Oorbellen, buiken en eenzaamheid – Doina Ioanid

Dia01

Lezing gehouden bij de presentatie van Oorbellen, buiken en eenzaamheid van Doina Ioanid (vertaling Jan Mysjkin), 15 juni 2013 in Perdu, Amsterdam. De bundel bestellen kan hier.

Goedenavond, beste mensen. Ik ben begonnen met het voorlezen van het openingshoofdstuk uit een ander boek dan hier vanavond gepresenteerd wordt en zal uitleggen waarom. Max Blecher en zijn Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid zijn de aanleiding waarom ik hier sta om u iets te vertellen over het dichterlijke werk van Doina Ioanid. Deze korte roman, die verscheen in 1936, en in de vertaling van Jan Mysjkin een paar jaar geleden uitkwam, heb ik twee keer gerecenseerd. Eén keer in een geschreven stuk, en daarnaast in een persoonlijk filmpje. Zo bijzonder vond en vind ik hem en zo vreselijk is het dat er niet meer aandacht voor Blechers werk is. Nu heeft Jan Mysjkin de wonderbaarlijke poëzie van Ioanid vertaald. Hij noemt haar werk met een verwijzing naar de roman van Blecher eveneens handelend over de ‘alledaagse onwerkelijkheid’. Dus dat leek de organisatie en mijzelf een goed startpunt voor een korte verkenning van dit mij voorheen totaal onbekende dichterlijke oeuvre.

Dia02

‘Wanneer ik langdurig naar een vast punt op de muur staar, kan het gebeuren dat ik niet meer weet wie of waar ik ben.’ Bij Max Blecher valt de hoofdpersoon voortdurend, vanaf de eerste zin, ten prooi aan versplintering, of misschien moet ik zeggen, kijkend naar de omslag – versnippering. Alsof hij een flinterdun figuur van papier is, waar de werkelijkheid stukken uit knipt.

Zijn beschrijvingen klinken soms als de toestand van een psychose, waarin de jongeman terugvalt in de wereld in haar rauwe staat van zijn, voordat wij mensen er met onze denkpatronen ordening en kleur in aanbrengen. De bewustzijnstoestand die in contact staat met de werkelijkheid voor de intrede van Kantiaanse categorieën, om het ingewikkeld te zeggen: hoogte, breedte, diepte vooral, maar ook het kleurenspectrum (de werkelijkheid in grijstinten en tweedimensionaal, zoals de hond hem schijnt te zien) en natuurlijk herinneringen, associaties, taal. Ik heb overigens weleens gehoord dat je deze toestand ook kunt bereiken door langdurige meditatie, dus pas maar op met de yoga-hype. De dingen zoals ze zijn, de werkelijkheid zoals ze is. Zoals we die eigenlijk nooit kunnen kennen, omdat kennen precies betekent: al die ordeningen en kleuren aanbrengen.

Dia03

Het is altijd lastig te spreken van invloeden onder schrijvers, zeker wanneer een van hen zelf lijfelijk aanwezig is. Op Jan Mysjkin durf ik te vertrouwen als hij die invloed benoemt, maar laat ik zelf spreken van een echo van Blecher die hoorbaar is als Ioanid schrijft: ‘een permanent heden, zonder herinneringen of biografie, compleet leeg’. Haar gedichten zijn te lezen als een verkenning van de wereld als dit permanente heden, waarin toch ook onmiskenbaar de tijd verstrijkt.

Het is een wereld waarin je jezelf niet meer herkent in de spiegel. Steeds is er het gevaar dat je zult wegsmelten als gevallen ijsjes liggend op de vloer in de zon. Alles is vloeibaar, of kan dat elk moment worden. Het enige wat je hebt om daar weerstand aan te bieden is je lichaam (hoewel het lichaam tegelijk door datzelfde gevaar van wegsmelting bedreigd wordt – het is vechten tegen de bierkaai met als wapen de bierkaai). Door je lichaam te voelen bestaat er toch een soort vastheid of eenheid in een verder weke wereld.

