De stront en het kwaad: Vrouw, deel VI van Karl Ove Knausgård – Mijn strijd

coverLees hier mijn recensie van Vrouw van Karl Ove Knausgård: Knausgårds stront en het kwaad

Veel lezers zullen al iets over Vrouw, het zesde, laatste deel van Karl Ove Knausgårds Mijn strijd, hebben gehoord voordat het in Nederlandse vertaling verscheen. Dat het zou gaan over de ontvangst van het eerste deel, Vader, over de weerslag daarvan op zijn manisch-depressieve vrouw, en dat Knausgård zou aankondigen te stoppen met schrijven. De laatste zin was al berucht en besproken en is nu dan ook eindelijk écht vertaald (helaas is net in deze cruciale zin een zetfout geslopen): ‘Daarna nemen we de trein naar Malmö, stappen in de auto en rijden we naar huis, en die hele rit zal ik genieten, echt genieten, van het idee dat ik geen schrijver meer ben.’ “De stront en het kwaad: Vrouw, deel VI van Karl Ove Knausgård – Mijn strijd” verder lezen

Real-time autobiography: presentation @ Mix Digital 3, Bath Spa University, July 2nd 2015

Real-Time Autobiography: Autofiction and Autofiction

‘Autofiction’ has been named as ‘the future of the novel’ again, based on the work of authors such as Ben Lerner, Karl Ove Knausgård and Sheila Heti. The mid-20th century term takes on a new meaning by operating explicitly in the context of a digitalised environment. It bears the notion of self-referentiality but also one of automation – while at the same time echoing the surrealist concept of automatic writing. As such, an understanding of autofiction as ‘real-time autobiography’ can tie the concept of ‘uncreative writing’ and remix culture to digital writing as self-expression, as seen in the context of blogging and social media.

Het experiment lijkt maar half af. Keldercast #9: Eimear McBride, Een meisje is maar half af

Deze maand buigt de Keldercast zich over een veelbesproken debuut. Eimear McBride schreef Een meisje is maar half af (A Girl is a Half-Formed Thing) in een half jaar, maar niemand wilde het hebben, en het lag negen jaar op de plank. Toen het uiteindelijk uitkwam, won het twee grote prijzen en kreeg vele lovende recensies. Maar Miriam en Nikki zijn nog niet zo snel overtuigd; is het wel zo experimenteel? En moet het nou allemaal zo zwaar? Van de (honderd jaar oude) taalvernieuwing van James Joyce tot de drang om te zondigen – de Keldercast zoekt het tot op de bodem uit.

En dan de tips voor deze maand. Emy kan er geen genoeg van krijgen en tipt een ander Iers boek over religie, Miriam laat vast wat los over de nieuwe Knausgård en Nikki haalt een groot datavisualisatieprentenboek tevoorschijn.

Online (kunst)kritiek // Hybrid criticism

Bij de presentatie van het nieuwste nummer van tijdschrift Kunstlicht op vrijdag 18 oktober had ik de eer iets te mogen zeggen over online kunstkritiek. Vanuit mijn eigen ervaring in de online literaire kritiek en met de overgang naar digitaal publiceren, kwam ik uit op wat ik heb genoemd: hybrid criticism. Hieronder mijn praatje.

Slide01

Goedenavond allemaal. Ik ben blij dat ik hier ook iets mag zeggen. In het voorjaar was ik samen met Daan Stoffelsen bezig een bijdrage te schrijven voor dit Kunstlicht-nummer getiteld Art criticism in the networked age, maar vanwege (heuglijke) persoonlijke omstandigheden – hij werd vader – hebben we het niet gehaald om het op tijd af te maken. Nu kan ik toch wat dingen delen waar ik toen over heb nagedacht. In hoofdzaak gaan die over online literaire kritiek en wat ik heb genoemd hybrid criticism. “Online (kunst)kritiek // Hybrid criticism” verder lezen

Dit is een mens. Over Karl Ove Knausgård – Mijn strijd deel 5: Schrijver

knaus5Voor Athenaeum besprak ik Schrijver, deel 5 van Karl Ove Knausgårds romancyclus Mijn strijd. Het is opvallend hoeveel recensenten zeggen niet te weten of begrijpen waarom iedereen, zijzelf incluis, die Knausgård zo verslavend goed vindt. Ze zouden toch de expertise moeten hebben – en worden daar over het algemeen voor betaald – om juist over dat soort vragen na te denken en daar vervolgens iets zinnigs over op te schrijven.

