Saul Frampton – Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij?

frampton

Op 8WEEKLY: De nabijheid van Montaigne

Montaigne moet wel een van de meest aimabele filosofen zijn. De zestiende-eeuwse humanist en uitvinder van het essay is ook een van de meest leesbare. Zijn nieuwsgierigheid naar wat het betekent om mens te zijn, gewoon in het dagelijks leven, werkt aanstekelijk.

Saul Frampton volgt in zijn aangename boek Speel ik met mijn kat of speelt ze met mij? Montaigne en de kunst van het leven de zoektocht die Montaigne onderneemt – zowel in zijn leven als in zijn werk – naar ‘de mens’. ‘De mens’ dat is tegelijk Montaigne zelf, zoals hij verklaart in de beroemde aanhef van zijn Essays: ‘want ik portretteer mijzelf’, ‘ongedwongen en zonder opsmuk’.

Scepticisme dat niet cynisch wordt
Aimabel is Montaigne door zijn scepticisme dat nooit cynisch wordt, zo laat Frampton zien. Hij is vooral sceptisch tegenover zichzelf. Anderen treedt hij juist met open vizier tegemoet, nieuwsgierig en zonder wantrouwen. Dat is alvast een kunst die de moderne mens vaak genoeg ontbeert.

Montaignes scepticisme is dan ook niet metafysisch aard, maar gericht op de vraag ‘hoe te leven’. Hij toont ons een mens met twijfels, een twijfelend mens, die niet alleen op de wereld staat, maar juist de ander nodig heeft. Niet om de twijfel weg te nemen met eenduidige antwoorden, want die bestaan niet. Pas door te accepteren dat ieder mens een ander is en het lot ongewis, kan er echt contact ontstaan. Scepticisme leidt tot nieuwsgierigheid en nieuwsgierigheid leidt tot medeleven.

‘Natuurlijke verwaandheid’
De kat uit de titel is daar een mooi voorbeeld van. ‘Speel ik met mijn kat of speelt zij met mij?’ is voor Montaigne geen retorische vraag. Het is een uitnodiging om een ander wezen zonder vooroordelen tegemoet te treden. ‘Zodra hij zijn “natuurlijke verwaandheid” van de soortsuperioriteit overwint, is hij in staat haar bewegingen en gebaren te lezen en te begrijpen, net zoals hij dat bij hem kan.’ Het antwoord op de titelvraag is niet of/of, maar en/en. Van ‘ik’ en ‘zij’ worden Montaigne en de kat een ‘wij’.

Het voorbeeld met de kat laat ook zien hoe veel belang Montaigne hecht aan lichamelijkheid en nabijheid, thema’s waar Frampton terecht veel aandacht aan besteedt. De relatie tussen mens en dier is per definitie niet gebaseerd op taal. Gecommuniceerd wordt er niettemin voortdurend – alleen al door in elkaars nabijheid te zijn, te bewegen, en daar intenties mee te hebben (namelijk spelen). Onze bewegingen drukken onze gedachten uit, concludeert Montaigne. Misschien schuilt juist in oppervlakkige gebaren meer waarheid dan in wat we zeggen?

Zelf uitvogelen
Frampton blijft gelukkig verre van de praktische adviezen en activistische taal uit zelfhulpboeken. De lezer mag zelf uitvogelen hoe hij Montaignes zoektocht naar de aard van de mens van nut kan maken in zijn eigen leven. Op heldere wijze verbindt Frampton essays en leven van de filosoof onder thema’s die uiteenlopen van vriendschap tot de wijnbouw (hoewel die twee natuurlijk wel iets met elkaar te maken hebben). De enige vraag die je bij het lezen soms bekruipt is: waarom lees ik nu dit boek en niet de Essays zelf? Maar ook dat kun je wel zien als een verdienste.

