Coltrui-engagement – recensie De existentialisten van Sarah Bakewell

‘Filosoferen over vrijheid, zijn en abrikozen­cocktails? In het café nota bene? Ben je te lui om te werken voor je geld, jij existentialist, te droevig of te dronken om je handen uit de zwarte-coltruimouwen te steken, onderwijl anderen de maat nemend met je absolute vrijheid en absolute verantwoordelijkheid? Dat is precies wat we níet nodig hebben.’

Of… wél natuurlijk! Lees verder over De existentialisten (The Existentialist Cafe) van Sarah Bakewell bij De Groene Amsterdammer. Of op Blendle.

Kierkegaard. Een inleiding in zijn leven en werk – Geert Jan Blanken

blanken

5 mei 2013 is de tweehonderdste geboortedag van de Deense filosoof Søren Kierkegaard, wat ongetwijfeld aanleiding zal geven tot lezingen, boeken en artikelen. Ambo publiceert alvast Kierkegaard. Een inleiding in zijn leven en werk van Geert Jan Blanken. En voor 2013 staan bij Uitgeverij Damon, die een uitmuntend uitgegeven Kierkegaardreeks heeft, Opbouwende toespraken in verschillende geest en Wijsgerige kruimels & Johannes Climacus ofwel Men moet aan alles twijfelen op het programma. Twee titels waar Geert Jan Blanken wel raad mee weet.

Geen bouwpakketjes voor het leven
Blanken beperkt zich in zijn inleiding noch tot de bekendste werken uit het oeuvre noch tot de bekendste anekdotes uit de levensloop. Wat weet de gemiddelde krantenlezer over Søren Kierkegaard te vertellen? Hij mompelt wellicht iets over ‘de vader van het existentialisme’, en wappert dan met de handen om de geloofsfanaticus op afstand te houden. Het zijn van die typische karikaturen die een groot denker zich moet laten welgevallen (Kierkegaard had hier al bij leven last van), maar die nu ook weer niet uit de lucht gegrepen zijn. Deze twee thema’s – de existentie en het geloof – komen ook bij Blanken steeds terug, voorzien van een diepgravende context en de nodige nuancering.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Zelfonderzoek dat gegrond is in verbijstering

Het is prettig dat Blanken daarbij niet in de val trapt die in de populariserende filosofie tegenwoordig wagenwijd open staat: je pikt wat bruikbare elementen uit het totale oeuvre van een filosoof, gooit er een actueel en persoonlijk sausje over en verandert een complex filosofisch bouwwerk in een IKEA waaruit je handige bouwpakketjes voor je eigen leven bij elkaar shopt. De al te verontrustende, ingewikkelde of pijnlijke inzichten laat je links liggen of bewerk je tot ze passen in een optimistische, levenskunstige zelfhulpfilosofie. Blanken waarschuwt al meteen: hier geen ‘inspirational quotes’ maar een uitnodiging tot kritisch zelfonderzoek die gegrond is in verbijstering. De titels van twee van Kierkegaards bekendere werken geven al de zwaarte van die verbijstering aan: Het begrip angst en De ziekte tot de dood.

De Romeinse keizer, de kleinburger en het individu

Dit alles neemt niet weg dat Blanken regelmatig een hedendaagse toepassing van Kierkegaards ideeën probeert te geven. Dat werkt het beste als het impliciet blijft, bijvoorbeeld in de beschrijving van Kierkegaards houding ten opzichte van ‘het publiek’, dat hij uitermate negatief beoordeelt (in Een literaire recensie):

‘Kierkegaard vergelijkt het publiek met een Romeinse keizer, die weldoorvoed en verveeld op zoek is naar opvlammende, kortstondige afleiding: een ophitsende schaterlach in plaats van de echte humor. Zo vermaakt het publiek zich — tijdelijk — als iemand eens even stevig wordt afgetuigd in de publiciteit. Maar het publiek voelt zich nog veel minder dan zo’n Romeinse keizer die mensen elkaar in een arena laat afslachten verantwoordelijk voor wat er met die mensen gebeurt. Niemand voelt zich persoonlijk aanspreekbaar. […] Het is of het publiek in de pers een hond heeft gevonden die het op iedereen kan afsturen die zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt. Als de hond zijn nivellerende aanval heeft uitgevoerd, heeft het publiek het gevoel dat niet zij, maar die hond misschien wat agressief is geweest.’

