Column: De Grote Droomshow

Terug te zien en te lezen: De Grote Droomshow van SG Erasmus en Arminius over slaap en dromen, waar ik de openingscolumn voor schreef en uitsprak.

DC 22-10-2014 DROOMSHOW [fcp]-1024×576 BOINXout from arminius on Vimeo.

Rustig, maar met lood in de benen dwaal ik door het metrostation. Geel licht, bedrukte, haastige mensen, vier zwarte tunnels die zich aan weerszijden uitstrekken – dit is onmiskenbaar de Amsterdamse ondergrondse. Ik ben verdwaald, mijn vader kwijtgeraakt in de stromen passagiers. De uitgang moet ergens boven zijn, maar is onzichtbaar. Of nee, ik ben niet verdwaald, maar weggelopen.

Altijd heb ik veel gedroomd en voor het onthouden heb ik ook talent. Dat komt misschien omdat ik dromen heb die jarenlang terugkeren. De droom over het Amsterdamse metrostation waar ik verdwaald was, dan wel weggelopen hoorde bij me, zo tussen mijn 9e en 14e. Ik heb een minder groot talent voor dromenduiding. Het schaamrood stijgt me naar de kaken als eraan denk dat ik pochte over die ondergrondse droom tegen wie het maar wilde horen – ja ja, ik als pre-puber droomde terugkerend, onthield dat allemaal en wist ook nog eens mijn weg in de Amsterdamse metro (zo’n opschepper was ik toen). Pas tien jaar later viel het kwartje: toen ik 9 was scheidden mijn ouders, mijn vader vertrok naar Amsterdam, en ik werd een om-het-weekend-naar-je-vader-kind, verdwaald en/of kwijt. Ik zeg het: schaamrood op de kaken dat ik mijn eigen onbewuste via die kinderdroom zonder het zelf door te hebben zo vaak open en bloot op tafel heb gelegd.

Maar goed, je moet je eigen schaamte in de bek kijken, heb ik geleerd van de meester die schreef: ‘Lang ben ik bijtijds gaan slapen…’ Dat is de eerste zin van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust. (Ik mag hem aanhalen, want heb de zeven delen van a tot z gelezen.) Beroemd is de scène die volgt waarin hij als kind wacht op de nachtkus van zijn moeder – als ze niet komt stort de wereld in elkaar. Maar het mooist vind ik hoe hij dat moment beschrijft tussen slapen en waken, hoe, als je langzaam wakker wordt de ruimte zonder diepte en contrast is en zich dan in elkaar schuift en weer kleur krijgt. Of andersom – als je weet dat je in slaap aan het vallen bent en nog bij bewustzijn een inkijkje krijgt in je eigen onbewuste.

Kent u dat, als je in de trein na een lange werkdag heel even je ogen dicht doet en meteen wordt bestookt met absurde beelden, verhalen en ervaringen, zodat je weet dat je geslapen hebt omdat je weet dat je droomde? Beangstigend wel, dat de drempel tussen waken en dromen zo laag is, zelfs als er honderden vreemden om je heen zitten en je met 200 kilometer per uur in een onbetrouwbare mag-geen-Fyra-meer-heten-trein door de bollenstreek raast.

Of is het juist het omgekeerde van beangstigend? Weinig geeft zo’n gevoel van veiligheid als slapen terwijl de ander wakker is. Is dat ook niet waarom Proust (en minder gevoelige kinderen) die nachtkus van zijn moeder zo nodig heeft – haast op leven en dood? Is dat ook niet waarom er niets ergers is dan niet-slapen terwijl de ander wel slaapt? Je gaat naar bed, de ander pakt een boek om nog wat te lezen, jij draait je vast om. Het gaat niet snel genoeg, daar knipt het licht aan de andere kant al uit, je krijgt een kus en voelt hoe hij op zijn zij draait en de zwaartekracht zijn werk laat doen. Ondertussen lig jij nog te denken aan je to-do-lijst. En dan, al gauw, hoor je het. De slaap, zo dichtbij (want laten we wel wezen, bij jou in bed) en toch zo ver weg. Voor je het weet ligt je met je ogen dicht want dat moet als je wil slapen energie te produceren die draadloos je telefoon op het nachtkastje zou moet kunnen opladen. Terwijl iedereen toch weet dat slapen een oefening is in oog-spier-ont-span-ning.

Nee, dan slapen, terwijl de ander wakker is, slapen, terwijl de ander wakker is… voelt u het al? We zouden het hier ook kunnen doen. U hebt vast een lange dag achter de rug. En nu ook nog een lange avond in het verschiet. Als iedereen voor vijf minuten even de ogen sluit, blijf ik wakker om over u allen te waken. Dan mag u in uw dromen verdwalen, of weglopen, iemand kwijt zijn of zelf kwijt zijn, u mag naar Amsterdam of naar negentiende-eeuws Parijs, dat maakt allemaal niet uit. Ik zal u be-waken.

Dank u.

Marcel Proust: een impressie in metaforen

Marcel_Proust_1900

Want het instinct schrijft de plichten voor en het verstand verschaft de voorwendselen om ze te omzeilen. Alleen, in de kunst doen excuses niet mee, tellen bedoelingen niet, ieder ogenblik moet de kunstenaar naar zijn instinct luisteren, en vandaar dat kunst het meest werkelijke is dat er bestaat, de meest strikte levensschool, en het ware Laatste Oordeel. (Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd. Deel VII: De tijd hervonden)

Wat voor kennis kan literatuur de lezer geven? Marcel Proust zet hoog in: literatuur brengt zicht op de waarheid. Een waarheid die gegrond is in de particuliere ervaring, maar die wel degelijk verwijst naar algemeen-menselijke ‘wetten’. Door het gemeenschappelijke van verschillende ervaringen te beschrijven is het mogelijk zulke wetten te ontdekken. Zelfkennis is de eerste stap in dit lezen ‘naar de waarheid’ en zelfdeceptie de grootste belemmering. Kunst werkt daarbij als een katalysator door de ‘impressie’, waarvan de geur van de in thee gedoopte madeleine wel de meest beroemde is.

Een aantal metaforen die Proust gebruikt in A la recherche du temps perdu kan dit verder verhelderen: het zelf als innerlijk boek, literatuur als optisch instrument, en de emotionele impressie als een chemische reactie. “Marcel Proust: een impressie in metaforen” verder lezen

Oek de Jong – Pier en oceaan. Mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee

pieroceaan

‘Je had gehoopt dat je leven anders zou zijn in een ander land. Maar het is hetzelfde… Het zal overal hetzelfde zijn.’

