Het tragische misverstand van Dave Eggers’ The Circle

Bij hard//hoofd een lang stuk over privacy, zelfkennis, en zo nog wat meer gedachtekronkels naar aanleiding van The Circle van Dave Eggers. Met mooie illustraties (o.a. van een blote piemel, dus klik).

Miriam ergerde zich groen en geel aan Dave Eggers The Circle, maar toch laat het boek haar niet los. Wat legt The Circle bloot? Onder meer dat we niet altijd begrijpen wat privacy precies inhoudt. En ja, big data en zo. Maar is het probleem dat bedrijven alles van je weten, of dat we wat ze weten als ‘alles wat er te weten valt’ zien?

Lees verder: Het tragische misverstand van Dave Eggers’ The Circle

Free’s van Bill Callahan en de verjaardag van Søren Kierkegaard

Bill-CallahanKierkegaardb
Wat heeft muzikant Bill Callahan te maken met filosoof Søren Kierkegaard? Je leest het in mijn Nummer van de Dag.

I’m standing in a field
A field of questions
As far as the eye can see
Is this what it means to be free?
Or is this what it means to belong to the free?

Gefeliciteerd met de vader van het existentialisme! En met de nooit terug te geven last van de vrijheid.

En lees ook mijn vorige nummer van de dag over The White Stripes. Meer over Kierkegaard vind je onder Kierkegaard.

Kierkegaard. Een inleiding in zijn leven en werk – Geert Jan Blanken

blanken

5 mei 2013 is de tweehonderdste geboortedag van de Deense filosoof Søren Kierkegaard, wat ongetwijfeld aanleiding zal geven tot lezingen, boeken en artikelen. Ambo publiceert alvast Kierkegaard. Een inleiding in zijn leven en werk van Geert Jan Blanken. En voor 2013 staan bij Uitgeverij Damon, die een uitmuntend uitgegeven Kierkegaardreeks heeft, Opbouwende toespraken in verschillende geest en Wijsgerige kruimels & Johannes Climacus ofwel Men moet aan alles twijfelen op het programma. Twee titels waar Geert Jan Blanken wel raad mee weet.

Geen bouwpakketjes voor het leven
Blanken beperkt zich in zijn inleiding noch tot de bekendste werken uit het oeuvre noch tot de bekendste anekdotes uit de levensloop. Wat weet de gemiddelde krantenlezer over Søren Kierkegaard te vertellen? Hij mompelt wellicht iets over ‘de vader van het existentialisme’, en wappert dan met de handen om de geloofsfanaticus op afstand te houden. Het zijn van die typische karikaturen die een groot denker zich moet laten welgevallen (Kierkegaard had hier al bij leven last van), maar die nu ook weer niet uit de lucht gegrepen zijn. Deze twee thema’s – de existentie en het geloof – komen ook bij Blanken steeds terug, voorzien van een diepgravende context en de nodige nuancering.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Zelfonderzoek dat gegrond is in verbijstering

Het is prettig dat Blanken daarbij niet in de val trapt die in de populariserende filosofie tegenwoordig wagenwijd open staat: je pikt wat bruikbare elementen uit het totale oeuvre van een filosoof, gooit er een actueel en persoonlijk sausje over en verandert een complex filosofisch bouwwerk in een IKEA waaruit je handige bouwpakketjes voor je eigen leven bij elkaar shopt. De al te verontrustende, ingewikkelde of pijnlijke inzichten laat je links liggen of bewerk je tot ze passen in een optimistische, levenskunstige zelfhulpfilosofie. Blanken waarschuwt al meteen: hier geen ‘inspirational quotes’ maar een uitnodiging tot kritisch zelfonderzoek die gegrond is in verbijstering. De titels van twee van Kierkegaards bekendere werken geven al de zwaarte van die verbijstering aan: Het begrip angst en De ziekte tot de dood.

De Romeinse keizer, de kleinburger en het individu

Dit alles neemt niet weg dat Blanken regelmatig een hedendaagse toepassing van Kierkegaards ideeën probeert te geven. Dat werkt het beste als het impliciet blijft, bijvoorbeeld in de beschrijving van Kierkegaards houding ten opzichte van ‘het publiek’, dat hij uitermate negatief beoordeelt (in Een literaire recensie):

‘Kierkegaard vergelijkt het publiek met een Romeinse keizer, die weldoorvoed en verveeld op zoek is naar opvlammende, kortstondige afleiding: een ophitsende schaterlach in plaats van de echte humor. Zo vermaakt het publiek zich — tijdelijk — als iemand eens even stevig wordt afgetuigd in de publiciteit. Maar het publiek voelt zich nog veel minder dan zo’n Romeinse keizer die mensen elkaar in een arena laat afslachten verantwoordelijk voor wat er met die mensen gebeurt. Niemand voelt zich persoonlijk aanspreekbaar. […] Het is of het publiek in de pers een hond heeft gevonden die het op iedereen kan afsturen die zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt. Als de hond zijn nivellerende aanval heeft uitgevoerd, heeft het publiek het gevoel dat niet zij, maar die hond misschien wat agressief is geweest.’

