De spagaat van de online kunstkritiek

Verschenen in Boekman 106:

De spagaat van de online kunstkritiek

Artikel geschreven voor Boekman 106.

Het internet is open voor iedereen, maar grote commerciële bedrijven als Google en Facebook maken er de dienst uit. Diepgang en nuance staan daarom onder druk. Hoe kan online kunstkritiek in deze omgeving gedijen?

Google is een slechte raadgever, zeker bij inhoudelijke zaken. Wat vindt men van expo X, film Y of boek Z? De zoekmachine antwoordt met een lijst webwinkels, ticketservices, agenda’s en citymarketing. Maar dat diepgaande essays of vernieuwende stukken niet op de eerste pagina met Google-resultaten staan, wil niet zeggen dat ze niet bestaan. Voor het vinden ervan moet je alleen moeite doen. “De spagaat van de online kunstkritiek” verder lezen

Over Kehlmann, Luiselli en Murakami in De Gids

gidsNu ook online te lezen: Leven na de dood!

Dubbelgangers, zombies, levende doden, het unheimliche en zo verder, op twee pagina’s in De Gids van september. Beginnend bij de beeldhouwwerken en foto’s van Medardo Rosso, via F van Daniel Kehlmann, De gewichtlozen van Valeria Luiselli naar De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren van Haruki Murakami. Drie boeken van drie continenten waarin personages sterven en toch, vreemd genoeg, verder leven.

Lees hieronder of bij De Gids: Leven na de dood. “Over Kehlmann, Luiselli en Murakami in De Gids” verder lezen

Op zoek naar het verscholen kwaad – Over Mijn strijd van Karl Ove Knausgård

knaus-gidsMijn artikel over Mijn strijd van Karl Ove Knausgård, dat ik schreef voor De Gids is online te lezen of hieronder: Op zoek naar het verscholen kwaad

Seks en schrijven, daar draait het om in het leven van de achttienjarige Karl Ove Knausgård. In Nacht, het vierde deel van de Noorse romancyclus Mijn strijd, droomt de jonge Knausgård van een groots en meeslepend leven – een schrijversbestaan vol drank en vrouwen en meesterwerken. Het ‘tussenjaar’ uit het leven van de schrijver is een scharnierpunt: wat hij aan het begin niet heeft – ervaring met seks en met schrijven – heeft hij aan het eind bereikt. Maar dat betekent niet het einde van zijn innerlijke strijd met het verleden, het geheugen en misschien zelfs met het kwaad. “Op zoek naar het verscholen kwaad – Over Mijn strijd van Karl Ove Knausgård” verder lezen

Inleiding Memento (december 2004)

Zie ook: Memento. Nagelaten vertalingen van Gerard Rasch.

Enkele weken nadat we in het Universitair Medisch Centrum te horen hadden gekregen dat Gerard Rasch, mijn vader, niet meer van zijn kanker zou genezen, stuurde hij me een e-mail met Het Plan. Het Plan: dat was nog één laatste boek te maken. Het moest een ode zijn aan de Poolse dichters van wie hij het meest hield, met gedichten die hij zelf nog absoluut vertaald wilde zien om de simpele reden dat ze hem dierbaar waren. Behalve een ode zou het daarom ook een literair testament zijn, een persoonlijke geschiedenis van de Poolse poëzie.

Mij vroeg Gerard zorg te dragen voor de selectie, de redactie en de inleiding van de bundel. Hij wist niet zeker hoever hij zelf zou kunnen komen met het werk en het was mogelijk dat hij computerbestanden en in de marge volgekrabbelde manuscripten zou achterlaten die je niet zomaar aan een willekeurig persoon toevertrouwt. Bovendien was de opzet van de bundel heel persoonlijk en moesten keuzes worden gemaakt ‘in zijn geest’, wat niet iedereen kan. En ik denk dat mijn vader mij graag de kans wilde geven een boek te maken waarop naast zijn naam ook mijn naam zou komen te staan. “Inleiding Memento (december 2004)” verder lezen

Ryszard Kapuściński: De legende van een journalist

kapuscinski-non-fictie

Miriam Rasch ontmoette ooit de legendarische journalist Ryszard Kapuściński. Maar in welke mate was hij zelf een literair personage? En als de details van een verhaal niet kloppen, doet dit de waarheid eigenlijk geweld aan?

