Julian Barnes – Alsof het voorbij is

barnes_alsof

Op 8WEEKLY: Niemand die niet beseft dat hij het niet weet

‘Als je het uit hebt, wil je meteen opnieuw beginnen.’ Laat dat in dit geval nu eens géén cliché zijn. Je doet het, na het lezen van die slotzinnen als mokerslagen, meteen opnieuw beginnen. En je wordt meteen beloond.

De voor de Man Booker Prize genomineerde korte roman Alsof het voorbij is door Julian Barnes is een kleinood, maar dan wel een zwarte diamant. Hard, schitterend en met een schijn van transparantie. In de openingszinnen – een soort opsomming van beelden – resoneert het hele verhaal, in de eerste scène resoneert de laatste zin. Of in de laatste zin de eerste scène.

Het grootse van de middelmaat
Het verhaal is eenvoudig, en die eenvoud is meteen waar het verhaal om draait. Drie vrienden, onder wie ik-verteller Tony Webster, krijgen op de middelbare school gezelschap van de wat zonderlinge nieuwkomer Adrian Finn. Ze zijn zestienjarigen van een specifiek type: vervuld van grote woorden, grote verwachtingen, ontleend aan Grote Literatuur. Onderling en in de les schermen ze met citaten en filosofische ideeën.

Natuurlijk weten ze dan nog niet dat het leven hoogstwaarschijnlijk niet groots en meeslepend zal uitpakken. Iedere zestienjarige meent immers de uitzondering te zijn op de regel, op het gemiddelde, de middelmaat. Maar ze weten ook niet hoe ontzettend gelijk ze hadden, tegelijkertijd. Dat grote woorden wel degelijk van toepassing zijn, alleen niet op de manier waarop je denkt of hoopt. De middelmaat van het gewone leven kan even ernstig lijden opleveren als een groots en meeslepend leven middelmatig kan zijn.

Opeenstapeling van feiten
Lezers die houden van actie en heilig geloven in de stelregel show don’t tell, zijn bij Barnes aan het verkeerde adres, net als in de eerder dit jaar verschenen verhalenbundel Polsslag. Tony Webster maakt je deelgenoot van zijn twijfels en overwegingen, niet zozeer van zijn ervaringen. Het verhaal moet daar tussendoor, een beetje terloops, afgewerkt worden lijkt het: ‘Inmiddels was ik het huis uitgegaan en als stagiair begonnen in de kunstensector. Toen kwam ik Margaret tegen; we trouwden en drie jaar later werd Susie geboren.’ Daar was bij elk schrijfklasje een dikke rode streep doorheen gegaan.

Het is een middelmatig leven, niet de moeite van het vertellen waard. Vriendschap die verwatert, het eerste vriendinnetje, huwelijk, kind, scheiding, pensioen. Een opeenstapeling van feiten, niets meer niets minder. Als Tony in het tweede deel van het verhaal het leven van dat eerste vriendinnetje weer in wordt getrokken, komt er een innerlijke exegese op gang die alles op zijn kop zet. Een opeenstapeling van feiten – moet je het daar maar mee doen? Waar schuilt in een rijtje feiten van het leven de verantwoordelijkheid voor dat leven? Het is een exegese die bepaald niet louterend werkt.

Verontrustend goed
Uiteindelijk is alles onbetrouwbaar: de tijd, het geheugen, de geschiedenis en bovenal jezelf, als punt waarin deze abstracte begrippen concreet tot uiting komen. We zijn allemaal onbetrouwbare vertellers, daar blijft Barnes in al zijn boeken steeds op hameren. Wat blijft er dan nog over om te weten? In de eerste scène en in de laatste zinnen – of eigenlijk andersom, in de laatste zinnen en dan weer in de eerste scène – staat het er even terloops als treffend. Er is onrust, dan wel grote onrust. Of wellicht kun je alleen stellen: ‘Er heeft iets plaatsgevonden.’ Maar wat? Niemand die het weet of kan achterhalen. Niemand die niet beseft dat hij het niet weet. Dat is verontrustend, ja. Verontrustend goed.