Dia06

Blechers jongen is niet sterk genoeg daarvoor, hij laat zich steeds weer overrompelen door de werkelijkheid, door de dingen. Ioanids vrouw laat dat niet zo makkelijk gebeuren, zij gaat de vloeibaarheid te lijf, letterlijk. Bijvoorbeeld door haar nagels erin te zetten. Nagels zijn bij uitstek in te zetten als wapen in de strijd. Als je met je nagels scheuren maakt, in jezelf of liever in een ander, liefst nog in een man, lever je bewijs tegen de vloeibaarheid. Maar je werkt door het scheuren natuurlijk ook de versplintering in de hand.

Dia09

Het weke van het lijf, en van de huid die dat lijf omvat, moet zo steeds getest worden, bekrachtigd. Zoals Ioanid in een gedicht schrijft, door ‘een mes te wetten langs de lijnen van je hand’. Bij Blecher worden de dingen levend, of in elk geval organisch en weten ze hem te overweldigen tot hij als een plasje neerzijgt om pas weer tot leven te komen als de dingen zich terugtrekken. Dat is bij Ioanid anders. Er is al vanaf het begin leven, vlees, huid, dijen en nagels. De bundel opent: ‘Op een zonnige dag. De werkelijkheid van licht korrelige billen.’

Maar in plaats van warmte of nabijheid – zoals bij Blecher de dingen mysterieus blijven maar door die bloedende levendigheid toch naderbij komen, soms te dichtbij – is er bij Ioanid eerder vervreemding tegenover al die lichamelijkheid. Blecher zoekt toenadering tot de dingen en wordt verstoten door de materie, Ioanid zoekt misschien wel afstand tot de mensen, maar wordt er ook van verstoten. Is dat niet erger: afstand zoeken en dan verstoten worden?

Dia12

(Ik moet ook denken aan Het Boek van Bruno Schulz, waar alles tot leven komt en toch op afstand blijft, in een soort stoffig-zonnig-diffuse schemering. Het Boek, dat de jongen mateloos fascineert, dat vol staat met wonderlijke afbeeldingen en haast mythische vertellingen – en dat later een catalogus blijkt van huis-tuin-en-keuken zaken, zeg maar gewoon een reclamefoldertje.)

Nu laat ik Max Blecher, Bruno Schulz, de kindertijd en de epileptische ervaringen even voor wat ze zijn.

Onlangs verscheen een artikel dat driftig door mijn twitter timeline werd verspreid: Does Great Literature Make Us Better? van Gregory Currie, New York Times, juni 2013. Het gaat, dat mag duidelijk zijn, over de vraag of literatuur ons, lezers, goede mensen maakt. ‘You agree with me, I expect,’ schrijft de auteur, ‘that exposure to challenging works of literary fiction is good for us.’ Dat is een thema waar ik me ook veel mee bezig heb gehouden. Currie benadert de eeuwige vraag als een wetenschappelijke speurneus op zoek naar experimenteel bewijs. We willen het zo graag geloven (alsjeblieft, laat ons lezers niet de losers zijn), maar nee, moet de speurneus na een rondgang langs wetenschappelijke experimenten concluderen, de literatuur maakt ons niet beter. Het is niet bewezen en waarschijnlijk ook niet te bewijzen.

Interessant, maar ondertussen, ergens in de loop van het detectivewerk, sluipt er in het essay iets onbestemds. Want wat betekent die vraag in de titel, Does Great Literature Make Us Better? Het gaat natuurlijk niet om de geneeskrachtige werking – dat je door het lezen van Proust een koudje kunt verhelpen. ‘Maakt literatuur ons beter’ betekent hier: maakt literatuur ons moreel hoogstaandere mensen. Het gaat Currie om morele ontwikkeling. Om het kunnen onderscheiden van goed en kwaad. Om het overdragen van een moraal. Maar is dat de meest belangwekkende betekenis van ‘de lezer als een beter mens’? Ik dacht aan Blecher en Ioanid, die ik net had gelezen en herlezen. En aan een film, die ik jaren geleden zag, Reality Bites.