Steeds weer ageert Kierkegaard tegen de kleinburgerlijkheid die in het publiek samengebald is: ‘de enkeling’ is waar Kierkegaard voor schrijft, het gaat erom ‘individu’ te worden. En dat betekent voortdurend verantwoordelijkheid nemen, kiezen, en het bestaan van de mogelijkheid in je leven bevestigen. Dat verklaart natuurlijk het epitheton ‘vader van het existentialisme’ dat de negentiende-eeuwer aankleeft. Maar pas op! Het te gemakkelijke oordelen ligt altijd op de loer. Aan de buitenkant is de kleinburgerlijke man niet te onderscheiden van de ‘ridder van het geloof’. Eigenlijk kan dat alleen van binnenuit. Ook daarom is zelfonderzoek een opgave.

De geloofsfanaticus

Een van de dingen die als eerste terzijde zal worden geschoven in het populariseren van Kierkegaard is dat hij ook iets heeft van een geloofsfanaticus, zoals ik dat hierboven noemde. Maar hoewel de moderne lezer moeite zal hebben met deze rol, is het ‘nog veel lastiger om Kierkegaard zonder het christelijke te willen begrijpen’, schrijft Blanken. Ik beken eerlijk dat ook ik moeite heb de verhandelingen over het geloof te volgen, maar is dat erg? Sinds wanneer is filosofie bedoeld voor herkenning, zoals een middelmatige roman inspeelt op identificatie?

Vrees en beven, Kierkegaards onderzoek naar het verhaal van Abraham die op weg gaat om zijn zoon te offeren gaat nu juist over de absurditeit van zulk geloof. Ervan uitgaan dat je dat zomaar kunt duiden, laat staan navolgen, betekent dat je niet een greintje besef hebt van wat geloof inhoudt. We moeten dat verhaal van een vader die op het punt staat zijn zoon te offeren niet neutraliseren of platslaan tot leerstelling, maar misschien juist niet begrijpen. Het is pijnlijk, onaangenaam en ergerniswekkend — en om die redenen het onderzoeken waard. Kennis of inzicht, van geloof, het zelf, de ander, komt pas dóór de ergernis of de pijn heen. Anders gezegd: daar waar het jeukt moet je krabben.

Een proeven dat smaakt naar meer

Er zijn nog talloze thema’s meer te noemen in het werk van Kierkegaard, maar ook uit deze inleiding van Geert Jan Blanken, die zeker het woord ‘inleiding’ overstijgt. Wat dacht je van de liefde, Kierkegaards grote (levens)thema naast het geloof en het zelf? Maar ook de tijd en al haar verschijningsvormen (het ogenblik, de herinnering, het voorwaartse leven), de psychologie, de keuze en de sprong. Het gebruik van pseudoniemen en Kierkegaards beeldende stijl (hij is de filosoof die de meest sprekende metaforen, vergelijkingen en parabels heeft gebruikt). En niet in de laatste plaats de humor. Gelukkig heeft Blanken ruimschoots citaten opgenomen, zodat de lezer ook genoeg van Kierkegaards schrijven kan proeven. Een proeven dat smaakt naar meer. Maar u bent gewaarschuwd, de reis zal niet altijd aangenaam zijn.

‘Wat is het leven leeg en betekenisloos. — Men begraaft iemand; men vergezelt hem naar de groeve , men werpt drie scheppen aarde op hem; men rijdt er heen met een rijtuig, men rijdt naar huis met een rijtuig; men troost zich met het idee dat men nog een lang leven voor zich heeft. Hoe lang is 7 x 10 jaar helemaal? Waarom maakt men niet korte metten met de hele zaak, waarom blijft men niet meteen op het kerkhof en gaat mee het graf in, en trekt lootjes wie het ongeluk zal treffen de laatste levende te zijn, die de laatste drie scheppen aarde werpt op de laatste dode?’ (Of / Of)

‘Bezit’ ‘ik’ ‘mijn’ ‘leven’? Ofwel: ik vs. leven

sontag

1.
Van die ingewikkelde kwesties die je nachten wakker houden of jaar na jaar tussen de blaadjes van je notitieboekje opduiken: hoe verhoudt ‘mijn ik’ zich tot ‘mijn leven’? Eenvoudig toch: ik leef mijn leven. Toch ben ik niet de enige die voelt hoe het ik kan botsen met het leven. In 1970 noteert Susan Sontag in haar dagboek: ‘I would be more loyal to myself, less loyal to my “life”. I would stop treating my life as if its dimensions were already determined (or determinable) a vessel whose responsibility it’s mine to fill with high-class goodies.’ (Susan Sontag, As consciousness is harnessed into flesh)

2.
Ik zocht terug in mijn eigen notitieboekje. Ja, daar was het, ergens in 2005 neergepend. Er is het ik, en het leven. Allebei van jou, maar soms kunnen ze als van twee verschillende personen lijken. Het leven speelt zich af ergens achter je rug, het ik ontsnapt aan je grip als een heliumballon. Terwijl je ze toch bezit, ze zijn je eigendom. Het gaat goed als je kunt zeggen: ‘Ik heb mijn leven in de hand.’ Maar waarschijnlijk valt het niet eens op als het zo is, op zulke momenten vallen leven en ik gewoon samen. In de literatuur – en in dagboeken – lezen we gewoonlijk vooral over de momenten dat het niet goed gaat, en de twee – ik en leven – mijlenver van elkaar verwijderd zijn.