Pas op pagina 793 van Pier en oceaan van Oek de Jong zet ik een potloodstreep. Het boek is bijna uit en hier heb ik eindelijk het gevoel om tot een kern te zijn gekomen. Abel, die je hebt gevolgd vanaf zijn moeder, zwanger van hem, tot zijn laatste zomer thuis, inmiddels achttien, is hier tot een kern gekomen. Dit inzicht luidt de volwassenheid in – die beklemmende beperking van het leven en de ultieme vrijheid die ermee gepaard gaat. Pas als je beseft dat alles altijd hetzelfde zal zijn, is er ruimte om zelf iets te doen, dat is de paradoxale les van ouder worden, zelfstandig worden. Je kunt toevoegen dat niet alleen in een ander land het leven niet anders is, ook in een andere tijd was alles altijd al zoals het nog steeds is. Dat zie je aan Abel en zijn ouders – de verschillen zijn even groot als de (aan erfelijkheid en opvoeding te danken) overeenkomsten. Maar deze zinnen zeggen ook iets over de roman zoals je die nu leest. Abel is zelfs hetzelfde als ik. Of gaat de conclusie dat alles hetzelfde blijft toch niet helemaal op? De tijd die Oek de Jong beschrijft (het naoorlogse Nederland tot aan begin jaren zeventig) is nu toch echt voorbij. We zijn definitief een ander land binnengegaan, denk ik.

De wereld van Pier en oceaan (concreet: Dokkum en Goes) is de oude wereld, de stille wereld van voor mobiele telefoons, internet en commerciële tv. Een wereld als een lange, lange zondag. Ook voor niet-gelovigen is het zondagsgevoel herkenbaar. Niks mocht en alles kwam tot stilstand. Ik mocht alles, maar kon niks. Als ik in het weekend bij m’n vader was gingen we naar het museum. Verder las ik een boek en schreef gesprekken op tussen mijn vader, zijn vriendin en m’n zus. Omdat ik nooit zo snel kon schrijven als zij konden spreken, was het resultaat een onbegrijpelijke wirwar van zinnen. Hilarisch (echt). Dan een treinreis van Amsterdam naar Culemborg en de zondag was weer voorbij.

Die zondag bestaat niet meer, toch? Die kinderen bestaan niet meer. Het lezen van Pier en oceaan deed me realiseren dat ik oud ben. Ik voelde me opeens dichterbij Oek de Jong, geboren in 1952, staan dan bij mijn oudste studenten, geboren eind jaren tachtig. Of, godbetert, dichter bij Arie Storm, die in een lovende bespreking zowaar de herkenbaarheid prees (dat mag ik wel, dat Arie Storm een roman prijst om zijn herkenbaarheid).

Oek de Jong vertelt zelf in interviews (zoals in Vrij Nederland) dat hij een voorbij tijd wilde vastleggen. Een voorbije tijd en ook duidelijk een voorbij landschap – dat al verandert in de loop van de roman (denk: nieuwbouwwijk). De Jong is geïnspireerd geraakt door Marcel Proust, zegt hij, de reden waarom ik het boek ben gaan lezen. Ik zie geen echte verwantschap, ja, dit is een evocatie van een jeugd en de familiegeschiedenis die eraan voorafgaat – maar de manier van beschrijven is totaal anders: we zitten hier midden in de tijd van handeling, er is geen oudere verteller die terugkijkt. Geen ik bovendien, en waar uiteindelijk bij Proust de haast filosofische reflectie de bovenhand krijgt, lijkt het De Jong vooral te doen om zintuiglijke ervaringen. Van het lichaam, het landschap, meisjes, seks. Hier geen mijmeringen over De Tijd of Het Geheugen (waar Proust in heerscht), maar een vinger die door de korst van het schaamhaar in het zachte daarachter duwt (je ziet de jaren zeventig meteen voor je), zijdeachtig water op de naakte huid, voeten die in het slik wegzinken en zelfs een beschrijving van het onbeschrijflijke, die je toch meteen snapt, al komt die neer op ‘het’ dan wel ‘het eeuwige’ waar Abel steeds naar op zoek is.

Terugdenkend is dat toch wel prachtig, hoe kabbelend en weinig gevaarlijk de roman verder ook op mij overkwam: de beelden die Abel zijn hele jeugd vergezellen, soms een kwartslag draaiend, of letterlijk van gedaante veranderend. De jongen met een koffer lopend over een oprijlaan op weg naar huis, die later verandert in een jongen met een kauwtje op zijn schouder, zachtjes wegzinkend in een zwarte poel. Waar die beelden vandaan komen en wat ze betekenen mag je zelf bedenken, Oek de Jong gaat het je niet voorzeggen. Dat is mystiek, Hollandse mystiek. Net als de titel, die misschien wel het mooiste voorbeeld is van diezelfde mystiek, Pier en oceaan, mystiek veroverd op het onverschillige geweld van de zee.

Ik heb mezelf geloof ik net naar een waardering van vier sterren geschreven in plaats van de drie die ik had gegeven.

Over de liefde – deel 2: Marcel Proust

Lees ook deel 1.

Proust

Marcel Proust is een van de belangrijkste auteurs die mijn gedachten over de liefde hebben gevormd. Deze Franse schrijver leefde van 1871 tot 1922 en is beroemd vanwege zijn meesterwerk Op zoek naar de verloren tijd. Een verhaal dat zeven boekdelen beslaat en berucht is door de zinnen die een halve pagina beslaan. Zoals literatuurwetenschappers graag grappen: het boek dat iedereen kent maar niemand helemaal heeft gelezen.

Kan wezen, maar ik las het van a tot z en liet het mijn leven veranderen. De roman gaat kort gezegd over alles, maar de liefde is toch wel een van de grote thema’s: het liefdesverhaal van het hoofdpersonage Marcel en het meisje Albertine.

balbec

Ook Marcel en Albertine ontmoeten elkaar – net als ik en mijn kortstondige buitenlandse geliefde – op locatie. Ze zijn namelijk op een strandvakantie in het (fictieve) plaatsje Balbec. Jong, knap en verlegen als ze zijn, gaat het niet direct om een volwaardig, volwassen liefdesverhaal. Maar ze vallen voor elkaar en dat is het begin van een groots verhaal over liefde – een verhaal met een unhappy end.

Op een gegeven moment in de tijd en in de zeven delen van het boek, vraagt Marcel aan Albertine of zij niet bij hem in Parijs komt wonen. Dat is het begin van alle ellende. De ellende van de jaloezie.

Over jaloezie valt natuurlijk veel te zeggen, maar wat mij vooral aan het denken zette (voor deze lezing) is het belang van locatie. De locatie wijzigt het decor van het verhaal, maar ook de liefde zelf ondergaat een transformatie door deze verandering in locatie. In het geval van Proust wordt de liefde voor Albertine saai en banaal. Ze zijn al lang niet meer aan de kust, maar zitten opgesloten in een Parijs’ appartement. Marcel is inmiddels zo bang dat hij Albertine zal verliezen dat hij haar binnen gesloten houdt – ze mag nergens heen. Dat vindt zij natuurlijk niet leuk, ruzies volgen, meer wantrouwen, et cetera.

Albertine

En tussen deze ‘alledaagse’ bedrijven door, stelt Proust in zijn roman steeds weer de vraag: ‘what we talk about when we talk about love’. Het antwoord: we vertellen verhalen. Meer nog: deze verhalen zijn zelfs belangrijker dan de werkelijkheid, want ze zijn de enige werkelijkheid die we voorhanden hebben.