Steeds weer ageert Kierkegaard tegen de kleinburgerlijkheid die in het publiek samengebald is: ‘de enkeling’ is waar Kierkegaard voor schrijft, het gaat erom ‘individu’ te worden. En dat betekent voortdurend verantwoordelijkheid nemen, kiezen, en het bestaan van de mogelijkheid in je leven bevestigen. Dat verklaart natuurlijk het epitheton ‘vader van het existentialisme’ dat de negentiende-eeuwer aankleeft. Maar pas op! Het te gemakkelijke oordelen ligt altijd op de loer. Aan de buitenkant is de kleinburgerlijke man niet te onderscheiden van de ‘ridder van het geloof’. Eigenlijk kan dat alleen van binnenuit. Ook daarom is zelfonderzoek een opgave.

De geloofsfanaticus

Een van de dingen die als eerste terzijde zal worden geschoven in het populariseren van Kierkegaard is dat hij ook iets heeft van een geloofsfanaticus, zoals ik dat hierboven noemde. Maar hoewel de moderne lezer moeite zal hebben met deze rol, is het ‘nog veel lastiger om Kierkegaard zonder het christelijke te willen begrijpen’, schrijft Blanken. Ik beken eerlijk dat ook ik moeite heb de verhandelingen over het geloof te volgen, maar is dat erg? Sinds wanneer is filosofie bedoeld voor herkenning, zoals een middelmatige roman inspeelt op identificatie?

Vrees en beven, Kierkegaards onderzoek naar het verhaal van Abraham die op weg gaat om zijn zoon te offeren gaat nu juist over de absurditeit van zulk geloof. Ervan uitgaan dat je dat zomaar kunt duiden, laat staan navolgen, betekent dat je niet een greintje besef hebt van wat geloof inhoudt. We moeten dat verhaal van een vader die op het punt staat zijn zoon te offeren niet neutraliseren of platslaan tot leerstelling, maar misschien juist niet begrijpen. Het is pijnlijk, onaangenaam en ergerniswekkend — en om die redenen het onderzoeken waard. Kennis of inzicht, van geloof, het zelf, de ander, komt pas dóór de ergernis of de pijn heen. Anders gezegd: daar waar het jeukt moet je krabben.

Een proeven dat smaakt naar meer

Er zijn nog talloze thema’s meer te noemen in het werk van Kierkegaard, maar ook uit deze inleiding van Geert Jan Blanken, die zeker het woord ‘inleiding’ overstijgt. Wat dacht je van de liefde, Kierkegaards grote (levens)thema naast het geloof en het zelf? Maar ook de tijd en al haar verschijningsvormen (het ogenblik, de herinnering, het voorwaartse leven), de psychologie, de keuze en de sprong. Het gebruik van pseudoniemen en Kierkegaards beeldende stijl (hij is de filosoof die de meest sprekende metaforen, vergelijkingen en parabels heeft gebruikt). En niet in de laatste plaats de humor. Gelukkig heeft Blanken ruimschoots citaten opgenomen, zodat de lezer ook genoeg van Kierkegaards schrijven kan proeven. Een proeven dat smaakt naar meer. Maar u bent gewaarschuwd, de reis zal niet altijd aangenaam zijn.

‘Wat is het leven leeg en betekenisloos. — Men begraaft iemand; men vergezelt hem naar de groeve , men werpt drie scheppen aarde op hem; men rijdt er heen met een rijtuig, men rijdt naar huis met een rijtuig; men troost zich met het idee dat men nog een lang leven voor zich heeft. Hoe lang is 7 x 10 jaar helemaal? Waarom maakt men niet korte metten met de hele zaak, waarom blijft men niet meteen op het kerkhof en gaat mee het graf in, en trekt lootjes wie het ongeluk zal treffen de laatste levende te zijn, die de laatste drie scheppen aarde werpt op de laatste dode?’ (Of / Of)

Beste boeken 2012

word-existentialist

De lijst staat verder naar beneden, eerst de Bookpedia-statistieken:

Ik las dit jaar 40 boeken boeken, waarvan 5 grotendeels gelezen.
Mee bezig: de teller staat op 8, nadat een aantal terug zijn gebracht op Ongelezen of Niet uitgelezen. Waanzin.

Uiteindelijk heb ik een stuk minder boeken gelezen dan voorgaande jaren (2008, 2009, 2010, 2011). Dat heeft zo z’n redenen, ik ben aan een nieuwe baan begonnen waar ik veel losse dingen voor heb gelezen – boeken die ik voor het grootste gedeelte heb doorgewerkt zijn meegeteld.

Een andere reden: er zijn maar weinig boeken geweest die me zodanig hebben meegesleept dat ik ze als een hongerige wolf heb verslonden. Een matig boekenjaar dus, in mijn optiek.

Ik las vooral veel filosofie en essays, de uitgeverijen Lemniscaat en Boom zijn beter vertegenwoordigd dan de grote literaire jongens. Bijna de helft stamt uit 2012 – mijn conclusie: minder nieuwe boeken lezen en meer oude zal het leesgenot misschien weer doen verhogen.