Over het gebrek aan decorum dat leven heet

Bamse_dromerig

1. Al meer dan vier maanden stond het aluminium busje met de as van Bamse te wachten op het finale afscheid. Bij het asbusje was een waarschuwing geleverd: deze was niet bestemd voor het bewaren van de as tot in de eeuwigheid, als je de as niet snel zou uitstrooien zou de bus gaan roesten. Begin oktober wist ik me er dan eindelijk toe te zetten. Een zonnige herfstochtend, toevallig werd ik al om acht uur wakker. Met de asbus in mijn tas liep ik naar het Amsterdam-Rijnkanaal.

Hoe doe je dat? As uitstrooien van een huisdier? Moet je daar dan iets bij zeggen of gebaren? Wat als ik zou gaan huilen? Er lopen langs het kanaal altijd mensen met honden, hoe vroeg het ook is. Bij de aangewezen plek, waar een zijtak in het kanaal uitkomt, liep ik van het pad af. Ik had me verkeken op de oever, die twee à drie meter lager ligt. Om de as in het water te strooien moet ik dus half en half naar beneden glijden, de asbus in één hand, de andere achter me in het dauwnatte gras. Schuin naar achteren hellend haal ik het zakje uit de bus en scheur het open. Op z’n kop schud ik het leeg, de as drijft weg op het water. Gelukkig is het windstil. Op handen en voeten, het asbusje heb ik al omhoog gegooid, klim ik weer naar boven. Dat was dat. Het gebrek aan decorum stoort me. Maar wat had ik dan verwacht?

2. Al meer dan zeveneneenhalf jaar geleden is het inmiddels dat we aan het bed van mijn vader stonden. We hebben een afspraak met de dood, het is woensdagmiddag 10 maart. De huisarts – hij die straks de dodelijke injectie gaat geven – is rood aangelopen, het zweet parelt op zijn voorhoofd. Dat is verontrustend, want hij kan zich geen fout veroorloven. Een trillende hand kán gewoon niet. Tegelijk stelt het ook gerust. Stel je voor dat het hem niets deed, het feit dat hij iemand ging doodmaken met instemming van alle aanwezigen.

Nadat het gebeurd is (vergeef me dat ik juist hier zo makkelijk overheen stap), schenken wij overgeblevenen beneden een glas rode wijn in. Dat is mooi, want plechtig. Er moet echter ook gegeten worden. Niet veel later sta ik bij de Chinees te wachten op de babi pangang en foe jong hai. Onderwijl haalt de begrafenisondernemer de dode op; weer terug van de Chinees is hij weg. Hoe kunnen al deze dingen op dezelfde dag gebeuren? Ik verwonder me er nog steeds over. Decorum en gebrek aan decorum, de ergernis die dat opwekt en de verwondering. En troost.

3. Eén keer is een jongen huilend aan mijn voeten gevallen, me min of meer zijn hart op een fluwelen kussen aanbiedend, zich overleverend aan mijn genade. Goed, dat kun je zien als een enorm verlies van decorum van zijn kant, maar het was als een scène uit een ridderroman – het toppunt van decorum waar we wel nooit meer bij in de buurt zullen komen. Of een scène uit een film, een hartverscheurende scène; de ontroering! de kwetsbaarheid! Ik vond het onverteerbaar. Zoveel ernst en overgave, dat trek ik niet. Waar was het gebrek aan decorum dat ik zo hard nodig had?

(Bij Julian Barnes (Alsof het voorbij is) las ik onlangs: ‘Ik heb een godsgruwelijke hekel aan die Engelse gewoonte om serieus zijn niet serieus te nemen. Daar heb ik echt een godsgruwelijke hekel aan.’ Maar degene die deze woorden uitspreekt, pleegt niet veel later zelfmoord.)

4. De dierenarts die Bamse de dodelijke injectie ging geven waardoor ze zou inslapen, had het steeds over ‘euthanasie plegen’. Ze zei precies dezelfde dingen als de huisarts zeven jaar terug. Ik wist niet of ik die twee gebeurtenissen met elkaar in verband mocht brengen, al was het maar in het binnenste van mijn gedachten. Je vader en je kat. Met de instemming van de aanwezigen. Ik hoop dat ik niet nogmaals word gevraagd te beslissen over leven en dood. Vooral omdat de juiste beslissing zo voor de hand liggend was in het zicht van het lijden.