Na mijn stuk voor De Gids en eerder het videoblog, hierbij mijn volgende poging.

Lees verder bij Athenaeum of hieronder: Dit is een mens. “Dit is een mens. Over Karl Ove Knausgård – Mijn strijd deel 5: Schrijver” verder lezen

Op zoek naar het verscholen kwaad – Over Mijn strijd van Karl Ove Knausgård

knaus-gidsMijn artikel over Mijn strijd van Karl Ove Knausgård, dat ik schreef voor De Gids is online te lezen of hieronder: Op zoek naar het verscholen kwaad

Seks en schrijven, daar draait het om in het leven van de achttienjarige Karl Ove Knausgård. In Nacht, het vierde deel van de Noorse romancyclus Mijn strijd, droomt de jonge Knausgård van een groots en meeslepend leven – een schrijversbestaan vol drank en vrouwen en meesterwerken. Het ‘tussenjaar’ uit het leven van de schrijver is een scharnierpunt: wat hij aan het begin niet heeft – ervaring met seks en met schrijven – heeft hij aan het eind bereikt. Maar dat betekent niet het einde van zijn innerlijke strijd met het verleden, het geheugen en misschien zelfs met het kwaad.

De jongeman trekt vers na het eindexamen naar een godvergeten vissersdorp aan de Noord-Noorse kust om als leraar aan de slag te gaan op het plaatselijke schooltje. Niet omdat hij zo graag de kinderen wil onderwijzen, maar om een begin te maken met zijn schrijverschap. Daar zal hij de tijd hebben om verhalen te schrijven, in alle eenzaamheid – hoewel meisjes natuurlijk welkom zijn. Een verlangen naar eenzaamheid gepaard aan een verlangen naar meisjes, dat is het eerste mankement van zijn plan. Het tweede: in een dorp met een paar honderd inwoners ben je nooit alleen, en geldt ‘ik moet schrijven’ niet als een valide excuus. Het derde: de begeerte naar ervaring staat de ervaring in de weg.

Het ‘tussenjaar’ in het leven van de schrijver dat in dit deel centraal staat, is op beide vlakken een scharnierpunt: wat hij aan het begin niet heeft – ervaring met seks en met schrijven – heeft hij aan het eind bereikt. Maar dat betekent niet het einde van zijn innerlijke strijd met het verleden, het geheugen en misschien zelfs met het kwaad.

teit die we kennen uit de eerdere delen van Mijn strijd (Vader, Liefde en Zoon) bereikt in Nacht nieuwe hoogtes. Dit is een 18-jarige ten voeten uit. ‘Waar had iemand met zulke rode wangen die zo graag in het bos wandelde, zo’n grote lul voor nodig? dacht ik. Wat moest hij ermee?’ Het probleem is dat de jongen zelf niet weet wat hij met dat ding tussen zijn benen aan moet. Hij heeft nog nooit gemasturbeerd (daarin is hij een uitzonderlijke 18-jarige) en lijdt daarom onder vroege zaadlozingen. Een meisje hoeft maar naar hem te kijken of hij komt al klaar. Ondertussen schrijft hij na zijn lessen het ene verhaal na het andere, naar voorbeeld van bewonderde schrijvers en puttend uit het eigen (nog zo korte) verleden.

De bijna manische afwisseling van licht en zwaarte in het leven van de jonge schrijver wordt gespiegeld in de nacht, die in het Noord-Noorse Håfjord (een fictieve naam) ’s zomers niet donker wordt en in de wintermaanden haast 24 uur duurt: ‘Zwaar en ondoordringbaar lag het [donker] over het dorp heen toen ik op vier januari in de loop van de ochtend met de bus kwam aanrijden, niet open zoals soms als de lucht helder was en de sterren ver weg in het heelal blonken, maar zwaar en ondoordringbaar als op de bodem van een dichtgespijkerde bron.’