Kierkegaard

3.
‘En dat is het trieste, wanneer men het leven van de mensen beziet, dat zovelen hun leven leiden in stille verlorenheid; ze leven naar hun einde toe, maar niet zo dat hun levensinhoud zich allengs ontvouwt en nu in die ontvouwing hun eigendom is, maar ze leven zich als het ware uit zichzelf weg, ze verdwijnen als schimmen, wier onsterfelijke ziel verwaait, en geen vragen naar haar onsterfelijkheid jagen hun angst aan, want voor ze sterven zijn ze al vervloeid in het niets.’ (Søren Kierkegaard, Of/Of)

4.
Laat ik het nog problematischer maken. Alleen maar vertwijfelen over ‘ik’ en ‘mijn leven’ is nogal solipsistisch. Er is ook nog de buitenwereld. Wat als die je ook ontglipt? Als je ik en je leven ook nog afgesneden worden van de anderen? Pessoa in het Boek der rusteloosheid: ‘80. SMARTELIJK INTERVAL (…) Mijn leven is alsof men mij ermee sloeg.’ Mijn leven – mij – men. Wie is ‘men’? Is het ik werkelijk als een stoffig tapijt dat ervan langs krijgt met de mattenklopper van het leven? Of als de monnik die met een karwats aan zelfkastijding doet?

PessoaFernando

5.
In 2005 schreef ik ook: je bent pas echt vrij als het leven je een lot toebedeelt. Omdat je zonder materiaal om mee te werken, gevangen blijft in leegte. Je hebt iets nodig om mee te experimenteren in vrijheid. Een lot is dan de grootste gift die je kunt krijgen. Of nou ja, gift, dat klinkt alsof er een Grote Gever is. Beter: een lot is het beste wat je kan overkomen. Gelukkig zette ik er ook bij: ‘misplaatst optimisme’.

6.
Dat er een ik is dat zijn leven in bezit heeft, is een bruikbare illusie die het mogelijk maakt over jezelf en je leven na te denken. Maar filosofie en wetenschap geloven al lang niet meer in het mannetje/vrouwtje in de stuurhut van de ‘vessel’ zoals Sontag het noemt. Filosoof Julian Baggini beschrijft ons standaard ik-beeld als een kern, een pit die van alles vasthoudt, als vrolijke handtasjes – één voor elke eigenschap – plus een backpack vol herinneringen. Het zelf in bezit van zijn leven. Klopt niet. Baggini streept de pit door en wat overblijft zijn de handtasjes, aan elkaar verknoopt in een netwerk als een rattenkoning. Het zelf is het netwerk. Je ik is decentraal, hoe gek dat ook klinkt. (Julian Baggini over het ‘ware zelf’ als netwerk)

7.
En het leven? Van wie is het, als niemand het bezit? Wat blijft er over als we de pit wegstrepen? Nou, gebeurtenissen, toeval, het lot. Gebeurtenissen die zich even decentraal afspelen als de eigenschappen van je ik. Verbonden, op zijn best, door een netwerk van notitieboekjes.

Over de liefde – deel 3: Søren Kierkegaard

Lees ook deel 1 en deel 2.

‘Taking a next lover to remember the previous one…’ Dit citaat van Søren Kierkegaard is vrees ik niet erg representatief – zie het als een mooie conversation starter. Kierkegaard (op wie ik ben afgestudeerd) schreef onder vele pseudoniemen en dit citaat komt uit de mond van een ervan. Het is vooral Kierkegaards eigen liefdesverhaal waar ik het over wil hebben.

Kierkegaard

Terug naar het idee van liefde en locatie. Misschien moet echte liefde inderdaad wel onafhankelijk zijn van locatie. Betekent echte liefde juist het loslaten van je vertrouwde positie: een sprong in het onbekende. Dat is wat Kierkegaard zou zeggen (en dat spreekt niet echt uit het bovenstaande citaat). De uitdrukking leap of faith is dan ook terug te leiden tot Kierkegaard. Meestal is het van toepassing op faith, geloof, de sprong in het diepe die geloven voor hem betekent, maar je kunt het toepassen op alles… waaronder de liefde.

Wie was Kierkegaard? Nou, de grootste filosoof die Denemarken ooit heeft voortgebracht. Hij leefde van 1813 tot 1855 in Kopenhagen en wat je van hem moet weten is dat hij altijd spreekt over het individu en over keuzes. De sprong in het onbekende is de sprong van een individu – jij – en die sprong komt voort uit een keuze. Een keuze waar je je aan hebt te houden.

SKlievelingsplek

Eerst iets wat ikontdekte tijdens mijn vakantie, een paar dagen voor het schrijven van deze lezing. Ik ging een wandeling maken in Gilleleje, over een prachtig wandelpad langs de kust en haar kliffen. En – daar is het toeval weer – opeens verscheen daar een enorme steen aan de rand van het pad. Op de steen stond: ‘Søren Kierkegaard, 1813-1855. Deze steen werd geplaatst op zijn “yndlingssted”’ – wat betekent: zijn meest favoriete plek. Er staat op de steen ook een citaat: ‘Hvad er sandhed andet end en leven for en idee. Gilleleje, aug. 1835’. Oftewel: ‘Wat is waarheid anders dan leven voor een idee.’ Kierkegaard schreef dit dus in Gilleleje, in 1835. 22 jaar oud.

