Update: Essay in de Revisor – nu online

cover

[Oorspronkelijk gepubliceerd 11 september 2016]

Op 1 april mocht ik in de Westerkerk optreden als voorprogramma van het denkbeest uit Ljubljana, Slavoj Žižek, ter gelegenheid van de G10 van de economie en filosofie. In het essay dat ik daar voorlas vertrok ik vanuit Žižeks beschrijving van een ‘event’ als een gebeurtenis die niet tot haar oorzaken is terug te voeren (heel kort door de bocht gezegd) – en probeerde te laten zien hoe dat ook iets kan verhelderen over sleutelmomenten in je eigen leven. Titel: ‘Voor en na [vul in: naam van partner, land, lichaamsdeel]’.

Omdat het beschrijven ervan al gauw saai klinkt, als de samenvatting die het in feite ook is, kun je maar beter het essay gewoon lezen. En! Dat kan nu ook, want het is opgenomen in het jongste nummer van de Revisor. Daar ben ik trots op, want al sinds mijn jongste studentenjaren wilde ik al eens in de Revisor staan. En nu is het zover. Een event!

Te koop bij de boekhandel of online.

Update: de jaargang van Revisor (2016, ik sta op pp. 34-37) is nu geüpload naar de dbnl, dus dat betekent dat het essay daar online te lezen is en daarom ook hieronder gearchiveerd wordt. “Update: Essay in de Revisor – nu online” verder lezen

Vrijheid in de 21e eeuw. Over Wereldverbeteraars en Rusteloosheid

9789045030500-wereldverbeteraars-l-LQ-f rusteloosheid-ignaas-devisch-boek-cover-9789023494188

 

 

 

 

 

Deze week in De Groene Amsterdammer: een beschouwing van mijn hand over twee recente filosofische boeken, Wereldverbeteraars van Larissa MacFarquhar (vertaling van Strangers Drowning) en Rusteloosheid van Ignaas Devisch.

Wat die twee met elkaar te maken hebben? Ze relativeren de vrijheid en autonomie van het individu door te laten zien dat we vaak gewoon doen wat we niet laten kunnen, for better or for worse.

Lees online bij De Groene of op Blendle.

Mag ik het ook leuk vinden? Over het waarom van filosofie

logo_fm
Op Filosofie Magazine: ‘Mag ik het ook gewoon leuk vinden?’

‘Mag ik het ook gewoon leuk vinden?’ Zo’n dertig studenten zitten verwachtingsvol in het eerste college van de minor Praktische filosofie, een semester lange onderbreking van hun studie voeding, mode of elektrotechniek. Waarom ze voor filosofie hebben gekozen en niet voor bijvoorbeeld Ondernemerschap of Business in China? Tja, goede vraag. Voor de verdieping, om eens op een andere manier naar de wereld te kijken. En, voorzichtig, gewoon omdat het leuk lijkt.

Leuk is misschien wel het meest gehate woord onder taalliefhebbers, onderwijzers, ouders, iedereen boven de achttien. Toch ben ik blij met de aarzelende vraag van de student. Filosofie studeren omdat je het leuk vindt, is dat niet een beter begin dan ‘omdat het moet’ of ‘omdat ik dan interessant overkom’? Natuurlijk mag je het leuk vinden, zeg ik dan ook, ik hoop dat dat zo blijft (in gedachten zie ik het college over Kant al dichterbij komen).

Ik denk terug aan mijn eerste college Inleiding Ethiek als student, het vak dat ik nu zelf geef. Als ik eerlijk ben ging ik ook filosofie studeren omdat het me gewoon leuk leek. En ik had geen zin om te werken, zelfs niet na vijf jaar Literatuurwetenschap. Of, juist niet na vijf jaar Literatuurwetenschap – met z’n tienen verscholen in de eeuwenoude gebouwen van de universiteit, ploeterend op verhalen van Borges en poststructuralistische theorie. Probeer je dan maar eens thuis te voelen in de kantoortuin van een uitgeverij in Alphen aan den Rijn, gespecialiseerd in wetteksten en jurisprudentie. Niet dus. Ik wist niet hoe snel ik terug de collegebanken in moest vluchten. Ethiek dan maar, vooruit.