Knausgård beschrijft in dit deel een periode vol puberale obsessies, een overgangsfase die vooral betekenis krijgt door wat de lezer uit de eerdere delen al weet. Misschien dat Nacht daarom op zichzelf staand niet het sterkste deel van de reeks is. Toch blijf je lezen in wat ik maar het Knausgård-tempo noem. Je moet dóór. Als tv-drama ‘the new literature’ is, zoals Salman Rushdie zich heeft laten ontvallen, dan is Knausgård het antwoord op de televisieserie die je seizoen na seizoen, dvd-box na dvd-box verslindt. Met elk deel dat in het Nederlands verschijnt, krijg je meer zicht op de terugkerende verhaallijnen en thema’s en zo begint zich een antwoord te vormen op de vraag waarom Mijn strijd zo verslavend is.

Dat heeft allereerst te maken met Knausgårds werkwijze. Na een aantal onbevredigende aanzetten tot fictie besloot hij zijn eigen leven als inzet te nemen. De eerste zin van Mijn strijd was een deur die opendraaide naar een verzonken wereld. ‘Voor het hart is het leven simpel: het slaat zolang het kan.’ Het is de eerste zin van het eerste deel, Vader, en ook daadwerkelijk de eerste zin die hij schreef. Het geheugen opende zich om ongefilterd op het papier te worden uitgestort. Behalve Vader zijn de romans niet geredigeerd en heeft hij ze niet teruggelezen, maar dat betekent niet dat de herinneringen in brokstukken en halve zinnen neergepend zijn. Hoe Knausgård zonder schema, herschrijven of redactie een duizenden bladzijden tellende cyclus als Mijn strijd heeft kunnen voltooien blijft onvoorstelbaar, al moet je natuurlijk nooit klakkeloos aannemen wat schrijvers zelf over hun werkwijze zeggen.

Knausgård streeft naar volledige transparantie, hij wil niets achterhouden en niets oppoetsen. Zoals hij in het VPRO-programma Boeken op reis vertelde, plaatst hij de literatuur en de literaire kunst boven alles. Als de roman daarom vraagt, zal hij zelfs zijn geliefden eraan offeren. De stroom herinneringen is geclusterd in verhalen – de dood van de vader (deel 1), huwelijk en vaderschap (2), de jongensjaren (3), het scharnierpunt naar volwassenheid (4) en het debuut als schrijver (5). Het laatste en zesde deel gaat over het leven ná het verschijnen van de eerdere delen en bevat ook beschouwingen over Hitler en Anders Breivik. Zo ontstaat een gestileerde openheid die een deel van de aantrekkingskracht vormt, maar niet het verslindende karakter van het Knausgård-lezen verklaart.

Wat maakt nu precies dat je steeds maar doorjakkert, met het onrustige gevoel niet alles te weten en te begrijpen? Dat heeft eerder te maken met de vraag wat het geheugen laat liggen. Niet alleen zijn de ‘ongefilterde’ herinneringen gestileerd, ook de transparantie van het geheugen lijkt bij nadere beschouwing maar schijn.

De vraag naar de status van het geheugen delen deze memoires met het werk van die andere meester van het herinneren: Marcel Proust. Te pas en te onpas halen recensenten Knausgårds zelfverklaarde inspiratiebron aan. Ja, ook Proust schreef duizenden pagina’s over zijn leven. Knausgård noemt hem al vroeg in Vader en dat wordt gretig – en nogal gratuit – overgenomen. Terwijl die nadrukkelijke verwijzing verder gaat dan de omvang en aard van het werk: ze zet je op het spoor van het geheugen als thematiek.

Bij Knausgård geen mémoires involontaires die getriggerd worden door een madeleine of een scheve stoeptegel. Hier staan de sluizen vanaf de eerste zin open. Het gevoel voor detail is fenomenaal, de over honderden pagina’s uitgesponnen scène waarin Karl Ove met zijn broer Yngve het huis opruimt nadat zijn vader is overleden, is inmiddels befaamd: alles wordt benoemd, van de gebruikte schoonmaakmiddelen tot de kledingstukken die in een hoek liggen weg te rotten. In Nacht zijn er opsommingen van alle langspeelplaten die de jonge leraar bezit en wat die stuk voor stuk voor hem betekenen. Je gelooft het meteen: die platen hebben bij gebrek aan een kast tegen de muur van het appartementje gestaan, precies in die volgorde.

