Verschenen: collectie Brainwash-artikelen ‘Dat kan beter!’

In de zomer van 2017 was ik te gast bij Brainwash radio, waar ik een column uitsprak die – zo ontdek ik nu – nooit op mijn website is verschenen dan wel gearchiveerd. Nu is het ideale moment om dat alsnog te doen, aangezien hij is opgenomen in de bundel ‘Dat kan beter! Nieuwe ideeën over geluk, gelijkheid, vooruitgang en meer’, met stukken van binnen- en buitenlandse filosofen, psychiaters, antropologen, sociologen, journalisten en historici. Ingeklemd tussen Susan Neiman en Naomi Klein vind je mijn bijdrage. Dat kan slechter!

Terugluisteren van de radio-uitzending kan hier.

Hoe tech-bedrijven het basisinkomen gebruiken voor hun eigenbelang

“Verschenen: collectie Brainwash-artikelen ‘Dat kan beter!’” verder lezen

Stretches: text @ Hyaline Hide

Wouter Venema vroeg me een tekst te schrijven bij zijn nieuwe tentoonstelling getiteld Hyaline Hide (samen met Lisa Reitmeier), te zien in de galerie Rianne Groen.

Het werd een hybride van gesprekken die we voerden in de loop van een paar weken. Titel: Stretches. Lees de tekst hier.

 

Wouter Venema & Lisa Reitmeier – Hyaline Hide
10 November – 22 December 2018

Échappement: twee maanden in het Van Doesburghuis

‘Er is ook een piano (merk Sellier) aanwezig.’

De tijd dat ik met regelmaat pianospeelde ligt al meer dan tien jaar achter me. Soms mis ik het, de samenkomst van lichaam en geest waar het om vraagt en de vergetelheid die die samenkomst je even kan geven. Ik besloot wat van mijn oude bladmuziek mee te nemen naar het Van Doesburghuis, waar ik twee maanden zou verblijven. Dat moest genoeg tijd zijn om weer wat oefening te krijgen en het zou een goede manier zijn om de gedachten te verzetten tussen het schrijven door. Een van de laatste stukken die ik had gespeeld was ‘Clair de lune’ van Débussy. Romantisch en ook supermodern – passend, daarom, bij een residentie in de atelierwoning.

Lees verder hieronder of bij het Letterenfonds: Échappement “Échappement: twee maanden in het Van Doesburghuis” verder lezen

‘Terug naar Twin Peaks’: een essay als poging tot demonenuitdrijving

In de donkere winterdagen van dit jaar was ik enkele weken ondergedompeld in Twin Peaks, om – eindelijk – eens dat stuk te schrijven dat ik al jaren heb willen schrijven en waar de uitnodiging van de redactie van Psychoanalyse en Cultuur de uitgelezen gelegenheid toe bood. Inmiddels is mijn essay verschenen in de bundel Oog om oog: Psychoanalyse en tv-series.

Uit de inleiding:

Begin jaren negentig was Miriam Rasch als dertien-, veertienjarige mateloos gefascineerd door de door haar als eng beleefde televisieserie Twin Peaks en het eveneens enge dagboek van Laura Palmer. Ook al is de nadruk vijfentwintig jaar later verschoven naar een eerder esthetische dan griezelige aanpak, een aan Twin Peaks gekoppelde nachtmerrie over een zwembad bleek pardoes teruggekeerd. Rasch reflecteert in haar bijdrage op de lynchiaanse angst die zich op het snijvlak van het leven van alledag en het net-niet-van-deze-wereld- zijnde manifesteert. Zij bespreekt een reeks aan tropen, zoals het witte paard in de huiskamer, het repeterende geluid van de plafondventilator, de bosrand, het trapgat en het onverklaarbare van elektriciteit. Dit lynchiaanse universum waarin special agent Dale Cooper als een ‘Dweller on the Threshold’ opereert, blijft fascinerend, omdat het de kijker geen puzzel met oplossingen aanreikt, maar Twin Peaks biedt een kaart die verscheidene parallelle tijdsruimtes beschrijft.

Oog om oog, met daarin nog vele andere essays over tv-series is verschenen bij Garant.

Over de vrouwelijke filosofie van Luce Irigaray

Voor De Groene Amsterdammer schreef ik onlangs over filosofe en psychoanalytica Luce Irigaray, in het bijzonder over Dit geslacht dat niet (één) is.

Ik stel me zo voor dat Luce Irigaray bij zulke hardnekkige ‘macho-mythes’ zin heeft om de straat op te gaan met een kartonnen bord in de hand zoals dat van de oudere dame die werd gefotografeerd bij een protest tegen het verscherpen van abortuswetgeving: ‘I can’t believe I still have to protest this fucking shit.’