Bij de meeste mensen zou je dan denken: je bent 22, dat is best een grote uitspraak, daar kom je nog wel op terug. Kierkegaard niet. Terwijl hij nog aan de universiteit studeerde om dominee te worden (wat hij nooit zou worden), noteerde hij op zijn ‘meest favoriete plek’ (wat best kinderachtig klinkt) een kernidee van wat later zijn invloedrijke filosofie zou worden. ‘Wat is waarheid anders dan leven voor een idee.’ Hier heb je waarheid als de queeste van filosofie, maar het is een waarheid in de individuele vorm van een leven – jouw leven. En dat leven moet in dienst staan van één idee, een keuze.

Nu wordt het al behoorlijk abstract. En waar is de liefde gebleven? Een van de belangrijke keuzes die Kierkegaard zelf maakte in zijn leven had nu net van doen met de liefde. Twee jaar nadat hij deze woorden in Gillele noteerde, ontmoette hij de liefde van zijn leven: Regine Olsen. Regine en Søren maken kennis in 1837, flirten met elkaar op wandelingen in het park en verloven zich uiteindelijk in 1840. Prachtig. Lees wat Kierkegaard in zijn dagboek over haar schreef:

Regine_olsen

‘You, sovereign queen of my heart, Regina, hidden in the deepest secrecy of my breast, in the fullness of my life-idea, there where it is just as far to heaven as to hell—unknown divinity! … O, I will throw everything away in order to become light enough to follow you.’ [van Wikipedia]

Dus hij heeft zijn levens-idee gevonden! Wat heerlijk! Hij zocht naar een idee om voor te leven en hier is ze. Zij houdt ook van hem, de liefde is wederzijds. Wat kan een mens verder nog verlangen! Ze zullen de sprong in het onbekende wagen en trouwen.

Eh, nee.

Een jaar later verbreekt Kierkegaard de verloving. Maar waarom in hemelsnaam?! Voor zichzelf heeft hij daar een duidelijk antwoord op, een mooi verhaal. Opeens weet hij zeker dat hij Regine ongelukkig zal maken; hij zal geen goede echtgenoot kunnen zijn. Hij is een melancholisch type, altijd aan het studeren, aan het schrijven en denken, niet echt bezig met geld verdienen. En hij wil haar niet de ellende aandoen die hij in de toekomst denkt te zien. Of zij het daarmee eens is? Dat interesseert hem niet echt. Integendeel, hij besluit dat de hele episode voor haar makkelijker te verteren zal zijn als hij zich als een klootzak gedraagt. Dan zal ze denken: het is maar goed dat ik op tijd onder dat huwelijk uit ben gekomen, met die nare man, ik mag mezelf gelukkig prijzen. Dus hij gedraagt zich als een echte klootzak.

Filosofen zijn ook mensen.

Nu kun je denken, net als bij het citaat op de steen langs het kustpad: ach, hij komt er wel overheen, hij leert ervan, hij was gewoon niet meer verliefd en durfde het niet te bekennen. De waarheid zeggen was te veel voor hem. Je bent 27, je vindt wel een ander. Kierkegaard niet. Hij bleef bij zijn keus en sleet de rest van zijn leven als single (hoewel dat een beetje vreemd klinkt in dit geval). Hij bleef aan Regine denken, zij bleef de liefde van zijn leven. In het kleine Kopenhagen van de negentiende eeuw probeerde hij contact met haar te houden; hij schreef zelfs brieven naar haar echtgenoot. Want Regine trouwde niet veel later een goede partij en had een lang en schijnbaar gelukkig leven.

Wat moeten we met dit verhaal? Ik denk niet dat veel mensen zich kunnen identificeren met het extreme liefdesleven van Kierkegaard, met die ene onvervulde liefde die een heel leven mee gaat. Toch zijn er wel mooie gedachten uit te halen om verder over na te denken.

Love is… een leap of faith, een keuze en idee. Maar ook een verantwoordelijkheid; als je kiest voor een geliefde kies je voor de verantwoordelijkheid voor het geluk van een ander. En liefde is… onmogelijk voor enkelen.

klif

Na dit ronddwalen in het verleden, in Parijs met Proust en in het onbekende, is het tijd om terug te keren op aarde. Ik vond toevallig Kierkegaards ‘meest favoriete plek’, een steen groter dan ikzelf langs een pad aan de kust. Maar wat ligt er achter de steen? De zee natuurlijk, maar ook een soort klif. Ik denk dat de échte favoriete plek hier was, aan de rand van de afgrond. Ik stel me hem voor, 22 jaar oud, peinzend over zijn leven en de toekomst. Hij kende Regine nog niet, maar droeg al het idee met zich mee dat hij moest leven voor… een idee. Toen ontmoetten ze elkaar en alles liep verkeerd.

Hij moet na het verbreking van de verloving wel terug gekomen zijn op zijn favoriete plek, uitkijkend over de kliffen en de zee, in contemplatie over zijn keuzes en over die sprong in het onbekende. En nu was ik weer terug in International People’s College, een bijzondere locatie, waar alles kan gebeuren….

Think about it.

Over Bas Heijne op Humanistisch Verbond

heijne

Op de website van het Humanistisch Verbond: De eigen opvatting en emotie als standaard

Moeten wij van elkaar houden?

Heijne signaleert in zijn ontleding van het populisme twee tendensen: aan de ene kant is er steeds meer openheid, globalisering en daarmee anonimisering (schoolvoorbeeld: Wikileaks). Aan de andere kant sluiten we ons collectief op in onze eigen, kleine, individuele belevingswereld. Die belevingswereld wordt geregeerd door emoties en ook gezag wordt alleen op basis van emotie toegekend. Het liefst in de vorm van een ‘verlosser’ die de hele open, geanonimiseerde maatschappij eens flink door elkaar schudt.