Toch lijken al die details ook iets te verbergen. Juist het knagende gevoel dat het belangrijkste onbesproken blijft, drijft je voort. Het is een beproefd stijlmiddel: de schrijver bouwt de spanning op door niet alles meteen te vertellen. Wat heeft die vader gedaan waardoor zijn kinderen voortdurend in angst leefden? Waarom greep moeder eigenlijk niet in? Blijft Karl Ove bij zijn vrouw en waarom blijft zij eigenlijk bij hem? Vragen die gaandeweg deels beantwoord worden, maar die steeds verder terugverwijzen naar onopgehelderde zaken die met de hoofdpersoon zelf te maken hebben. De stroom aan details verbergt de bron waar ze uit voortkomen: het gapende gat in Knausgårds innerlijk.

Naarmate je verder komt in Nacht, valt nog iets anders op. Hoe scherp Knausgårds oog voor details uit lang vervlogen tijden ook mag lijken, hij stelt ondertussen steeds de betrouwbaarheid van het geheugen ter discussie. Dat heeft deels te maken met iets waar hij naast schrijven en het uitstellen van de zaadlozing de nodige ervaring in opdoet, namelijk dronken worden. Vaak is na zo’n zuipfestijn een deel van de nacht verdwenen uit zijn herinnering, in de alcoholische roes zijn hele uren verdampt. Hij vreest de ergste dingen gedaan te hebben zonder het nog te weten.

Ik zag haar voor me in een greppel, gewurgd en met gescheurde kleren.
Nee, nee, wat een onzin.
Maar het beeld keerde terug. Irene in een greppel, gewurgd en met gescheurde kleren.
Hoe kon dat beeld nu zo scherp zijn? Die blauwe broek met die heerlijke mollige bovenbenen erin, een witte bloes die opengerukt was, een stukje van een naakte borst, haar blik volkomen leeg. De modder in de greppel met hier en daar wat grassprieten, geel en groen, dat waanzinnige licht laat in de nacht.
Nee, nee, wat een onzin.
Hoe was ik thuisgekomen?

Alleen door het feit dat er geen lijk gevonden wordt, weet hij zeker dat hij het meisje van die avond slechts gezoend heeft. Het vermoeden van een misdaad, dat in de mist van het geheugen sluimert, doet terugdenken aan een gesprek uit Liefde tussen Karl Ove en zijn vriend Geir, dat jaren na zijn tijd in Noord-Noorwegen plaatsvindt. Geir beweert dat Karl Ove als jonge leraar een relatie heeft gehad met een 13-jarig meisje (onderwerp van Knausgårds onvertaalde debuutroman Ute av verden [Niet van deze wereld]). Knausgård ontkent – dat was fictie! – maar twijfelt hevig aan zichzelf. In Nacht is dan het moment gekomen dat deze verwarring omtrent een verboden liefde opgehelderd zou moeten worden. Dat gebeurt niet. We krijgen wat aanwijzingen: er is een relatie met een ouder meisje, er zijn meisjes als nimfijnen, maar het gesprek met Geir bestaat alleen nog in de herinnering van de lezer.

Al op vroege leeftijd is Knausgård bang voor de onbetrouwbaarheid van zijn herinneringen, want een onbetrouwbaar geheugen hoort bij een onbetrouwbaar persoon, en een onbetrouwbaar persoon, dat is zo iemand als zijn gehate vader. Als de 17-jarige Knausgård zijn oude school terugziet, lijkt hij vooral blij te zijn dat zijn geheugen hem niet in de steek heeft gelaten: ‘Ik liet Cecilies hand los, liep ernaartoe en drukte mijn hand tegen de zwartgebeitste planken. Die school bestond werkelijk, was niet alleen iets in mijn verbeelding.’ Een gebouw is tastbaar bewijs, je kunt het aanraken. Maar als het gaat om relaties en mensen, op wie kun je dan vertrouwen? En waarop kan de lezer vertrouwen, als de memoireschrijver hele stukken uit zijn verleden mist?