Wat betekent dat? Wij zijn degenen die de verhalen vertellen, en we vertellen ze over degene die we liefhebben. Alles voert dus terug tot onszelf. Als de liefde die je voelt verandert, komt dat doordat wij veranderen en niet per se doordat de geliefde verandert. En als locatie zo belangrijk is, dan is dat omdat wij veranderen als de locatie verandert. Met andere woorden: je moet binnen in jezelf kijken als je iets wilt begrijpen van liefde.

love_is

Iedereen kent wel de plaatjes ‘Love is…’ Voor Proust, love is… in the eye of the beholder. Of je van iemand houdt komt uit jezelf, anders zou iedereen van dezelfde persoon houden (gelukkig is dat niet het geval). Liefde kan afhankelijk zijn van locatie en context, maar vooral is liefde afhankelijk van jezelf. Ze kan veranderen, omdat mensen nu eenmaal kunnen veranderen. En voor Proust is liefde ook… jaloezie. Wanneer je eenmaal liefde hebt gevonden, zul je altijd bang zijn haar weer te verliezen.

‘Taking a next lover to remember the previous one…’ Denk daar eens over na. Zeggen we niet meestal: een nieuwe minnaar nemen om de vorige te vergeten? Dit is een citaat dat wel op een koffiemok kan, om bij de ochtendkoffie over de peinzen. Het is niet een citaat van Proust, maar van de volgende waar ik het over zal hebben: de filosoof Søren Kierkegaard. Niet echt van toepassing op hemzelf, want hij had een heel simpel liefdesleven. Daar ga ik het later over hebben.

Morgen meer over Kierkegaard. Lees ook deel 1 Over de liefde.

Fenomenologie van de ervaring

Voor een publiek van eindexamenkandidaten Filosofie, enkele ouders en docenten, hield ik gisteren mijn eerste lezing. De rollen waren omgekeerd en dat beviel prima. Hieronder de tekst die ik daar met misschien iets te veel uitweidingen heb uitgesproken. Je kunt ook de Pecha Kucha-presentatie kijken.

Fenomenologie van de ervaring
aan de hand van Marcel Proust
7 april 2010

Dames en heren, jongens en meisjes, leuk dat jullie hier zijn en bedankt dat ik hier iets mag komen vertellen. Ik zal hopelijk weer een andere kant van de filosofie belichten dan de anderen. Van de filosofie en de literatuur, want ik heb zowel literatuurwetenschap als filosofie gestudeerd en vanavond zal die combinatie ook naar voren komen.

Waar ga ik het over hebben? Ik wil iets zeggen over het belang van ervaringen opdoen, van emoties en het instinct. De filosofische notie die centraal staat is zelfkennis. En wel zelfkennis die gestoeld is op de ervaring, eerder dan op het verstand. Ik ga het hebben over impressies, die emotioneel zijn en je op weg zetten naar zelfkennis voordat het intellect eraan te pas komt. Het gaat ook om het vertrouwen op ervaring, het onderzoeken van die ervaring, die omzetten in kennis en daar dan iets mee doen.

Fenomenologie van de ervaring is mijn titel. Wat is fenomenologie? Kort gezegd gaat het om een filosofische stroming die uitgaat van de ervaring en de waarneming bij het bestuderen van de werkelijkheid. De wereld verschijnt aan ons (in “fenomenen”) en daar moeten we ons op baseren bij het beschrijven van de wereld. Marcel Proust gaat ook uit van de ervaring in zijn werk en beschrijft de ervaring áls ervaring. Dat verklaart de ietwat tautologische titel ‘Fenomenologie van de ervaring’.

Wie was Marcel Proust? Proust leefde van 1871 tot 1922. Hij behoorde tot de rijke, hoge burgerij in Frankrijk, met een beroemde arts als vader. Hij is zelf beroemd geworden door zijn meesterwerk A la recherche du temps perdu, vertaald als Op zoek naar de verloren tijd, een zevendelige roman waar iedereen altijd de grap over maakt dat niemand hem helemaal gelezen heeft (ik wel).

Op zoek naar de verloren tijd is op het eerste gezicht een boek over feestjes, adel, en vooral de liefde, meisjes, vrouwen. Een boek over de fenomenen aan de oppervlakte. Maar daarachter gaat een heel filosofisch bouwwerk schuil. Proust wil door zijn vertelling iets duidelijk maken over de mens en de werkelijkheid. Dat is weer de fenomenologische insteek: je kunt de wereld alleen kennen door je waarneming en ervaring en moet hem ook zodanig beschrijven. Verhalen zijn daar een goed middel voor. Zo kun je de ervaring overbrengen en in het gunstigste geval de lezer de ervaring zelf laten beleven.

De bekendste ervaring, ook wel ‘impressie’, die Proust beschrijft is de scène met de madeleine, die in het eerste deel staat en waaruit eigenlijk het hele boek voortspruit. Dit is een van de bekendste scènes uit de wereldliteratuur, dus die wil ik graag lezen.

‘En even later, terneergeslagen door de sombere dag en het vooruitzicht van de trieste dag van morgen, bracht ik werktuigelijk een lepeltje thee met een brokje madeleine daarin gedrenkt naar mijn mond. Maar op hetzelfde moment dat de met koekkruim vermengde slok mijn gehemelte raakte, schrok ik op, vol aandacht voor iets buitengewoons dat er in mij plaatsvond. Ik werd overvallen, geïsoleerd door een intens gevoel van genot, zonder notie van de oorzaak.’

‘Ik zet het kopje neer en ga bij mijn brein te rade. Dat moet de waarheid vinden. Maar hoe? Groot is de onzekerheid, altijd wanneer het brein voelt dat het zichzelf niet aankan, wanneer het zoeker en tegelijk het duistere gebied waar het moet zoeken is, en niets heeft aan al zijn bagage. Zoeken? Meer dan dat: creëren. Het staat tegenover iets dat nog niet bestaat en dat het alleen zelf tot stand kan brengen, om er dan zijn licht over te laten schijnen.’

Iedereen herkent wel de ervaring dat een nietig iets, een smaak of een geur, je helemaal van je stuk kan brengen en een wereld aan herinneringen oproept. Zoals hier met de madeleine. Maar belangrijk is dat Proust het niet daarbij laat. Hij wil het onderzoeken, erachter komen wat er precies gebeurt. Na de ervaring, die hem van zijn stuk brengt, emotioneel raakt, intens genot geeft en ‘zonder notie’ achterlaat, gaat hij te rade bij zijn brein. Het resultaat? Zeven delen A la recherche du temps perdu.

Wat gebeurt hier precies? Hoe duidt Proust deze op zichzelf nietszeggende ervaring, veroorzaakt door een koekje? Om dat te begrijpen is het nodig iets te vertellen over Prousts opvatting van de werkelijkheid en de relatie daarvan tot de mens en zijn innerlijk. Zoals gezegd kun je die fenomenologisch noemen. De wereld verschijnt aan de mens en kun je op geen andere manier leren kennen dan vanuit de mens. Binnenwereld en buitenwereld zijn van elkaar afhankelijk. Want zonder een innerlijk dat de wereld ziet, blijft die wereld betekenisloos, maar zonder wereld om betekenis aan te geven, is ook het innerlijk doods.