Dia16

De 23-jarige Winona Ryder komt daarin op een sollicitatiegesprek bij een tv-programma. Eén vraag krijgt ze van de talkshowhost: ‘Define irony’. Oei. ‘It’s uh, when something is… ironic,’ zegt Ryder. ‘I can’t really define irony, but I know it when I see it.’ Die baan kan ze op haar buik schrijven natuurlijk. Dan gaat ze uithuilen bij haar beste vriend op wie ze stiekem verliefd is, Ethan Hawke. Gefrustreerd: ‘I mean, can you define irony?’ Waarop hij antwoordt: ‘It’s when the actual meaning is the complete opposite from the literal meaning.’ Oh ja.

Ik hou van deze scène omdat ik sindsdien de uitdrukking ‘define irony’ kan gebruiken. De vraag, dacht ik tijdens het lezen van het artikel, is ‘define morality’. Definieer je het als ‘goed en kwaad kunnen onderscheiden? Dan heb je bij de literatuur niets te zoeken. Dat voelt onbevredigend, voor iemand die literatuur en filosofie studeerde en nu ethiek doceert. Is het zo makkelijk voor eens en voor al bepaald? Nee, je wordt geen beter mens van lezen, als je ‘beter’ op die ietwat bekrompen manier opvat. Maar hoe moet ik de ethische beweging dan begrijpen die ik voel bij het lezen van poëzie zoals die van Ioanid?

Dia22

Allereerst, ik zou me in haar moeten kunnen verplaatsen. Ergens tussen de dertig en de in-de-dertig (laat ik het daarbij houden). Mannen, lichaam, eenzaamheid, versplintering, liefde. Ja, daar verplaats ik mij in. Maar eerder leer ik bij haar over het kwaad in de wereld dan over het goede. Neem deze ‘les’: ‘Je moet de angst in je bedwingen, hem diep in je begraven en hem vooral niet tot vlak onder je huid laten komen!’ (Daar heb je die weke huid weer, waar de angst gewoon doorheen breekt als ze te dicht onder de oppervlakte geraakt.) Nog een bewijs geleverd: literatuur maakt ons niet tot goede mensen?

Gelukkig helpt Ioanid daarop toepasselijk te antwoorden als ze schrijft: ‘Maar wat moet je met zo’n flutwijsheid?’ Kunnen we ‘betere mensen’ niet ook op een andere manier opvatten? Niet als mensen die moreel aanvaardbare keuzes maken, maar als mensen die beter werken, zoals een apparaat beter kan werken, die beter de wereld begrijpen, zich beter tot de epileptische werkelijkheid verhouden…

Dia25

Blecher gaf ons een ervaring van versplintering, Ioanid laat je de weke huid voelen van een ergens-in-de-dertig-vrouw, de huid die tegelijk het weke bij elkaar moet houden. Als je dan de vraag stelt wat experimenteel bewezen is? Nou, dat de werkelijkheid buiten onze hersens versplinterd is, verstoken van rationele categorieën, diepte, kleur (dit is uiteraard een contradictio in terminis, buiten onze hersens kan niets bewezen worden). Lees daarvoor bijvoorbeeld het intrigerende boek van de naamgenoot van deze schilder, Thomas Metzinger. De ervaring van die wereld vinden we in deze literatuur. De auteurs laten zien hoe je je daartoe kunt verhouden, en ook dat is een ethische verhouding, zelfs als het mislukt.

Dia26

Misschien worden we dan wel mensen die beter werken. Beter in linkse hoeken uitdelen en beter het incasseren. Define morality? Dit is ook een definitie van moraliteit. Literatuur maakt ons niet moreel betere mensen, maar beter in het ervaren van het leven. Dat mag je wat mij betreft ook van Ioanid zeggen. (Vandaag las ik nog in een ander artikel: ‘A trio of University of Toronto scholars, report that people who have just read a short story have less need for what psychologists call “cognitive closure.’ Tja, laat dat soort onderzoek maar voor wat het waard is, denk ik, maar de volgende beschrijving van wat literatuur vermag is te mooi om niet te onthouden: ‘literature induces an ease with the unknown’.)