Er is maar één mens van wie het me met trots vervult dat ik hem de hand mocht schudden en een glimlach van hem kreeg. Sinds de jaren ‘90 vullen de boeken van de Poolse journalist Ryszard Kapuściński mijn kast, mij cadeau gedaan door mijn vader, Kapuściński’s vertaler in het Nederlands. Ik op mijn beurt deed Imperium over Kapuściński’s reis door de Sovjet-Unie, De voetbaloorlog over Zuid-Amerika, en vooral Ebbenhout, zijn weergaloze evocatie van het Afrikaanse continent, weer talloze malen cadeau. In de hoedanigheid van ‘dochter van’ mocht ik Kapuściński ooit de hand schudden en glimlachte hij naar mij. Een glimlach die in de lucht en je geheugen blijft hangen, zo innemend en hartelijk. Of was het een glimlach als van de Cheshire Cat, op het gezicht geplakt en er gauw weer af te halen als al die bewonderaars verdwenen zijn?

Lees verder hieronder of op hard//hoofd: Ryszard Kapuściński: De legende van een journalist

Vertaler van culturen

Kapuściński (1932-2007), de onvermoeibare schrijver reizend van revolutie naar revolutie, gefascineerd door de werking van macht, de zelfverklaard (en niet ten onrechte) ‘vertaler van culturen’, was altijd op zoek naar de rafelranden, de gewone man, de ellende van het dagelijks leven, niet zozeer in zijn bezette thuisland Polen, maar liever op het zuidelijk halfrond. Afrika werd zijn grote liefde, Zuid-Amerika zijn minnares. Zijn eerste ervaring aan die kant van de planeet was echter in India als twintiger, een beginnend journalist die geen Engels sprak: “Het leven is hier geen leven, het eten is geen eten, alleen de ellende is echt ellende.” Dat beviel hem uitermate.

Hoe verbaasd moeten we zijn dat Kapuściński overtuigd lid van de communistische partij blijkt te zijn geweest?

Iemand die zo bewonderd wordt en zich tegelijkertijd beweegt in brandhaarden en (politiek) controversiële kringen, moet wel een keer van zijn voetstuk vallen. In 2010 verscheen in Polen Artur Domosławski’s biografie van ‘legendarisch journalist’ Ryszard Kapuściński, Non-fictie. De glimlach van de Cheshire Cat, die blijft hangen lang nadat de kat verdwenen is, duikt vanaf de eerste pagina op. Hoe de ontmaskering – want in die categorie valt deze biografie – precies in elkaar steekt is elders vaak genoeg verteld. Maar hoe verbaasd moeten we eigenlijk zijn dat Kapuściński overtuigd lid van de communistische partij blijkt te zijn geweest? Of liever, hoe verontwaardigd moeten we zijn? Derrick blijkt lid te zijn geweest van de SS en op de voorgevel van de gelijknamige Utrechtse discotheek krijgt hij een balkje voor de ogen. Klaar. De omlooptijd van de verontwaardiging is groot, wat blijft is het oeuvre (of de foute disco). Frankly, I don’t care. Goed, nog een schepje erbovenop: Kapuściński speelde zelfs informatie door naar de inlichtingendienst. Hij schreef de afdeling censuur naar de mond om gepubliceerd te worden, maar deed dat eerder door bepaalde invalshoeken te kiezen (de strijd van de armen, de overheersing van Amerika en Europa in de koloniale gebieden die zich vrijvochten) dan letterlijk de communistische ideologie uit te dragen. Vooruit, ontmaskering geslaagd, alle tanden zijn de glimlach uit de mond geslagen. Maar waar is dan de kat gebleven?

Bij het cadeau doen van al die boeken vertel ik steevast hoe vreselijk de ironie is dat de man die vele malen aan de dood ontsnapte in het vuur van de frontlinie en het ijs van Siberië, in bed in Polen aan zijn einde kwam. Goed, ik zeg altijd “op de operatietafel voor een of andere routine-ingreep” – wat dus niet helemaal correct is. Zijn ziekbed was vrij gewoontjes en de niet-aflatende glimlach en levenslust waren verdwenen. Als een grumpy old man kwam hij aan zijn einde, niet in een vuurgevecht, niet in een sneeuw- of zandstorm, zelfs niet op de operatietafel. Hoe verontwaardigd mogen mijn vrienden zijn als ze erachter komen dat ik dat van die operatietafel heb verzonnen – in de volle overtuiging dat ik waarheid spreek?