Gemiddeld aantal sterren: 3,175. Wat inderdaad een zeer gemiddeld getal is.
Waarvan twee keer 1 ster (dat is nog nooit voorgekomen denk ik) (hier en hier vind je welke dat zijn).
En ook slechts twee keer 5 sterren (tekenend).

Voor wie zijn die vijf sterren dan?
Ten eerste Gary Cox – Word existentialist die me inspireerde tot een heus manifest.

En twee, een boek dat ik nota bene al gelezen had, jaren terug, en nu onderwerp was van de leesclub waar iedereen jaloers op mag zijn, Bier met Boeken: Vladimir Nabokovs Pnin.

Nu ik erover nadenk is Bier met Boeken misschien wel mijn beste ‘boek’ van het jaar.

Vooruit, er was natuurlijk meer moois. Hier dan:
André Aciman – Alibi’s. Essays over elders. Een intellectueel genot, zeker ook om een recensie over te schrijven. (Zinnen als herinneringen)
J.M. Coetzee en Paul Auster – Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011. Ook dat recenseerde ik, voor Athenaeum: Een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid.
Dit was toch ook het jaar van mijn ontmoeting met Paul Auster, groot schrijver en groot mens. (Hier mijn verslag)
Susan Cain – Stil. Absolute eye-opener over wat het betekent om introvert te zijn. (Introvert en extravert, de kantoortuin en zure matten)

Lees vooral ook:
Oek de Jong – Pier en oceaan (Mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee)
John Williams – Stoner (Literatuur, liefde, leren, leven: John Williams – Stoner)
Patrick Lapeyre – Het leven is kort en het verlangen oneindig (recensie en een rêverie over de verliefde man)
John Green – Een weeffout in onze sterren. Onlangs in één ruk uitgelezen, prachtig boek over ziekte, dood, liefde en vriendschap en zestien jaar oud zijn.
In een doorwaakte nacht las ik in enkele uren Imre Kertész – Liquidatie. Een heftige ervaring.

De filosofische tips:
Mark Vernon – Een beetje geluk met filosofie. Korte stukjes, maar vol diepgang en nergens maakt Vernon zich er makkelijk van af.
Michael Sandel – Rechtvaardigheid. Erg Amerikaans, maar niemand legt de categorische imperatief van Kant beter uit dan hij.
Bert Keizer – Waar blijft de ziel? Essay voor de Maand van de Filosofie.
Daar hoort ook bij gelezen te worden: Jan Bor – Wat is wijsheid?
(Nu nog mee bezig, dus mag eigenlijk niet: Paul van Tongeren – Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst en op de valreep begonnen aan Karl Ove Knausgård – Vader, een boek dat aan me trekt en duwt en waar ik snel naar terug wil en tegelijk bang voor ben)

Zo bezien was het toch een mooi boekenjaar! Maar mijn wens voor volgend jaar is weer omvergeblazen worden. Is het niet door boeken uit 2013, dan zoek ik ze zelf wel in het verleden.

Manifest voor een Existentialistische Partij

logo_fm
Morgen verkiezingen, vandaag een Manifest voor een Existentialistische Partij.
Op het blog van Filosofie Magazine.
8 punten, te beginnen met, uiteraard, Vrijheid.

Sartre was communist, maar geen mens die zich verdiept in de filosofie van het existentialisme zal dat kunnen begrijpen. Sterker nog, was er maar een Existentialistische Partij. Dan zou ik wel weten waar ik morgen op ging stemmen. Het boekje van Sartre-kenner Gary Cox, Word existentialist, mag gelden als ideologisch manifest.

1. Iedereen is altijd vrij. Ach, wat hebben de politieke partijen hun mond (en naam) vol van vrijheid. Maar die komt niet in de buurt van de absolute vrijheid. Niet de vrijheid om te doen wat je wilt, maar de vrijheid die dicteert dat je altijd een keuze hebt, hoe miniem en beperkt ook.

2. Elke keuze is een keuze voor de toekomst. ‘De kern van vrijheid is keuze en de kern van keuze is handelen.’ Elke keuze is er een vóór een mogelijke toekomst en daarmee ook tégen het alternatief. De toekomst ligt niet vast, dus je keuzes niet en je handelen ook niet.

3. Verantwoordelijkheid valt niet te ontlopen. Absolute vrijheid brengt absolute verantwoordelijkheid met zich mee. Vrijheid is niet alleen een bron van vreugde, maar ook een last. Je had altijd een andere keuze kunnen maken in een bepaalde situatie, dus zul je ook moeten verantwoorden waarom je deze keuze maakte.

