stefano Harney komen uit de Black Studies en zouden daar net zo min als de vrouw op zitten te wachten). We hebben het hier niet over het uitgummen van de ervaring, het her-vermoorden van een reeds dode auteur. Ze is nog springlevend, maar wel marginaal. Of beter: opererend vanuit de marge, want het is geen veroordeling maar overtuiging. Ze is bezig met anderen, met iets anders dan zichzelf in elk geval. Als we de wereld willen veranderen – dogma’s willen ontmantelen, dwingende structuren los maken (en ik hoop echt dat iedereen dat wil) – dan begint dat bij zulk ‘post-individualisme’, zogezegd. Bij het verschuiven van jezelf het centrum uit, de periferie in, schuift tezelfdertijd iets anders het beeld binnen. Gary Hall noemt dat ‘het inhumane’ (pdf). (Tussen twee haakjes: het inhumane, als in onmenselijk, mag als woord van z’n morele lading worden ontdaan, inmiddels mag duidelijk zijn dat de mens heel goed is in mens- en wereldonterende dingen.) De wereld kan niet veranderen door alleen maar óver verandering te praten – het veranderen van de manier waarop we praten (schrijven) is even belangrijk. Gek genoeg, zegt Gary Hall, doen ook kritische mensen nu hun werk op een manier die zelfs geleerden uit de zeventiende eeuw bekend zou voorkomen: ‘Rational, liberal, humanist authors working alone in a study…’ Het is tijd, zegt hij, om de gegevenheid, het dogma, van die humanist author op te schudden.

7.

Mijn studenten moeten als afsluiting van het vak een essay schrijven en daarmee bedoel ik dan niet het slap-academische aftreksel daarvan. Die opdracht is al verwarrend genoeg, dus ik geef ze de tip (niet de verplichting) om begin en einde van het essay op elkaar te laten aansluiten. De cirkelvorm is voor geoefende schrijvers misschien een cliché, maar dat doet haar toch geen recht. De cirkel is ook een echo van de carrier bag, zoals Ursula Le Guin dat noemde. Het verhaal als een boodschappennet waarin je van allerlei verzamelt, verschillende zaden en vruchten, misschien ook een bijzondere steen. Je draagt het met je mee en kunt er anderen in laten delen. Die carrier bag is niet alleen van jou, draait niet om jou. En iedereen die hem open doet en de verzamelde spullen eruit haalt, zal ze in een andere volgorde neerleggen, er een andere waarde aan geven. Le Guin had het met de carrier bag over fictie, maar ik denk dat het ook een verbeelding kan zijn van het essay. Een ander essay.

8.

Thijs Lijster schreef in 2017 in De Gids over het essay: ‘Het ‘ik’ van de essayist is … het testinstrument, de seismograaf die schokken diep in de aardkorst kan waarnemen die wellicht niet voor eenieder voelbaar zijn.’ Het is metaforisch bedoeld, maar de planetaire beeldspraak past wonderwel bij de posthumanistische, inhumane, duivenroep. Schokken diep in de aardkorst, die duiden op iets nieuws. Het essay was altijd al een los-vaste verzamelplaats van verschillende stemmen, verhalen, perspectieven. Maar ook daarin is verstarring mogelijk, zoals die arme Adorno zelf heeft ondervonden. En zoals ik met mijn ik bang ben te ondervinden. Net als Thijs Lijster keer ik altijd met liefde en plezier terug naar Montaigne, maar toch ben ik vooral geïnteresseerd in wat er voor nieuws voor ons ligt, wat ontstaat, wat tevoorschijn komt uit het geroezemoes en geroekoe op de achtergrond, onder de oppervlakte, wat we gaan maken, uit het nog niet affe, het premature, het gezamenlijke. Ik ben benieuwd naar what’s going on?

