Revolutie! Keldercast #12: Onderworpen van Houellebecq, Mona Eltahawy en The Hunger Games

In De Keldercast praten Miriam Rasch, Nikki Dekker en Emy Koopman vanuit een kelderstudio over recente en minder recente literatuur. Deze maand sluit de Keldercast aan bij de onderbuikgevoelens die zeggen dat het roer om moet. Genoeg is genoeg. Het is tijd voor een revolutie!

Vorige keer besprak Miriam al kort de kritiek van de Koreaanse filosoof Byung-Chul Han op neoliberalisme en het rendementsdenken, deze keer gaat het over andere revoluties. Miriam, Nikki en Emy hebben het over de geruisloze revolutie in de nieuwe roman van Michel Houellebecq, waarom het Midden-Oosten een seksuele revolutie nodig heeft en hoe je een revolutie vormgeeft volgens young adult fiction.

Klik om te luisteren op hard//hoofd!

Screen Shot 2015-05-27 at 16.50.13

Keldercast #3: Judith Schalansky – Atlas van afgelegen eilanden

Ingeleid door Frau Schalansky zelf (!), praten we deze maand over haar Atlas van afgelegen eilanden. Met op elke pagina een nieuw verhaal, kun je een lange podcast verwachten: alles over kaarten, gebieden en het onuitroeibare menselijke kwaad (of het mannelijke kwaad, als we Charlotte Perkins Gilman mogen geloven).

Daarnaast natuurlijk onze boekentips. Emy las het boekenweekgeschenk, en het deed haar denken aan Coetzee’s Disgrace, Nikki is voor het eerst verslingerd aan een reisboek (De grootsheid van het al) en Miriam leest Valeria Luiselli, ‘een van de grootste beloftes van de Mexicaanse literatuur’.

(Meer over Houellebecqs De kaart en het gebied hier; meer over de uitdrukking ‘De kaart is niet het gebied’ hier.)

Michel Houellebecq – De kaart en het gebied

de_kaart_en_het_gebied

Gedachtekunst. Dat is wat Michel Houellebecq in zijn laatste roman De kaart en het gebied bedrijft. Hoofdpersoon is beeldend kunstenaar Jed Martin, die in enorme series van honderden objecten werkt. Houellebecq beschrijft ze uitputtend, soms wellustig, maar altijd objectief – als in een catalogus. Alsof hij ze om zich heen heeft liggen: de honderden foto’s van producten vervaardigd door de mens waarmee Martin zijn kunstenaarschap begint. De duizenden foto’s van Michelinkaarten die hij zo heeft bewerkt dat ze een levend landschap lijken. De schilderijen van mensen in functie van een elementair beroep. En ten slotte de filmpjes waarin menselijke artefacten overwoekerd worden door de natuur.

Wat uit de kunst van Martin blijkt, is dat het in dit boek te doen is om werk. En dat is precies wat De kaart en het gebied, maar eigenlijk alles van Houellebecq, zo interessant maakt. Hij schrijft over het meest basale uitgangspunt van de westerse wereld, dat wat je persoonlijke leven grotendeels structureert, dag in dag uit: werk. En wat daarmee samenhangt: geld.

De mens is een slaaf van zijn werk en van zijn inkomen, dat weten we inmiddels wel. Geld koopt een mooie oude dag, als je wilt een mooie dood, maar geen liefde of gezondheid. Al die rijke en succesvolle mensen zijn totaal uitgeblust, zelfs de seks wil niet meer lukken. De eenzaamheid sijpelt door het boek heen, en zelfs die roept op den duur bij de personages geen weerstand meer op. Sterker, de eenzaamheid wordt een gekozen bestemming.

Wat Houellebecq toevoegt aan dit zwaarmoedige lot (dat in feite ons aller lot is), is de troost van de productie. De mens is een producerend dier, zou je kunnen zeggen. En produceren is scheppen, iets maken uit niets. Tussen een stuk gereedschap, ontworpen en gemaakt door de mens, en de artistieke weergave daarvan door de kunstenaar (zoals Martin ze maakt), zit misschien niet zoveel verschil. Is ons aller lot ook dat we kunstenaars zijn? Eenzame kunstenaars die voortploeteren in een wolk van massale bedrijvigheid, tegen beter weten in.