4. Kwade trouw: excuses worden niet geaccepteerd. Inkoppertje. Niet je verantwoordelijkheid nemen, maar je verschuilen achter excuses. Ook wel: opzettelijke onwetendheid, zodat je kunt zeggen dat je niet op de hoogte was. Of: niet kiezen, terwijl niet kiezen óók een keuze is. Kwade trouw is voor bleue bakvissen.

5. De Ander is iemand, niet iets.  Als je de ander als object, als ding ziet, ontneem je hem zijn vrijheid. Door een label te plakken (werkloze, jonggehandicapte, maar ook bankier, pluchezitter) bijvoorbeeld. Als je er echt niet meer uitkomt: ‘De Ander is het afvoerputje waardoor de wereld leegloopt.’

6. Niet zeuren over de feiten. Vrijheid en verantwoordelijkheid zijn weliswaar absoluut, maar niet onbegrensd. De geschiedenis, je genen of gezondheid: die zijn nu eenmaal zo gegeven. Toch strekt je verantwoordelijkheid zich ook uit tot deze ‘facticiteit’. Juist, je bent ook verantwoordelijk voor dat wat je niet kunt veranderen. Dan kun je het ook niet meer gebruiken als een slap excuus. (‘Alles is de schuld van mijn ouders’ mag heel soms.)

7. Authenticiteit is realisme. Is Roemer authentiek? Wilders, Rutte? Authenticiteit is een uitgesleten, leeg woord waar alles in verdwijnt. Het draait ook niet om ‘dicht bij jezelf blijven’ – alsof je ooit met jezelf kunt samenvallen. En ook niet om ‘terug naar de natuur/de oertoestand/de jaren vijftig’ – want kiezen betreft altijd de toekomst. ‘Authenticiteit heeft ermee te maken dat iemand de realiteit onder ogen ziet en de harde waarheid accepteert dat hij op elk moment een vrij wezen is dat nooit met zichzelf zal samenvallen.’ (De Existentialistische Partij verkoopt geen luchtkastelen.)

8. De wereld is zinloos. En tot slot: de existentialistische politicus – en zij die op hem stemt – ziet in dat de wereld contingent is en we er lukraak betekenis aan toekennen. Hoe belangrijk is het eigenlijk allemaal? Belangrijk genoeg om op 12 september te gaan stemmen, maar dan met het de knagende intuïtie dat het – net als het leven, de wereld – zinloos is.

Word existentialist
Gary Cox
ISVW Uitgevers
160 p. / € 22,50

Alicja Gescinska – De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbijgaan

gescinska

Op 8WEEKLY: Dan liever Oblomov

 

Is de mens vrij om te doen wat hij wil, ook als dat crimineel is, of gewoon helemaal niets? Of is vrijheid een morele categorie? Alicja Gescinska, Vlaams filosofe met Poolse roots, betoogt het laatste. Vrijheid is niets waard als die niet gevuld wordt met ‘het goede’.

Een interessant, maar helaas weinig overtuigend uitgewerkt standpunt. Dat komt vooral omdat Gescinska (1981) zichzelf volkomen overschreeuwt. De verovering van de vrijheid. Van luie mensen, de dingen die voorbijgaan begint als een veelbelovend filosofisch exposé vanuit een persoonlijk gevoed vraagstuk. Dat helaas eindigt in een kakofonie van boude politiek-maatschappelijke stellingen en uitroeptekens.

Liever niets dan iets
Als kind kwam Gescinska vanuit het Polen achter het IJzeren Gordijn naar België. De familiegeschiedenis heeft iets tragikomisch: haar hoogopgeleide ouders verzetten hemel en aarde om naar het vrije Westen te ontsnappen, om in Vlaanderen terecht te komen in de gevangenis van laaggeschoold, onderbetaald en onbevredigend werk. Een jaar of twee later valt de Muur. Had een beetje geduld uiteindelijk niet een beter leven in Polen opgeleverd? Het gezin Gescinska heeft nu weliswaar de negatieve vrijheid veroverd – gaan en staan waar je wilt zonder opgelegde beperkingen van buitenaf – maar van een zinvolle, positieve invulling van die vrijheid is geen sprake.

Het is deze persoonlijke geschiedenis die de jonge filosofe op het spoor zet van haar onderzoek naar de betekenis van de vrijheid. Ook de aanleiding is persoonlijk: haar vader wordt ziek en komt te overlijden. Hij is een moderne Oblomov: zijn leven lang is hij lui geweest, hij deed liever niets dan iets. De vlucht naar het Westen lijkt heldhaftig, maar was eerder een eindpunt dan een nieuw begin. Luiheid kun je verkopen als het uitoefenen van je vrijheid: ‘ik doe gewoon lekker niks en niemand houdt me tegen’. Maar als haar vader zo vroeg overlijdt beseft Gescinska dat hij de echte vrijheid aan zich voorbij heeft laten gaan.