Inmiddels heb ik natuurlijk een mooi verhaal klaar voor wie het wil horen (of voor wie het moet horen, zoals de studenten). Bij Literatuurwetenschap mochten we niet praten over wat boeken met een mens doen, sterker: wat ze in een leven kunnen aanrichten. Dat was niet wetenschappelijk. Terwijl mijn leven overhoop werd gegooid door het lezen van Marcel Proust en ik onbedaarlijk huilde bij De asielzoekervan Arnon Grunberg. In de kroeg voerde ik verhitte discussies met mensen (mannen) die beweerden dat Grunberg ironisch was en niet om te huilen. Daar stond ik dan met lege handen ondanks vijf jaar literatuurstudie. In de filosofie kon je daar wel wat mee. Zo’n dame als Martha Nussbaum, die onderzocht precies de emotionele binding van een lezer met een boek. En dan had je de ‘literaire filosofen’ die zich net als hun kompanen, de ‘filosofische literatoren’, niks aantrokken van het literatuurwetenschappelijke minderwaardigheidscomplex. Daar paste Proust eindelijk, en een nieuwe liefde, Søren Kierkegaard.

Mooi verhaal nietwaar? Toch vond ik het in eerste instantie vooral leuk om me eens in de filosofie te verdiepen. Dat doet niets af aan het feit dat die filosofiestudie het verdere verloop van mijn leven heeft veranderd (ja, zo sterk durf ik dat wel te stellen). Doe je niet heel veel dingen omdat je ze leuk vindt? De meeste ervan vergeet ik weer, blijken eenmalig, of gewoon stom. Enkele ervan blijven hangen en verdienen een mooi verhaal, een verklaring en een verantwoording. Achteraf, als een bevestiging of een prijsuitreiking voor het beste idee. Als je hard genoeg eraan trekt, wordt het verhaal uiteindelijk bewaarheid. Dat kun je de hermeneutiek van het leven noemen, of kwaadaardiger, de loop van het zelfbedrog. Het mooie is dat je juist door filosofie te studeren ook inzicht krijgt in die verhalen, verklaringen en verantwoordingen. Dat is niet altijd leuk, nee, maar de studenten die zover durven te gaan, krijgen er iets beters voor in de plaats.

Hub Zwart – De waarheid op de wand

hub_zwart

Iedereen kent de verhalen over Frankenstein en Dracula uit de verfilmde romans van Mary Shelley en Bram Stoker. Het zijn literaire klassiekers die iets laten zien van de verlangens en gevaren die de bètawetenschappen beheersen. In De waarheid op de wand. Psychoanalyse van het weten werkt Hub Zwart zulke archetypische verbanden tussen de natuurkunde en de literatuur op intrigerende wijze uit.

Het boek past in een lange discussie over de vermeende kloof tussen de alfa- en bètawetenschappen: die zouden niets van elkaar moeten hebben. C.P. Snow hield een halve eeuw geleden een beroemd geworden lezing hierover onder de titel ‘The Two Cultures’. Alfa’s laten zich voorstaan op een gebrek aan kennis van de natuurwetten, terwijl de algemene, culturele kennis van bèta’s niets voorstelt.

Op 8WEEKLY: Alchemie in twee culturen

Iedereen kent de verhalen over Frankenstein en Dracula uit de verfilmde romans van Mary Shelley en Bram Stoker. Het zijn literaire klassiekers die iets laten zien van de verlangens en gevaren die de bètawetenschappen beheersen. In De waarheid op de wand. Psychoanalyse van het weten werkt Hub Zwart zulke archetypische verbanden tussen de natuurkunde en de literatuur op intrigerende wijze uit.