Polsslag van Julian Barnes

polsslag

Op 8WEEKLY: Op zoek naar begrip van wezenlijke thema’s. Over het werk van Julian Barnes

De verhalen in Polsslag van Julian Barnes spelen zich af tussen het explosieve moment dat twee mensen verliefd worden en de implosie van de dood. Hij wil de zintuiglijke ervaring onder woorden brengen: een haast paradoxaal streven dat hem bijzonder goed afgaat.

Het gaat in Polsslag natuurlijk om de hartenklop (die aanwezig is in de liefde en afwezig in de dood), maar de polsslag brengt het hele lichaam tot leven: tast, smaak, geur, zicht. Hoe beschrijf je, beredeneer je de betekenis van de zintuigen? Barnes doet dat door te laten zien wat er gebeurt als ze wegvallen: er zijn personages met gevoelloze vingers, acute blindheid, een weggevallen reukvermogen. Maar vooral gaat het om hoe die zintuigen je verbinden met anderen, in de liefde en de dood.

Show ánd tell
In 2011 ontving Barnes de David Cohen Prize for Literature, een tweejaarlijkse oeuvreprijs. Hij brak door bij het grote publiek in de jaren tachtig en behoort sindsdien tot de literaire top. Niet omdat hij op gemakkelijke wijze zijn lezers bedient, integendeel. Hij schrijft literatuur met een grote L, waarin de literatuur zelf ter discussie staat. De verhalen in Polsslag zijn wat ‘gewoner’ van aard en daarmee is dit een ideale bundel om met Barnes’ werk kennis te maken.

Het knappe is dat Barnes ondanks dit schrijven over schrijven nooit vervliegt in ijle luchten of onbegrijpelijk hermetisme. Hij onderneemt een persoonlijke queeste door de literatuur, op zoek naar begrip van wezenlijke thema’s (daar heb je de liefde en de dood weer). Hij zet zichzelf op het spel: een ernstig en tegelijk buitengewoon geestig spel. De mens wordt liefdevol voor gek gezet, hij neemt hem serieus in zijn onhebbelijkheden.

Neem Flauberts papegaai, een van Barnes’ bekendste romans. Een zoektocht naar de sporen van Flaubert in troosteloze uithoeken van Frankrijk levert niet alleen een spannend verhaal op, maar ook essayistische bespiegelingen over schrijven, liefde, seks. Het is verfrissend hoe Barnes het gebod om niet naar de schrijver achter de boeken te vragen naast zich neerlegt. Flaubert is niet een stapel boeken, maar een man van vlees en bloed. Ook het gebod show don’t tell kan Barnes gestolen worden. Voor hem werkt nu juist show ánd tell. Dat mag, want Barnes is geestig en wijs en soms hoor je liever hem dan zijn personages. Niet als zo’n ouderwetse en strontvervelende alwetende verteller, maar als mens en persoonlijkheid.

Coup de foudre
De stem van de schrijver hoor je bijvoorbeeld ook in het verhaal ‘Carcasonne’, een historische vertelling over Garibaldi en zijn geliefdes. Het begint gewoontjes: ‘In de zomer van 1839 blikt een man door een verrekijker en verkent het Braziliaanse kuststadje Laguna.’ De veroveraar Garibaldi ziet door zijn verrekijker een vrouw. Terstond gaat hij aan wal om met de woorden ‘Jij moet de mijne worden’ zich de getrouwde dame toe te eigenen. Een weinig opzienbarend, misschien zelfs ongeloofwaardig verhaal.