Tot zover weet Gescinska’s filosofische verkenning te boeien. Ze besteedt aandacht aan het Russische denken over vrijheid en luiheid, waar buiten de iconische roman Oblomov nog veel meer te halen valt. De Franse filosoof Vladimir Jankélévitch brengt haar op het punt van de eenmaligheid en onomkeerbaarheid van het leven, waardoor van elk moment opnieuw een moreel appel uitgaat. Zo formuleert ze een filosofie van de activiteit waar een zekere aantrekkingskracht vanuit gaat.

Betweterig en respectloos
In de tweede helft van het boek laat Gescinska de luiheid min of meer achter zich om nader in te gaan op de vrijheid. En daar gaat het mis. Vrijheid is ook niet het meest makkelijke begrip uit de filosofie. Er is zoveel over gedacht en geschreven – om dat uiteen te zetten moet je van wel heel goede huize komen. Laat staan om daar een oorspronkelijke eigen visie aan toe te voegen. Gescinska stelt in navolging van onder anderen Charles Taylor dat negatieve vrijheid niet voldoende is. Vrijheid moet gekoppeld worden aan ‘het goede doen’ en deze positieve vrijheid is de enige die er werkelijk toe doet.

Daar ligt het grootste probleem. Gescinska verliest zich naarmate het boek vordert steeds meer in een schreeuwerige verdediging van die morele interpretatie van vrijheid. De jonge filosofe gooit daarmee haar eigen ruiten in. Ze strooit gul met verwijten aan het adres van liberale denkers en politici: ‘waar de die hard-ultraliberaal al steigert bij de schaduw van wat op een inmenging lijkt, daar bieden de meeste filosofen ruimte voor nuance.’ Zij is in elk geval niet een van die ‘meeste filosofen’. Haar toon is zo betweterig en zelfs respectloos dat je je van weeromstuit aan de kant van die liberalen schaart. De negatieve vrijheid en het schadebeginsel (doe wat je wilt als dat niemand anders schaadt) ‘opent de deuren der stompzinnigheid’. Sartres Het existentialisme is een humanisme vindt zij ‘maar een boekje van twee keer niks’. Hoe moeten we haar serieus nemen als zij haar opponenten niet serieus neemt?

Als ware vrijheid gepaard gaat met een uitroeptekenstijl, vol immers en natuurlijk en vind ik, dus het is zo, dan blijf ik liever honderden pagina’s lang in bed liggen. Zoals Oblomov.

 

Klassieker: Dostojevski – Aantekeningen uit het ondergrondse

ondergrondse

Op 8WEEKLY over vrije wil en determinisme, zelfhaat en haat voor de ander, kortom: Op de bodem van het menselijk bestaan.

Waarom lees je? Waar ben je naar op zoek in de literatuur? ‘Ik lees om te zien waartoe de taal in staat is,’ zei iemand met wie ik hierover in discussie was. ‘Ik lees om te begrijpen waartoe de mens in staat is,’ antwoordde ik. Op dat moment las ik Misdaad en straf van Fjodor Dostojevski. Aantekeningen uit het ondergrondse, de korte roman die hij twee jaar voor Misdaad en straf schreef, daalt af tot op de bodem van de menselijke existentie. Op die bodem is het donker en koud, en toch keer je er steeds weer terug.

‘Korte roman’ is eigenlijk geen goede aanduiding voor Aantekeningen uit het ondergrondse. Het boek telt slechts 150 pagina’s en bestaat uit twee delen. In het eerste deel spreekt een man. ‘Ik ben een ziek man… Ik ben een slecht man.’ Een furieuze, soms glasheldere, dan weer verwarde monoloog gericht aan de ‘heren’. Dat zullen zijn vage kennissen van vroeger zijn, die je op één hand kunt tellen, maar bij uitbreiding al zijn medemensen, de hele wereld. In het tweede deel verlaat de man zijn ondergrondse woning voor een keiharde confrontatie met de wereld en zijn medemensen.

Twee-maal-twee-is-vijf
In een groot deel van de monoloog fulmineert de man tegen het modern-wetenschappelijke wereldbeeld, dat in 1864 – toen Aantekeningen uit het ondergrondse verscheen – steeds meer geaccepteerd raakte. Zelf zou hij eerder zeggen: ‘in zwang raakte’, want de opvatting dat alles in de wereld onderhevig is aan wetten van oorzaak en gevolg ziet hij als een gril en als een regelrechte dwaling. Het determinisme ontneemt de mens zijn vrije wil. Het is bovendien te rationeel en positivistisch: de wetenschappelijke visie gaat uit van vooruitgang gebaseerd op een redelijke afweging. Voortdurend hamert de verteller op de valsheid van deze ideeën. Want wat doet de mens? Hij doet wat hij niet wil, hij gelooft wat niet waar is en hij vernietigt in plaats van te scheppen.