Het was mooi en vredig. Soms moesten we lachen als Bamse toch weer een ademteug nam. Ze was nog steeds sterk, alleen geveld vanaf het middenrif. Bamse had in elk geval geen gebrek aan decorum, ze is altijd een aristocratisch poesje geweest. Toen het dan echt gedaan was, wist ik wel wat ging volgen. Langs de kassa en afrekenen.

5. Het is leven is misschien niet meer dan een opeenstapeling van gebrek aan decorum. Dat betekent niet dat we niet moeten proberen dat gebrek op te heffen. Misschien is het leven het voortdurend proberen het gebrek aan decorum op te heffen. En de dankbaarheid dat dat nooit helemaal lukt. En de troost die dat biedt.

(Of is dit alleen mijn leven?)

De stress van een privacy-gevoelige kat

Twee zieken zijn één geworden, maar wel één andere. Muis loopt weer vrolijk van bank naar etensbakje en de Macbook Pro staat heel stilletjes te wezen op tafel. Maar er zijn meer hondjes die fikkie heten en meer poesjes die ziek kunnen worden. Deze keer is het Olllie. Ollie is gestrest.

Een van de mooiste lezingen die ik ooit bijwoonde was van Marjolijn Februari, op het symposium ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de Radboudstichting. In tegenwoordigheid van koningin Beatrix vertelde zij daar over haar kat. Het was haar opgevallen dat op de zak met kattengrit van de Albert Heijn een waarschuwing staat: ‘Uw kat houdt van privacy. Zet daarom de bak op een rustige plaats.’ Aanleiding voor een beschouwing vol humor en wijsheid over wat privacy en waardigheid betekent. (En waarin zij ook de aloude truc aanhaalde om zenuwen die opkomen bij het spreken voor een groot gezelschap, te bestrijden door je dat gezelschap naakt voor te stellen. Ik herhaal: de koningin zat in de zaal, evenals kardinaal Simonis.)

Nu weet ik wat kan gebeuren als je de kat haar privacy niet gunt: ze raakt gestrest en laat de bak links liggen. Misschien heeft de tekstschrijver van de Albert Heijn dus wel gelijk. Aan de andere kant lijkt dit een uitwas van de privacy-gevoeligheid die Nederland de laatste jaren in zijn greep houdt. Ik heb wel eens gedacht – niet omdat ik het ermee eens ben, maar gewoon omdat de gedachte bij me opkwam – dat die hele heisa over onze privacy die te grabbel ligt, overdreven is. Privacy is een recente uitvinding van de burgerlijke maatschappij. Vroeger konden we prima zonder, waarom nu zo hysterisch erover doen? Zodra je verder denkt, weet je wel waarom: er is per persoon veel meer informatie beschikbaar, die veel vaker en voor veel langere tijd wordt opgeslagen, in systemen die aan elkaar gelinkt zijn en waarvan het ondoorzichtig is wie er toegang toe heeft.

Rijkelijk laat maakte ik me zorgen over mijn eigen privacy, toen ik mijn gerepareerde laptop ging ophalen. Kort en goed: ik had zonder nadenken mijn leven uit handen gegeven aan anonieme reparateurs van Apple. Voor hetzelfde geld (nul euro, want nog binnen de garantieperiode) hadden ze vrijuit kunnen bestellen bij bol.com, tientallen GB aan muziek kunnen kopiëren, kinderporno kunnen downloaden, mijn meesterwerk kunnen plagiëren, mailtjes kunnen versturen vanaf zowel mijn privé- als werkadres, of een totaal lullig blogje kunnen publiceren. En eigenlijk weet ik alleen van dat laatste zeker dat ze het niet hebben gedaan.