Het innerlijk verleent betekenis aan een op zichzelf betekenisloze buitenwereld. Dat klinkt abstract, laat ik een duidelijk voorbeeld geven uit het boek van Proust. Een voorbeeld dat iedereen herkent, namelijk de liefde – hoewel die bij Proust extreme vormen aanneemt. Proust schrijft veel over de liefde en zijn opeenvolgende geliefdes. Als je verliefd bent, zegt hij, geef je een heel speciale betekenis aan het object van je liefde. De geliefde is een schepping van jezelf. Ze bestaat wel in de buitenwereld, maar is afhankelijk van jouw innerlijk om de betekenis van geliefde te krijgen. Helaas betekent dat ook dat die betekenis kan veranderen. De geliefde van vorig jaar is vervangen door een nieuwe. Dat komt niet omdat zij is veranderd, maar omdat je zelf bent veranderd. Je zegt bij jezelf: ‘Ze was heel lief.’ Maar daarachter schemert: ‘Ik vond het plezierig om haar te kussen.’

Waar het voor Proust om draait is om op deze innerlijke betekenissen vat te krijgen. Zelfkennis opdoen dus. Het verkrijgen van zelfkennis betekent het patroon herkennen in de verschillende betekenissen die je aan de buitenwereld geeft. Als je bijvoorbeeld zoals Proust al je geliefdes steeds de betekenis ‘onbereikbaar’ geeft, moet je dit patroon dat aan de uiterlijke wereld kleeft vertalen in de innerlijke betekenis. Ze zijn niet echt onbereikbaar, het is een eigenschap van jezelf dat je vrouwen zo ziet. Er bestaan in feite twee zelven, het oppervlakkige, veranderlijke zelf van de fenomenen (“Ze was heel lief, maar onbereikbaar.”) en het ware, diepe zelf dat ontdekt en geïnterpreteerd moet worden (“Ik noem haar onbereikbaar omdat ik mij niet wil binden”). Zelfkennis is kennis van het laatste zelf. Ergens in je innerlijk ligt een blauwdruk van daarvan opgeslagen. Patronen aan de oppervlakte kunnen je op het spoor naar de diepte zetten.

Het is natuurlijk moeilijk om te erkennen dat het niet de buitenwereld is die op een bepaalde manier is, maar dat jij zelf die betekenis verleent. Vaak is dat geen leuke kennis over jezelf (ook niet in de liefde). De mens is in niets zo goed als in zelfdeceptie. Zelfdeceptie ziet Proust als grootste ondeugd en het is een morele opgave om zelfdeceptie te ontmaskeren door kritische ondervraging. Dat is paradoxaal: juist het verstand is een valse vriend die je afhoudt van je instinct en zelfdeceptie brengt. Maar om de zelfdeceptie te doorzien door kritische ondervraging moet je het verstand gebruiken. Het verstand schept een ‘vlucht, weg van ons eigen leven dat wij niet de moed hebben te bekijken, die eruditie heet.’ Het is het gezonde verstand dat ons in toom houdt. Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Het verstand zegt: zij is onbereikbaar, om er makkelijk af te zijn. Het verstand steekt zijn kop in het zand.

Hoe kom je uit deze paradox? Via de impressie, want dat is hoe het ware zelf zich laat kennen. Door uit te gaan van de ervaring, van emotie en instinct leer je het zelf kennen, maar dat moet je vervolgens met de rede doorgronden. Je moet te rade gaan bij het brein. Proust maakt hier een onderscheid tussen verstand en intellect. Met de makkelijke antwoorden van het verstand, die betrekking hebben op de buitenwereld, moet je geen genoegen nemen (“zij is onbereikbaar”). Het intellect daarentegen wijst je naar de zelfkennis, kan verbanden leggen en patronen zien. Enkele fenomenen blijven willekeurig, het gaat om de herhaling. Eén vrouw kan echt onbereikbaar zijn, maar als de onbereikbare vrouw steeds terugkeert is er meer aan de hand. Daarom is het belangrijk veel ervaring op te doen. Hoewel ik niet zou willen aanraden steeds weer te vallen op onbereikbare vrouwen. Het is beter om veel te lezen.

De weg naar zelfkennis begint volgens Proust dus met ervaring. Om de patronen die in jezelf zijn ingesleten te ontdekken, moet je eerst een impressie ondergaan waarin die ervaring tot leven komt en het verstand is uitgeschakeld. Daarna ga je op intellectueel niveau verbanden leggen, bij het brein te rade, even structureel te werk gaand, even kritisch als een wetenschapper die een experiment uitvoert. Je legt verbanden, probeert patronen te ontdekken in je innerlijk en de manier waarop je betekenis geeft aan de wereld. Steeds ervan bewust dat innerlijk en uiterlijk afhankelijk zijn van elkaar. Door betekenis te geven, verander je de buitenwereld, maar het innerlijke is niets waard zonder buitenwereld om betekenis aan te geven. Wil je het helemaal goed doen, dan ga je nog verder, en maak je van de blauwdruk die je hebt gevonden een werk, een kunstwerk. Zoals Proust dat ook heeft gedaan. Zo’n kunstwerk kan weer een impressie, een ervaring voor een ander zijn. Proust, die in zijn werk zoveel spreekt over bepalende ervaringen, die je op het pad naar zelfkennis leiden, heeft precies dat bewerkstelligd bij mij. En nu vertel ik jullie daar weer over.

Proust zag dit kritische zelfonderzoek als een morele opgave, omdat het niet alleen gaat om jezelf (wat al belangrijk en interessant genoeg is), maar om het betekenis geven, een daad waarmee je jezelf en de werkelijkheid als het ware schept, tot leven brengt. Zelfkennis als doel moet wel een ethische stap meebrengen en gericht zijn op zelfverbetering of -verwerkelijking. Want wat heb je eraan dat je weet dat je altijd op onbereikbare vrouwen valt omdat je zelf eigenlijk verlatingsangst hebt, als dat niet tot verandering leidt?

Socrates zei: een leven dat niet verteld is, is een leven dat niet geleefd is. Soms als je een verhaal begint te vertellen, weet je niet waar het eindigt. Het vertellen van het verhaal verandert het verhaal. Dat geldt ook voor het leven. Door het leven te leven verandert het leven. Bedankt voor jullie aandacht.

Viermaal Marcel Proust

De nieuwe vertaling van Marcel Prousts “De kant van Swann” biedt een mooie (hernieuwde) kennismaking met deze klassieker. Twee boeken over Proust vergezellen de uitgave. Samen met de eerder verschenen vertaling van “Tegen Sainte-Beuve”, maakt dat van 2009 een echt Proustjaar.