Maar wanneer is het dan, om te beginnen, in al die duizenden jaren voorgekomen, dat iemand handelde uitsluitend uit eigenbelang! Wat dan te doen met de miljoenen feiten, die bewijzen, hoezeer de mensen welbewust, dus in het volle besef van hun eigen belangen, deze op de achtergrond plachten te schuiven en fluks een andere weg insloegen, op goed geluk af, met alle risico’s van dien, zonder dat iets of iemand ze daartoe dwong, alleen maar omdat ze blijkbaar nu juist de aangewezen weg niet wilden gaan, doch koppig, eigenzinnig een andere, lastige, absurde weg insloegen, die ze zowat in het donker hadden gevonden.

Dostojevski’s ‘twee-maal-twee-is-vijf’ is de meesterlijke vondst die dit het kortst samenvat. Het kan wel zo wezen dat twee keer twee vier is, maar wat als ik het daar gewoon niet mee eens ben? ‘Twee-maal-twee-is-vier’ mag de steen der wijzen zijn voor de moderne wetenschap, maar het is niet menselijk. Het is zelfs ‘onbeschaamd’. Zeggen dat twee maal twee vijf is, dat is de uitdrukking van je menselijkheid.

Sprookjeswereld
Kluizenaar in krotwoning doorziet leugenachtigheid van moderne maatschappij? Dat is niet het hele verhaal. ‘De heren’ tegen wie hij praat, dat zijn degenen die wél weten te leven, een leven ‘hebben’ in de zin dat zij meester zijn (of denken te zijn) over hun eigen bestaan. Ten onrechte natuurlijk. Zij leven in een sprookjeswereld die niets met de werkelijkheid te maken heeft en dat wordt ze ingewreven ook. Maar toch… toch is het leven in die sprookjeswereld ook aantrekkelijk. Je ontkomt niet aan de indruk dat de ondergrondse verteller er wat graag bij zou willen horen.

Deze heren zijn mannen van de daad, die zich niet verliezen in ‘ledigheid van de geest’. Een leven in de geest – een leven in het ondergrondse – leidt tot zwaarmoedigheid of spleen, spleen leidt tot liederlijkheid en liederlijkheid tot bestraffing, zo leren we. Dat klinkt opvallend deterministisch voor iemand die zo fel ten strijde trekt tegen het determinisme. Zo is het voortdurend in de Aantekeningen: als je je vinger probeert te leggen op een boodschap, op ‘de moraal van het verhaal’, glipt die meteen weer tussen je vingers door. Steeds weer neemt de verteller zijn woorden terug, beweert het tegenovergestelde van wat hij eerder zei of ontkent zijn eigen uitspraken. Zulke meerduidigheid klinkt voor de moderne lezer misschien vanzelfsprekend, maar dat is die niet. Ook de moderne literatuur vertelt vaak juist een eenduidig verhaal, trekt een sprookjeswereld op. En anders doet de moderne wetenschap dat wel, zoals het nog steeds hevige debat rondom determinisme en vrije wil laat zien. Wat als beide bestaan, als beide waar zijn?

Engelachtig
‘Ik lees om te begrijpen waartoe de mens in staat is.’ Wel, dit is waartoe de mens in staat is: welbewust kiezen tegen het eigenbelang in. En niet alleen het eigenbelang, ook tegen het belang van de ander in, zelfs tegen het belang van een geliefde in. Het schrijnendst wordt dit in het tweede deel, waarin de ondergrondse man een haast even ondergrondse vrouw ontmoet. Liza is in alles zijn tegendeel. Zij schenkt hem haar liefde en hij? Hij vernietigt haar. Spleen, liederlijkheid en bestraffing – daar heb je je determinisme in de praktijk. Of juist de vrije wil?

Ten eerste kon ik niet meer gaan beminnen want ik herhaal het, beminnen betekende voor mij tiranniseren en moreel de baas spelen. Ik heb me mijn leven lang zelfs geen andere liefde kunnen voorstellen, en het is zo ver met mij gekomen dat ik tegenwoordig soms meen, dat liefde inderdaad bestaat in het vrijwillig afstaan door de geliefde persoon van het recht, haar te tiranniseren. Ook in mijn dromerijen in het muizehol heb ik mij liefde nooit anders voorgesteld dan als een strijd, die ik altijd liet beginnen met haat en eindigen met morele onderdrukking, en daarna kon ik me dan niet voorstellen, wat je met een onderdrukt schepsel moest beginnen.