Pim Fortuyn is daar een voorbeeld van, maar Heijne haalt ook De idiootvan Dostojevski aan als een archetypisch verhaal van een buitenstaander die de gemeenschap moet regenereren. De dodelijk zieke jongen Ippolit (die overigens ook onuitstaanbaar is, maar kun je een hekel hebben aan een doodzieke jongen?) leest in een gezelschap van burgerlijke dames en heren zijn ‘testament’ voor. Pointe van Ippolits manische bekentenis: hij gaat er een eind aan maken. Het interesseert de dames en heren hoegenaamd niets. In een hartverscheurende passage rent Ippolit naar buiten, zijn einde tegemoet, terwijl de aanwezigen klagen over verkrampte ledematen van het lange zitten. Wat zullen we nu eens gaan doen? Ippolit is de buitenstaander die noodzakelijk is om een gemeenschapsgevoel te creëren, schrijft Heijne.

Ik voel me aangesproken door de analyse van Heijne, omdat ik de twee tendensen – openheid en eigenheid – ook bij mezelf waarneem, maar dan tegelijkertijd. Wel van de kosmopolitische netwerkgeneratie, maar ook gericht op beleving en individualiteit. Die twee gaan voor mij samen. Zijn het wel twee tegengestelden?

Wat mij juist opviel in die scène uit De idioot is het verraad aan de buitenstaander. De enorme genadeloosheid waarmee de rest over zijn ellende heenstapt. Emotieloos en anoniem. Misschien wil de samenleving wel een verlosser, maar ze zal de verlosser nooit accepteren (Zoals ook blijkt uit de beroemde parabel over de Groot-Inquisiteur uit De broers Karamazow: zelfs als Jezus in eigen persoon op aarde terugkeert, zal men hem niet accepteren.). De mensen zijn inderdaad zoals Heijne zegt alleen bezig met hun eigen belevingswereld (dat verhaal van die zelfmoordenaar heeft me een stijve nek opgeleverd). Maar tegelijk blijven ze volkomen emotieloos.

Hoe breng je die schijnbare tegenpolen in evenwicht? Hoe breng je emotie in de open samenleving, zonder dat iedereen zich opsluit in zijn eigen kleine wereldje? Het laatste hoofdstuk van Moeten wij van elkaar houden geeft een haast literair antwoord. Uiteindelijk houdt Heijne een pleidooi voor de twijfel. Als kind hoorde hij over ‘de onbekende god’ van de Atheners, die de christenen helaas weer moesten invullen. Terwijl de oplossing juist ligt in het wel erkennen van iets wat buiten jou bestaat (niet per se iets goddelijks), zonder dat meteen met je eigen beleving in te vullen. Tegelijk open, globaal en anoniem en hyperindividueel, emotioneel en eigen.

Je moet dat laatste echter niet tot standaard verheffen, en dat dat zo vaak gebeurt is precies de oorzaak van de problemen. Niet alleen in de politiek of media, maar voortdurend, overal om je heen verheffen mensen hun eigen opvattingen en emoties tot standaard. Ik verbaas me bijvoorbeeld vaak over hoe gesprekken worden vervormd: ‘X zei dat Z geen idee heeft waar ze mee bezig is’ [vul intonatie van afkeer in]. Maar misschien zei Z wel dat ze even niet weet wat ze met de situatie aan moet [vul intonatie van twijfel in].

De twijfel en de onbekende god brengen mij een andere negentiende-eeuwer in gedachten. Kierkegaard schreef (naast god) over het geheim. Elk mens is fundamenteel onkenbaar en dat onkenbare stukje is het geheim. Dat geldt voor mij, dat geldt voor jou. Toegegeven, dat is een enge gedachte. Het misverstand regeert als je elkaar niet kent. Tegenwoordig zie je uitmelken van het misverstand óm te regeren. Maar het geheim is ook de plek waar openheid en anonimiteit samenvallen met individualiteit en emotie. De onbekende god van de Atheners, die draagt elk mens in zichzelf. Zolang het niet een god in het diepst van mijn gedachten wordt, is dat prachtig. Ik ben bang dat Kierkegaard en Dostojevski de maatschappij niet gaan redden. Maar het geheim maakt misschien een kans. Niet om te ontmaskeren, maar om van te moeten houden.

Kierkegaard – Brieven: plan, geheim en misverstand

kierkegaard_brieven

‘Niets brengt een mens zo tot ontwikkeling als het vasthouden aan een plan, tegen de hele wereld in. Zelfs als het iets slechts zou zijn, dan nog zou het een mens in hoge mate ontwikkelen.’

Søren Kierkegaard, Brieven, 31 oktober 1841

De opgave om een plan te trekken in het leven, een idee ten uitvoer te brengen, vasthoudend te zijn, komt in zoveel teksten terug, dat het haast wel waar moet zijn. Zo ook bij Kierkegaard, van wie ik de Nederlandse bloemlezing uit zijn Brieven lees. Tegelijk verklaart hij zich in deze brieven ook schatplichtig aan het misverstand. Nu zijn misverstanden inherent aan het brievenschrijven. Net als bij sms en e-mail gaat er in een papieren vriendschap nuance verloren. Brieven raken zoek of worden juist te haastig verstuurd zonder ze nog eens over te lezen.