Lees het tiende deel van de Feministische Leeslijst hier: ‘Vrouwspreken’ met trotslippen

Mens vs. machine, een avonturenverhaal over vertaalmachines, The Last Samurai van Helen DeWitt en poëzie (in rekto:verso)

Helen DeWitt

Technologie mag de mens steeds verder in een hoek duwen, met slimme apparaten en robots die ons werk overnemen. Maar wij hebben taal, hét teken van onze superioriteit over de rest van de wereld. Daarom is het best schrikken als machines zelf een taal ontwikkelen. Ziedaar onze ultieme kwetsbaarheid: in talige intelligentie voorbijgestoken worden door computers. Of geven we ons te snel gewonnen?

Lees verder op rekto:verso: Mens vs. machine, een avonturenverhaal

Wees een idioot!

‘Pinkpoooooooooooop!’ schreeuwde iemand tegen het eind van mijn Lowlands-lezing vanuit het publiek. Ik moest lachen, gelukkig, want eigenlijk stond ik met mijn mond vol tanden. ‘Gast, ben je de weg kwijt of zo,’ werd er geroepen, en: ‘Zit je d’r lekker aan?’ Pas toen de lezing was afgelopen en ik van het podium de trap af liep, de tent uit naar de backstage, drong het tot me door. Die jongen had mijn verhaal, over de idioot als een lichtend voorbeeld in postdigitale tijden, het beste begrepen van alle mensen in de tent, mijzelf incluis. Hij had de les van de idioot meteen ter harte genomen en toegepast; hij was de idioot, precies zoals ik had gezegd dat je dat zou moeten zijn.

‘De idioot “communiceert” niet,’ schrijft de Koreaans-Duitse filosoof Byung- Chul Han in Psychopolitiek. Dat maakt de idioot direct tot een subversieve figuur, want in onze tijd is communicatie immers het hoogste goed. Niet eens zozeer vanwege het overbrengen van een boodschap of omdat informatie-uitwisseling zo belangrijk wordt gevonden. Nee, de almaar opgevoerde communicatie die vierentwintig uur per dag doorgaat, is wat de wereld van het surveillance-kapitalisme draaiende houdt. Als iedereen per direct zou stoppen met Facebook en Instagram, met mailen en appen, als iedereen nú zijn smartphone in de gracht zou gooien, als met andere woorden de communicatie rigoureus tot staan zou komen, dan zou met de data ook het kapitaal stoppen te stromen. En niet alleen het kapitaal. De ‘totale communicatie’ zoals Han het noemt, is ook in het belang van hen die een oogje op ons willen houden, of het nu de overheid is, de veiligheidsdiensten, of bedrijven als Cambridge Analytica die met zoveel mogelijk kennis over zoveel mogelijk mensen een zekere politieke ideologie vooruit proberen helpen.

Om bruikbare data te genereren moet iemand zich bewegen, om afgeluisterd te worden moet je spreken; stilte en stilstand zijn daarom de dood van de controlemaatschappij. De idioot weet dat. Gilles Deleuze, schrijvend over de controlemaatschappij, wees om die reden de idioot aan als voorbeeld, allereerst voor filosofen: ‘Faire l’idiot’! Wees een idioot! Sindsdien is de communicatie- en transparantiedwang alleen maar toegenomen en de nood aan ‘vrije ruimtes van het zwijgen, van de stilte en de eenzaamheid’, zoals Han dat noemt, dus ook. Moeten we dan echt onze smartphone in de gracht gooien en als middeleeuwse broeders en zusters de gelofte van het zwijgen afleggen? Nee, dat wordt op den duur ook maar voorspelbaar. En de idioot is juist in essentie onvoorspelbaar, roept ‘Pinkpop’ in een Lowlands-tent.

De oer-idioot waar Deleuze naar terugkeert, is die van Dostojevski. Met de personages van Dostojevski is iets vreemds aan de hand, vertelt Deleuze in ‘Qu’est-ce que l’acte de création?’, een lezing uit 1987 – ze lijden aan chronische onrust, laten zich door minieme dingen afleiden. ‘Een personage gaat op pad, de straat op en zegt: “Tanja, de vrouw van wie ik houd, vraagt om mijn hulp. Ik ga, snel, snel, ze zal sterven als ik niet naar haar toe ga!” Hij loopt de trap af en komt een vriend tegen of hij ziet een aangereden hond liggen en hij vergeet alles. Hij vergeet volkomen dat die Tanja

op hem zit te wachten, bezig te sterven. Hij begint te praten, ontmoet weer een andere kennis, gaat met hem theedrinken en zegt dan plotseling weer: “Tanja wacht op me, ik moet gaan!”’ Deze personages, zegt Deleuze, zijn constant in de weer met allerlei noodgevallen en toch is er steeds iets wat nóg dringender is. Maar wat? Dat ontglipt ze.

