De stront en het kwaad: Vrouw, deel VI van Karl Ove Knausgård – Mijn strijd

coverLees hier mijn recensie van Vrouw van Karl Ove Knausgård: Knausgårds stront en het kwaad

Veel lezers zullen al iets over Vrouw, het zesde, laatste deel van Karl Ove Knausgårds Mijn strijd, hebben gehoord voordat het in Nederlandse vertaling verscheen. Dat het zou gaan over de ontvangst van het eerste deel, Vader, over de weerslag daarvan op zijn manisch-depressieve vrouw, en dat Knausgård zou aankondigen te stoppen met schrijven. De laatste zin was al berucht en besproken en is nu dan ook eindelijk écht vertaald (helaas is net in deze cruciale zin een zetfout geslopen): ‘Daarna nemen we de trein naar Malmö, stappen in de auto en rijden we naar huis, en die hele rit zal ik genieten, echt genieten, van het idee dat ik geen schrijver meer ben.’ “De stront en het kwaad: Vrouw, deel VI van Karl Ove Knausgård – Mijn strijd” verder lezen

Real-time autobiography: presentation @ Mix Digital 3, Bath Spa University, July 2nd 2015

Real-Time Autobiography: Autofiction and Autofiction

‘Autofiction’ has been named as ‘the future of the novel’ again, based on the work of authors such as Ben Lerner, Karl Ove Knausgård and Sheila Heti. The mid-20th century term takes on a new meaning by operating explicitly in the context of a digitalised environment. It bears the notion of self-referentiality but also one of automation – while at the same time echoing the surrealist concept of automatic writing. As such, an understanding of autofiction as ‘real-time autobiography’ can tie the concept of ‘uncreative writing’ and remix culture to digital writing as self-expression, as seen in the context of blogging and social media.

Het experiment lijkt maar half af. Keldercast #9: Eimear McBride, Een meisje is maar half af

Deze maand buigt de Keldercast zich over een veelbesproken debuut. Eimear McBride schreef Een meisje is maar half af (A Girl is a Half-Formed Thing) in een half jaar, maar niemand wilde het hebben, en het lag negen jaar op de plank. Toen het uiteindelijk uitkwam, won het twee grote prijzen en kreeg vele lovende recensies. Maar Miriam en Nikki zijn nog niet zo snel overtuigd; is het wel zo experimenteel? En moet het nou allemaal zo zwaar? Van de (honderd jaar oude) taalvernieuwing van James Joyce tot de drang om te zondigen – de Keldercast zoekt het tot op de bodem uit.

En dan de tips voor deze maand. Emy kan er geen genoeg van krijgen en tipt een ander Iers boek over religie, Miriam laat vast wat los over de nieuwe Knausgård en Nikki haalt een groot datavisualisatieprentenboek tevoorschijn.

Online (kunst)kritiek // Hybrid criticism

Bij de presentatie van het nieuwste nummer van tijdschrift Kunstlicht op vrijdag 18 oktober had ik de eer iets te mogen zeggen over online kunstkritiek. Vanuit mijn eigen ervaring in de online literaire kritiek en met de overgang naar digitaal publiceren, kwam ik uit op wat ik heb genoemd: hybrid criticism. Hieronder mijn praatje.

Slide01

Goedenavond allemaal. Ik ben blij dat ik hier ook iets mag zeggen. In het voorjaar was ik samen met Daan Stoffelsen bezig een bijdrage te schrijven voor dit Kunstlicht-nummer getiteld Art criticism in the networked age, maar vanwege (heuglijke) persoonlijke omstandigheden – hij werd vader – hebben we het niet gehaald om het op tijd af te maken. Nu kan ik toch wat dingen delen waar ik toen over heb nagedacht. In hoofdzaak gaan die over online literaire kritiek en wat ik heb genoemd hybrid criticism. “Online (kunst)kritiek // Hybrid criticism” verder lezen

Dit is een mens. Over Karl Ove Knausgård – Mijn strijd deel 5: Schrijver

knaus5Voor Athenaeum besprak ik Schrijver, deel 5 van Karl Ove Knausgårds romancyclus Mijn strijd. Het is opvallend hoeveel recensenten zeggen niet te weten of begrijpen waarom iedereen, zijzelf incluis, die Knausgård zo verslavend goed vindt. Ze zouden toch de expertise moeten hebben – en worden daar over het algemeen voor betaald – om juist over dat soort vragen na te denken en daar vervolgens iets zinnigs over op te schrijven.