Maar het misverstand betekent bij Kierkegaard meer. Het is een fundamentele gesteldheid van het menselijk verkeer – en in die zin besteedde ik er een flink deel aan van mijn afstudeeronderzoek voor de master Wijsbegeerte. Op zoek naar wat ik daar toentertijd ook alweer over beweerde, stuitte ik in mijn digitale bureaula op de introductie die ik schreef voor de verdediging van mijn scriptie. Omdat ik verbaasd was hoezeer die woorden uit 2005 nog steeds voor mij opgaan (want het is niet alleen een samenvatting van mijn onderzoek, maar ook van mijn levensovertuiging), en dus blijkbaar een plan vormen waar ik mij aan vasthoud (goed dan wel slecht), wat weer bovenstaand citaat illustreert – daarom hieronder een letterlijke kopie.

Het probleem dat ten grondslag ligt aan mijn onderzoek is de vraag hoe we kunnen begrijpen dat de mens vrij is, terwijl hij toch ook gebukt gaat onder de dingen die hem in de werkelijkheid, buiten zijn wil en buiten zijn macht om overkomen. Dit probleem is tevens het kernpunt van de tekst ‘Weerspiegeling’ uit Of/Of van Søren Kierkegaard. In dit stuk gaat het om het ‘ware tragische’. En dat is volgens Kierkegaard precies de samenkomst in de mens van vrijheid of subjectiviteit en gebondenheid, determinatie door de feitelijke werkelijkheid.

In de tekst wordt dit uitgewerkt aan de hand van de menselijke verhoudingen: het blijkt dat deze dubbelheid van de menselijke conditie pas echt problematisch wordt in de omgang met de ander. Het is een kennisprobleem: ik kan mezelf niet volledig doorgronden vanwege de duistere inwerking van de werkelijkheid op mijn leven. Daardoor kan ik ook niet de ander kennen, of uitleg geven aan de ander over mijn leven.

Kierkegaard symboliseert dit door ‘het geheim’. Het geheim is een concrete uitwerking van de kloof tussen mijn subjectiviteit, mijn idealiteit, iets wat helemaal van mij is, en de werkelijkheid van de andere mens die hier geen kennis van heeft. Maar een geheim is niet alleen iets van mijzelf: het wordt me gegeven door een ander ofwel de noodzaak tot geheimhouding wordt ingegeven door de ander, door de reacties van anderen. Het geheim is niet altijd een gegeven dat ikzelf wel ken en begrijp – het kan ook iets in mezelf zijn dat voor mezelf verborgen blijft, juist omdat het zo met de ander verbonden is. Dat helpt natuurlijk niet bij de omgang, want als ik mezelf niet volledig doorschouw, kan de ander het ook niet. Ik kán mezelf niet aan de ander openbaren.

Het misverstand is dan ook structureel in de relaties tussen mensen. Overigens wordt dat niet alleen maar als vervelend beschouwd, maar zelfs als wenselijk. Later zal duidelijk worden waarom.

Om dat echter te kunnen begrijpen was het nodig ook andere teksten van Kierkegaard in mijn onderzoek te betrekken. Uiteindelijk volg ik hem door de ethische levensfase en de religieuze levensfase heen om meer licht op dit punt te laten schijnen. Het blijkt mogelijk om een soort ‘oplossing’ te formuleren. Het geheim blijft een grote rol spelen, maar verandert van gedaante. Het is niet meer alleen op te vatten als een concreet feit dat ik verborgen houd voor de mensen om me heen, maar als iets fundamenteel menselijks. Het geheim, of misschien eerder het heimelijke, dat ook voor mezelf een geheim is en blijft, representeert dan ‘het andere’. In het religieuze verbindt Kierkegaard het andere aan de goddelijke oorsprong, maar we kunnen het ook op een seculiere manier begrijpen. Wat de gang door de andere teksten duidelijk heeft gemaakt is dat het tragische niet zozeer gelegen is in de kloof tussen mijzelf en de ander, de kloof die ontstaat omdat de ander mij niet zou kunnen begrijpen en ik een geheim voor hem bewaar.

Het tragische misverstand is precies de overtuiging dat ik als enige een geheim heb dat ondeelbaar is. ‘Het andere’ in de algemene zin is namelijk iets dat alle mensen delen. Ieder mens, kunnen we zeggen, is op een volstrekt eigen manier volstrekt anders – maar in het feit dat dat geldt voor ieder mens ligt toch een gemeenschappelijkheid besloten. Hoewel de tragische kloof tussen mijn subjectiviteit en de werkelijkheid, tussen mij en de ander, tussen de vrijheid en de gegevenheid dus zeker bestaat, betekent dat niet dat een gedeeld beleven daarvan onmogelijk is.

En daarin ligt denk ik een zinvolle manier om met dit probleem om te gaan. Het geheime of andere – dat dus in verband staat met het passief gebukt gaan onder gebeurtenissen die ons overkomen – is niet alleen maar iets negatiefs, maar bezit een openheid naar de andere mensen, en ook een zekere schoonheid. Bovendien is heeft het een oneindigheid, omdat het heimelijke karakter van het andere nooit onthuld kán worden, de sluiers kunnen nooit opgelicht worden. Het is daarom niet alleen zonde maar ook onzinnig om te streven naar een opheffing van die passieve lijdelijkheid.