Bedenken dat privacy een moderne uitvinding is, doet niets af aan het belang ervan, maar laat misschien wel zien waarom we er zo onverschillig mee omspringen. We moeten niet opnieuw leren er zorgvuldig mee om te gaan, want dat hebben we nooit gedaan. Het is een nieuwe vaardigheid die we nodig hebben. En iedereen weet hoe moeilijk het is om collectief een nieuwe vaardigheid aan te leren.

Misschien dan maar beginnen met de poes. De stress gaat uit de poes door haar meer privacy te gunnen. Wat natuurlijk belachelijk klinkt. Opeens vraag ik me af: was stress misschien ook het probleem van Macbook P., stress veroorzaakt door een gebrek aan privacy? Ik zal het Marjolijn Februari eens vragen. Of anders de koningin.

PS: voorlopig geen kattenblogjes meer, ik beloof het.

Poeslief op de MacBook Pro

bamse_op_macbook

Bamse is verliefd. Niet op Ollie of Muis – hoewel ik uiteraard zou instemmen met zo’n moderne liefdesrelatie – maar op de MacBook Pro. Is dat ook acceptabel? Is liefde voor een apparaat liefde? Hoe dan ook is de liefde tragisch, want onbeantwoord.

Het zal op velen misschien stompzinnig, overdreven of zelfs kwetsend overkomen om zo te praten over verliefdheid: ten eerste gaat het om een poes, ten tweede om een apparaat. Poezen hebben alleen maar instinct, die worden niet verliefd. Hersenonderzoek leert ons echter dat verliefdheid bij mensen ook vooral een kwestie van hormonen is, vermengd met een vleugje mysterie. Katten kunnen die hormonen vast ook aanmaken en van het mysterie hebben zij geen vleugje, maar zijn zij het symbool.

Ik begrijp wel dat Bamse verliefd is op de laptop, want het is een ideale partner voor haar. Hij is mooi, warm en wil niet de hele tijd knuffelen. Hij vraagt niets terug. Als Bamse er lekker op of zelfs tegenaan gaat liggen, reageert de laptop door de toetsenbordverlichting te dimmen of juist het scherm te verhelderen. Ze geeft een kopje en er verschijnen kadertjes met vragen in beeld. Ze rekt zich uit en het scherm buigt toegeeflijk mee.

Soms wil MacBook niets van haar weten. Het scherm is half dichtgeklapt: hij geeft niet thuis. Dan gaat Bamse met rechte rug ernaast zitten, als een wachter. Ware liefde: zelfs als de ander even geen zin in je heeft, blijf je trouw en mag hem niets overkomen. Nabijheid is voldoende.

Er zijn ook strubbelingen. Eenmaal sliep MacBook in zichzelf gekeerd, de rug gevouwen. Hij moest het bekopen met een losgerukte toets. De T van Totale Toewijding moest eraan geloven.

De liefde van Bamse is ook psychologisch te duiden. Vroeger, in Bamses eerste huis, waar ze haar territorium nog niet hoefde te delen met twee andere poezen, had ik ook een laptop. Dat was haar eerste bakvissenliefde. Nu krijgt ze de kans om terug te keren naar dat verloren paradijs van de jeugd. Muis en Ollie hebben niets met de MacBook, hij behoort alleen Bamse toe. Als ze erop gaat liggen en haar ogen sluit, waant ze zich misschien wel weer terug in Lunetten.

Menselijke gevoelens, of laten we zeggen organische, hormonale gevoelens zoals Bamse ze ook heeft, gevoelens voor anorganische wezens (of is een wezen hoe dan ook niet anorganisch?) hebben altijd angst opgewekt. (Nog zo’n fijne hormonale emotie die mens en dier delen.) Zoals bijvoorbeeld in het beroemde verhaal Der Sandmann van E.T.A. Hoffmann, waar de jonge student Nathaniël valt voor de ideale schoondochter Olympia. Zij blijkt een robot en zijn liefde voor haar betekent zijn gruwelijke einde. (Hier is de Engelse vertaling The Sandman integraal te lezen.)