Na mijn stuk voor De Gids en eerder het videoblog, hierbij mijn volgende poging.

Lees verder bij Athenaeum of hieronder: Dit is een mens. “Dit is een mens. Over Karl Ove Knausgård – Mijn strijd deel 5: Schrijver” verder lezen

Op zoek naar het verscholen kwaad – Over Mijn strijd van Karl Ove Knausgård

knaus-gidsMijn artikel over Mijn strijd van Karl Ove Knausgård, dat ik schreef voor De Gids is online te lezen of hieronder: Op zoek naar het verscholen kwaad

Seks en schrijven, daar draait het om in het leven van de achttienjarige Karl Ove Knausgård. In Nacht, het vierde deel van de Noorse romancyclus Mijn strijd, droomt de jonge Knausgård van een groots en meeslepend leven – een schrijversbestaan vol drank en vrouwen en meesterwerken. Het ‘tussenjaar’ uit het leven van de schrijver is een scharnierpunt: wat hij aan het begin niet heeft – ervaring met seks en met schrijven – heeft hij aan het eind bereikt. Maar dat betekent niet het einde van zijn innerlijke strijd met het verleden, het geheugen en misschien zelfs met het kwaad. “Op zoek naar het verscholen kwaad – Over Mijn strijd van Karl Ove Knausgård” verder lezen

Karl Ove Knausgård – Mijn strijd

knausgard

– Voor het hart is het leven simpel: het slaat zo lang het kan. (Eerste zin van Karl Ove Knausgård, Mijn strijd, Deel 1, Vader)

‘Ik ging zitten, schreef de eerste zin en vervolgens kwam de rest als een stortvloed naar buiten, zes delen, 3500 bladzijden.’ Daaraan ging een lange periode van frustratie en niet-werken vooraf – niet een incubatietijd waarin de zes delen rijpten in het hoofd of in het hart, maar van mislukte projecten en een algehele twijfel aan de literatuur. Knausgård vertelde er vorige maand over bij Borderkitchen in Den Haag. Enkele dagen daarvoor maakte ik mijn videoblog voor VPRO boeken (zie hieronder). Ik moest mijn lofzang beginnen met die openingszin. ‘Voor het hart is het leven simpel: het slaat zo lang het kan.’

Mijn zus gaf me het eerste deel, Vader, als kerstcadeau. Ik was vast van plan om eerst die vijf andere boeken uit te lezen waarin ik bezig was. Maar zoals vroeger als ik naar de bibliotheek was geweest en van elk geleend boek alvast de eerste bladzijde las, opende ik ook Vader, gewoon om hem even aan te breken, alvast van mij te maken. Ik las de eerste zin. Toen de eerste bladzijde. En een week later waren de 445 pagina’s verslonden en stond ik in de boekwinkel met deel twee in mijn handen.

Je moet natuurlijk nooit blind vertrouwen op wat een schrijver zelf zegt over het ontstaan van zijn werk. De vreemde parallellie in wat Knausgård verklaarde over zijn schrijfproces en mijn – particuliere – leesproces doet me toch in hem geloven. In elk geval wil ik het geloven. De eerste zin die een stortvloed teweegbrengt verbindt mij als lezer aan hem als schrijver. Na afloop van het interview liet ik mijn boek signeren en vroeg ik hem of die eerste zin die hij schreef ook daadwerkelijk de eerste zin is zoals die in het boek terecht is gekomen. Dat is immers niet vanzelfsprekend. Hij keek me wat bevreemd aan: ja natuurlijk is dat dezelfde eerste zin. Misschien vroeg hij zich af of ik niet goed had opgelet, hij had toch ook verteld hoe hij niets van wat hij schreef had teruggelezen, laat staan geredigeerd. (Ook op zo’n uitspraak moet je natuurlijk niet blind vertrouwen.)