Een verruiming van de ervaring in epileptische, vloeibare, weke werkelijkheid. Angst, eenzaamheid en gebroken hart huid. Maar moraliteit definiëren ho maar, gelukkig wagen dichters zich daar niet aan, ook Ioanid niet. Hier moeten we het mee doen:

‘Op een dag zal ik even onverschillig zijn als zij. Misschien is dat de enige goede boodschap.’

Tot slot een gedicht.
‘Naast jou ben ik een en al poezig en trots. Niemand kan zich met mij vergelijken. Want alleen voor mij bestaat je groene blik, die lijkt op eindeloze theeplantages in Kenia. En je handen zijn precies gemaakt voor mijn welvingen (of misschien hebben mijn welvingen zich onder jouw palmen gevormd). Want vóór de dood me in welk plekje van mijn lichaam ook komt halen, kan ik verzinken in de plooien van je scherpe geur en me aanschurken tegen je huid tot ze flinterdun en roodgloeiend zal zijn. Het licht van mijn nachten. En misschien, wie weet, zullen onze gepaarde lichamen – een enkele, onmogelijk op het spoor te komen geur – de dood misleiden, gewoon omdat hij er niet in slaagt ons te herkennen.’

Images: Retronaut.com (selectie)

Max Blecher – Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid

Blecher

Verschenen op 8WEEKLY: Van de schoonheid en de afgrond

Een herontdekt meesterwerk!’: een marketingslogan die wel heel vaak op nieuwe uitgaven wordt geplakt, meestal familieromans uit het vooroorlogse Midden- of Oost-Europa. Soms is die kwalificatie geheel op zijn plaats. Zoals met Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid uit 1936, geschreven door de Roemeens-joodse Max Blecher en nu in een vertaling van Jan Mysjkin, verschenen in de serie L.J. Veen Klassiek.

Alle ingrediënten zijn aanwezig om in aanmerking te komen voor een herontdekking: Blecher leed vanaf zijn negentiende aan tuberculose en schreef liggend in bed een klein oeuvre voor hij op 28-jarige leeftijd stierf. Zijn werk werd door de communistische censuur verboden en na 1989 weer ontdekt. Vele vertalingen volgden en Nobelprijswinnares Herta Müller prijst hem aan als ‘een van de beste Roemeense schrijvers’. Hij wordt vergeleken met Kafka en Bruno Schulz. Volkomen terecht.

Filosofische precisie
Of Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid ook een ‘onverbiddelijke bestseller’ gaat worden, is een andere vraag. Blecher schrijft weliswaar over zijn kindertijd, gedrenkt in die melancholische, een beetje diffuse, haast zonbeschenen taal waar de geliefde Midden-Europese auteurs patent op lijken te hebben. De herinneringen zijn ook nog eens geladen met een onderhuidse, erotische spanning die doet hunkeren naar meer. Maar het boek is vooral beklemmend, letterlijk adembenemend in de beschrijving van angst als grondstemming van de jonge hoofdpersoon.

Dan gaat het om een existentiële angst, waarin het niets voelbaar is en die de jongen overvalt in aanvallen. Met filosofische precisie ontleedt Blecher de aard van die aanvallen, waarin de wereld van de dingen verschijnt als volkomen nutteloos en van alle betekenis ontdaan. Daar zou je uit willen blijven citeren:

Tijdens zo’n aanval had de zon ooit een kleine cascade van stralen op de muren geworpen, als een onwerkelijk goudgemarmerd water van lichtgolven. Tegelijk zag ik de hoek van een boekenkast met dikke in leer gebonden banden achter glas. Zulke reële details, die ik uit de verte van mijn zwijmeling waarnam, bedwelmden en vloerden me als een laatste inhalatie chloroform. Het allerbanaalste en overbekendste aspect van dingen bracht me nog het meest in de war. Ik was het zo gewoon ze te zien, dat het uiterlijke omhulsel ervan ten langen leste was doorgesleten, zodat het nu en dan leek alsof ze tot bloedens toe waren gevild: levend, onbeschrijfelijk levend.