‘Terug naar Twin Peaks’: een essay als poging tot demonenuitdrijving

In de donkere winterdagen van dit jaar was ik enkele weken ondergedompeld in Twin Peaks, om – eindelijk – eens dat stuk te schrijven dat ik al jaren heb willen schrijven en waar de uitnodiging van de redactie van Psychoanalyse en Cultuur de uitgelezen gelegenheid toe bood. Inmiddels is mijn essay verschenen in de bundel Oog om oog: Psychoanalyse en tv-series.

Uit de inleiding:

Begin jaren negentig was Miriam Rasch als dertien-, veertienjarige mateloos gefascineerd door de door haar als eng beleefde televisieserie Twin Peaks en het eveneens enge dagboek van Laura Palmer. Ook al is de nadruk vijfentwintig jaar later verschoven naar een eerder esthetische dan griezelige aanpak, een aan Twin Peaks gekoppelde nachtmerrie over een zwembad bleek pardoes teruggekeerd. Rasch reflecteert in haar bijdrage op de lynchiaanse angst die zich op het snijvlak van het leven van alledag en het net-niet-van-deze-wereld- zijnde manifesteert. Zij bespreekt een reeks aan tropen, zoals het witte paard in de huiskamer, het repeterende geluid van de plafondventilator, de bosrand, het trapgat en het onverklaarbare van elektriciteit. Dit lynchiaanse universum waarin special agent Dale Cooper als een ‘Dweller on the Threshold’ opereert, blijft fascinerend, omdat het de kijker geen puzzel met oplossingen aanreikt, maar Twin Peaks biedt een kaart die verscheidene parallelle tijdsruimtes beschrijft.

Oog om oog, met daarin nog vele andere essays over tv-series is verschenen bij Garant.

Update: Essay in de Revisor – nu online

cover

[Oorspronkelijk gepubliceerd 11 september 2016]

Op 1 april mocht ik in de Westerkerk optreden als voorprogramma van het denkbeest uit Ljubljana, Slavoj Žižek, ter gelegenheid van de G10 van de economie en filosofie. In het essay dat ik daar voorlas vertrok ik vanuit Žižeks beschrijving van een ‘event’ als een gebeurtenis die niet tot haar oorzaken is terug te voeren (heel kort door de bocht gezegd) – en probeerde te laten zien hoe dat ook iets kan verhelderen over sleutelmomenten in je eigen leven. Titel: ‘Voor en na [vul in: naam van partner, land, lichaamsdeel]’.

Omdat het beschrijven ervan al gauw saai klinkt, als de samenvatting die het in feite ook is, kun je maar beter het essay gewoon lezen. En! Dat kan nu ook, want het is opgenomen in het jongste nummer van de Revisor. Daar ben ik trots op, want al sinds mijn jongste studentenjaren wilde ik al eens in de Revisor staan. En nu is het zover. Een event!

Te koop bij de boekhandel of online.

Update: de jaargang van Revisor (2016, ik sta op pp. 34-37) is nu geüpload naar de dbnl, dus dat betekent dat het essay daar online te lezen is en daarom ook hieronder gearchiveerd wordt. “Update: Essay in de Revisor – nu online” verder lezen

Verschenen: 40, Een fictief smartphone-essay over vriendschap – download gratis of t.e.a.b.

In samenwerking met De Internet Gids – online pendant van Nederlands oudste literaire tijdschrift – is het experimentele e-boekje 40 verschenen. Een fictief essay, speciaal geschreven om gelezen te worden op de smartphone.

Het is de derde editie in de reeks DIG Cahiers, die bestaat uit nieuwe, literaire publicaties van Nederlandse bodem. Ieder werk is rond de 40 pagina’s lang en te lezen gedurende een enkele treinreis of in de rij op het vliegveld. De mogelijkheden van dit nieuwe (digitale) publicatieplatform worden zowel literair als visueel en auditief onderzocht.

Ook met het verdienmodel wordt geëxperimenteerd: de e-boeken worden aangeboden met ‘pay what you want’. Van iedere binnenkomende euro gaat 50 cent naar de auteur. Van de andere 50 cent worden de coverontwerper, typograaf, webbouwer, webhost, corrector en redacteur betaald. De richtprijs is €3,99 maar de publicatie is ook voor €0,00 te downloaden.