In latere romans, waaronder Misdaad en straf, voert Dostojevski ook engelachtige vrouwen op, die er soms iets beter van afkomen. De vrouw, zo lijkt het, staat buiten de tegenstelling van ‘twee-maal-twee-is-vier’ en ‘twee-maal-twee-is-vijf’. Na het lezen van deze zwarte liefdesgeschiedenis (voorafgegaan door een haast nog zwarter drinkgelag) wil je weer opnieuw beginnen aan het eerste deel, op zoek naar antwoorden. Die antwoorden zijn er natuurlijk niet. De twee delen zijn geen illustratie van elkaar, maar staan als twee zuilen naast elkaar. Ze ondersteunen niets, maar leunen op die koude, harde en donkere bodem van de menselijke existentie.

Vertaling
De meerduidigheid van Aantekeningen uit het ondergrondse maakt dat je dit boek steeds opnieuw kunt lezen en dan ook steeds iets nieuws leest. Geen wonder dat het steeds opnieuw vertaald wordt. De citaten hierboven komen uit mijn editie uit 1957, in de vertaling van Hans Leerink. De nieuwste vertaling (van Monse Weijers) is nu ook in pocket beschikbaar. Waartoe is de taal in staat? Reden genoeg om ‘fluks’ te gaan lezen, voor het eerst of voor de zoveelste keer. Immers: 2 x 2 = 5.

Grenssituaties

in_limbo

‘Grenssituatie’ was een tijdje een gevleugeld woord toen ik literatuurwetenschap studeerde. De liefde, kamernood en natuurlijk het weekend: alles was één grote grenssituatie. Grenssituaties, daar ben ik altijd dol op geweest. Niet in het echte leven maar in de literatuur. In het echte leven zijn grenssituaties vervelend (ik zit nu, terwijl ik schrijf, ook in limbo). In het echte leven achtervolgen grenssituaties me, zijn ze als een schaduw die je niet af kunt schudden en die op slechts één uur van de dag verdwenen lijkt. In de literatuur zoek ik ze op, hongerig naar schaduwen, begerig naar ellende.

Het begrip is een uitvinding van de existentialistische filosoof Karl Jaspers. Het duidt op situaties die ‘tot op de bodem raken’, waardoor je ‘uit de baan van de gewone gang’ wordt geslingerd en waarin je ‘radicaal op jezelf teruggeworpen’ bent. De oorlog is een archetypische grenssituatie, net als de dood. Ook de wat lichtere versie kun je je makkelijk voorstellen: het einde van een relatie, ontslag en werkloosheid. Je zit in een grenssituatie tussen twee werelden in, het vóór en het ná, een breuk die uiteindelijk je leven zal structureren (vóór en ná Pietje). De grenssituatie kun je je ook ruimtelijk voorstellen, niet alleen als een individuele overgang in het leven, maar ook als tussenwereld. Daar waar de doden wonen, de frontlinies van een oorlog, of zoals in De pest van Camus, waar de pestepidemie op zichzelf een grenssituatie is, maar de stad in quarantaine ook.

De grenssituatie is zo populair onder existentialistische schrijvers en filosofen omdat je daarin de heilige drie-eenheid van de existentialisten aan het werk ziet: vrijheid, verantwoordelijkheid en keuzes. Uit de grenssituatie kun je alleen ontsnappen door een keuze te maken in vrijheid, zonder je te iets aan te trekken van conventies. De grenssituatie werpt je helemaal terug op jezelf en niemand kan er iets aan doen, behalve jezelf.

Daarom is de grenssituatie natuurlijk ook zo populair in de literatuur, of in elk geval in een vertakking ervan. Als ik kijk naar de geschiedenis van mijn persoonlijke favorieten exploreren ze allemaal het grensgebied:
– van de monsters van Stephen King (een monster is een wezen dat onbegrensd is, het overtreedt gangbare categorieën zoals levend/dood of mens/dier),
– via de fantastische wereld van Edgar Allan Poe (het fantastische is dat waarvan je niet met zekerheid kunt zeggen of het echt gebeurt of niet, voor geen van beide is bewijs te leveren),
– naar de koortswanen van Dostojevski (wat speelt zich af in het hoofd en wat in de buitenwereld – dat is totaal onduidelijk),
– en zelfs mijn allervroegste favoriet: De dolle tweeling-reeks, die zich afspeelt in de wereld van de kostschool, een grensgebied bij uitstek, want het is tegelijk thuis en niet-thuis, school en niet-school, de kinderen zijn vrij van hun ouders maar horig aan de juffen en matrones.

Misschien ben ik nu de literatuur naar het model toe aan het interpreteren. Alles wat krom is valt recht te praten. Want hoe zit het dan met Proust? Ja, die is voortdurend ziek, wat een grenssituatie op zichzelf is. Hij neemt deel aan het leven en toch niet. Vriendin Albertine wordt aan het lijntje gehouden, het is aan en toch uit – de grenssituatie die we allemaal misschien wel het beste kennen (dat, en de dood). En Grunberg, en Houellebecq? Wat is hun grenssituatie dan?