Is dat een lichtend voorbeeld? Van hot naar her rennen, mensen in nood vergeten, in een voortdurende staat van paraatheid verkeren… Ik moet er niet aan denken. Wat maakt die idioot dan toch tot een navolgenswaardig figuur voor onze tijd? Dat is zijn fundamentele ondoelmatigheid. Zijn weigering om mee te gaan in de rationalisering van zijn keuzes en handelingen. Het vertrouwen op intuïtie en het besef dat intuïtie niet uitgelegd kan worden. En ook: zijn onschuld. De idioot moet onder geen beding verward worden met een leugenaar. De leugenaar kent de waarheid en wil die verborgen houden; dat is zijn doel. De leugenaar is nog steeds aan het communiceren, wil een boodschap aan de man brengen. Hij lokt reacties uit, probeert te overtuigen en gebruikt de technieken die daarbij voorhanden zijn, precies zoals de instanties dat graag zien. Donald Trump bijvoorbeeld – of alle andere mannen uit zijn entourage – mag zich idioot gedragen, met de idioot als filosofisch concept heeft hij om deze redenen weinig te maken.

De idioot interesseert de waarheid niets. Hij weet dat hij die niet kent en zal daarom niemand van het tegendeel willen overtuigen. Hij heeft geen boodschap te verkondigen. Wat hij ons kan leren is volgens de filosofe Isabelle Stengers juist de waarde van oponthoud, de suspensie van de waarheid. Al is de oer-idioot van Dostojevski een soort ADHD’er avant la lettre, Stengers wijst erop dat de idioot vooral vertragend te werk gaat (hoewel te werk gaan veel te doelgericht klinkt). Causale gevolgtrekkingen, daar heeft hij niets mee. ‘En dus…’ komt niet in zijn vocabulaire voor. Alles staat open, er kan steeds iets volgen wat niets met het voorgaande te maken heeft: een ontmoeting met een kennis, een aangereden hond, een kopje thee. Zo steekt de idioot een stokje in de raderen van de soepele machine die communicatie tegenwoordig moet zijn. Hij doet je met de mond vol tanden staan en lachen tegelijk, zoals mij overkwam daar op dat Lowlands-podium. Stamelen en lachen zijn beide letterlijke vormen van oponthoud in de communicatie, het resultaat van een onverwachte wending en de opening tot een andere onverwachte wending.

Het idiotisme, stelt Byung-Chul Han, is een praktijk van vrijheid. Misschien wel een van de weinige praktijken van vrijheid die ons nog resten in een wereld die verplicht tot voortdurende connectie en communicatie. In de kern bestaat die vrijheid eruit dat je de noodzaak tot verstaanbaarheid naast je neerlegt. Het is een poëtische vrijheid, kun je ook zeggen. Bijna een hippie-achtige vrijheid. In de woorden van Botho Strauss, waarmee ook Han besluit: ‘een bloemenbestaan: eenvoudige opening naar licht’.

Divide and conquer: the future of online criticism

The Digital Critic: Literary Culture Online – a review

OR Book Going Rouge

Originally published on The Art of Criticism project website.

‘Online, everyone is a critic – but only insofar as everyone is also a consumer.’ A cynical, but prescient quote from Robert Barry’s essay in the 2017 collection The Digital Critic: Literary Culture Online which dives into ‘the changing conditions of criticism in a digital age’. The seventeen essays in this book raise important questions: What impact has the internet had in the field of criticism? Has the internet age brought out any truly new forms of critique, or does it all just come down to marketing? Does criticism still exist at all?

I: Blurred lines “Divide and conquer: the future of online criticism” verder lezen

Update: Essay in de Revisor – nu online

cover

[Oorspronkelijk gepubliceerd 11 september 2016]

Op 1 april mocht ik in de Westerkerk optreden als voorprogramma van het denkbeest uit Ljubljana, Slavoj Žižek, ter gelegenheid van de G10 van de economie en filosofie. In het essay dat ik daar voorlas vertrok ik vanuit Žižeks beschrijving van een ‘event’ als een gebeurtenis die niet tot haar oorzaken is terug te voeren (heel kort door de bocht gezegd) – en probeerde te laten zien hoe dat ook iets kan verhelderen over sleutelmomenten in je eigen leven. Titel: ‘Voor en na [vul in: naam van partner, land, lichaamsdeel]’.

Omdat het beschrijven ervan al gauw saai klinkt, als de samenvatting die het in feite ook is, kun je maar beter het essay gewoon lezen. En! Dat kan nu ook, want het is opgenomen in het jongste nummer van de Revisor. Daar ben ik trots op, want al sinds mijn jongste studentenjaren wilde ik al eens in de Revisor staan. En nu is het zover. Een event!

Te koop bij de boekhandel of online.

Update: de jaargang van Revisor (2016, ik sta op pp. 34-37) is nu geüpload naar de dbnl, dus dat betekent dat het essay daar online te lezen is en daarom ook hieronder gearchiveerd wordt. “Update: Essay in de Revisor – nu online” verder lezen

Essay in de Revisor: Een beetje / een beetje

EXCLUSIEF!

INCLUSIEF DATA-SELFIE!

Voor het prachtige Leugenaars-nummer van Revisor schreef ik een essay over de leugenachtige dubbelganger die rondzwerft in het aggregaat van je digitale data. Of is zij misschien meer waarachtig dan ikzelf, omdat ze niet of / of hoeft te zijn, maar altijd een beetje / een beetje blijft?