Dan volgt een uiteenzetting over dat moment waarop twee mensen elkaar zien en bam! de liefde toeslaat. Waar is 1839 gebleven? We horen Julian Barnes, schrijver, in de eenentwintigste eeuw. Hoe moet hij die zintuiglijke ervaring van begeerte in woorden vangen? De (Engelse) taal is ontoereikend. Hardop nadenkend  zoals in een essay  gaat hij verder. Het Franse coup de foudre doet wel recht aan de blikseminslag en donderklap. De Engelsen (en Nederlanders) hebben niet zo’n uitdrukking, zij

spreken van ‘een vonk die overspringt’ tussen twee mensen. Maar dat is een huiselijk en geen kosmisch beeld, alsof het stel praktisch moet zijn en een brandblusser bij de hand moet houden. We hebben het over ‘liefde op het eerste gezicht’, en dat komt inderdaad voor, zelfs in Engeland, maar die uitdrukking doet het allemaal een beetje te beleefd klinken. We zeggen dat hun blikken elkaar over een volle kamer heen ontmoetten. En dat klinkt opnieuw veel te gezellig.

Liefde is hypocrisie
Die Britse onderkoelde humor: daar is Barnes een meester in. Tegelijk weet hij waar de beperkingen liggen. De vier verhalen over ‘Phil en Joanna’ zijn een weergave van de gesprekken op een vriendschappelijk etentje. De discussie slingert heen en weer van Obama naar immigranten, klimaatverandering en steeds weer terug naar seks. Tot een van de vrienden vraagt waarom zij altijd maar over seks praten en nooit over liefde. Stilte. Het is makkelijker grapjes te maken over seks dan te praten over liefde. Liefde is hypocrisie, zover komen ze nog net.

Barnes durft wel voorbij de humor te gaan (na hem eerst meesterlijk te hebben ingezet) en iets te zeggen over liefde. Zoals in ‘Samenspanning’, waarin hij opnieuw het ogenblik van begeerte probeert te beschrijven, dat in het citaat hierboven nog grappig is maar nu van diepte en schoonheid wordt voorzien. Twee mensen smeden samen ‘een complot tot iets goeds’, vanuit een onderbuikgevoel. Pas daarna begint de verliefdheid die in feite erg rationeel is: elkaar leren kennen, onderzoeken of je bij elkaar past, vragen stellen, steeds op het gevaar af de verkeerde vraag te stellen.

De dood
Op rationele wijze een gevoel onderzoeken, dat is ook wat Julian Barnes deed in zijn essay in boekvorm Nothing to be frightened of. Daar ging het over angst voor de dood. Ook een onderbuikgevoel, dat je ’s nachts happend naar adem, met een verhoogde polsslag, wakker doet schrikken. Je kunt de dood via talloze manieren rationeel benaderen, maar de angst, het gevoel, blijft. De rationele benadering is misschien bruikbaar om van dag tot dag je leven door te komen, maar ‘what is useful to us generally conflicts with what is true’. De rede houdt je voor de gek.

Meestal loopt het verkeerd af met de stellen van Barnes. Misschien wel omdat ze het onderbuikgevoel kwijtraken en zich verliezen in de rationalisering. Ze houden zichzelf en elkaar voor de gek. Het titelverhaal, waarmee Polsslag besluit, is misschien wel het mooiste, juist omdat hierin een bejaard echtpaar figureert dat simpelweg van elkaar houdt. Als de man zijn reuk verliest, betreurt hij het meest dat hij zijn vrouw niet meer kan ruiken. Uiteindelijk verliezen ze elkaar toch, in de dood.

Hoe groter de kwestie, hoe minder er te zeggen valt. Niet te vóélen, maar te zeggen. Want er is alleen het feit zelf, en jouw gevoel aangaande dat feit. Verder niets. Mijn vader kon, geconfronteerd met zijn reukverlies, nog redenen bedenken waarom zo’n nadeel, indien vanuit het juiste perspectief bekeken, een voordeel zou kunnen worden. Maar mams ziekte viel in een categorie die daarboven uitsteeg, die boven de rationaliteit uitsteeg; het was iets ontzagwekkends, stil en stilmakend. Er was geen tegenargument.

Julian Barnes zegt het. En ik, ik voel het.