Het is altijd een vreemde gewaarwording om gevleugelde uitspraken en wereldberoemde scènes tegen te komen in hun oorspronkelijke omgeving. Als je Hamlet leest struikel je bijna over het ‘To be or not to be’. Het staat er echt, denk je verbaasd. Ook Marcel Proust heeft zo’n scène aan de literatuur toegevoegd: die waarin een madeleine gedoopt in lindebloesemthee herinneringen wakker maakt en een romanuniversum geboren laat worden.’

Mijn poging nieuwe zieltjes te winnen voor de grootmeester: Viermaal Marcel Proust op 8WEEKLY.

Het is altijd een vreemde gewaarwording om gevleugelde uitspraken en wereldberoemde scènes tegen te komen in hun oorspronkelijke omgeving. Als je Hamlet leest struikel je bijna over het ‘To be or not to be’. Het staat er echt, denk je verbaasd. Ook Marcel Proust heeft zo’n scène aan de literatuur toegevoegd: die waarin een madeleine gedoopt in lindebloesemthee herinneringen wakker maakt en een romanuniversum geboren laat worden.

Met de herziene en deels nieuwe vertaling van Op zoek naar de verloren tijd door Thérèse Cornips, waarvan onlangs het eerste deel ‘De kant van Swann’ verscheen, kan iedereen zich laten binnenvoeren in dat universum. En erachter komen dat de scène met de madeleine maar een nietig deeltje daarin is, dat in de schaduw staat van veel memorabeler episodes.

Ontwaken
Laten we bij het begin beginnen. Ook Prousts eerste zin is beroemd: ‘Lang ben ik bijtijds gaan slapen.’ Deze beginzin is meteen een statement van de nieuwe vertaling. In de vorige luidde die namelijk: ‘Heel lang ben ik vroeg naar bed gegaan.’ Het verschil tussen naar bed gaan en slapen is voor de bedlegerige Proust zeer groot en de verdere openingspagina’s gaan precies over slapen, waken en dromen. De oude vertaling liep vaak hortend en stotend, wat het volgen van de extreem lange zinnen van Proust nog lastiger maakte dan het soms al is. Die van Cornips is ontegenzeggelijk beter, want bijna onzichtbaar.

Zien
Onzichtbaar is eigenlijk een verkeerd woord om bij dit werk te gebruiken. Want als Proust iets doet, is het juist dingen zichtbaar maken. Niet alleen door te beschrijven hoe dingen eruit zien, zoals de natuur en mensen; hij besteedt juist ook heel veel aandacht aan hoe dingen gezien worden. Twee voorbeelden. Swann bekijkt mensen met de blik van een kunstkenner – in ieder mens dat hij ontmoet herkent hij een figuur van een oude fresco of middeleeuws schilderij. Dat levert onuitwisbare tekeningen op, zoals van een livrei die staat ‘te dromen, roerloos, sculpturaal, overbodig, zoals die louter decoratieve krijgsman die je op de meest wilde taferelen van Mategna in gepeins verzonken op zijn schild ziet leunen, terwijl pal naast hem iedereen erop los stormt en elkaar aan het kelen is’.

Of de ontdekking door de verteller van zijn kunstenaarschap: zittend op de bok van een rijtuig kijkt hij toe hoe twee kerktorens langs de horizon verschuiven, verdwijnen en na een bocht weer opduiken. Dat lijnenspel geeft hem een enorme vreugde, maar hij weet niet waarom. Het enige wat hij kan doen is het opschrijven. Het is een prachtige, beeldende en bloemrijke scène.

Portretten
Hoe beeldend Proust ook schrijft, het is absoluut een leuke aanvulling om het boekje Het Parijs van Marcel Proust hervonden tijdens het lezen erbij te hebben. Hoewel de tekst teleurstelt, doen de illustraties je nog verder wegdromen. Schilderijen en foto’s van soirees, bars en Parijse parken laten zien hoe dat universum zich verhoudt tot de echte wereld van de jaren 1871–1922 (Prousts geboorte– en sterfjaar). Daarnaast zijn er portretten opgenomen van gravinnen, schoolvrienden en courtisanes die model stonden voor personages in Op zoek naar de verloren tijd.

Ook Proust verliefd voorziet daarin. William C. Carter geeft bovendien een toegankelijke, maar intelligente duiding van de romancyclus in het licht van Prousts leven. Niets is wat het lijkt, daar hamert Carter voortdurend op. Personages zijn niet een-op-een te herleiden tot een echt bestaand model (hoewel Proust, net als menig groot schrijver, te maken heeft gehad met lezers die zich meenden te herkennen). Dat is ook een thematisch motief in de roman. Telkens weer blijkt dat mensen zich anders voordoen dan ze zijn en een masker dragen. Het snobistische gedrag van het personage Legrandin, bijvoorbeeld, ontleedt de verteller genadeloos. Of hoe de cocotte Odette koketteert met haar onwetendheid. Proust beschikt over een feilloos inzicht in ijdelheid en valse voorwendselen. Ook bij zichzelf; hij spaart zichzelf niet, wat misschien wel het meest bewonderenswaardige van dit werk is.

Poëtica
Het gaat nog verder, want naast een thematisch motief verwijst het masker ook naar een poëticale opvatting. Dat valt te lezen in Tegen Sainte–Beuve, een bundel schetsen en essays die inzicht geeft in het ontstaan van Prousts meesterwerk. Sainte–Beuve was een negentiende–eeuwse criticus die een biografische manier van lezen voorstond en schrijvers beoordeelde op wat ze uitspookten in hun leven. Proust was hier fel op tegen. Hij meende dat het werk niet tot het sociale leven van de schrijver te herleiden is, omdat de kunstenaar twee persoonlijkheden bezit: de uiterlijke en de innerlijke. Kunst komt uit de innerlijke persoonlijkheid voort. De personages met hun maskers en ijdelheden verwijzen naar die dubbele persoonlijkheid. Dat werpt natuurlijk wel de vraag op wat Proust zou vinden van de plaatjesboeken en het biografische gewoel in zijn liefdesleven. Wel, ik denk dat hij – zelfbenoemd roddelaar en koppelaar – ervan zou hebben genoten. Zelfrelativering is hem niet vreemd, zoals gezegd.

Liefde
In Tegen Sainte–Beuve is de werkwijze van de schrijver op een intrigerende manier te volgen. Steeds opnieuw begint Proust met een passage, die subtiel verandert. Zo zie je de indrukken van het eerste deel ontstaan, waarin de verteller in zijn bed ligt en ontwaakt. Is dat eerste deel vooral impressionistisch van aard (de waterlelies van Monet krijgen een papieren equivalent), in deel twee komt de thematiek van de maskerade naar voren in het clubje van de Verdurins. Dan valt er opeens ook veel te lachen. Uiteindelijk gaat liefde – en dan vooral de uitwassen daarvan in verzengende jaloezie – de hoofdrol spelen. De spiegelingen tussen personages en hun verhoudingen nemen een aanvang als in het korte derde deel de verteller zijn eerste verliefdheid beleeft. Nergens zul je zoveel leren over de liefde als bij Proust. Over haar vasthoudendheid, haar desillusies en haar onuitroeibare macht. Dat rechtvaardigt het verschijnen van een boek als Proust verliefd, waarin die onmogelijke liefde centraal staat.