In Japan nemen robots de bejaardenverzorging over. Hoe erg is dat als de bejaarden een betekenisvolle relatie met hun verzorger opbouwen? Ze herkennen in de robot een persoon en voelen zich geliefd. De robot kan zo geprogrammeerd worden dat hij niet alleen bejaarden kan verzorgen, maar ook individuen leert kennen. Het is niet ondenkbaar dat hij zelfs af en toe geprogrammeerd wordt om iets verkeerds te doen, zodat er interactie ontstaat. Wat is belangrijker? Het bereikte resultaat: een goed en veilig, geborgen gevoel – of de oorsprong daarvan: een niet-menselijk (maar niet per se onmenselijk) apparaat?

Blijkbaar willen we er niet aan. In Filosofie Magazine las ik over een gedachte-experiment uit het geluksonderzoek: als je de mogelijkheid krijgt om je vast te koppelen aan een apparaat dat je de rest van je leven een volmaakt geluksgevoel garandeert, doe je dat dan? Iedereen antwoordt hierop met een ferm nee. Dat komt omdat iedereen weet dat geluk bestaat bij gratie van ongeluk. Mensen die met ja antwoorden, kunnen zich ook overgeven aan een drugsverslaving.

En Bamse? Zij heeft het voordeel dat ze niet over dit soort dingen na hoeft te denken. Warmte, licht, een beetje gekibbel, dat is voldoende. Eigenlijk is er dus niets tragisch aan, behalve het baasje dat met een handgebaar de geliefde dichtklapt.

Tussen bank en boot

katten

We zijn acht maanden verder en eindelijk is het dan zover: Bamse ligt dagenlang op de bank te pitten alsof ze nooit anders heeft gedaan. Het was een lange weg – letterlijk. Bamse speelde de rol van outcast met verve, bracht de eerste weken na de verhuizing door onder het bed, zat toen dagelijks in de badkuip, koos toen een hoekje op de overloop, liet zich soms op de trap zien. Twee maanden geleden deed ze de grote sprong voorwaarts door beneden naast de tv te gaan liggen, liet zich af en toe knuffelen op het kleed voor de bank en nu… nu is de meest comfortabele hoek van de bank (toevallig de hoek waar ik altijd zit) van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat ingenomen door onze aartsluie ex-outcast.

Gevolg is dat ik een beetje tussen wal en schip raak: ergens aan de rand van de uitstekende hoek hang ik half tegen de leuning aan, zonder kussen, want dat heeft Bamse nodig. Verderop ligt de man (vraag: waarom liggen mannen op een bank terwijl vrouwen erop zitten?), met poes Muis op schoot. Poes Ollie ligt op haar rug tussen ons in te kronkelen van aaigenot.

Tussen wal en schip: altijd als we met zijn vijven op de bank hangen, krijg ik zo’n opgewonden, kinderlijk gevoel dat de bank eigenlijk een boot is, of een eiland, of een hut voor een geheime club. Ik krijg zin om over de leuning heen op de stoel te klimmen, van daar op de tafel, een rondje maken langs de planten in de vensterbank, via de Bauhausstoelen terug naar het puntje van het kleed, in één sprong de onderste trede van de trap proberen te bereiken, dan tussen twee treden door, net als Bamse, op de box klimmen, langs de tv sluipen en op het randje van de kast heel hard gaan zitten miauwen om een snoepje.

Ik herkende datzelfde gevoel laatst bij Dexter (het allerliefste neefje van de wereld), die op de bank eerst een panter maakte van kussens, vervolgens op mij klom en zich toen via de panter op zijn buik naar beneden liet glijden. Ik mocht zijn enkels beet houden. ‘Wat een leuk spel!’ riep ik. ‘Ik zou precies hetzelfde doen.’ Dat dit geen slappe praat was tegen een tweejarige, werd bevestigd door mijn zus die van een afstandje toekeek hoe Dexter tussen tien kussen van de bank af gleed. ‘Goh, dat deed Miriam vroeger ook altijd.’ Ik voelde meteen mijn genen jubelen.