Biograaf Domosławski noemt dat in het begin van Non-fictie ‘literaire autocreatie’, alsof het een volkomen ingeburgerde term is. Een verhaal over je leven fabriceren dat misschien niet helemaal overeenstemt met de werkelijkheid. (Als er iemand is die dat nooit heeft gedaan, eet ik een Imperium op.) Domosławski, een intelligent en belezen man, snijdt meteen in het begin van zijn kilozware boek het oerprobleem aan: “Schreef hij tijdens zijn vertellingen over zijn leven nog een ander boek? Is Ryszard Kapuściński, de hoofdpersoon in de boeken van Ryszard Kapuściński, een reëel personage? (Hij is immers de hoofdpersoon in bijna al zijn boeken.) En in welke mate ook een literair personage? Schiep Kapuściński zijn eigen legende? Hoe? Waarom?”

Held in een avonturenverhaal

Kapuściński had het zelf niet zo op een nauwkeurige weergave van de feiten en hoewel dat voor een ‘legendarisch journalist’ als een ontmaskering voelt, verrast het niet eens erg. Het lijkt alsof de boeken je daar al op voorbereiden, zo fantastisch als ze zijn. De Kapuściński die je leert kennen in al die spannende verhalen lijkt inderdaad een fictief personage, een held in een avonturenverhaal, en dat nodigt de lezer uit om nog eens verder te mythologiseren. Blijkbaar willen we dat graag. De uitgever van de Engelse vertalingen van Kapuściński’s werk liet jarenlang ‘vriend van Che’ als blurb op de cover staan. Ook al strookt het niet met de feiten, na verloop van tijd wordt het vanzelf waar. Voor de lezer, en voor Kapuściński zelf misschien ook.

Is Kapuściński’s werk journalistiek, non-fictie, en daarmee onderworpen aan bepaalde wetten, of hoort het thuis op de plank ‘fictie’? In dat laatste geval staat het los van de auteur en kunnen we het als autonoom werk beschouwen. Zodra je iets van Kapuściński leest, weet je dat dit laatste niet opgaat. Dit zijn bij uitstek boeken die niet los van de wereld en de schrijver ín die wereld functioneren. Als Afrika je niet bijster veel interesseert – deprimerend continent, al die problemen, etc. – lees dan Ebbenhout en je hele wereldbeeld kantelt. Kapuściński’s beschrijving van de Afrikaanse hitte vertelt je bijvoorbeeld meer over de problemen met armoede en honger, dan weer een foto van een uitgemergeld kindje. En wie wil weten hoe het dagelijks leven in de Sovjet-Unie was (met ijzige winters in Siberië), leze Imperium. We kunnen dat autonoom proberen te begrijpen en zeggen: het werk verandert je wereldbeeld (op een positieve manier!). Is dat niet voldoende om het geslaagde kunst te noemen? Wie maalt nog om details? Aan de andere kant is het maar wat gevaarlijk om de waarheid te laten sneuvelen voor ‘de goede zaak’. Dat zou Kapuściński, als schrijver vanachter het IJzeren Gordijn, als geen ander moeten weten.

Details versus de waarheid

Het onderscheid ligt misschien niet tussen fictie en non-fictie, en daarmee tussen ‘literatuur’ en ‘journalistiek’, maar tussen details en de waarheid. De details kloppen niet, maar dat doet niet per se geweld aan de waarheid. Het gaat hier niet om de gedetailleerde waarheid maar om de gestileerde waarheid. Legt Kapuściński daarmee wel een claim op ‘de waarheid’? Ik sta aan de kant van de literatuur. Kapuściński is simpelweg een heel goede schrijver. Laat mij emotioneel geraakt worden door verhalen die getuigen van algemeen menselijk inzicht, stilistisch overdonderend zijn, een intellectuele aardverschuiving teweegbrengen en ik ben verkocht. Wat interesseren mij de feiten? Frankly, I don’t care. Ik zette als boekverkoopster zijn werk ook altijd al op de plank ‘fictie’, waarna mijn collega ze verplaatste naar ‘reisverhalen’ – bij ‘geschiedenis’ stonden ze sowieso nooit. Blijkbaar begrijpen lezers instinctief waar ze mee te maken hebben.