Er valt zoveel te zeggen over Marcel Proust en zijn Op zoek naar de verloren tijd. Het belangrijkste is dat de tekst levend en beschikbaar wordt gehouden in een hedendaags Nederlands, zoals nu is gedaan. Makkelijk zullen die lange zinnen vol metaforen nooit worden. Geef je gewonnen voor die andere, verloren tijd. En ik verklap je: het mooiste moet nog komen. 2009 is zomaar opeens een echt Proustjaar geworden. Op naar de volgende delen.

– Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd. De kant van Swann (vert. Therese Cornips), De Bezige Bij, 2009, 604 pagina’s, € 49,90.

– Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve. Verslag van een ochtend (vert. Martin de Haan, Rokus Hofstede), Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2009, 324 pagina’s, € 34,95.

– William C. Carter, Proust verliefd (vert. W. Hansen), De Bezige Bij, 2009, 317 pagina’s, € 19,95.

– Henri Raczymow, Het Parijs van Marcel Proust hervonden (vert. Frans de Haan), De Bezige Bij, 2009, 199 pagina’s, € 29,95.

Het leven lezen: het innerlijk boek

In de aanloop naar de Studium Generale-reeks Levenskunst die ik vanaf september ga presenteren, wilde ik een stukje schrijven over de manier waarop literatuur je zelfkennis kan geven. Er zijn zat mensen die niet begrijpen waarom je zoveel boeken zou lezen; wat mij betreft word je een beter mens door te lezen, omdat lezen zelfkennis brengt. Opeens bedacht ik me dat ik hier allang over heb geschreven. Het is een vraagstuk dat me nu misschien al tien jaar bezighoudt. Ik ging zoeken in mijn digitale bureaula en ja, daar was mijn eindessay voor het Radboudjaar, ‘Het leven lezen’, over Marcel Proust (ja, daar is-ie weer). Omdat ik het toch niet beter kan formuleren dan toen (wat heb ik dan geleerd in de afgelopen vijf jaar?), neem hier een klein stuk eruit over. Met gevaar voor lezersverlies, dat wel.

De eerste metafoor heeft niet in eerste instantie te maken met de werking of het belang van literatuur in het leven, maar beschrijft Prousts zicht op het innerlijk van de mens. Hij geeft daarmee een antwoord op de vraag hoe het zelf eruit ziet dat verkend moet worden. In de benaming van dat zelf als boek wordt ook meteen een aanwijzing gegeven hoe de verkenning eruit moet zien: een boek moet men immers lezen. Het is belangrijk eerst te begrijpen welke gestalte dit innerlijke boek heeft, voordat de werking erop van ‘echte’ boeken verder bestudeerd kan worden.

Wat het innerlijk boek met onbekende tekens betreft (tekens in reliëf, leek het, waar mijn aandacht, mijn onbewuste verkennend, naar ging speuren, op stuitte, omheen cirkelde als een duiker die diepte peilt), waarvoor om mij te helpen lezen niemand mij een richtsnoer kon geven, bestond dat lezen uit een scheppingsdaad waar geen mens ons bij vervangen of zelfs maar met ons aan meewerken kan. Hoevelen zien er dan ook van af! Hoeveel taken neemt men niet op zich om die ene uit de weg te gaan! Ieder evenement, of het nu de Dreyfus-affaire was, of het de oorlog was, had de schrijvers weer andere excuses verschaft om dat boek niet te ontcijferen, zij wilden zorgen voor de overwinning van het recht, de morele eenheid van de natie herstellen, hadden geen tijd om aan de letteren te denken. Maar het waren maar excuses, omdat ze er niet of niet meer het genie toe hadden, dat wil zeggen het instinct. Want het instinct schrijft de plichten voor en het verstand verschaft de voorwendselen om ze te omzeilen. Alleen, in de kunst doen excuses niet mee, tellen bedoelingen niet, ieder ogenblik moet de kunstenaar naar zijn instinct luisteren, en vandaar dat kunst het meest werkelijke is dat er bestaat, de meest strikte levensschool, en het ware Laatste Oordeel. Dat boek, het moeilijkst te ontcijferen van allemaal, is ook het enige dat de werkelijkheid ons heeft gedicteerd, het enige waarvan de ‘indruk’ in ons door de werkelijkheid zelf is gemaakt. Om welk door het leven in ons nagelaten idee het ook gaat, de materiële figuur ervan, het merk van de indruk die het op ons gemaakt heeft, is weer de waarborg voor zijn absolute waarheid. De door de zuivere rede gevormde ideeën zijn maar logische waarheid, denkbare waarheid, ze zijn arbitrair verkozen. Het boek met de figuratieve, niet door ons gemaakte lettertekens is ons enige boek.

Wat komt hieruit naar voren? Om te beginnen is het innerlijk boek iets onbekends en duisters, dat weggeborgen is in de diepten van het menselijk onbewuste. Iedereen bezit zo’n boek, maar slechts weinigen lezen het – het is mogelijk je hele leven uit te zitten zonder ooit een letter van de tekst te hebben gelezen, laat staan geïnterpreteerd. Degenen die zo hun dood bereiken hebben een leven geleid in ledigheid, verstoken van inzicht in de werkelijkheid. Dat is een makkelijk bestaan, gekenmerkt door luiheid, waartoe de mens snel vervalt. Wil je echter tot een zekere waarheid komen, dan moet je hard werk verrichten, waarbij je bovendien geen enkele hulp mag verwachten. Je zult over je aversie heen moeten stappen om af te dalen in de krochten van de eigen ziel en in afzondering en volharding je weg vervolgen. De implicatie hiervan is dat er twee ‘zelven’ bestaan: een oppervlakkig, veranderlijk zelf dat correspondeert met de verschijningswereld van de buitenwereld, en het ‘ware zelf’ dat de verschijning overstijgt en een onveranderlijke kern heeft. Zelfkennis is kennis van dit laatste zelf, dat zich openbaart in patronen die onder de oppervlakte liggen.

De leidraad bij het lezen van je innerlijk noemt Proust hier het instinct. Later blijkt dat daaronder ook valt: de emotie en de impressie. Het verstand is een valse vriend die misleidt door logische redeneringen te presenteren als waarheid. De logica die zetelt in de rede blijft aan de oppervlakte van de buitenwereld en raakt niet aan de essentie van de dingen. Logica is zogezegd het equivalent van de fenomenale wereld, die veranderlijk is en geen toegang biedt tot een transcendente waarheid – over de dingen én over het zelf. Het instinct kan daarentegen doordringen tot die werkelijke essentie. Het ware zelf is daarom gelokaliseerd in het instinct of de emotie en niet in de rede, hoewel deze laatste onontbeerlijk is bij het leren kennen van de eerste.

