Bekentenis over Bekentenissen

rousseau

Al jaren stond hij in mijn kast te verstoffen, tot ik het eind vorig jaar eindelijk aandurfde: Jean-Jaqcues Rousseau en zijn 750 dichtgedrukte pagina’s Bekentenissen (1782). Een maand en 234 pagina’s verder geef ik het op. Met pijn in het hart, want Rousseau was als een extra huisgenoot van wie je alles meekrijgt – van emotionele crises tot toiletbezoek.

Het begint zo veelbelovend met de wereldberoemde woorden: ‘Ik ga iets ondernemen dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf.’ Deze mission statement eindigt als volgt: ‘Ik heb mijn innerlijk blootgelegd zoals U het zelf hebt gezien. Eeuwig Wezen, verzamel de onmetelijke menigte van mijn medemensen om mij heen. Laat ze mijn bekentenissen horen, laat ze jammeren om mijn schanddaden, laat ze zich schamen voor mijn zwakheden. Laat ieder van hen op zijn beurt met dezelfde oprechtheid aan de voet van Uw troon zijn hart blootleggen en laat dan iemand zeggen, als hij durft: “Ik was beter dan deze mens.”‘

Wat een bravoure! Rousseau daagt je uit, alsof hij je met een handschoen in het gezicht slaat. Nu durf ik als lezer wel een uitdaging aan te nemen, maar als hij eenmaal begint met het uitvoeren van zijn onderneming, blijkt het duel toch te vermoeiend. Nu geef ik me dus over. Maar niet voor ik een paar gedachten heb geformuleerd.

De opening doet denken aan die van Montaignes Essays, die twee eeuwen eerder waren verschenen. ‘Dit, lezer, is een eerlijk boek. […] Had ik in een van de landen geleefd waar, zoals dat heet, de zoete vrijheid van de oorspronkelijke natuurwetten nog heerst, dan had ik mijzelf heel graag, dat kan ik u verzekeren, van top tot teen en volkomen naakt afgebeeld. Derhalve, lezer, ben ik zelf de enige stof van mijn boek. Er is dan ook geen reden waarom u aan zulk een ijdele en onbeduidende materie uw tijd zou verdoen.’ Haha! Wat kan een lezer na zulke woorden anders dan doorlezen, uit recalcitrantie en in de hoop op blote billen.

Waar Montaigne zichzelf beschrijft via de wereld, schrijft Rousseau over zijn leven, zijn handel en wandel in de wereld. Het is de eerste autobiografie. Misschien komt het door het gebrek aan voorgangers dat de Bekentenissen zo wijdlopig en alomvattend zijn. Pas in de loop van de tijd, als meerdere schrijvers zich aan een genre wagen, begint het uitkristalliseren en krijgt het genre vorm en structuur. Zover is het bij Rousseau nog niet. Soms denk je: die incontinentie waar Twitter van beschuldigd wordt, is een druppel vergeleken bij deze waterval aan informatie over reizen, uitstapjes, misstapjes, vrienden, vreemden, vrouwen. Geen gedachte blijft onvermeld, terwijl dat nu juist zo’n mooie eigenschap van gedachten is, dat ze bestaan en kunnen uitdoven zonder een enkel bewijs van hun bestaan achter te laten. Het hoofd als massagraf van gedachten, het enige vrolijk stemmende massagraf ter wereld (is het me toch weer niet gelukt een stukje te schrijven zonder dood en verderf erin).

Het grote verschil met de huidige incontinentie (waar ik zelf met liefde aan meelijd) is de gestrengheid waarmee Rousseau zichzelf beschouwt. Herhaaldelijk verontschuldigt hij zich voor een minder vleiende anekdote (bijvoorbeeld waarin hij bekent dat hij lange tijd wellust voelde als een vrouw hem sloeg). Nu ben je al gauw geneigd zo’n verontschuldiging af te doen als een excuus voor de vorm, valse bescheidenheid. Toch geloof ik niet dat dat hier aan de orde is. In al zijn ijdelheid is de queeste van Rousseau naar de diepten van zijn persoonlijkheid oprecht. Ik kan het niet controleren, maar de rigide eerlijkheid die Rousseau aankondigt op zichzelf los te zullen laten, lijkt me ook precies dat te zijn: rigide eerlijkheid. En daar hou ik van, mensen die streng en eerlijk tegenover zichzelf zijn. Zo weinigen zijn er die dat kunnen. Of willen.

Het is ook een bewust gekozen vorm, die uitputtendheid. Rousseaus missie is om de hele mens te tonen, alles te vertellen, niets achter te houden, zelfs de triviaalste details te benoemen. Als alle feiten openbaar zijn, leidt dat vanzelf tot de openbaring van de (een) waarheid. Het is voor ons postmoderne mensen vanzelfsprekend om die redenering weg te wuiven. Zelfs het bestaan van iets als een waarheid durven we weg te wuiven. Dat was in de tijd van Rousseau nog niet zo bon ton. Het is boeiend om getuige te zijn van zo’n andere tijd, waarin het op tafel leggen van je ziel en zaligheid automatisch iets waars zou zeggen over die ziel en zaligheid. Ik ben even gepreconditioneerd als hij wanneer ik denk (wat in feite betekent: mijn leraren herhaal) dat volledigheid onmogelijk is, dat zelfs deze uitputtendheid een selectie is, dat alles interpretatie is, gekleurd, subjectief etc etc.

Toch kom ik er niet doorheen. Ik ben gestrand in boek vijf. Het is de incontinentie. Ik hou mijn aandacht er niet meer bij en merk dat ik steeds sneller ga lezen tot ik niets meer lees. Het voelt als al die tochten die Rousseau onderneemt: toen vertrok ik, liep door een dorp, een volgend dorp, langs een dorp, over een dorp tot ik aankwam in een dorp. Dodelijk vermoeid, op zoek naar een herberg om uit te rusten. Als iemand mij kan vertellen waarom ik door moet lezen of welk gedeelte ik absoluut nog moet lezen, dan hoor ik het graag. Want ik blijf geboeid door het hele project. En dat is knap vervelend: wel geboeid zijn, maar niet je aandacht erbij kunnen houden.