Goed, die eerste zin was terecht de opening van mijn videoblog. Dertien woorden leiden tot een bladzijde, tot niet meer kunnen stoppen, tot zes delen. Drie daarvan zijn inmiddels verschenen, de overige worden de komende twee jaar gepubliceerd. Het is een beetje zoals één aflevering kijken van een serie en dan maandenlang onrustig heen en weer draaien, wachtend op de volgende seizoenen.

Waarom kun je niet stoppen? Twee dingen. Of eigenlijk drie.

Knausgård schrijft psychologische thrillers, maar dan in de ware zin van het woord. Beangstigend, spannend, het draait om lijfsbehoud. Maar dan werkelijk psychologisch. Er is geen plot dat draait om lijken en bloed (hoewel er ook lijken en bloed in voorkomen, die niet minder dan huiveringwekkend zijn), de lijken en het bloed zijn verinnerlijkt. De angst is alom aanwezig, maar niet als een moordenaar die achter een prachtige dame aan zit, maar in het leven, in jezelf. Knausgård beschrijft hoe hij opgroeit onder de constante dreiging van zijn onberekenbare vader en later leeft met zijn onberekenbare zelf. Maar de vinger krijg je er steeds niet helemaal achter. Dat komt omdat die schaduw tegelijk in hemzelf zit en erbuiten, steeds is ie er als een spiegelbeeld dat je ontglipt.

– Mijn eigen spiegelbeeld in het raam bracht ik ook in verband met de deze wezen uit de dood, misschien wel omdat het alleen verscheen als het buiten donker was, maar dat was een afschuwelijke gedachte, mijn eigen spiegelbeeld in de zwarte ruit te zien en te denken dat dat beeld niet ik was, maar een dode die bij mij naar binnen loerde. (Deel 3, Zoon)

Knausgård kreeg bij Borderkitchen ruim de tijd om voor te lezen uit het onlangs vertaalde deel drie, Zoon. In het Noors, met de Nederlandse tekst achter hem geprojecteerd. Een meeslepende voorlezer, dat moet gezegd. Knausgård ziet er uit als een rockster, zoals steeds maar wordt herhaald. Zittend in de stoel kwam hij wat verlegen over, maar staande op het podium – niet achter een katheder maar gewoon, los in de ruimte, een slecht werkende microfoon in de hand – las hij en las hij, wiegend op de cadans van het Noors, het publiek voorovergebogen in de stoelen, met grote, gehypnotiseerde ogen.

Een lange passage over zijn jeugd, als het ware gecomprimeerd in één dag, één dorp, één landschap. Het doelloze fietsen, de verwondering over bouwvakkers met een privéleven en over rioolputten waar soms mannen in verdwijnen, auto’s, vriendjes, je broer. De angsten, voor de vos, voor het zeemonster, voor een man zonder hoofd op tv. Voor je eigen spiegelbeeld, dat als een dode bij je naar binnen loert. Ik hoorde Knausgård lezen en lezen en toen hij afsloot met die passage die ik daags daarvoor zélf voor een onzichtbaar publiek had voorgelezen, was het bijna alsof ik bij hem naar binnen loerde.

– Ik stond alleen in de kamer in het halfdonker voor de boekenkast terwijl zij binnenkwam om iets te halen. Ze wist niet dat ik daar stond. Met de stemmen en het geruis van de ventilator in de keuken op de achtergrond glimlachte ze bij zichzelf. Haar ogen schitterden. O, ik was zo blij toen ik dat zag, maar ook verdrietig, want het was niet de bedoeling dat iemand zou zien hoeveel het voor haar betekende dat we er waren. (Deel 2, Liefde)

Het is heus niet alleen dood en doemdenkerij. Wie beschrijft zo mooi de zomer, de natuur, jonge meisjes en ook reuzenstijves. (Ja, reuzenstijves.) Wat ontroert is Knausgårds inzicht in andere mensen. Hij weet in één alinea op een totaal idiosyncratische manier de mensen om hem heen neer te zetten (zoals Dostojevski dat ook kan, door bijvoorbeeld te laten zien hoe een handgebaar dat iemand te pas en te onpas gebruikt alles blootlegt over zijn karakter. En dat dan meteen ontkrachten door de handeling die erop volgt).