Julian Barnes (vert. Ronald Vlek) • Polsslag • Atlas 2011 • 253 bladzijden • 19,95 • ISBN 9789045018607

Le réveil mortel

reveil_mortel

‘Le réveil mortel’: dat klinkt als een klok. De klok die het besef in je wakker slaat van sterfelijkheid, dan wel. Meer nog: van jouw eigen sterfelijkheid. Julian Barnes brengt het ter sprake in Nothing To Be Frightened Of, zijn mooie, overvolle essay over doodsangst. ‘Le réveil mortel’, ‘the wake-up call to mortality’, komt van Charles du Bos, een begin-twintigste-eeuwse Franse criticus.

Barnes was een puber toen zijn wake-up call kwam, en zijn boek over doodsangst is er in feite het resultaat van. Onmiddellijk vraag je je af wanneer de sterfelijkheid voor het eerst bij jezelf ontwaakte. Ik weet het niet goed. Ik kan me wel de eerste keren herinneren dat de dood zich aandiende. Mijn tante die stierf toen ik ongeveer zes jaar oud was. Later zag ik mijn cavia onder mijn ogen sterven. Maar van die momenten herinner ik me vooral mijn onbegrip en niet een bliksemflits waarmee mijn eigen sterfelijkheid aan mij werd geopenbaard. Toen mijn vader ongeneeslijk ziek was, was ik bang dat ik opeens dood zou gaan en daarmee alles nog ingewikkelder zou maken. Mijn eigen sterfelijkheid gekoppeld aan die van een ander.

Het réveil hoeft natuurlijk ook niet te komen door de dood van een ander. Het kan je zomaar overkomen. Ik zou me kunnen voorstellen dat het in een overweldigend landschap kan, als een ervaring van het sublieme. Of op een hotelkamer. Barnes schrijft in zijn fenomenale stijl: ‘‘The wake-up call to mortality’ sounds a bit like a hotel service. ‘Death-knowledge,’ ‘death-awakening’? – rather too Germanic. ‘The awareness of death’? – but that suggests a state rather than a particular cosmic strike. In some ways the (first) bad translation of du Bos’s phrase is the good one: it is like being in an unfamiliar hotel room, where the alarm clock has been left on the previous occupant’s setting, and at some ungodly hour you are suddenly pitched from sleep into darkness, panic and a vicious awareness that this is a rented world.’

(Overigens komen hotels vaker voor bij Barnes. De hotelkamer is dan ook bij uitstek een plek waar je individualiteit betwist wordt en die dus existentiële kwesties bij je opdringt. Eerder haalde ik al een prachtig hotelcitaat aan uit Flaubert’s Parrot. ‘I sat on my hotel bed; from a neighbouring room a telephone imitated the cry of other telephones.’ (Zie Posthume herinneringen van Bras Cubas en Flaubert’s Parrot) Resoneert (rinkelt) dat niet mooi met de wake-up call van de dood? Het hotel is een geleende wereld, waarin zelfs het rinkelen van de telefoon niet authentiek is. Alleen de dood is dat.)

Hoe dan ook, ik herinner me dus niet mijn eigen réveil mortel. Misschien moet ie nog komen? Wel staat een ander réveil me nog haarscherp voor ogen. Laat ik het ‘het kosmisch réveil’ noemen. Ik was een jaar of negen oud. In de hoek van een donkere, weinig gebruikte kamer in de boerderij van mijn opa en oma op het Deense platteland zat ik in een schommelstoel. Op mijn schoot een boek over ‘De wonderen van de wereld’. Toen, plotseling, onverwacht, bladerend langs de piramides en de Niagara Falls: de oneindigheid van het heelal.