Terug naar De kaart en het gebied. Eerder schreef ik over de titel naar goed Houellebecq-gebruik een half Wikipedia-lemma over. ‘De kaart is niet het gebied‘ is een staande uitdrukking die ervoor waarschuwt een abstracte weergave (de kaart) niet te verwarren met de concrete werkelijkheid (het gebied). De kaart en het gebied schuift die ontkenning opzij en zet beide naast elkaar. De onderschikking wordt een nevenschikking.

Vooral in het gedachtekunstwerk van de Michelinkaarten, waar Jed mee doorbreekt, denk je aan de titel. Het gebied, daarin spelen mensenlevens zich af, met alle kleine en grote tragedies van dien. (Martin krijgt bij het kijken naar een Michelinkaart een soort visioen van al die dorpen gevuld met mensen en hun krioelende levens – zelf heb ik dat wel als ik in de trein uit het raam kijk en al die huizen voorbij zie gaan, gevuld met gezinnen, verlangens en geknakte idealen.) De kaart is de abstracte weergave daarvan. Met zijn honderden foto’s van artefacten maakte Martin ook een soort kaart, die op een uitputtende manier moest verwijzen naar de menselijke productie.

De Michelinkunstwerken gaan een stap verder: daarin schuiven kaart en gebied letterlijk ineen en wordt het onderscheid tussen beide opgeheven. De beschrijvingen van die niet-bestaande kunstwerken zijn heel knap. Je begrijpt meteen: dat moeten geweldige werken zijn, juist omdat ze in staat zijn die grenzen op te heffen, wat bij de toeschouwer vast een sublieme ervaring teweegbrengt. De grens tussen het land, de weergave daarvan en de menselijke ervaring wordt uitgevaagd, maar ook die tussen de mens en zijn mechanische productie. Net als in de schilderijen van ‘de elementaire beroepen’ – die bestaande mensen uitbeelden zoals Steve Jobs en Bill Gates, maar ook ‘Michel Houellebecq, schrijver’. Individu en categorie worden daarin één, vallen met elkaar samen. Misschien is dat wel de ultieme troost die tegenover de eenzaamheid gesteld kan worden: samenvallen met de productie, waardoor je deel wordt van het grote mechaniek dat de wereld draaiende houdt.

Maar nee, de kaart is niet het gebied. Houellebecq speelt als personage een belangrijke rol in deze roman. Ergens zegt hij: ik geloof niet meer in het verhaal, in de roman als geëigende vorm om de wereld te beschrijven en betekenis te geven. Ik geloof alleen nog in de kunst van de nevenschikking, waarin zaken naast elkaar staan, zoals in de poëzie of beeldende kunst. Niet meer de metafoor maar het metoniem. Het individuele kan het abstracte niet teniet doen, en het abstracte zal nooit volledig heersen over het individuele. Productie kan eenzaamheid niet opheffen, maar andersom ook niet. Daar zullen we het mee moeten doen. En ondertussen maar hopen dat Houellebecq niet écht zijn geloof in het verhaal heeft opgegeven.

De kaart is niet het gebied

Overal klinkt rumoer over de nieuwe roman van Michel Houellebecq La carte et le territoire. Ik zal moeten wachten op de vertaling om mijn mening te vormen. Toch levert de roman nu al een inzicht op. Vertaler Martin de Haan schreef op zijn weblog over de titel: de kaart en het gebied. Blijkbaar is dat een bekende uitdrukking, of in elk geval een bekend begrippenpaar, met een betekenis die ver voorbij de cartografie strekt. De Nederlandse Wikipedia herbergt zelfs een interessant artikel over de Kaart-gebiedverhouding (dat weer een vertaling is van het Engelse lemma, dat dan weer wel).

De kaart is niet het gebied is een uitspraak van Alfred Korzybski, uit 1931. Dat klinkt als een open deur. Maar zoals vaker: denk er eens echt over na. Wat is een kaart eigenlijk? En een gebied? De kaart is een weergave van een gebied. Wat impliceert dat? Als het woord weergave valt, kun je je geld erop zetten dat de open deur bij het eerste zuchtje tocht met een klap dicht slaat.

Goed, een kaart is een schematische, geschaalde weergave van iets, gemaakt om orde aan te brengen, voor een gebruiker. Het gebied, dat is allereerst het land. Of is het dat waar een kaart van gemaakt is, land of niet? Voorbeeld: kranten staan tegenwoordig vol infographics, een soort kaarten. Van de politiek, van de olieramp in Mexico, van uitstervende dieren. Zijn dat ook gebieden? Waarom niet.