Zijn vader is een klootzak, hoewel dat te makkelijk klinkt, als was hij een vervelende buurman. Hij is ook een schaduw die overal opduikt en alles weet, maar als je hem wilt vastpakken, grijpen je vingers in de lege lucht. De anderen – geliefden, vrienden, kinderen – zijn stuk voor stuk individuen die de volle aandacht waard zijn en ook krijgen. Elk mens lijkt voor Knausgård een uniek specimen te zijn dat hij door observatie wil doorgronden. Niet om die mens in te delen bij een type of om hem te ontmaskeren, maar om vanuit een neutraal oogpunt te begrijpen wat haar beweegt of wat in haar jou doet bewegen. Al is het je eigen kind. Mijn strijd is daardoor niet alleen een psychologische thriller, maar ook haast een literatuur der psychologieën: ‘Haar ogen schitterden. O, ik was zo blij toen ik dat zag, maar ook verdrietig, want het was niet de bedoeling dat iemand zou zien hoeveel het voor haar betekende dat we er waren.’

Het is verslavend, ik zei het al, zoals die dvd-serie. De belangrijkste pool in het werk is wel de afwisseling tussen alles opschrijven, detail na detail (gelukkig niet alleen van de natuur of het uiterlijk van mensen) en tegelijk het belangrijkste slechts impliceren. Dit schrijft Knausgård over een bezoek aan het theater, dat doorslaggevend is voor het opnieuw uitvinden van zijn schrijven – een vrij accurate beschrijving van wat hij zal aanvangen met Mijn strijd:

– er was sprake van een zekere verwachting, alsof er iets op de loer lag. … Ik ben er niet langer zeker van wat ik heb gezien, alle details verdwenen in een toestand die ze opwekten, die van absolute intimiteit, op een en hetzelfde moment gloeiend heet en ijskoud. (Deel 2, Liefde)

Die toestand, die moet je willen ondergaan. Eén zin brengt je duizenden bladzijden verder. Deel vier – Nacht – verschijnt in het najaar van 2013, en zo’n onderbreking van je verslaving is irritant maar ik denk ook wel gezond. Lezen passé? Onze tijd vraagt om dikke boeken, waar we seizoen na seizoen mee voort kunnen. Mensen om van te houden en te verafschuwen, een spiegelbeeld waarin we onszelf herkennen, al is het in de schaduw achter een donker raam.
We hebben drie delen.
We krijgen nog drie delen.
U bent gewaarschuwd.

[Dit is de tekst van mijn videoblog, uitgebreid en aangevuld met indrukken van de Borderkitchen-avond op 19 maart 2013 in Den Haag.]

 

Videoblog: Karl Ove Knausgård – Mijn strijd als boekenweektip

Ontdekking van het jaar is voor mij de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård. Voor VPRO mocht ik een videoblog opnemen (ook wel bekend als vlog) en uiteraard koos ik als tip voor de Boekenweek zijn roman in zes delen Mijn strijd. De eerste drie – Vader, Liefde en Zoon – zijn inmiddels verschenen, nu is het wachten op de afsluitende delen. Mijn bijdrage is nu te zien op de site van VPRO Boeken of gewoon hieronder.

 

Beste boeken 2012

word-existentialist

De lijst staat verder naar beneden, eerst de Bookpedia-statistieken:

Ik las dit jaar 40 boeken boeken, waarvan 5 grotendeels gelezen.
Mee bezig: de teller staat op 8, nadat een aantal terug zijn gebracht op Ongelezen of Niet uitgelezen. Waanzin.