Een andere manier om literatuur te schematiseren (wat altijd verhelderend werkt tot een bepaald punt waarop het belachelijk wordt, zoals hierboven) is het conflict. Er is een hoofdpersoon, die een doel wil bereiken. Er is een ander personage dat dat verhindert: de tegenstrever. Ik vind dit persoonlijk een oersaai schema. Interessant wordt het als je het combineert met de grenssituatie. In plaats van een duidelijke protagonist en antagonist, zoals dat dan heet, zijn beiden verenigd in één en hetzelfde personage. Dáár begint de Echte Literatuur, waar iemand zowel streeft naar een doel als zichzelf van dat doel afhoudt. Zonder precies te weten waarom. Het tragische geïnternaliseerd. Zie Grunberg en Houellebecq.

De weg uit een grenssituatie is de keuze. Net als bij het intern-tragische. Door te kiezen stel je grenzen vast, definieer je categorieën, maak je een eind aan de twijfel. Dat helpt natuurlijk niet als je vecht tegen monsters als Dracula of geesten uit de schemerwereld. Dan moet je handelen. Misschien is kiezen wel hetzelfde als handelen. De keuze als een daad. Niet per se een vrije daad, niet per se een goede of een rationele daad, en misschien wel een tragische daad. Dat laat de literatuur wel zien. The instant of decision is madness, wist Kierkegaard al.

(de afbeelding is het schilderij ‘In limbo’ van Odd Nerdrum)

Jean-Paul Sartre en het existentialisme

levenskunst

‘De existentie gaat vooraf aan de essentie!’ Hele generaties zagen deze woorden van Jean-Paul Sartre als strijdkreet. Woorden die een vrij leven mogelijk maakten. Maar wat betekent het eigenlijk, dat de existentie aan de essentie vooraf gaat? Professor Maarten van Buuren (Moderne Letterkunde, UU) legt het in zijn lezing voor de serie Levenskunst uit aan de hand van sprekende voorbeelden en persoonlijke inzichten.

Sartre baseerde zich in zijn denken op de fenomenologie van Edmund Husserl. Deze filosoof beschreef als eerste het bewustzijn als iets wat níet als een kern in de mens zit. Zijn definitie van bewustzijn was ‘Bewustzijn is bewustzijn ván iets’. Met andere woorden: het bewustzijn bestaat uit een verhouding met de buitenwereld. Er is niet zoiets als een essentie, die je een vooropgesteld levensdoel of richtsnoer geeft. Nee, pas door je verhouding tot de buitenwereld in het bewustzijn, existeer je en kun je iets van je essentie herkennen. Vandaar: ‘De existentie gaat vooraf aan de essentie!’

Dat brengt een enorme vrijheid met zich mee, want existeren doe je helemaal zelf. De mens is volgens Sartre nu eenmaal veroordeeld tot de absolute vrijheid, los van alles en iedereen. Dat kan beangstigend zijn, maar ook juist heel optimistisch stemmen. Het is opvallend hoe vol beweging en activiteit de filosofie van Sartre zit – beweging die Maarten van Buuren in zijn enthousiaste en levendige presentatie ook tot uiting brengt.

Die beweging begint al helemaal aan het begin van het leven, als de mens in het bestaan ‘geworpen’ wordt. Van Buuren vergelijkt het met een survivaltocht: je wordt gedumpt in de jungle met een rugzakje om, maar zonder opdracht en zonder doel. Er zijn een paar gegevenheden, zoals je rugzakje, maar ook je geslacht en in welk land je gedropt bent. Vanaf dat moment moet je het echter zien te rooien. Allereerst met je bewustzijn, dat ook een activiteit is: ‘een pijl die je afschiet’. Door bewust keuzes te maken ontwerp je je eigen existentie. Sterker nog: je moet een sprong wagen in het project dat je leven is.

Vaak gaat het niet zo makkelijk. De absolute vrijheid is ook een last. Van Buuren beschrijft de val van het existentialisme, een val in het absolute niets. Dat is het besef van het ontbreken van een vooraf gegeven essentie. In je jeugd heeft alles nog een doel en een betekenis, maar het existentialisme prikt door deze illusie heen. Een pijnlijk moment, dat Van Buuren uit eigen ervaring kent.

In de serie Levenskunst draait het om de manier waarop denkers en schrijvers kunnen helpen bij de morele opgave iets van je leven te maken. Wat zeggen zij tegen je? En wat is jouw antwoord? Maarten van Buuren en Joep Dohmen vertellen openhartig over de manier waarop de schrijvers hen geraakt en beïnvloed hebben, zonder daarbij het wetenschappelijke perspectief te verliezen.