Wat houdt voor Proust de werkelijkheid of de waarheid in? Hij erkent het bestaan van een wereld die losstaat van de mens. De mens neemt die wereld in zich op, waarbij de twee versmelten. De versmelting is niet op voorhand gegeven – ze kan zich ook níet voordoen. De buitenwereld draagt het vermogen in zich tekens te griffen in ons innerlijk. Deze buitenwereld is echter niet hetzelfde als de werkelijkheid. De wereld verdient die naam pas op het moment dat de tekens ontcijferd worden en de platte, redelijke aanschijn van de fenomenen wordt weggetrokken. De buitenwereld moet eerst door ons innerlijk heen gaan om betekenis te krijgen – niet op een algemeen geldend woordniveau, maar op een activerende manier die persoonlijke associaties aan het object verbindt. ‘Realiteit’ is dan een product zowel van de ons omringende wereld als van ons onbewuste, ze komt tot stand doordat de wereld wordt ondergedompeld in het innerlijk. In het innerlijk ligt een verzameling indrukken opgeslagen van de verschijningswereld, aan de hand waarvan de persoonlijke betekenis van die wereld ‘geactiveerd’ kan worden.

De lezer van het innerlijk boek leest in zichzelf de waarheid. In zijn werk van decodering trekt de sluier op, wordt het duister verhelderd, krijgen de letters een zin. Maar het lezen gaat verder dan slechts het ont-dekken van een bestaande waarheid die achter de oppervlakte verscholen ligt. Proust schrijft, bijna tussen neus en lippen door, dat het ontcijferen een scheppingsdaad is. Elders noemt hij de waarheid die aldus naar boven wordt gebracht een ‘nieuwe waarheid’. De mens creëert de werkelijkheid door het ontcijferen van zijn innerlijk boek (waarin de verschijningen tekens hebben gegrift). In het ontcijferen – dat vooral, zoals later zal blijken, bestaat uit het leggen van verbanden – ontstaat een betekenis van wat tot dan toe een platte, zinloze omgeving is. De betekenis is weliswaar persoonlijk, maar dat maakt hem juist veelzeggend, associatief en dynamisch, omdat hij de logische, algemeen geldende buitenkant penetreert. Hij creëert reliëf. Tegelijk is het innerlijke boek gegraveerd door de omgeving en kan de inhoud ervan veranderen in het proces van interpretatie. Het innerlijk en de buitenwereld onderhouden zo een dynamische relatie met elkaar.

Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve

tegen_sainte-beuve

Inhoud gaat boven stijl, schreef ik. Ik ben meer vent dan vorm. Toch voelt dat niet lekker, want voor je het weet begrijpen mensen je verkeerd en gaan ze je literaire thrillers voor je verjaardag geven. Terwijl één blik op mijn boekenkast genoeg is om te weten dat het mij in de literatuur allemaal niet elitair en hoogstaand genoeg kan zijn. Hoewel het slap is, niet erg ‘vent’, moet ik dus toch benadrukken dat zowel vorm als inhoud onontbeerlijk zijn voor een goed boek. In welke verhouding ze tot elkaar staan – dat is waar de discussie over moet gaan. Is het verhaal slechts een vehikel om een kunstwerk in taal te scheppen? Of staat de taal in dienst van wat de schrijver wil zeggen? Ik denk het laatste. Maar dat betekent dat de gebruikte taal een des te belangrijkere functie krijgt.

Hoe dat werkt, of zou moeten werken, wordt op een heel mooie en persoonlijke manier duidelijk in Tegen Sainte-Beuve van Marcel Proust, onlangs in vertaling verschenen bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Marcel Prousts opvatting van stijl is de mijne, of eerlijk gezegd, mijn idee van een goede stijl heb ik overgenomen van Proust. Kort gezegd: alle woorden die in eerste instantie bij je opkomen bij het beschrijven van wat je te beschrijven hebt, moeten terzijde worden geschoven. Dat zijn gemeenplaatsen, spreektaal, makkelijke uitingen die vooral beantwoorden aan wat de ander wil horen. Je moet daarentegen voorbij die woorden gaan, jezelf bevragen, de dingen, de anderen, de gevoelens, kortom de inhoud, tot je bij de taal uitkomt die alleen dat kan uitdrukken wat jij te zeggen hebt. Door de taal steeds opnieuw de onderwerpen aan een kritische blik en de vraag te stellen of die woorden wel beantwoorden aan de (woordeloze) inhoud, bouw je niet alleen steeds verder aan een eigen taal, voorwaarde voor een literair kunstwerk, maar begrijp je ook de inhoud steeds beter. Een kritische houding tegenover de woorden dwingt tot een kritische houding tegenover jezelf.

In Tegen Sainte-Beuve is de lezer getuige van dit proces. Het boek is een verzameling notities, schetsen en opzetten, geen afgerond essay en geen verhaal met kop en staart. Hetzelfde geldt voor de losse delen. Een vervreemdende ervaring. Ik begon te lezen en was al bovenaan de tweede bladzijde zo geroerd, ik zou bijna willen zeggen aangeraakt door de wereld van Proust, die inderdaad alleen in de woorden van Proust gestalte kan krijgen, dat ik het boek even weg moest leggen. Ik herinnerde me de anekdote over Simon Vestdijk (meen ik) die Moby Dick nooit zou hebben uitgelezen, omdat hij na de wereldberoemde eerste zin al zo aangeslagen was dat hij niet verder kwam. ‘Call me Ishmael.’ Dat had ik altijd een zeer grappige en erudiete smoes gevonden. Nu kon ik me opeens voorstellen dat het de gruwelijke waarheid was.

Ik las wel verder. En dan begint de tekst te schuiven, alsof die in golven over zichzelf heen spoelt. Op de eerste bladzijden begint de tekst steeds weer opnieuw, met kleine veranderingen in woordkeus, in formulering, in focus, die de schrijver en lezer met kleine schokjes steeds een andere kant op sturen, alsof ze in een bootje zitten dat steeds een klein beetje van koers verandert. Het is een bedwelmende ervaring, door de herhaling van zinnen en beelden als een mantra is het bijna onmogelijk uit het bootje te stappen en zie je alleen nog de golven die, allemaal eender en allemaal verschillend, tot aan de horizon reiken. Bedwelmend ook omdat je de schrijver (in casu mijn held) aan het werk ziet, alsof je het privilege hebt gekregen om in een hoekje van de kamer plaats te nemen, waar je het krassen van de pen hoort en het gemompel als een zin wordt overgelezen, een kamer met uitzicht op zee.

Af en toe komt de tekst in een stroomversnelling terecht, wanneer Proust niet een nieuw vel pakt om van voren af aan te beginnen met zijn mantra (moeder, slapen, zon enzovoorts), maar middenin een zin besluit dat het anders moet, dat de woorden niet voldoen. Nu zijn de zinnen van Proust vaak al zo lang dat je, eenmaal bij de punt beland, niet meer weet waar hij mee begonnen was. Toch heb je die zin zonder moeite gelezen, want lange zinnen hoeven niet per se ingewikkelde zinsconstructies te hebben die het lezen belemmeren. Nu laat hij de zin terugtrekken, rolt hem weer uit, trekt hem weer terug, laat hem aanzwellen – als een golf, steeds gelijk en steeds uniek. Je bent opgestaan uit de donkere hoek van de kamer en neemt plaats naast de schrijver, bijna té dichtbij, je hoort nu de oppervlakkige ademhaling van iemand die bang is zijn eigen gedachten niet bij te kunnen benen, je ziet de schittering van het zonlicht op de golven, een verblindende twinkeling.