Wat was er voor het begin van tijd en ruimte? Wat is er achter de grens van het universum? Kan oneindigheid bestaan? Maar hoe kan ik tot het eind van oneindigheid denken? Ik werd duizelig van die gedachten, voelde voor het eerst de grenzen van het denken. Ook een sublieme ervaring. Ik sloeg het boek met een klap dicht en zette het terug in de kast. De rest van de vakantie gluurde ik nog wel naar de rug van het boek, dat zo gewoontjes tussen de andere boeken stond, maar ik durfde het niet meer te openen. Misschien was het toch wel mijn ‘réveil mortel’. Immers, Barnes heeft het ook over: ‘a particular cosmic strike’.

Wie herinnert zich het zijne?

We zijn allemaal onbetrouwbare vertellers

barnes_frightened

Je leven begrijpen als een verhaal; toen ik daar voor het eerst over hoorde, was het wel een openbaring. Inmiddels ben ik een beetje aan het terugkomen op deze ‘narratieve’ filosofie. Dat heeft twee redenen. Ten eerste is de narrative turn wel erg populair geworden. En daarnaast is het verhaal van het leven ook geen sluitend verhaal.

Om met het eerste te beginnen. Ik heb altijd een beetje last van recalcitrantie bij populaire zaken. Kinderachtig, ik weet het. Zodra iedereen ergens mee wegloopt, heb ik het alweer gehad. Toch schuilt er ook meer achter. Overal kun je tegenwoordig cursussen volgen om je levensverhaal op te tekenen of je familiegeschiedenis te schrijven. Het is te gemakkelijk geworden, te plat. Iedereen wil wel hoofdpersoon zijn in een unieke vertelling. Alle complexiteit van het concept wordt afgevlakt tot er een eenvoudige mal overblijft. Giet je leven erin en er komt een kunstzinnige creatie uit, je hebt je zin, een zinvol leven. Nee, zo werkt het niet.

Voor de echte duiding moet je dan toch bij de echte literatuur zijn. Ik lees nu Julian Barnes’ boek over de dood – beter: over zijn doodsangst, Nothing To Be Frightened Of. Hij schrijft: ‘what is useful to us generally conflicts with what is true’. True. Daarin ligt het vervelende van die narratieve levensopvatting: je kunt alles wel zo draaien dat het past in een lopend verhaal. Je maakt je ervaringen bruikbaar, maar of het ook recht doet aan de werkelijkheid? Vooruit, ik ben de eerste om toe te geven dat zoiets als de werkelijkheid ook volkomen onbetrouwbaar is. Maar er is een fine line tussen ‘alles is perceptie’ en regelrecht fabuleren.

Het gaat er ook niet om dat het verhaal te ver afdrijft van iets als waarheid. (Want wat is nou helemaal waarheid?) Eerder gaat het om de zelfverloochening die dan in het spel is. Denken in verhaallijnen ontneemt je het zicht op jezelf, op dat wat tegen je eigen vooroordelen ingaat. Barnes noemt ons dan ook ‘onbetrouwbare vertellers’. True.

Ik schreef dat ik een beetje terugkom op de narratieve filosofie. Dat is niet helemaal waar, ik kom er niet op terug, maar ik denk dat je erdoorheen moet gaan. Het denken over jezelf in termen van hoofdpersonage in een verhaal dat zich in de loop van je leven ontvouwt, levert namelijk ook heus wel veel op. Door het verleden te analyseren, leer je de toekomst vorm te geven. Het losgeslagen projectiel kan zo een iets rechtere baan krijgen. Op die baan liggen obstakels, er zijn orkanen en je hebt al sinds je geboorte een afwijking naar links, maar toch.

Misschien is dat het leven: eerst lijkt alles een enorme chaos en denk je niet dat je ooit iemand zal worden met een interessant levensverhaal (of je denkt, dat komt vanzelf als ik ouder ben). Vervolgens drukt dat leven je met je neus op de feiten, die om je heen dwarrelen als de geldbiljetten in de windcabines van ouderwetse spelshows. Je kunt ze nooit allemaal te pakken krijgen, er nooit een nette rode draad doorheen rijgen. Als je dan maar besluit om te gaan zitten tot de wind is gaan liggen, heb je aan het eind helemaal niets. Ook geen lol in het spel.