Het boek past in een lange discussie over de vermeende kloof tussen de alfa- en bètawetenschappen: die zouden niets van elkaar moeten hebben. C.P. Snow hield een halve eeuw geleden een beroemd geworden lezing hierover onder de titel ‘The Two Cultures’. Alfa’s laten zich voorstaan op een gebrek aan kennis van de natuurwetten, terwijl de algemene, culturele kennis van bèta’s niets voorstelt.

Strijdlust
De discussie is onlangs weer opgelaaid. De Vlaamse filosoof en wiskundige Jean Paul Van Bendegem schreef het pamflet Hamlet en entropie. De twee culturen, een halve eeuw later. De afstand tussen de twee culturen is volgens hem alleen maar groter geworden. Met een aanstekelijke strijdlust roept hij op tot een herwaardering aan beide kanten, die moet beginnen in het onderwijs.

Ook Sander Bais, theoretisch natuurkundige, liet van zich horen. In een interview met NRC Handelsblad gaf hij af op ‘geletterde’ mensen die geen benul hebben van het werk van Newton. Zijn boek Keerpunten. Momenten van waarheid in de natuurwetenschap biedt een toegankelijke inleiding in de natuurwetenschappelijke kennis waar zovelen van verstoken zijn. Net als Van Bendegem gebruikt hij daarbij ook verhalende elementen en mythische symbolen. De twee culturen komen al dichter tot elkaar.

Hub Zwart gaat verder. De waarheid op de wand draait niet om het aanzwengelen van een discussie of om een overzicht van theorieën. Dat de literatuur en de natuurkunde waardevol voor elkaar kunnen zijn, is voor Zwart een gegeven. Het gaat hem om interpretatie, zowel van literaire werken als van de wetenschapsgeschiedenis. De wetenschapper is zowel in de romans als in het historische onderzoek een personage en zijn drive is de stuwende kracht van het verhaal.

Psychoanalyse
Zoals de ondertitel aangeeft, is de psychoanalyse het gemeenschappelijk kader. Tegenwoordig schrikt de psychoanalyse misschien veel mensen af vanwege de rigide symboliek. Elke kerktoren is een fallus, elke man verlangt – wat hij ook doet – naar zijn moeder. Ook in dit boek zijn zulke Freudiaanse interpretaties te vinden, die ontegenzeggelijk tot de zwakkere van het geheel behoren. Maar Zwart hanteert meestal een ruimere, meer Jungiaanse vorm van psychoanalytisch denken, die eerder een manier van kijken is. Het gaat hem om parallellen tussen de wetenschappelijke en de culturele context en om de manier waarop archetypische beelden het menselijk handelen sturen en betekenis geven.

Zowel de wetenschap als de literatuur ziet Zwart als menselijke uitingen, waarin oeroude wensen en structuren te ontwaren zijn. Bijvoorbeeld het streven om vuur te beheersen – een van de vroegste ‘wetenschappelijke’ idealen, die in de figuur van Prometheus ook een mythische, ‘literaire’ pendant kreeg. Of het verlangen naar het verbeteren van de mens, dat terugkomt in genetisch onderzoek en in een roman als Frankenstein.

Alchemie
Hub Zwart werkt terug in de tijd, op zoek naar de bron van die menselijke drang om zich te uiten en de wereld te veranderen. Steeds komt hij uit op de alchemie. Daarin komt alles samen, zowel in vorm en methode als in thematiek. Newton had alchemistische trekjes, veel wetenschappers begonnen hun loopbaan met een alchemistisch doel of eindigden daar juist mee. In romans en verhalen, zoals bijvoorbeeld ‘Der Sandmann’ van E.T.A. Hoffmann, spelen mysterieuze alchemistische karakters een beslissende rol. Alchemie overschrijdt zo de twee culturen.

De analyse die Zwart maakt van Frankenstein is hier een prachtig voorbeeld van en behoort tot de beste van het boek. Dat het Zwart lukt om zo’n overbekende tekst als nieuw te laten lijken is een prestatie. Het is te hopen dat Jean Paul Van Bendegem dit leest, want zijn oproep om de twee culturen dichter bij elkaar te brengen, wordt hier beantwoord. Niet met argumenten, maar met een inhoudelijke analyse (het best denkbare argument). Waar Van Bendegem een probleem signaleert aan de oppervlakte, duikt Zwart de diepte in. En hij vindt daar in de thematiek van de alchemie een antwoord, een gemeenschappelijke bron.