Zo werkt het schrijven dus: steeds op zoek gaan naar woorden en beelden die nóg beter uitdrukken wat je zeggen wil. Alle ballast overboord, maar niet voordat het onderworpen is aan een grondig onderzoek. En achter die woorden, maar ook in die woorden, tekent zich de inhoud steeds duidelijker, schaamtelozer en naakter af en tegelijk steeds eigenaardiger, woordelozer, uitdrukkinglozer. De beklemmende paradox van de schrijver.

Chemische reacties

chemische_reacties

De doodstraf kan je achtervolgen, of lieve pasgeboren poesjes, maar ook heel wat abstractere zaken. Hoe je persoonlijke, dagelijkse leven verregaand beïnvloed wordt door fictieve, onbestaande dingen. Dit is geen thema, maar een blik op de wereld. Vaak is zo’n achtervolging te herleiden tot iets wat je gelezen hebt, een filosofie die opeens je wereld op zijn kop zet. Hoe taal alles beïnvloedt wat je ziet of wat de consequentie is van absolute vrijheid, bijvoorbeeld. Als dat eenmaal tegen je gezegd is, kom je er niet meer vanaf, je kunt de wereld niet meer zien zoals ervóór. Maar soms is zo’n ‘turn’ niet terug te voeren tot een enkel boek of een bepaald college filosofie, maar is die een optelsom van meer of minder toevallige ontmoetingen, artikelen, programma’s et cetera. Opeens zie ik het overal: het fictieve dat zo geïncorporeerd wordt door een mens dat het reële gevolgen krijgt. Naar believen uit te breiden naar het virtuele, het immateriële, dat soort shit weetjewel.

Ik heb het niet eens in de eerste plaats over de virtuele wereld, hoewel die natuurlijk ook reëel inwerkt op het leven. Maar de virtuele wereld is denk ik al heel reëel, en dus niet een goed voorbeeld. Bovendien gaat het niet om iets nieuws, maar zoals gezegd om een manier om naar de wereld te kijken. De negentiende eeuw levert al zonder moeite een wereldberoemd voorbeeld. Madame Bovary verliest zich zozeer romantische boeken, dat die een extreem gevolg krijgen in haar leven (overspel, zelfmoord). Een niet-bestaande wereld komt binnen in de mens, gaat een chemische reactie aan met alles wat in dat mens leeft aan opvattingen, herinneringen, wensen, dromen, en komt vervolgens weer naar buiten in handelingen, uitspraken, beslissingen – kortom een materieel veranderde wereld.

Neem Bob Dylan en I’m Not There. Ook Dylan beweegt zich tussen het bestaande en niet-bestaande, ik noemde hem niet voor niets een ontsnappingskunstenaar. Hij schiep zijn eigen mythe, die realiteit is geworden. Daardoor is hij niet meer te vangen, ontsnapt hij aan elke grip, zijn status wordt almaar mythischer. Een cirkel van fictie en realiteit.

Goed, je eigen mythe leven is wel een heel extreem voorbeeld. Iets soortgelijks gebeurt echter dagelijks met mensen om ons heen, namelijk in realityprogramma’s (waar ik het al eerder over heb gehad). Er zijn zoveel realityprogramma’s dat je kunt zeggen dat inmiddels tientallen mensen per jaar een niet-reëel leven leiden, hoewel ik het toch niet meteen mythisch zou willen noemen. Figuranten in een verhaal, dat ze zelf niet schrijven. Enkelen weten het verhaal naar hun hand te zetten en het fictieve voor zichzelf om te buigen in realiteit. (Ik vrees voor de aantallen lezers die mij hier nog volgen.)

Eigenlijk begon mijn optelsom van… dit – een mooi woord is gewenst – bij Marcel Proust. Ik schreef niet zomaar ‘chemische reactie’, dat beeld heb ik geleend van de grote meester. Mijn initiële verwondering ontstond toen ik zelf meemaakte dat een boek, een roman die toch eigenlijk alleen bestaat in het hoofd van de lezer, in mijn hoofd dus, concrete en praktische consequenties had in mijn leven. Het is een enorm cliché om te zeggen dat Op zoek naar de verloren tijd ‘mijn leven heeft veranderd’, maar als je alle clichématigheid wegdenkt is het gewoon de waarheid. En in dat boek beschrijft hij ook nog eens hoe dat werkt, een boek dat je leven verandert… door wat hij een ‘chemische reactie’ noemt. Daar zal ik een andere keer misschien nog over uitweiden.

Gisteren was ik bij de presentatie van het boek Digital Material en kreeg ik een nieuwe dimensie voorgeschoteld van… dit. Te zeggen dat de roman (mythe, fictie, virtualiteit) bestaat in het hoofd van de lezer is te kort door de bocht. Immers, het immateriële manifesteert zich in eerste instantie toch in het materiële, noem het de hardware (en de mens: wetware). Daar zit denk ik een ingang om verder grip te krijgen op deze… materie. Maar ook zag ik opeens een gapende afgrond voor me openen, de afgrond van de hele geschiedenis van de filosofie. Soms weet ik niet waar ik moet beginnen met denken.

En het is zaak om te weten waar je je gedachten aan moet wijden, want als je er eenmaal op let, is het overal. Voor je het weet kom je in een achtbaan van gedachten en kun je alleen nog maar verwilderd om je heen kijken, totaal paranoïde, als een figurant in The Matrix. Het is zaak om het verhaal naar je hand te zetten en het fictieve om te buigen in realiteit. Of schep ik dan mijn eigen mythe?

Een sensatie die het leven verandert

Emotionele kunstbeschouwing volgens Hans Goedkoop en Henk van Os

Toegegeven: de discussie over de gebrekkige kennis die Nederlanders hebben van de vaderlandse geschiedenis duurt eigenlijk al te lang en loopt al te vaak uit op een klaagzang. Inmiddels is er een canon gemaakt met vijftig vensters, die natuurlijk ook uitnodigen tot klagen. De beta’s stelden hun eigen canon samen (geschiedenis is nu eenmaal een alfawetenschap) en het gerucht gaat dat ook gammawetenschappers bezig zijn de hoogtepunten uit hun vakgebied te canoniseren.

De vensters op de geschiedenis moeten Nederlanders, vooral kinderen en jongeren, warm laten lopen voor het vaderlandse verleden. Door bijzondere momenten te kiezen in plaats van een doorlopend verhaal te vertellen, zal de geschiedenis als een bom inslaan. Beelden (oftewel vensters) komen nu eenmaal beter aan dan lange chronologieën. “Een sensatie die het leven verandert” verder lezen