Over herinneringen

1. In Kopenhagen ging ik naar het allereerste adres waar ik ooit woonde: Finsensvej 10C. Ik ben er niet geboren, dat gebeurde in het ziekenhuis om de hoek, en heb er maar twee jaar gewoond. Ik herinnerde me dan ook helemaal niets van de straat of de omgeving. Jaren geleden ging ik met mijn moeder naar het tweede adres, daar vlakbij. Ook daar woonden we maar twee jaar. Daar wist ik nog heel veel van. Ik liep rond op het appartementencomplex en wees: hier om de hoek is een speeltuin met een dichte glijbaan, daar verderop de kleuterschool. Dat kan ik nu niet meer. Ik herinner me niet meer wat ik als vierjarige meemaakte, maar ik herinner mijn herinnering van toen ik er later terugkwam.

2. Iedereen zal zich wel eens hebben afgevraagd: herinner ik me wat er gebeurd is of de foto’s die ervan bestaan? (Een heel andere vraag is: herinner ik me een echte gebeurtenis, of was het een droom?) Was ik wel eens over de brug tussen Funen en Seeland gereden? vroeg iemand me. Ik wist het niet meer. Ik zag de brug voor me, maar dat kon net zo goed een tv-beeld zijn. Google leert dat de brug in 1998 voltooid is, dus ik moet er zeker overheen zijn gereden, voor het laatst in 2001. Misschien herinner ik het me, misschien ook niet. Voor sommige reizigers is het reden genoeg om geen foto’s meer te maken. Ik deed in Kopenhagen het omgekeerde: mijn foto’s zijn snapshots van gedachten die ik me wil herinneren. Zoals het bejaarde stel dat in de trein van 12.39 naar Humlebaek flessen Tuborg dronk. Dat is in Denemarken niet een uitzonderlijk plaatje, maar een alledaags moment.

3. In haar dagboek (Reborn) noteert Susan Sontag een paginalange lijst van details uit haar herinnering. Details uit haar kindertijd, uitspraken van familieleden, gelezen boeken, namen van klasgenoten, etenswaren, ‘Deciding about God’. Er is geen samenhang, geen chronologie, geen uitleg. De naakte feiten.

4. Siri Hustvedt vertelt in The Shaking Woman over een methode die ze gebruikt om het geheugen op gang te brengen bij geestelijk gestoorden die ze schrijfles geeft. Begin gewoon met een vel papier en schrijf op: I remember… De rest volgt vanzelf, in een ‘ketting van associaties’. Door het opschrijven (met de hand), gebeurt het ook: ‘Ik herinner me…’ zet de herinnering in gang. Het is een memory machine. Hustvedt beschrijft een patiënt met geheugenverlies, die door te schrijven zijn herinneringen terugkreeg. ‘The talking Neil had amnesia. Neil’s writing hand did not.’

5. Hoe weet je of wat je opschrijft, ook niet een tweedehands herinnering is? Doet die vraag er wel toe? Is niet alle herinnering een constructie, een verhaal? Susan Sontag doet alsof ze een boekhoudkundig rapport van haar jeugd geeft, geheel objectief en waarheidsgetrouw. Eigenlijk had ze overal ‘I remember’ voor moeten zetten. Die contextuering maakt wat volgt tot een verhaal. David Shields schrijft in Reality Hunger dat zich herinneren eigenlijk hetzelfde is als fictie schrijven. Of beter gezegd: de grens tussen feit en fictie is blurry tot non-existent. Feiten zijn altijd een constructie of interpretatie, en fictie is altijd gebaseerd op de werkelijkheid. ‘Did this happen? Yes. Did this happen in this way? The answer to that, if you’re a grown-up, is “Not necessarily.”‘

6. Als je je iets herinnert van vroeger, toen je klein was, zie je jezelf dan van buiten of van binnen? Ik zie mezelf altijd van buiten, van een paar meter afstand (hoewel ik mezelf natuurlijk in werkelijkheid natuurlijk nog nooit van buiten heb gezien). Herinnering is nooit een directe herbeleving van het herinnerde moment. Je gaat als het ware op reis terug in de tijd, en je tegenwoordige oudere zelf is aanwezig bij het kind dat je was. De herinnering deelt je in tweeën. (Behalve de mémoire involontaire van Marcel Proust. Maar ook die onvrijwillige herinnering moet door het bewustzijn en de reflectie gaan, wil ze betekenis krijgen.)

7. In Kopenhagen las ik wat in Stadia op de levensweg, van een van de beroemdste Kopenhagenaars aller tijden: Søren Kierkegaard. Het boek begint met een mijmering over het verschil tussen geheugen en herinnering. Reflectie, waarbij je je opdeelt in tweeën om van een afstand naar jezelf te kijken, is het kenmerk van herinnering (en een van de hoogste waarden waar Kierkegaard altijd op uit komt). Feitenlijstjes representeren het geheugen, ze worden neergepend zonder reflectie. Door jezelf tot subject te maken – ‘I remember’ – stap je van het geheugen over op de herinnering.

finsensvej

8. Een ander kenmerk van herinnering volgens Kierkegaard, is dat ze het beste gedijt bij contrastwerking. (Wie heeft niet een keer een gelukkig ogenblik verstoord zien worden door de herinnering aan ongeluk.) ‘Wanneer het geheugen steeds weer wordt opgefrist, verrijkt het de ziel met een massa details, die de herinnering verstrooien.’ (Het gaat dus eerder om een verarming dan een verrijking.) Stom idee dus om naar mijn geboortestad af te reizen? Ach, van de Finsensvej herinnerde ik me toch al niets meer. En nu kan ik af en toe terugdenken aan het saluut dat die twee bejaarden in de trein leken te geven aan het leven, of aan hun beroemde stadsgenoot.