Uiteindelijk heb ik een stuk minder boeken gelezen dan voorgaande jaren (2008, 2009, 2010, 2011). Dat heeft zo z’n redenen, ik ben aan een nieuwe baan begonnen waar ik veel losse dingen voor heb gelezen – boeken die ik voor het grootste gedeelte heb doorgewerkt zijn meegeteld.

Een andere reden: er zijn maar weinig boeken geweest die me zodanig hebben meegesleept dat ik ze als een hongerige wolf heb verslonden. Een matig boekenjaar dus, in mijn optiek.

Ik las vooral veel filosofie en essays, de uitgeverijen Lemniscaat en Boom zijn beter vertegenwoordigd dan de grote literaire jongens. Bijna de helft stamt uit 2012 – mijn conclusie: minder nieuwe boeken lezen en meer oude zal het leesgenot misschien weer doen verhogen.

Gemiddeld aantal sterren: 3,175. Wat inderdaad een zeer gemiddeld getal is.
Waarvan twee keer 1 ster (dat is nog nooit voorgekomen denk ik) (hier en hier vind je welke dat zijn).
En ook slechts twee keer 5 sterren (tekenend).

Voor wie zijn die vijf sterren dan?
Ten eerste Gary Cox – Word existentialist die me inspireerde tot een heus manifest.

En twee, een boek dat ik nota bene al gelezen had, jaren terug, en nu onderwerp was van de leesclub waar iedereen jaloers op mag zijn, Bier met Boeken: Vladimir Nabokovs Pnin.

Nu ik erover nadenk is Bier met Boeken misschien wel mijn beste ‘boek’ van het jaar.

Vooruit, er was natuurlijk meer moois. Hier dan:
André Aciman – Alibi’s. Essays over elders. Een intellectueel genot, zeker ook om een recensie over te schrijven. (Zinnen als herinneringen)
J.M. Coetzee en Paul Auster – Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011. Ook dat recenseerde ik, voor Athenaeum: Een cadeau dat eigenlijk te mooi is voor de gelegenheid.
Dit was toch ook het jaar van mijn ontmoeting met Paul Auster, groot schrijver en groot mens. (Hier mijn verslag)
Susan Cain – Stil. Absolute eye-opener over wat het betekent om introvert te zijn. (Introvert en extravert, de kantoortuin en zure matten)

Lees vooral ook:
Oek de Jong – Pier en oceaan (Mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee)
John Williams – Stoner (Literatuur, liefde, leren, leven: John Williams – Stoner)
Patrick Lapeyre – Het leven is kort en het verlangen oneindig (recensie en een rêverie over de verliefde man)
John Green – Een weeffout in onze sterren. Onlangs in één ruk uitgelezen, prachtig boek over ziekte, dood, liefde en vriendschap en zestien jaar oud zijn.
In een doorwaakte nacht las ik in enkele uren Imre Kertész – Liquidatie. Een heftige ervaring.

De filosofische tips:
Mark Vernon – Een beetje geluk met filosofie. Korte stukjes, maar vol diepgang en nergens maakt Vernon zich er makkelijk van af.
Michael Sandel – Rechtvaardigheid. Erg Amerikaans, maar niemand legt de categorische imperatief van Kant beter uit dan hij.
Bert Keizer – Waar blijft de ziel? Essay voor de Maand van de Filosofie.
Daar hoort ook bij gelezen te worden: Jan Bor – Wat is wijsheid?
(Nu nog mee bezig, dus mag eigenlijk niet: Paul van Tongeren – Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst en op de valreep begonnen aan Karl Ove Knausgård – Vader, een boek dat aan me trekt en duwt en waar ik snel naar terug wil en tegelijk bang voor ben)

Zo bezien was het toch een mooi boekenjaar! Maar mijn wens voor volgend jaar is weer omvergeblazen worden. Is het niet door boeken uit 2013, dan zoek ik ze zelf wel in het verleden.