Jaren geleden, ik moet een jaar of twaalf zijn geweest, was ik met mijn moeder op bezoek bij vrienden in Denemarken. We zaten aan de keukentafel: mijn moeder, ik, en de vriendin van mijn moeder naast mij met haar dochtertje op schoot. Het meisje wiebelde met haar been tegen het mijne aan. Niet expres, niet hard, niet om me weg te duwen, maar gewoon omdat mijn been daar stond en het hare er tegenaan wiebelde.

Het was een aanraking in de categorie waar ook katten patent op hebben. Bamse rolt op haar zij, om eens even lekker haar rug bij te likken, poot als een vlaggenstok de lucht in, en gebruikt mijn heup als steun. Ollie gaat er op bed eens even goed voor zitten (voor het spinnen, of voor het genieten), met mijn scheenbeen als leuning. Het geeft uitdrukking aan een vertrouwdheid die veel verder gaat dan wanneer iemand doelbewust op schoot kruipt (kind of kat) of per se je hand wil vasthouden. Het betekent namelijk dat je volledig in elkaars wereld bent geïntegreerd. En dat dat goed is.

Ik denk niet dat volwassenen snel zo’n gebruik van elkaars lichamelijkheid kunnen nemen. Bij volwassenen heeft aanraking altijd betekenis. Alleen kinderen en dieren vinden het van geen enkel belang dat ze tegen je aan rollen terwijl ze druk bezig zijn met wat dan ook. Het enige belang dat erin steekt is gezelligheid, thuiskomen. Het decembergevoel kan beginnen!

Gek genoeg ken ik die terloopse aanraking die je opeens verbonden doet voelen met de ander ook van de straat. Elke dag fiets ik over zo’n versgelegde pijl op de weg, anderhalve meter bij een meter bij een halve centimeter. Ik fiets altijd recht op de pijl af, en dan over een van de punten. Dan ben je zelfs buiten in het spitsuur thuis. Het gevoel dat het witte kalkplakkaat onder mijn banden geeft is hetzelfde als dat van een kattenlijf tegen mijn scheenbeen. Een terloopse aanraking. Geen betekenis, geen tegenprestatie, geen eisen, maar toevallig, terloops, tevreden.

Daarvoor hang ik graag tussen bank en boot. Welcome aboard Bamse!

Over druipende hersenen en dode huidcellen

Goya_droom_rede

Ik heb Louis van Gaal ontmoet. Ik zag hem langs lopen en riep in zijn oor: ‘Drie nul! Ja!’ Vooruit, het was in een droom. Dat maakt deze ontmoeting voor Van Gaal misschien minder belangrijk, voor mij niet. Dingen die me in mijn slaap overkomen hebben soms meer impact dan het wakende leven. Net zoals kleine, onbeduidende voorvallen soms meer betekenis hebben dan die waar je niet omheen kunt, wier relevantie zo overduidelijk is dat ze saai worden.

Nadat ik Van Gaal had toegelachen stapte ik de kroeg in. Lekker, biertje drinken. Ik was nog niet binnen of ik zag twee jongens, ladderzat, boezemvrienden in hun dronkenschap, de armen om elkaars schouders, pils in de hand. Dat gaat mis, wist ik. En inderdaad, ze namen nog een laatste slok en vielen toen strak achterover met hun kop op de betonnen vloer. Armen om elkaars schouders. Ik keek meteen weg, maar zag aan de gezichten aan de bar dat het waar was – dat hun schedels gekraakt waren en hun hersenen eruit dropen.

Niet kijken, niet kijken, dacht ik en ik keek niet maar zag het toch. (Het was immers een droom, alle beelden hoorden bij mij, ook degene die ik niet wenste te zien.) Ik spande me zo hard in om niet om te kijken naar de boezemvrienden en hun gulp hersenen op de betonnen vloer, dat ik wakker werd. Ik deed mijn ogen open en zag meteen weer de wittige brij, de leeggelopen bierglazen naast hun hoofd, de armen nog steeds om elkaar schouders. Ik moet dit onthouden, dacht ik, hoewel ik het liefst zou vergeten. Maar ik moet morgen toch kunnen vertellen dat ik over Van Gaal heb gedroomd.