Knausgård is net als Proust een meester in het beschrijven van mensen. Evenals Proust beschrijft hij hen van buiten – het zijn dan ook geen fictieve personages in wier huid hij kan kruipen. Zoals de kinderen in zijn klas: ‘De leerlingen zaten aan hun tafeltjes alsof ze uit een centrifuge geslingerd waren.’ Maar terwijl Knausgård via gebaren, lichaamshouding en stembuigingen de mensen om hem heen karakteriseert, en daarbij lijkt door te dringen tot hun kern, blijkt er bij hemzelf steeds een enorme discrepantie tussen binnen- en buitenkant te bestaan. Herhaaldelijk beschrijft hij hoe hij van buiten verstart terwijl van binnen zijn gevoel blijft stromen. De afstand tussen de buitenwereld en het zelf dat in het lichaam gevangen lijkt te zitten, is even moeilijk te overbruggen als die tussen herinnering en werkelijkheid. Lesgeven, met meisjes praten, op feestjes meedoen: het sociale is in het beste geval theater. De inzet van Mijn strijd is het demasqué van dit theater, de sluier van de fictie verscheuren, om met Alain Finkielkraut te spreken. Door de sluizen van de herinnering open te zetten, wil Knausgård de naakte mens tonen en zo de afstand opheffen. Het belangrijkste wapen in zijn strijd is echter het onbetrouwbare geheugen zelf, waarin op cruciale plekken gaten vallen. De afstand is onmogelijk te overbruggen.

Wat de lezer ten slotte definitief in de greep houdt, is dat wat steeds buiten zicht en bereik blijft, te maken heeft met het kwaad. In de afgrond tussen verleden en herinnering, tussen binnen- en buitenkant ligt de mogelijkheid van het kwade. Knausgård strijdt met dat wat verborgen ligt in de uithoeken van hemzelf, daar waar de stormvloed van het geheugen niet komt. Typerend voor die gespletenheid zijn de terugkerende passages waarin hij zichzelf van buiten ziet. In Nacht lezen we: ‘Ik liet me op de bank vallen en deed mijn ogen dicht. Ik had een onbehaaglijk gevoel, alsof er buiten elk moment iemand naar binnen kon staan kijken, naar mij, ja, alsof iemand dat op dit moment deed.’ Uit Zoon:Mijn eigen spiegelbeeld in het raam bracht ik ook in verband met deze wezens uit de dood, misschien wel omdat het alleen verscheen als het buiten donker was, maar dat was een afschuwelijke gedachte, mijn eigen spiegelbeeld in de zwarte ruit te zien en te denken dat dat beeld niet ik was, maar een dode die bij mij naar binnen loerde.’ In Liefde volgt een soortgelijk visioen op het hierboven aangehaalde gesprek met Geir.

In zekere zin verbaast het dan ook niet dat na het vijfde deel, dat in het voorjaar van 2014 in vertaling verschijnt, de reeks wordt afgesloten met een dikke pil waarin Hitler en Breivik worden opgevoerd, beiden het kwaad in eigen persoon. Knausgård verwijst in zijn analyse van Breiviks gruweldaden naar een moeilijke jeugd. Misschien wil hij door terug te gaan in zijn eigen geschiedenis ook het kwaad in zichzelf begrijpen. De vraag is of dat mogelijk is, als de toegangspoort van het geheugen tegelijk open en dicht staat, als de Noord-Noorse nacht die duisternis brengt en heel soms 24 uur lang licht blijft.

Karl Ove Knausgård – Mijn strijd

knausgard

– Voor het hart is het leven simpel: het slaat zo lang het kan. (Eerste zin van Karl Ove Knausgård, Mijn strijd, Deel 1, Vader)

‘Ik ging zitten, schreef de eerste zin en vervolgens kwam de rest als een stortvloed naar buiten, zes delen, 3500 bladzijden.’ Daaraan ging een lange periode van frustratie en niet-werken vooraf – niet een incubatietijd waarin de zes delen rijpten in het hoofd of in het hart, maar van mislukte projecten en een algehele twijfel aan de literatuur. Knausgård vertelde er vorige maand over bij Borderkitchen in Den Haag. Enkele dagen daarvoor maakte ik mijn videoblog voor VPRO boeken (zie hieronder). Ik moest mijn lofzang beginnen met die openingszin. ‘Voor het hart is het leven simpel: het slaat zo lang het kan.’

Mijn zus gaf me het eerste deel, Vader, als kerstcadeau. Ik was vast van plan om eerst die vijf andere boeken uit te lezen waarin ik bezig was. Maar zoals vroeger als ik naar de bibliotheek was geweest en van elk geleend boek alvast de eerste bladzijde las, opende ik ook Vader, gewoon om hem even aan te breken, alvast van mij te maken. Ik las de eerste zin. Toen de eerste bladzijde. En een week later waren de 445 pagina’s verslonden en stond ik in de boekwinkel met deel twee in mijn handen.