Dit is literatuur van de hoogste orde. Blecher weet via de taal de ervaring van allerdiepste wanhoop over te brengen en die ook nog van een filosofische grond te voorzien. Tussen de toppen van literaire schoonheid gaapt de bodemloze afgrond van angst waarboven Blecher je laat bungelen. Het lezen is vergelijkbaar met een van die aanvallen: gelukzalig en verwarrend tegelijk, ‘een overspannen extase’.

Mededogen
Max Blecher schaart zich daarmee in het rijtje van Sartre en zijn Walging, Het dagboek van Malte Laurids Brigge van Rilke en inderdaad ook Kafka en Schulz. Bij het lezen hoor je de echo’s van al die auteurs, de Groten die niet meer herontdekt hoeven te worden. Dat maakt deze roman van Blecher er niet minder oorspronkelijk op. Het is niet het makkelijkste boek en door de thematiek misschien geen materiaal voor de bestsellerlijsten. (Her)ontdekken is echter aan te raden. Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid is een meedogenloos boek, meedogenloos en toch vol mededogen.

Boeken 2010: tips en een tegenvaller

Eigenlijk wilde ik deze week mijn boekeneindejaarsoverzicht bloggen, maar mijn laptop ligt op de intensive care. En zonder mijn geheugensteun Bookpedia komt er niets van enig jaaroverzicht. Heb je dan geen back-up gemaakt, hoor ik al gniffelen. Jawel, van mijn hele systeem maakte ik 8 december een back-up, maar de Bookpediagegevens moet je eerst exporteren voor het wordt opgeslagen. 10 april 2010 laatste export, dat schiet dus niet op.

Vandaar een andere aanpak. Eerst kijk ik terug op de Nieuwe boeken in het najaar, die ik afgelopen zomer signaleerde. Maakten ze hun belofte waar? Deel twee (morgen): nieuwe boeken in het voorjaar. Waar kijk ik het meest naar uit? Deel drie, ijs, weder en Apple-chirurgie dienende, de beste boeken van 2010.

Waar verheugde ik me het meest op, die 23e juli 2010, na het doorploegen van de aanbiedingscatalogi van de uitgeverijen?

1. André Aciman – Witte nachten
‘Wie op Google Earth zoekt naar Straus Park, op de kruising van West 106th Street en Broadway in New York, ziet een piepklein parkje waar het verkeer langs raast. Een man hangt op een bankje, voetgangers steken gehaast het kruispunt over. Loop in westelijke richting en je belandt op Riverside Drive. Aan het eind van 106th Street leidt een trap naar een park met groene bomen en een standbeeld van Samuel J. Tilden. Draai je om en kijk omhoog naar het flatgebouw op de hoek, zo’n New Yorks appartementencomplex uit het begin van de twintigste eeuw. Daar in het penthouse, denk je, was het feest. Een paar verdiepingen lager: het appartement van Clara. Op Google Earth is het altijd overal dag, dus er zijn geen verlichte ramen waarachter je een vrouwengestalte een sigaret ziet opsteken.

Het overkomt me niet vaak dat ik tijdens het lezen van een roman Google Earth open om te zien waar het verhaal zich afspeelt. Witte nachten, de tweede roman van schrijver en literatuurwetenschapper André Aciman, roept dat verlangen wel op. Aciman beschrijft het gebied rond Straus Park zo nauwkeurig en laadt het zo vol met betekenis dat je daar zelf rond wilt lopen, op dat bankje wilt zitten.

De tweede roman van André Aciman bracht me niet alleen verrukkelijk leesplezier (verrukkelijk in de melancholische zin van het woord), maar ook een persoonlijk hoogtepunt: een recensie van mijn hand in de Groene Amsterdammer! Helaas nog steeds niet online beschikbaar, maar wie wil kan van mij een digitale kopie krijgen. Overigens het ideale boek voor de kerstvakantie, want het speelt tussen Kerstavond en Oud en Nieuw en er ligt net zo’n dik pak sneeuw als hier en nu.