40: Een fictief smartphone-essay over vriendschap leidt je binnen in het hoofd en in de telefoon – is er eigenlijk een verschil? – van iemand die probeert te begrijpen hoe vriendschappen ontstaan en schrikbarend genoeg ook weer verdwijnen. Vrienden maken lijkt iets vanzelfsprekends, zeker in tijden van sociale media. Het vanzelfsprekende is echter altijd in potentie hartverscheurend. ‘Dit is niet het verhaal van die vriendschap. Het is het verhaal van alle anderen.’

Lees ook De Grote Internetvragen, waarin ik antwoord geef op drie vragen uit de proustiaanse questionnaire van De Gids: Welke mythe houdt u graag in stand? Wat is de mooiste vorm en/of de lelijkste vorm die u kent of zelf hebt gebruikt? En waarom? Wat verstaat u onder geheim?

Over het essay en de toekomst ervan

Op 30 maart organiseerde Spui25 in samenwerking met De Groene Amsterdammer een avond over de toekomst van het essay. Jan Postma en Marja Pruis werden geïnterviewd door Roel Bentz van den Berg.

Ik had de eer een inleiding te mogen verzorgen, die je hieronder of op de website van De Nieuwe Garde terug kunt lezen: Het paradijs voor de schrijver, Miriam Rasch over de toekomst van het essay

“Over het essay en de toekomst ervan” verder lezen

De spagaat van de online kunstkritiek

Verschenen in Boekman 106:

De spagaat van de online kunstkritiek

Artikel geschreven voor Boekman 106.

Het internet is open voor iedereen, maar grote commerciële bedrijven als Google en Facebook maken er de dienst uit. Diepgang en nuance staan daarom onder druk. Hoe kan online kunstkritiek in deze omgeving gedijen?

Google is een slechte raadgever, zeker bij inhoudelijke zaken. Wat vindt men van expo X, film Y of boek Z? De zoekmachine antwoordt met een lijst webwinkels, ticketservices, agenda’s en citymarketing. Maar dat diepgaande essays of vernieuwende stukken niet op de eerste pagina met Google-resultaten staan, wil niet zeggen dat ze niet bestaan. Voor het vinden ervan moet je alleen moeite doen.

En die moeite is het waard. Als we het hebben over kunstkritiek op internet is de veronderstelling dat kritiek belangrijk is. Maar waarom? Mijn favoriete antwoord op die vraag komt van Daniel Mendelsohn, criticus bij The New Yorker. Hij vertelt over zijn kennismaking met kunstkritiek als schooljongen: ‘I thought of these writers [critici] above all as teachers, and like all good teachers they taught by example; the example that they set, week after week, was to recreate on the page the drama of how they had arrived at their judgments’ (Mendelsohn 2012). Vervolgens noemt hij twee karakteristieken die voor een goede criticus onmisbaar zijn: expertise en sensibiliteit, ‘whatever it was in the critic’s temperament or intellect or personality that the work in question worked on’.

Expertise en sensibiliteit hebben te maken met diepgang en nuance – precies wat in ‘digitale tijden’ onder druk staat. Dat ligt niet aan de critici en hun talent en enthousiasme, maar aan de middelen. De logica van het internet zorgt enerzijds voor openheid – ‘iedereen kan meedoen’, op alle mogelijke manieren – en anderzijds voor een structuur waarin grote commerciële bedrijven zoals Google en Facebook de dienst uitmaken. Dat is de spagaat waarin de online kritiek – de kritiek van de toekomst – zit.