Kernenergie
De waarheid op de wand houdt niet op bij Newton of Frankenstein. Ook nu nog is de alchemie een populaire context. Zwart noemt de boeken van Michael Crichton, maar je kunt ook denken aan De Da Vinci Code. Ook in de moderne wetenschap speelt het alchemistische ideaal door:

Spontaan, zonder invloed van buitenaf, kunnen atomen in andere atomen veranderen door deeltjes kwijt te raken en straling uit te zenden. In zijn laboratorium probeerde de alchemist dit proces te versnellen, de natuur een handje te helpen, als minister naturae (dienaar van de natuur). Een hedendaagse kerncentrale is als het ware de moderne variant van een alchemistisch laboratorium. In een kerncentrale heeft de mens zich meester gemaakt van dit gebeuren (magister naturae).

De waarheid op de wand overstijgt de discussie over de twee culturen die elkaar niet (willen) begrijpen door te laten zien hoe het ook kan. Tegen het eind haalt Zwart de Ouroboros aan, de slang die zichzelf in de staart bijt. Een alchemistisch symbool voor het heelal waarin het begin en eind, het grote en het kleine bij elkaar komen. Ook Sander Bais gebruikt dit symbool in Keerpunten, om de eenheid van de natuurwetenschappen van de kwantumfysica tot de kosmologie te verduidelijken.

Synthese
Je zou bijna denken dat de discussie over de twee culturen achterhaald is. Op universiteiten is steeds meer aandacht voor interdisciplinaire vakken. Het belang van verhalen voor de wetenschap wordt ook steeds meer onderkend. Er verschenen de laatste jaren verzamelbundels met literaire verhalen voor professionals in de zorg en het strafrecht. Ook alfa’s kunnen niet meer om bètawetenschappelijke onderwerpen en technologische kennis heen, alleen al door tv-programma’s als CSI en Beagle in het kielzog van Darwin.

Achterhaald is de discussie natuurlijk nooit, want zodra ze verstomt is het probleem weer terug en begint het opnieuw. Hub Zwart heeft met De waarheid op de wand een belangrijke bijdrage geleverd, niet door expliciet op de discussie in te gaan, maar door te laten zien hoe het in het beste geval kan gaan. Lees eerst het pamflet van Jean Paul Van Bendegem voor de nodige ophef, dan het boek van Bais voor de theoretische kennis en eindig met de prachtige synthese van Hub Zwart. Hij laat je anders kijken naar overbekende verhalen en naar voortdurende wetenschappelijke ontwikkelingen. En uiteindelijk ben je besmet met het oeroude verlangen alchemist te worden.

Jean Paul van Bendegem • Hamlet en entropie. De twee culturen, een halve eeuw laterASP140 blz. €15,00ISBN 9789054876243

Sander BaisKeerpunten. Momenten van waarheid in de natuurwetenschapAmsterdam University Press192 blz.€ 22,50ISBN 9789089641670

 

Uitblinkers spelen niet buiten

Het is al weer even geleden dat ik Uitblinkers. Waarom sommige mensen succes hebben en andere niet las, Malcolm Gladwells boek over talent. Ik had erover gelezen in verschillende kranten en het leek me interessant genoeg voor een recensie. Nu kun je in een recensie natuurlijk niet lekker over jezelf gaan zitten ouwehoeren. Daarom op deze plek nog wat persoonlijke gedachten over het hoe en waarom van de uitblinker. Gladwell schreef namelijk een soort zelfhulpboek, weliswaar voor de maatschappij, maar maken wij daar niet allemaal deel van uit? Uitblinkers is dus ook een soort zelfhulpboek voor jezelf.