Ik gebruik altijd een soortgelijke metafoor in erg turbulente tijden. Het voelt dan alsof er een wolk van ballonnen om je heen wordt opgelaten en je probeert ze allemaal vast te grijpen. Aan dunne touwtjes die bijna onzichtbaar zijn zweven ze steeds verder omhoog de lucht in, terwijl jij op de grond staat, op je tenen, te proberen ze allemaal te pakken. Als je er een hebt, laat je de ander weer los. En dat je denkt in metaforen is tegelijk een bewijs dat het leven wel degelijk een verhaal is.

Posthume herinneringen van Bras Cubas en Flaubert's Parrot

ezels

Soms lees je achter elkaar twee briljante boeken en lijken die boeken via jou met elkaar te spreken. Ook al stamt het ene uit het Brazilië van 1881 en is het andere Engels, gepubliceerd in het literaire jaar 1984. De enige reden om Posthume herinneringen van Bras Cubas (Machado de Assis) en Flaubert’s Parrot (Julian Barnes) na elkaar te lezen was toeval en mijn tegenwoordige voorkeur voor romans die geen romans willen zijn. ‘Dat is zeker wel een leuk boek dat je daar aan het lezen bent?’ kreeg ik toegeworpen terwijl ik gniffelend door de laatste heen stoomde. Jazeker – Flaubert’s Parrot is een geestig boek, maar op een totaal verliteratuurde, erudiete manier. ‘Het is absoluut een leuk boek, maar misschien wel alleen als je literatuurwetenschap hebt gestudeerd,’ zei ik. Ai. Soms maakt lezen elitair, ontkennen is zinloos.

Beter beginnen met de eerste. Posthume herinneringen van Bras Cubas is óók een geestig boek, op een heerlijk zwartgallige manier. Van over het graf vertelt de hoofdpersoon over zijn leven en liefde. Het bestaat uit 160 hoofdstukjes in 227 pagina’s. Dat is al een aanwijzing dat van een gestructureerd verhaal geen sprake is. Dit is echt een boek waar het niet draait om wát er verteld wordt, maar hóe het verteld wordt. Het maakt de literatuurwetenschapper in me wakker.

Een voorbeeld. In hoofdstuk 15 vertelt Bras Cubas: ‘Ik had dertig dagen nodig om van het Rocio Grande naar Marcela’s hart te komen, reeds niet meer gezeten op het ros der blinde begeerte, maar op de ezel van het geduld, tezelfdertijd listig en koppig.’ Een metafoor die ouderwets klinkt en dat in 1881 ook al deed. Een ironische metafoor met andere woorden: het klinkt in de oren van het plebs vast heel verheven, maar is bedoeld om dat verheven taalgebruik belachelijk te maken. Niet voor niets zit Bras Cubas op een ezel.

Dan gaat het verder: ‘Maar ik kan u verzekeren dat de ezel aan het ros gewaagd was – een ezel van Sancho Panza, een ware filosoof, die mij aan het eind van de genoemde periode bij haar (Marcela’s) huis bracht; ik stapte af, gaf hem een klap op zijn achterste en stuurde hem uit grazen.’ De metafoor, die al is bedekt met een ironisch sausje, krijgt hier een intertekstuele verwijzing naar Don Quichote mee en stopt een metafoor te zijn: de ezel bestaat echt en moeten wij letterlijk nemen. Wij ja, want die u dat zijn jij en ik – nog zo’n stijlfiguur waar boeken over vol geschreven zijn. Literatuurwetenschappers aller landen verkneukel u.