Uitwaaierend kritisch landschap

Dat betekent niet dat het internet expertise en sensibiliteit op voorhand uitsluit. ‘Het internet’ is niet één groot eenvormig medium (met Google als entree); het biedt een infrastructuur waarop diverse media kunnen functioneren. En niet alleen media: op het web kan iedereen schrijven, publiceren en verspreiden. Als er al een ‘crisis van de kritiek’ is, lijkt dat toch vooral die van de gevestigde criticus van het (papieren) dag- of weekblad, die in vaste dienst diepgravende artikelen kan schrijven. Geen divers gezelschap, waar nieuwkomers maar met moeite binnendringen. Wat gebeurt er als dit wordt opengebroken door nieuwe publicatiemogelijkheden waar geld en diepgang niet vanzelfsprekend zijn, maar die wel onbeperkt ruimte en toegankelijkheid bieden?

Ten eerste vervaagt de kwalificatie van ‘professionele’ kunstkritiek: veel meer verschillende mensen bedrijven kritiek, op een semiprofessionele wijze – vrijwillig, maar in redactieverband; betaald, maar een habbekrats; ad hoc, want naast andere werkzaamheden. Ten tweede zal de kritiek steeds meer vormen aannemen en buiten traditionele, kritische media opduiken. Beide duiden op een steeds breder uitwaaierend kritisch landschap.[1 Voor een goed overzicht van wat er aan nieuwe vormen van kunstkritiek gebeurt, zie Scherz (2013).]

Er zijn genoeg jonge mensen die willen schrijven over kunst en literatuur. En dat doen ze, online, want daar kun je meteen terecht. Bijvoorbeeld bij recensiesites 8WEEKLY of Cleeft, of digitale magazines als De Optimist of hard//hoofd. Meestal onbetaald, maar wel na selectie. Dit soort media hebben vaak een grote (vrijwillige) redactie die veel werk stopt in het begeleiden van haar auteurs.[2 Ik was zelf van 2008-2012 betrokken bij de redactie van 8WEEKLY.] Deze krijgen de kans om meters te maken en te experimenteren, en ontvangen gerichte, inhoudelijke feedback. Er is een natuurlijk verloop: talenten ‘stromen door’ naar andere media die wel betalen of op papier verschijnen. Maar het zou jammer zijn als het internet alleen proeftuin is voor de ‘traditionele’ kritiek. Het moet meer kunnen bieden, eigen mogelijkheden openen. Aan ruimte geen gebrek, noch aan enthousiasme.

Transparantie

Toch is de verscheidenheid aan stemmen ook online niet vanzelfsprekend. De ontwikkeling van het internet naar een enorme marketingmachine ondermijnt de kritiek in het bijzonder. Marketing onderscheidt niet maar uniformiseert. Hetzelfde geldt voor platformen, de heersers van het web. De invloed van Facebook en Google, om de grootste te noemen, op de journalistiek groeit en is eerder die van grote gelijkmaker dan een stimulans voor verscheidenheid. Deze twee monopolies zijn samen verantwoordelijk voor een grote meerderheid van de lezers van online media, wat het steeds noodzakelijker maakt om te schrijven met Facebook en Google voor ogen. Expertise en sensibiliteit worden dan al gauw omgevormd tot clickbait (de tien fun facts [expertise] die je versteld doen staan [sensibiliteit]). Terwijl internet dus de kritiek openbreekt en andere stemmen een kans biedt – verscheidenheid in sekse, expertise, etnische en geografische achtergrond – vormt het ook een gevaar voor die verscheidenheid.

Nieuwe online initiatieven zouden niet alleen een voorportaal moeten zijn voor de ‘traditionele media’, en ‘schrijven voor het web’ niet een opleiding tot ‘schrijven voor Google en Facebook’. Onderzoeker Ryan Gillespie noemt transparantie de grootste uitdaging voor online kritiek. Zeker als je het publiek bij je werk wilt betrekken, moet je expliciet zijn over wat je doet, over je redenen en maatstaven (Gillespie 2012). Waar schrijf je voor? Wie betaalt dat? Wie betaal jij met wat je doet? Facebook? Het museum waar je over schrijft? Je eigen publieke profiel? De uitdaging voor critici ligt erin om behalve tegenover de kunst waarover zij schrijven, ook tegenover de digitale technologie die zij gebruiken, hun onafhankelijkheid te bewaren.