De ontmaskering is geslaagd, hoewel die voor een groot deel is uitgevoerd in de receptie van de biografie. Het is makkelijk te zien waarom. Verontwaardiging heeft een hoge omlooptijd en moet gevoed worden. Domosławski geeft munitie. Zo schrijft hij vaak op een toon alsof hij uit is op ontmaskering: “Paradoxaal genoeg klonk een dergelijke bevestiging van Kapuściński’s versie voor mij als een pertinente ontkenning ervan.” Hoe het verhaal precies in elkaar steekt blijft onduidelijk. Voor ontmythologisering geldt hetzelfde als voor mythologisering: je legt een paar kogels neer en na verloop van tijd weet iedereen zeker dat er schoten hebben geklonken. “De mythologiserende “methode” was gebaseerd op het suggereren en creëren van ervaringen in de geest van de ontvangers. Kapuściński trad niet in details, maakte zijn verhaal niet af, in het geval dat hij met zijn rug tegen de muur kwam te staan, kon hij zich nog terugtrekken: men kon hem niet van leugens beschuldigen. De anderen – wij – maakten het verhaal af.” Dat is hoe een ziekbed verandert in het strijdtoneel van de operatiekamer.

Het is een briljante zet: de mythische verhalen van Kapuściński ondergraven door even mythische tegenverhalen, waarin de chronologie onduidelijk is en die irritante details nog steeds niet met elkaar lijken kloppen. De ondertitel van Non-fictie luidt “Biografie van een legendarische journalist”. Een accurate omschrijving al met al: Kapuściński spon de legende bij leven om zichzelf en het lukte – dat is al zeldzaam knap. “Schiep hij zijn eigen legende?” vraagt Domosławski. Een retorische vraag, met zo’n ondertitel. Ja dus. Aan de glimlach die Kapuściński mij schonk kan ik niet meer terugdenken zonder die verdomde kat voor me te zien. Maar als de kat verdwenen is en de tanden uit de glimlach zijn geslagen, is het het verhaal dat blijft.

Een week na het uitlezen heb ik alweer een exemplaar van Ebbenhout cadeau gedaan aan een Afrikaganger. “Verleiden was zijn levensstrategie”, schrijft Domosławski. Ik ben levenslang verleid.

Marcel Proust: een impressie in metaforen

Marcel_Proust_1900

Want het instinct schrijft de plichten voor en het verstand verschaft de voorwendselen om ze te omzeilen. Alleen, in de kunst doen excuses niet mee, tellen bedoelingen niet, ieder ogenblik moet de kunstenaar naar zijn instinct luisteren, en vandaar dat kunst het meest werkelijke is dat er bestaat, de meest strikte levensschool, en het ware Laatste Oordeel. (Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd. Deel VII: De tijd hervonden)

Wat voor kennis kan literatuur de lezer geven? Marcel Proust zet hoog in: literatuur brengt zicht op de waarheid. Een waarheid die gegrond is in de particuliere ervaring, maar die wel degelijk verwijst naar algemeen-menselijke ‘wetten’. Door het gemeenschappelijke van verschillende ervaringen te beschrijven is het mogelijk zulke wetten te ontdekken. Zelfkennis is de eerste stap in dit lezen ‘naar de waarheid’ en zelfdeceptie de grootste belemmering. Kunst werkt daarbij als een katalysator door de ‘impressie’, waarvan de geur van de in thee gedoopte madeleine wel de meest beroemde is.

Een aantal metaforen die Proust gebruikt in A la recherche du temps perdu kan dit verder verhelderen: het zelf als innerlijk boek, literatuur als optisch instrument, en de emotionele impressie als een chemische reactie. “Marcel Proust: een impressie in metaforen” verder lezen

Een sensatie die het leven verandert

Emotionele kunstbeschouwing volgens Hans Goedkoop en Henk van Os

Toegegeven: de discussie over de gebrekkige kennis die Nederlanders hebben van de vaderlandse geschiedenis duurt eigenlijk al te lang en loopt al te vaak uit op een klaagzang. Inmiddels is er een canon gemaakt met vijftig vensters, die natuurlijk ook uitnodigen tot klagen. De beta’s stelden hun eigen canon samen (geschiedenis is nu eenmaal een alfawetenschap) en het gerucht gaat dat ook gammawetenschappers bezig zijn de hoogtepunten uit hun vakgebied te canoniseren.

De vensters op de geschiedenis moeten Nederlanders, vooral kinderen en jongeren, warm laten lopen voor het vaderlandse verleden. Door bijzondere momenten te kiezen in plaats van een doorlopend verhaal te vertellen, zal de geschiedenis als een bom inslaan. Beelden (oftewel vensters) komen nu eenmaal beter aan dan lange chronologieën. “Een sensatie die het leven verandert” verder lezen