Gelukkig brengt Machado de Assis de literatuurwetenschappers tot wanhoop in het vervolg; niets zo saai als een tekst die met de academische handboeken erbij uitgepuzzeld moet worden. Hoofdstuk 21, we zijn de ezel alweer vergeten, is getiteld: De ezeldrijver. ‘En zie, toen bleef daar opeens de ezel die mij droeg stilstaan; ik sloeg hem met mijn zweep, hij bokte twee keer, toen nog eens drie keer, ten slotte nog een keer… maar een ezeldrijver, die toevallig in de buurt was, kwam nog net op tijd om hem bij de teugels te grijpen en tot staan te brengen, niet zonder moeite en gevaar.’ Van een metafoor is geen sprake meer, het symbool is werkelijkheid geworden en trapt ons het verhaal in. Of uit? De letterlijk geworden metafoor transformeert in een parabel over een ezeldrijver. Wat geef je iemand die je het leven redt vanonder de trappelende hoeven van een ezel? Drie goudstukken? Twee? Een? Niets? Is het niet de plicht van een ezeldrijver om mensen te redden van ezels?

Waar gaat dit over? Ik ben me er al te zeer van bewust dat wat ik hier schrijf voor het gros van de lezers niet als een aanbeveling zal gelden. Wie heeft er nu nog zin in Machado de Assis?

Over naar Julian Barnes dan maar. In Flaubert’s Parrot, een eeuw na Bras Cubas geschreven, is het omgekeerde aan de hand: hier is niets letterlijk, de werkelijkheid is een metafoor. ‘I sat on my hotel bed; from a neighbouring room a telephone imitated the cry of other telephones.’ Niet alleen heeft die telefoon geen enkele functie in het verhaal, het is bovendien een telefoon in een andere kamer, die op zijn beurt andere telefoons nadoet. Waar gaat dit over? Het gaat erom het afgeleide, metaforische karakter van de werkelijkheid te tonen. Wat doet ertoe als je niet weet wat echt is? Wat heeft waarde en betekenis? Een telefoon die rinkelt herinnert aan andere verhalen waarin telefoons rinkelen, met een onheilspellende boodschap. Hier rinkelt het om het rinkelen, zonder betekenis, alleen interessant als verwijzing naar dat wat er niet is. Literatuurwetenschappers aller landen: gniffel nu!

Bovenstaande zal Julian Barnes vast ook niet veel nieuwe lezers opleveren. Maar ik verzeker u: Barnes en Assis doen niet voor elkaar onder, zij schreven beiden romans die geen romans willen zijn, en daarmee Literatuur met een grote L bedreven. Dat komt niet door die eigenaardigheden die ze uithalen, want dat is slaapverwekkend als het niet gepaard gaat met Inzicht en Ontroering. Met Waarheid, zou ik willen zeggen, al luidt die waarheid dat je de waarheid niet kunt kennen omdat ze niet bestaat.

Uiteindelijk durven beiden heus wel te zeggen waar het op staat. Bras Cubas is aan gene zijde en weet één ding zeker: ‘Alles bij elkaar geteld, zal ieder weldenkend mens menen dat er geen tekort was en geen overschot, en dat ik bij mijn dood dus quitte was met het leven. En dat zal hij dan verkeerd menen; want toen ik aankwam aan deze andere zijde van het mysterie, ontdekte ik een klein positief saldo, dat de laatste negatieve zin is van dit hoofdstuk van negatieve zinnen: Ik heb geen kinderen gehad, op geen enkel schepsel heb ik de erfenis overgedragen van onze ellende.’ Wie gniffelt nog?

Barnes’ hoofdpersoon Geoffrey Braithwaite (weduwnaar, twee kinderen) eindigt even kraakhelder en glashard: ‘I loved her; we were happy; I miss her. She didn’t love me; we were unhappy; I miss her.’ Beide statements zijn waar en kunnen tegelijk bestaan. Metaforen worden werkelijkheid en de werkelijkheid is een afgeleide van de metafoor. Dat is wat literatuur kan uitdrukken. Wie het tot het einde van deze blog heeft gered zal vast kunnen gniffelen om de literatureluur van deze twee boeken. Als je maar weet dat je keihard van die geinige ezel wordt geschopt, precies op het moment dat je denkt het puzzeltje te hebben opgelost. Maar in de pijn van het vertrappeld worden, herkent elke lezer een heimelijk genot.