Hoe kan de kritiek, waar expertise en sensibiliteit worden ingezet om te laten zien hoe je tot een oordeel komt, binnen die logica van het web dan wel optimaal functioneren?

‘Hybrid criticism’

Ik wil enkele voorbeelden noemen. Het eerste is een project dat we met het Domein voor Kunstkritiek, PublishingLab en Instituut voor Netwerkcultuur hebben uitgevoerd, waarin onderzoek naar nieuwe vormen van kritiek resulteerde in een serie vormvernieuwende, multimediale en diepgravende kunstkritische producties. Is het mogelijk om het publiek op een niet-hiërarchische wijze bij een artikel te betrekken, door bijvoorbeeld commentaar niet onder maar naast een stuk te plaatsen? Hoe kunnen beeld en geluid dragers zijn van diepgravende analyse? En welke tools zijn er voorhanden om multimediale artikelen te produceren? Kwesties die vragen om een grote investering in tijd, mankracht en geld. Ze reiken voorbij de criticus die op zijn studeerkamer een stuk schrijft; voor dit soort multimediale producties is het nodig samen te werken met een interdisciplinair team van redacteuren, vormgevers en webontwikkelaars.

Het vergt een forse investering, maar kan kleinschaliger, door die individuele criticus zelf. Door bijvoorbeeld een geschreven essay te combineren met een blog, vlog of podcast – media die voor iedereen ter beschikking staan en die je relatief eenvoudig kunt leren beheersen. Ik heb dit eerder ‘hybrid criticism’ genoemd, met als voorbeeld mijn verzamelde kritieken van het werk van Karl Ove Knausgård: inmiddels bestaande uit een blog op mijn eigen website, een vlog voor de VPRO, een online recensie voor boekhandel Athenaeum en een artikel voor De Gids, kortom verspreid over zoveel mogelijk kanalen, betaald en onbetaald, lang en kort, met persoonlijke inslag en als expert, et cetera (Rasch 2014). Zo bereik je niet alleen een groter en diverser publiek, maar komt ook de kunstkritische praktijk op een ander, hoger niveau. Het maakt verschil of je twee-, drieduizend woorden aan een betoog kunt besteden, of in vijf minuten praten voor de camera tot de kern moet komen. En juist het bestuderen van de mediumspecifieke kenmerken (in dit geval van video) kan leiden tot een heel andere invulling van de kritische opdracht die je jezelf stelt.

Autonomie

Dat vraagt om experimenteerdrift van de criticus. Het volgende voorbeeld dat ik wil aanhalen laat zien hoe dat ook kan uitpakken. De Amerikaanse kunstcriticus Brian Droitcour beschrijft in het artikel ‘Vernacular Criticism’ hoe hij het platform Yelp – vooral bedoeld om restaurants en cafés te beoordelen – inzet om kritische essays over musea en galeries te publiceren (Droitcour 2014). Terwijl dit platform volledig functioneert in de commerciële structuur van het internet – gebruikers leveren gratis content waar Yelp aan verdient en die de besproken horecagelegenheden kunnen gebruiken in hun marketing – blijkt dat het tegelijk een heel andere soort kritiek mogelijk maakt: over plaatsen, gebouwen waar je fysiek naar binnen gaat en een ervaring opdoet. Die ervaring wordt onderbouwd met rationele argumenten, maar ook met poëzie of humor. ‘I felt like as if I were in a large field with different patches of flowers around me,’ schrijft een Yelp’er over haar ervaring in het Metropolitan Museum of Art, en dan niet per se positief bedoeld.