Het succes van dit soort boeken is dat je alles op jezelf kunt betrekken. In dit geval spoken grote vragen door je hoofd. Heb ik talent? Succes? En als talent inderdaad niet bestaat, maar afhankelijk is van toeval en omgeving, zoals Gladwell betoogt, heb ik dan de kansen gekregen om talentvol te worden? Ben ik in de juiste maand geboren om alle voordelen van scholing mee te pakken? Die laatste vraag is makkelijk te beantwoorden: nee, want mei is een van de slechtste maanden om in geboren te worden, als je in elk geval op school een uitblinker wilt worden.

De interessantste notie uit het boek vind ik de 10.000 uren regel. Alle uitblinkers hebben tienduizend uur geoefend op hun vak, voor ze het zodanig beheersten dat ze erin uitblinken. Vandaar dat zoveel mensen zo goed zijn in slapen! Of ouwehoeren in de kroeg. Je gaat rekenen: heb ik iets 10.000 uur lang gedaan? Jazeker: lezen.

De 10.000 uren – oftewel tien jaren – regel werkt echter niet zo gemakkelijk. Jaar in, jaar uit flutromannetjes verslinden is niet genoeg. Anderen spreken in dit verband van deliberate practice: je moet gericht te werk gaan met het doel beter te worden. Nu durf ik wel te beweren dat ik dat in mijn geschiedenis als lezer heb gedaan. Niet om beter te worden in de techniek van het lezen (ik lees steeds langzamer bijvoorbeeld, maar ik noem dat liever aandachtiger), maar wel als het gaat om het verbreden van kennis. Door klassiekers te lezen (van die boeken waarvan altijd gezegd wordt dat niemand ze echt heeft gelezen) en hedendaagse literatuur, binnenlands en buitenlands, kortom door bewust, deliberate, mijn boeken uit te kiezen.

Grote vraag is natuurlijk: wat heb je aan 10.000 uur lezen en daar dan goed in te zijn? Geen idee, maar het voelt al heel leuk om ergens misschien wel in uit te blinken.

Eigenlijk vind ik de nadruk die Gladwell legt op succes strontvervelend, hij stoot me tegen het hoofd. Hoe hij een school beschrijft in een arme buurt in New York bijvoorbeeld, waar uitblinkers worden gekweekt (ik kan het niet anders noemen). Vergeleken bij de straatbendes, tienermoeders en drugsoorlogen zal het schoollokaal een paradijs zijn, maar op mij komt die wiskunde drill van 9 tot 5 over als een regelrechte hel. En dat terwijl ik school altijd heel leuk vond.

Dan het dedain waarmee hij spreekt over buiten spelen. Gladwell beschrijft buiten spelen als iets wat vooral kansarme of hoe dan ook arme kinderen doen, alsof je pas de deur uit gaat als je niet van 9 tot 5 op school hoeft te zitten – als je geen toneelclub, muziekles, ijshockeytraining of familieberaad hebt. Alsof buiten spelen de enige optie is voor losers. Behalve als je samen met je vriendjes in een team een technisch hoogstaande boomhut bouwt. Daar krijg ik kriebels van. Het geluk is met de dommen, zeggen ze wel eens. Maar in geluk is Gladwell dan ook niet geïnteresseerd.

Uitblinkers zet je aan het denken, over je eigen talenten, kansen en omgeving, over wat je maatschappelijk belangrijk vindt en over de bizarre rol van toeval in het leven. Daarom volgt hier niet de voor de hand liggende uitsmijter dat ik misschien maar minder boeken moet lezen. Een boek dat je aan het denken zet is altijd goed genoeg, maar een uitblinker zou ik Uitblinkers niet noemen.

Lees hier mijn recensie op 8WEEKLY, Goed genoeg.

 

Haal jij alleen maar tienen? Grote kans dat je jarig bent in september, oktober of november. Zulke toevalligheden hebben meer invloed op prestaties dan je IQ. Individueel succes is afhankelijk van de omgeving en van mogelijkheden, zo maakt Malcolm Gladwell duidelijk in zijn laatste boek Uitblinkers.