Je moet natuurlijk nooit blind vertrouwen op wat een schrijver zelf zegt over het ontstaan van zijn werk. De vreemde parallellie in wat Knausgård verklaarde over zijn schrijfproces en mijn – particuliere – leesproces doet me toch in hem geloven. In elk geval wil ik het geloven. De eerste zin die een stortvloed teweegbrengt verbindt mij als lezer aan hem als schrijver. Na afloop van het interview liet ik mijn boek signeren en vroeg ik hem of die eerste zin die hij schreef ook daadwerkelijk de eerste zin is zoals die in het boek terecht is gekomen. Dat is immers niet vanzelfsprekend. Hij keek me wat bevreemd aan: ja natuurlijk is dat dezelfde eerste zin. Misschien vroeg hij zich af of ik niet goed had opgelet, hij had toch ook verteld hoe hij niets van wat hij schreef had teruggelezen, laat staan geredigeerd. (Ook op zo’n uitspraak moet je natuurlijk niet blind vertrouwen.)

Goed, die eerste zin was terecht de opening van mijn videoblog. Dertien woorden leiden tot een bladzijde, tot niet meer kunnen stoppen, tot zes delen. Drie daarvan zijn inmiddels verschenen, de overige worden de komende twee jaar gepubliceerd. Het is een beetje zoals één aflevering kijken van een serie en dan maandenlang onrustig heen en weer draaien, wachtend op de volgende seizoenen.

Waarom kun je niet stoppen? Twee dingen. Of eigenlijk drie.

Knausgård schrijft psychologische thrillers, maar dan in de ware zin van het woord. Beangstigend, spannend, het draait om lijfsbehoud. Maar dan werkelijk psychologisch. Er is geen plot dat draait om lijken en bloed (hoewel er ook lijken en bloed in voorkomen, die niet minder dan huiveringwekkend zijn), de lijken en het bloed zijn verinnerlijkt. De angst is alom aanwezig, maar niet als een moordenaar die achter een prachtige dame aan zit, maar in het leven, in jezelf. Knausgård beschrijft hoe hij opgroeit onder de constante dreiging van zijn onberekenbare vader en later leeft met zijn onberekenbare zelf. Maar de vinger krijg je er steeds niet helemaal achter. Dat komt omdat die schaduw tegelijk in hemzelf zit en erbuiten, steeds is ie er als een spiegelbeeld dat je ontglipt.

– Mijn eigen spiegelbeeld in het raam bracht ik ook in verband met de deze wezen uit de dood, misschien wel omdat het alleen verscheen als het buiten donker was, maar dat was een afschuwelijke gedachte, mijn eigen spiegelbeeld in de zwarte ruit te zien en te denken dat dat beeld niet ik was, maar een dode die bij mij naar binnen loerde. (Deel 3, Zoon)

Knausgård kreeg bij Borderkitchen ruim de tijd om voor te lezen uit het onlangs vertaalde deel drie, Zoon. In het Noors, met de Nederlandse tekst achter hem geprojecteerd. Een meeslepende voorlezer, dat moet gezegd. Knausgård ziet er uit als een rockster, zoals steeds maar wordt herhaald. Zittend in de stoel kwam hij wat verlegen over, maar staande op het podium – niet achter een katheder maar gewoon, los in de ruimte, een slecht werkende microfoon in de hand – las hij en las hij, wiegend op de cadans van het Noors, het publiek voorovergebogen in de stoelen, met grote, gehypnotiseerde ogen.

Een lange passage over zijn jeugd, als het ware gecomprimeerd in één dag, één dorp, één landschap. Het doelloze fietsen, de verwondering over bouwvakkers met een privéleven en over rioolputten waar soms mannen in verdwijnen, auto’s, vriendjes, je broer. De angsten, voor de vos, voor het zeemonster, voor een man zonder hoofd op tv. Voor je eigen spiegelbeeld, dat als een dode bij je naar binnen loert. Ik hoorde Knausgård lezen en lezen en toen hij afsloot met die passage die ik daags daarvoor zélf voor een onzichtbaar publiek had voorgelezen, was het bijna alsof ik bij hem naar binnen loerde.