Droitcour gebruikt de logica van het platform om iets te doen wat diametraal tegenover die logica staat, namelijk zijn expertise en sensibiliteit tot uitdrukking brengen én tegelijk nieuwe vormen ervan te ontdekken. Het is een manier om de grenzen van de kritiek en haar vermogen tot transformatie te onderzoeken. Maar het vraagt concentratie en scherpte om jezelf niet te laten meeslepen in diezelfde logica van commercialisering en advertenties. Het internet in zijn huidige structuur hangt in die zin samen met de kern van kritiek: een kritische houding ten opzichte van het systeem waarin ze opereert. Dan gaat het niet meer om professionals versus amateurs of om papier tegenover online. Eerder is een verdeel-en-heerstactiek aan te bevelen (Ik hoop dat het advies van Lucy Lippard aan jonge schrijvers niet de enige oplossing is: ‘keep your standard of living extremely low and you can write what you want’. Zie Sarah Douglas, ‘Advice for Art Writers: Keep Your Standard of Living Extremely Low’, Artnews, 12 februari 2015, http://www.artnews.com/2015/02/12/advice-for-art-writers-keep-your-standard-of-living-extremely-low/). Het komt niet alleen maar neer op geld, maar vooral op autonomie.

Literatuur

Droitcour, B. (2014) ‘Vernacular criticism’. In: The New Inquiry, 25 juli. (www.thenew inquiry.com/essays/vernacular-criticism)

Gillespie, R. (2012) ‘The art of criticism in the age of interactive technology: critics, participatory culture and the avant-garde’. In: International Journal of Communication, jrg. 6, 56-75. (ijoc.org/index.php/ijoc/article/download/936/683)

Mendelsohn, D. (2012) ‘A critic’s manifesto’. In: The New Yorker, 28 augustus. (www.newyorker.com/books/page-turner/a-critics-manifesto)

Rasch, M. (2014) ‘Online kunstkritiek/hybrid criticism’. Op: http://www.miriamrasch.nl/nieuwe-media/online-kunstkritiek-hybrid-criticism/, 23 oktober 2014.

Scherz, L. (2013) ‘Kunstkritiek 2.0’. In: Rekto:verso, nr. 58. (www.rektoverso.be/artikel/kunstkritiek-20)

 

Over Kehlmann, Luiselli en Murakami in De Gids

gidsNu ook online te lezen: Leven na de dood!

Dubbelgangers, zombies, levende doden, het unheimliche en zo verder, op twee pagina’s in De Gids van september. Beginnend bij de beeldhouwwerken en foto’s van Medardo Rosso, via F van Daniel Kehlmann, De gewichtlozen van Valeria Luiselli naar De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren van Haruki Murakami. Drie boeken van drie continenten waarin personages sterven en toch, vreemd genoeg, verder leven.

Lees hieronder of bij De Gids: Leven na de dood. “Over Kehlmann, Luiselli en Murakami in De Gids” verder lezen

Ryszard Kapuściński: De legende van een journalist

kapuscinski-non-fictie

Miriam Rasch ontmoette ooit de legendarische journalist Ryszard Kapuściński. Maar in welke mate was hij zelf een literair personage? En als de details van een verhaal niet kloppen, doet dit de waarheid eigenlijk geweld aan?

Er is maar één mens van wie het me met trots vervult dat ik hem de hand mocht schudden en een glimlach van hem kreeg. Sinds de jaren ‘90 vullen de boeken van de Poolse journalist Ryszard Kapuściński mijn kast, mij cadeau gedaan door mijn vader, Kapuściński’s vertaler in het Nederlands. Ik op mijn beurt deed Imperium over Kapuściński’s reis door de Sovjet-Unie, De voetbaloorlog over Zuid-Amerika, en vooral Ebbenhout, zijn weergaloze evocatie van het Afrikaanse continent, weer talloze malen cadeau. In de hoedanigheid van ‘dochter van’ mocht ik Kapuściński ooit de hand schudden en glimlachte hij naar mij. Een glimlach die in de lucht en je geheugen blijft hangen, zo innemend en hartelijk. Of was het een glimlach als van de Cheshire Cat, op het gezicht geplakt en er gauw weer af te halen als al die bewonderaars verdwenen zijn?

Lees verder op hard//hoofd: Ryszard Kapuściński: De legende van een journalist