2. Jaap van Heerden – Fascinaties. Een intellectuele autobiografie
‘Hij schreef essays voor het AMC Magazine over psychologie, filosofie en literatuur. Dat moet wel interessant zijn.’ Absoluut waar. De korte stukken kunnen zelfs dienen als voorbeeld van hét essay. Met verwondering observeert hij de wereld, stelt daar onbevangen vragen over en via allerlei interessante associaties en zijsporen ontleedt hij vervolgens de mechanismen achter gedrag, cultuur, taal et cetera. Vooral gaat dit boekje over wetenschapsfilosofie, maar dan op een totaal niet hermetische manier. Fascinerend. Binnenkort een recensie op 8WEEKLY.

3. Max Blecher – Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid
‘Oorspronkelijk verschenen in 1936, de beste tijd voor een boek om te verschijnen. Ik hoop op een roman even mooi als Kornel Esti of even vreemd als Oliebol.’ Maakt zijn belofte meer dan waar. Een korte roman waarin een hele wereld samenkomt, als een heel kleine diamant waaruit lichtstralen naar alle kanten weerkaatsen. Het merkwaardige van dit boek is dat het steeds herinneringen oproept aan andere boeken, films en lang begraven gevoelens. Niet omdat het niet origineel is, maar omdat alles hierin samenkomt. Binnenkort een recensie op 8WEEKLY (ik krijg het druk).

4. Peter Sloterdijk – Filosofische temperamenten
‘Ik wil al een tijdje iets van Sloterdijk lezen, maar de dikke pillen schrikken me af. Boom brengt dit najaar een ideaal boekje om mee te beginnen.’ Tegenvaller.

5. Bart Slijper – Onder de blauwe oneindigheid. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk
Niet helemaal gelezen, maar even in gebladerd voor ik het doorstuurde aan de 8WEEKLY-recensent. Die was erg positief, zie Een vriendschap van toen bloeit weer op.

6. Arnon Grunberg – Huid en haar
Check: Het recht op mislukking: Arnon Grunberg, Huid en haar
En: Gesprek voor 8 december
Lees dit boek!

Nieuwe boeken in het najaar

catalogi

De najaarscatalogi, waarin uitgeverijen de boeken die staan te verschijnen aankondigen en vooral aanprijzen: de stapel doorwerken kost evenveel moeite als het lezen van een net iets te dikke roman. Naar welke boeken kijk ik het meeste uit? Voorbij de bizarre superlatieven en ronkende gemeenplaatsen.

1. André Aciman – Witte nachten verschijnt al in augustus bij uitgeverij Anthos. Aciman schreef eerder Noem me bij jouw naam, een geweldige roman. Ik blogde hierover: ‘Aciman beschrijft die vormen (van verliefdheid) zo nauwkeurig, laat alle nuances van verlangen, onzekerheid, seksuele opwinding, depressie en geluk zien, dat hij daar letterlijk een heel boek voor nodig heeft. Eigenlijk is het geen verhaal, maar een stemming, een wolk van gevoel die uit de bladzijden opstijgt, een prisma van verliefd-zijn. Een paar losse zinnen zullen maar één kleurnuance uit het spectrum tonen. Elke zin heeft de andere nodig, zoals elk verlangen het andere nodig heeft.’ Lees verder bij Trefzeker herfstzonnetje. Ik kan niet wachten tot (deze week?) de drukproef op de mat ploft.

2. Jaap van Heerden – Fascinaties. Een intellectuele autobiografie. Verschijnt bij Prometheus in november. Jaap van Heerden is wetenschapsfilosoof en emeritus hoogleraar Algemene Psychologie. Hij schreef essays voor het AMC Magazine over psychologie, filosofie en literatuur. Dat moet wel interessant zijn.