Over liefde: Solovjov en Kierkegaard

vladimir_solovjov

Vladimir Solovjovs Over liefde stond al jaren op mijn ‘nog te lezen’-lijst. Het duurde tijden voor ik het tweedehands op de kop kon tikken, toen stond het nog een tijd te verstoffen op de plank en nu ik het eindelijk heb gelezen, vraag ik me af waarom. Ik kan de redenen niet meer terughalen die ik ooit had – het zal naar aanleiding van een artikel of boek zijn geweest. Aan de andere kant: doe mij een negentiende-eeuwse Rus, ik ben hoe dan ook geïnteresseerd.

Solovjov lijdt aan een kwaaltje waar meer filosofen last van hebben, en dat de filosofie soms het aanzien van ijdel tijdverdrijf voor krankzinnigen geeft. Hij gaat uit van een wereldbeeld dat totaal belachelijk is, om het cru te stellen. Een wereldbeeld waar ik rationeel en emotioneel niet in mee kan gaan, nu niet en nooit niet. Wat is liefde? Het ultieme einddoel van de mensheid, waardoor zij het dierlijke en sociale overwint en de onsterfelijkheid bekomt. Of dit laatste nu helemaal letterlijk moet worden genomen, durf ik niet te beweren – want uiteindelijk draait het om het realiseren van het licht Gods, van een religieuze liefde die van de geliefde een religieus object maakt. Doet er ook niet toe, want alleen al het volkomen serieus beschreven idee van een doelgerichte geschiedenis met nota bene onsterfelijkheid als hoofdprijs voor de mens, laat bij mij het licht uitgaan.

Dat is jammer, want er staat ook veel moois in Over liefde. Solovjovs filosofie van de liefde heeft nog een andere kant, naast dit onsterfelijkheidsideaal in het licht van God. Hij benadrukt steeds dat het romantische idee van versmelting en eenheid, waar liefde vaak mee wordt geassocieerd, verkeerd is. In de liefde draait het juist om twee individuen die in elkaar het unieke herkennen en in stand willen houden. Het beschouwen van de ander in zijn individualiteit, houdt automatisch in dat je ook je eigen individualiteit behoudt. Je kunt niet het unieke van je geliefde waarderen en tegelijk jezelf uitvlakken of opofferen. Elke liefde is egoïstisch, zegt men, maar dat is dus precies wat Solovjov op prijs stelt. Zijn filosofie van de liefde is ook een filosofie van de eigenliefde. In a Dr. Phil kind of way.

Solovjov is ondanks zijn gebabbel over onsterfelijkheid en kosmische geschiedenis ook praktisch. Toegegeven, je moet er een beetje naar zoeken en het zou al makkelijker zijn als hij gewoon seks schreef als hij seks bedoelde en verliefdheid waar het gaat om verliefdheid. Het mooie is dat Solovjov verliefdheid en seks niet afdoet als oppervlakkige lustgevoelens die niets met ware liefde te maken hebben (let wel, hij schreef in de negentiende eeuw). Integendeel, verliefdheid is volgens hem het toppunt van ware liefde en ware liefde bestaat erin de verliefdheid vast te houden. Als je verliefd bent, zegt hij, zie je iemand op een heel andere manier dan normaal. Maar niet een op verkeerde manier, nee op de enig juiste manier. Een verfrissende gedachte. (Volgens Solovjov zie je dan het licht van God en onsterfelijkheid etc etc, maar dat slaan we even over.) Helaas vertelt Solovjov er niet bij hoe je deze zienswijze kunt volhouden. Uiteindelijk geeft hij toe dat liefde voor een persoon kan overgaan. We houden van de liefde en die kan in verschillende mensen gestalte krijgen, zegt hij. Dat klinkt dan weer heel realistisch, maar komt toch over als een zwaktebod.

Ik houd toch meer van de verhalende filosofen, die door een beschrijving van het concrete proberen het algemene zichtbaar te maken. Zoals Kierkegaard, een andere negentiende-eeuwer. Ook hij heeft veel over de liefde geschreven. Niet dat je van Kierkegaard kunt leren hoe je verliefdheid volhoudt. In elk geval niet op een leefbare manier (ook niet op een onsterfelijke manier trouwens). Kierkegaard bleef zijn leven lang trouw aan de verloofde die hij zelf aan de kant zette. Het extreme karakter en de irrationaliteit die aan die liefde ten grondslag ligt, maakt op mij meer indruk dan de etherische gedachtengang van Solovjov. Volgens de inleiding van Over liefde kende Solovjov zelf meerdere liefdes. Een van hen liet hem bruut vallen, door naar binnen te gaan bij een feestje, hem te laten wachten en nooit meer naar buiten te komen. Het pakje sigaretten van de negentiende eeuw. Daar had ik nou wel over willen lezen. Wat voor goddelijk licht had die vrouw? Hoe kon hij daarna nog verliefd worden en dat vasthouden? En waarom viel hij jarenlang voor een getrouwde vrouw die de fysieke aangelegenheden met een ander regelde? We zullen Kierkegaard moeten lezen om dat te begrijpen.