Stel: je bent op 31 augustus geboren. Je begint op school als je net zes bent. Dat scheelt bijna een jaar met kinderen die op 1 oktober al zeven worden. Die leren snel en lijken slim. Ze mogen in het leesgroepje voor gevorderden en vooruitwerken met rekenen. Tegen de tijd dat jullie naar de brugklas gaan, haal jij net de havo. Uiteindelijk blijf je voor altijd een middenmoter, rechts ingehaald door mensen met meer geluk.

Kansen
Dit is een van Gladwells veelbesproken voorbeelden. Is de kwestie ook om te draaien? Nee, niet iedereen die in het laatste kwartaal van het jaar geboren is, presteert goed op school. Gladwell suggereert dat wel: als alle omgevingsfactoren goed staan afgesteld, is succes onvermijdelijk. Lukt het dan nog steeds niet om de top te bereiken, dan ligt het aan jezelf.

Toch is Gladwells portee juist dat het individuele succesverhaal niet klopt. In het eerste deel van Uitblinkers, ‘Kansen’, geeft hij verbazingwekkende voorbeelden die bewijzen dat de American Dream een fabeltje is. Enige aanleg is mooi meegenomen, maar om succesvol te zijn is het is vooral cruciaal om op het juiste moment op de juiste plek te zijn. En hard te werken.

Hamburg
Om hard te werken moet je echter een kans krijgen. Gladwell beschrijft de zogenaamde ‘tienduizend-urenregel’: alle uitblinkers hebben tienduizend uur oefening achter de rug. Neem de Beatles. Die kregen de kans om maandenlang acht uur per dag op te treden in een Hamburgse nachtclub. Dat dwong ze hun repertoire uit te breiden en tot in de puntjes op elkaar ingespeeld te raken. Of Bill Gates. Zijn school schafte al in 1968 een computer aan. Tegen de tijd dat hij aan de universiteit begon, had hij er tienduizend uur programmeren op zitten. Ze hadden op kunnen geven, maar opgeven kan pas als je een kans hebt gekregen.

Iedereen verdient zijn Hamburg, zegt Gladwell. Daar heeft hij gelijk in. Maar is het niet even kortzichtig om alleen maar te wijzen op omgevingsfactoren, als om alles te koppelen aan individueel talent? Je kunt ook betogen dat het een gegeven is dat de mens zijn leven in eigen hand kan nemen. In plaats van tegenargumenten te weerleggen, gebruikt Gladwell de methode van de herhaling om zijn punt te maken. Hij hamert daar zo eenzijdig op, dat het idee van tienduizend uur oefening bij voorbaat vermoeiend wordt. Hoe zit het trouwens met tienduizend uur buitenspelen of ouwehoeren in de kroeg?

Erfenis
In het tweede deel, ‘De erfenis’, onderzoekt Gladwell de invloed van culturele achtergronden bij het al dan niet uitblinken – een behoorlijk taboe. Het hoofdstuk over de rol van cultuur bij het ontstaan (en dus voorkomen) van vliegtuigongelukken is even verontrustend als overtuigend. Een piloot uit een sterk autoritaire cultuur maakt veel meer kans op een ongeluk dan een piloot uit een genivelleerde samenleving. Als er echt iets fout gaat, moet de bemanning niet blijven hangen in beleefdheidsfrases, maar zeggen waar het op staat.

De interessantste notie van Uitblinkers komt al in het begin aan bod. Liever dan uit te blinken in één ding, moet je op verschillende vlakken ‘goed genoeg’ zijn. Iemand met een hoog IQ maar zonder ‘Hamburg’ komt er niet. Het is jammer dat Gladwell dit idee niet breder maakt. Niet iedereen hoeft van negen tot vijf te computeren om toch ‘goed genoeg’ te programmeren.  Bovendien: als alle mensen uitblinken, komt de drempel hoger te liggen. Als iedereen tienen haalt, is een acht maar net voldoende.