Uit de catalogus: ‘Zijn fascinaties vinden hun oorsprong in eenvoudige vragen. Waarom verontschuldigen mensen zich tegenover wildvreemden als zij op de verkeerde verdieping uit de lift stappen?’ (Dit overkwam mij vandaag. Misschien dat het toeval van deze beschrijving, die overeenstemt met mijn persoonlijke verwondering in de lift, de enige reden is dat ik het boek wil lezen. Een betere reden heb je ook niet nodig, toch?) En verder: ‘Strekt goddelijke genade zich ook uit tot buitenaardse wezens? Moeten we ons schuldig voelen aan de vervolging van de eerste christenen in het oude Rome, of kunnen we dat met een gerust hart aan de Italianen overlaten?’

3. Max Blecher – Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid. Uitgeverij L.J. Veen, november. Oorspronkelijk verschenen in 1936, de beste tijd voor een boek om te verschijnen. De catalogus belooft: ‘Blechers werk werd vergeleken met dat van Franz Kafka, Bruno Schulz en André Breton en is in vele opzichten een voorloper van het existentialisme.’ De vertaling is van Jan Mysjkin.

Max Blecher was Roemeen en hij werd maar 31 jaar. Op zijn negentiende kreeg hij ruggenmerg-tbc, en was hij veroordeeld tot een liggend leven (net als Marcel Proust, op latere leeftijd). Het boek verschijnt in de reeks L.J. Veen Klassiek. Ik hoop op een roman even mooi als Kornel Esti of even vreemd als Oliebol.

4. Peter Sloterdijk – Filosofische temperamenten. Bij Uitgeverij Boom in november. Ik wil al een tijdje iets van Sloterdijk lezen, maar de dikke pillen schrikken me af. Boom brengt dit najaar een ideaal boekje om mee te beginnen: ‘Van Plato tot Foucault brengt Sloterdijk het leven van negentien denkers en de inhoud van hun werken op onverwachte en soms humoristische wijze met elkaar in verband. Daarbij presenteert hij deze denkers niet uitsluitend als leveranciers van ideeën en analyses, zoals gewoonlijk in historische overzichten van de filosofie gebeurt. Sloterdijk tracht de denkers in hun temperament te treffen: in de urgente problemen die ze aan de orde willen stellen, in de heftige conflicten die ze soms aangingen, en in de persoonlijke emoties die hun stijl van schrijven bijzonder maken.’

5. Bart Slijper – Onder de blauwe oneindigheid. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk. Verschijnt in november bij Bert Bakker. Bij het lezen van deze titel was ik opeens terug in mijn studententijd. De vriendschap tussen Willem Kloos en Jacques Perk: het absolute scharnierpunt van de Nederlandse poëzie, hoogst romantisch, studentikoos, overdreven, melancholisch, niet voor niets ‘god in het diepst van mijn gedachten’.

Het is een dun boekje, 148 pagina’s, en daarom kijk ik ernaar uit: ik verwacht een kort verhaal van alleen maar hoogtepunten. Niet een ellenlange beschrijving van alle koppen koffie en eierdoppen klare die de twee samen dronken en wat ze daarvoor betaalden in welk café op welke hoek van welke kruisende straten. Dat belooft de catalogus ook: ‘Al snel na de kennismaking op 15 mei 1880 is hun relatie zo intens dat zij liefdesgedichten voor elkaar schrijven. Later wordt Kloos steeds veeleisender, totdat zijn vriend het niet meer volhoudt en in het voorjaar van 1881 het contact verbreekt.’

6. Ten slotte kijk ik natuurlijk uit naar de nieuwe Grunberg. Onze oom heb ik niet eens uitgelezen, toch blijft Grunberg de beste schrijver van Nederland en is het verschijnen van een nieuwe roman altijd een spannende gebeurtenis. Hoe vaak dat ook gebeurt (ongeveer elke twee jaar). Arnon Grunberg – Huid en haar verschijnt in oktober bij Nijgh en Van Ditmar. ‘Een verhaal over pervers plezier, overspel, verboden liefde en machtsmisbruik, met de Amerikaanse en Nederlandse academische wereld en de stedelijke politiek van New York als decor.’ Klinkt goed.