Steeds als ik weer wilde gaan slapen, stond ik in de kroeg, een halve slag gedraaid zodat ik de jongens wel moest zien.

’s Ochtends fietste ik naar het station. In de Halmaherastraat zat een kat op wacht. Hij keek alsof hij zich zwaar beledigd voelde omdat ik Halmaherastraat zo’n gekke naam vind. Opeens herinnerde ik me mijn droom weer. Hoe was ik in vredesnaam op dat beeld van die druipende hersens gekomen? Door de kat wist ik het: eens, op een andere ochtend, fietste ik ook naar het station vanaf de andere kant van de stad. Op de busbaan lag een aangereden kat, een zwarte, met witte hersentjes die uit zijn gespleten schedel dropen. In de verte kwam de volgende bus aan. Ik raakte in paniek en ben hard weggefietst. Diezelfde dag heb ik als een soort boetedoening het nummer van de dierenambulance in mijn telefoon gezet, zodat ik de volgende keer (alsjeblieft, laat er nooit een volgende keer zijn!) wél adequaat kan handelen.

Natuurlijk had ik van mijn fiets moeten stappen, de bus tegen moeten houden met wilde armgebaren, aan moeten bellen bij huizen langs de weg, alles moeten doen om te zorgen dat die arme, roemloos gestorven poes niet nog eens overreden zou worden door een harmonicabus van dertien meter. Dat heb ik niet gedaan.

Ik weet dat als ooit mijn leven als een film aan me voorbij zal gaan, ik die kat weer tegenkom. Als een beschuldigende vinger. Chris uit Into the Wild schiet een eland, voor niets, want het vlees begint al bijna meteen te rotten. ‘It is the great tragedy of my life,’ noteert hij in zijn schrift. Het onrecht achtervolgt hem, net als het beeld van die aangereden kat mij achtervolgt. Daar zie je de mens in zijn lelijkste vorm: als hij de dieren niet met respect behandelt.

In de trein gaat een meisje tegenover me zitten. Uit haar tas haalt ze een wattenschijfje en een reinigingslotion. Doodgemoedereerd begint ze haar gezicht schoon te maken, ze slaat geen porie over. Daarna wrijft ze met twee handen een crème uit. Volgt nog een lotion en nog een wattenschijfje. Ik word er onpasselijk van. Ik zie de vuiligheid en de bruine, dode huidcellen voor me op het wattenschijfje dat nu in het prullenbakje belandt. Niet kijken, denk ik, maar ook nu zie ik het toch. En het is niet eens een droom waarvoor ik niemand anders dan mezelf verantwoordelijk kan houden.

Ergens hangt het vieze wattenschijfje samen met de druipende hersenen op een busbaan of betonnen vloer. Die laatste zijn mijn eigen brandmerk, het wattenschijfje is me opgedrongen door een toevallige passant op donderdagochtend acht uur. Ze lijken in geen verhouding tot elkaar te staan. Een droom en de werkelijkheid, dode huidcellen en dode boezemvrienden (die kat was ook iemand zijn boezemvriend). Beide onbeduidend, beide in staat de hele dag te kleuren in het vaalgrijs van drab – uit de schedelpan of uit een porie.

Misschien is het geen toeval dat de aangereden kat, de dronken boezemvrienden-tot-in-de-dood en het wattenschijfje zich zo aan me opdringen. Gisteren begon ik in Dood op krediet van Louis-Ferdinand Céline en las ik als tussendoortje Sokrates’ verdediging van Plato. Dat heb je soms op novemberdagen, dat de dood als een afgevallen herfstblad door de hemel waait.

Daarom, Louis van Gaal: bedankt. Door jou hing er in elk geval ook nog een vaag gevoel van victorie over deze kattige, katerige ochtend.