– Ik stond alleen in de kamer in het halfdonker voor de boekenkast terwijl zij binnenkwam om iets te halen. Ze wist niet dat ik daar stond. Met de stemmen en het geruis van de ventilator in de keuken op de achtergrond glimlachte ze bij zichzelf. Haar ogen schitterden. O, ik was zo blij toen ik dat zag, maar ook verdrietig, want het was niet de bedoeling dat iemand zou zien hoeveel het voor haar betekende dat we er waren. (Deel 2, Liefde)

Het is heus niet alleen dood en doemdenkerij. Wie beschrijft zo mooi de zomer, de natuur, jonge meisjes en ook reuzenstijves. (Ja, reuzenstijves.) Wat ontroert is Knausgårds inzicht in andere mensen. Hij weet in één alinea op een totaal idiosyncratische manier de mensen om hem heen neer te zetten (zoals Dostojevski dat ook kan, door bijvoorbeeld te laten zien hoe een handgebaar dat iemand te pas en te onpas gebruikt alles blootlegt over zijn karakter. En dat dan meteen ontkrachten door de handeling die erop volgt).

Zijn vader is een klootzak, hoewel dat te makkelijk klinkt, als was hij een vervelende buurman. Hij is ook een schaduw die overal opduikt en alles weet, maar als je hem wilt vastpakken, grijpen je vingers in de lege lucht. De anderen – geliefden, vrienden, kinderen – zijn stuk voor stuk individuen die de volle aandacht waard zijn en ook krijgen. Elk mens lijkt voor Knausgård een uniek specimen te zijn dat hij door observatie wil doorgronden. Niet om die mens in te delen bij een type of om hem te ontmaskeren, maar om vanuit een neutraal oogpunt te begrijpen wat haar beweegt of wat in haar jou doet bewegen. Al is het je eigen kind. Mijn strijd is daardoor niet alleen een psychologische thriller, maar ook haast een literatuur der psychologieën: ‘Haar ogen schitterden. O, ik was zo blij toen ik dat zag, maar ook verdrietig, want het was niet de bedoeling dat iemand zou zien hoeveel het voor haar betekende dat we er waren.’

Het is verslavend, ik zei het al, zoals die dvd-serie. De belangrijkste pool in het werk is wel de afwisseling tussen alles opschrijven, detail na detail (gelukkig niet alleen van de natuur of het uiterlijk van mensen) en tegelijk het belangrijkste slechts impliceren. Dit schrijft Knausgård over een bezoek aan het theater, dat doorslaggevend is voor het opnieuw uitvinden van zijn schrijven – een vrij accurate beschrijving van wat hij zal aanvangen met Mijn strijd:

– er was sprake van een zekere verwachting, alsof er iets op de loer lag. … Ik ben er niet langer zeker van wat ik heb gezien, alle details verdwenen in een toestand die ze opwekten, die van absolute intimiteit, op een en hetzelfde moment gloeiend heet en ijskoud. (Deel 2, Liefde)

Die toestand, die moet je willen ondergaan. Eén zin brengt je duizenden bladzijden verder. Deel vier – Nacht – verschijnt in het najaar van 2013, en zo’n onderbreking van je verslaving is irritant maar ik denk ook wel gezond. Lezen passé? Onze tijd vraagt om dikke boeken, waar we seizoen na seizoen mee voort kunnen. Mensen om van te houden en te verafschuwen, een spiegelbeeld waarin we onszelf herkennen, al is het in de schaduw achter een donker raam.
We hebben drie delen.
We krijgen nog drie delen.
U bent gewaarschuwd.

[Dit is de tekst van mijn videoblog, uitgebreid en aangevuld met indrukken van de Borderkitchen-avond op 19 maart 2013 in Den Haag.]

 

Videoblog: Karl Ove Knausgård – Mijn strijd als boekenweektip

Ontdekking van het jaar is voor mij de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård. Voor VPRO mocht ik een videoblog opnemen (ook wel bekend als vlog) en uiteraard koos ik als tip voor de Boekenweek zijn roman in zes delen Mijn strijd. De eerste drie – Vader, Liefde en Zoon – zijn inmiddels verschenen, nu is het wachten op de afsluitende delen. Mijn bijdrage is nu te zien op de site van VPRO Boeken of gewoon hieronder.

 

Beste boeken 2012

word-existentialist

De lijst staat verder naar beneden, eerst de Bookpedia-statistieken:

Ik las dit jaar 40 boeken boeken, waarvan 5 grotendeels gelezen.
Mee bezig: de teller staat op 8, nadat een aantal terug zijn gebracht op Ongelezen of Niet uitgelezen. Waanzin.

Uiteindelijk heb ik een stuk minder boeken gelezen dan voorgaande jaren (2008, 2009, 2010, 2011). Dat heeft zo z’n redenen, ik ben aan een nieuwe baan begonnen waar ik veel losse dingen voor heb gelezen – boeken die ik voor het grootste gedeelte heb doorgewerkt zijn meegeteld.

Een andere reden: er zijn maar weinig boeken geweest die me zodanig hebben meegesleept dat ik ze als een hongerige wolf heb verslonden. Een matig boekenjaar dus, in mijn optiek.

Ik las vooral veel filosofie en essays, de uitgeverijen Lemniscaat en Boom zijn beter vertegenwoordigd dan de grote literaire jongens. Bijna de helft stamt uit 2012 – mijn conclusie: minder nieuwe boeken lezen en meer oude zal het leesgenot misschien weer doen verhogen.

Gemiddeld aantal sterren: 3,175. Wat inderdaad een zeer gemiddeld getal is.
Waarvan twee keer 1 ster (dat is nog nooit voorgekomen denk ik) (hier en hier vind je welke dat zijn).
En ook slechts twee keer 5 sterren (tekenend).

Voor wie zijn die vijf sterren dan?
Ten eerste Gary Cox – Word existentialist die me inspireerde tot een heus manifest.

En twee, een boek dat ik nota bene al gelezen had, jaren terug, en nu onderwerp was van de leesclub waar iedereen jaloers op mag zijn, Bier met Boeken: Vladimir Nabokovs Pnin.

Nu ik erover nadenk is Bier met Boeken misschien wel mijn beste ‘boek’ van het jaar.

Vooruit, er was natuurlijk meer moois. Hier dan:
André Aciman – Alibi’s. Essays over elders. Een intellectueel genot, zeker ook om een recensie over te schrijven. (Zinnen als herinneringen)
J.M. Coetzee en Paul Auster – Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011. Ook dat recenseerde ik, voor Athenaeum: Een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid.
Dit was toch ook het jaar van mijn ontmoeting met Paul Auster, groot schrijver en groot mens. (Hier mijn verslag)
Susan Cain – Stil. Absolute eye-opener over wat het betekent om introvert te zijn. (Introvert en extravert, de kantoortuin en zure matten)

Lees vooral ook:
Oek de Jong – Pier en oceaan (Mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee)
John Williams – Stoner (Literatuur, liefde, leren, leven: John Williams – Stoner)
Patrick Lapeyre – Het leven is kort en het verlangen oneindig (recensie en een rêverie over de verliefde man)
John Green – Een weeffout in onze sterren. Onlangs in één ruk uitgelezen, prachtig boek over ziekte, dood, liefde en vriendschap en zestien jaar oud zijn.
In een doorwaakte nacht las ik in enkele uren Imre Kertész – Liquidatie. Een heftige ervaring.

De filosofische tips:
Mark Vernon – Een beetje geluk met filosofie. Korte stukjes, maar vol diepgang en nergens maakt Vernon zich er makkelijk van af.
Michael Sandel – Rechtvaardigheid. Erg Amerikaans, maar niemand legt de categorische imperatief van Kant beter uit dan hij.
Bert Keizer – Waar blijft de ziel? Essay voor de Maand van de Filosofie.
Daar hoort ook bij gelezen te worden: Jan Bor – Wat is wijsheid?
(Nu nog mee bezig, dus mag eigenlijk niet: Paul van Tongeren – Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst en op de valreep begonnen aan Karl Ove Knausgård – Vader, een boek dat aan me trekt en duwt en waar ik snel naar terug wil en tegelijk bang voor ben)

Zo bezien was het toch een mooi boekenjaar! Maar mijn wens voor volgend jaar is weer omvergeblazen worden. Is het niet door boeken uit 2013, dan zoek ik ze zelf wel in het verleden.