De politiek is echter niet een tastbaar ding, een stuk land dat je kunt doorkruisen en in kaart brengen. De politiek is altijd al in kaart gebracht. Politiek is een vorm van in kaart brengen, die kaart aanpassen, herdefiniëren, aanpassen aan de veranderende omstandigheden of veranderen met als doel de omstandigheden te veranderen. De politiek is een kaart van het grondgebied. Het gebied zelf is dus een kaart van een ander gebied. En misschien geldt dat wel voor alles. Iedereen die boven Nederland heeft gevlogen, weet dat het land lijkt op een kaart ervan.

Gregory Bateson: ‘het gebied is altijd al een representatie, door het netvlies, de hersenen, de taal, het schrijven. Het proces van weergeven zal dat er steeds uitfilteren, zodat de psychische wereld slechts gevormd wordt door kaarten van kaarten, tot in het oneindige.’ (bron van alle aangehaalde citaten: Wikipedia)

Toch is het in al die gevallen wel mogelijk om een onderscheid te maken tussen de een en het ander. In sommige gevallen, valt zelfs dat onderscheid weg. Die gevallen zijn kunst. Neil Gaiman zegt over sprookjes dat je die niet na kunt vertellen, je kunt ze alleen vertellen. (Dat er nu juist van sprookjes enorm schematische structuren bestaan, doet even niet terzake.) Hetzelfde hoor je wel over poëzie. Als een dichter zijn punt zou kunnen uitleggen in een betoog, had hij wel een betoog geschreven. Het gedicht is het punt, het valt met zichzelf samen. ‘De meest nauwkeurig mogelijke kaart zou het gebied zijn, en zou dus volmaakt nauwkeurig en volmaakt zinloos zijn. Het sprookje is de kaart, die het gebied is.’

Nauwkeurigheid is het sleutelwoord. Een kunstenaar maakt iets wat zo nauwkeurig is (wat uiteraard iets totaal anders is dan netjes of ordelijk) dat je het niet op een andere manier kunt uitdrukken. Van het gebied is geen kaart te maken. De enige manier om het gebied van de kunst te verkennen is door de kunst als kaart van zichzelf te gebruiken. Hooguit kunnen verhalen van ervaren reizigers je helpen opmerkzaam te maken van landmarks.

Het begon met een gebied waar een kaart van werd gemaakt. Vervolgens vielen gebied en kaart samen. Jean Baudrillard gaat nog verder: ‘Het gebied gaat niet langer vooraf aan de kaart, en overleeft die ook niet. Toch gaat de kaart vooraf aan het gebied – het voorafgaan van simulacra – en daardoor wordt het gebied teweeggebracht.’ Met andere woorden: de verhouding is omgekeerd. De kaart brengt het gebied voort. Hiervan is de politiek weer een goed voorbeeld.

Of deze meervoudige verhouding tussen kaart en gebied misschien ook van toepassing is op vertaling en vertaalde, de oorspronkelijke Franse roman van Houellebecq en de Nederlandse vertaling van De Haan, vraag ik me af. En op dit stukje daar weer over? De Nederlandse Wikipedia-pagina is een vertaling van het Engelse lemma, dat weer put uit bronnen op internet en uit de bibliotheek, annotaties bij teksten die al dan niet bestaan en die iets beschrijven dat misschien alleen in de ‘psychische wereld’ zoals Bateson noemt. Wat is kaart en wat is gebied? Het gebied van de literatuur is natuurlijk ook een kaart van een ander gebied – de werkelijkheid of de literaire traditie of de persoonlijkheid van een auteur, die op zichzelf ook weer een kaart zijn van en verwijzen naar een volgend gebied…

Michel Houellebecq: alleen in boeken kunnen leven

michel_houellebecq

Levenskunst is onlosmakelijk verbonden met literaire en filosofische teksten. Waarom eigenlijk? Is het voor een levenskunstenaar niet voldoende om het leven goed te leiden? Misschien wel, maar om te weten wat het goede leven voor jou betekent, is het handig om bij anderen te rade te gaan. Niet alleen om kennis op te doen van de mogelijkheden, maar ook als middel om je eigen kennis te structureren en te onderzoeken. Dat is wat duidelijk wordt in de lezing van Maarten van Buuren over Michel Houellebecq in de serie Levenskunst. Lezen en schrijven scherpt de blik en laat je de houdbaarheid van je opvattingen toetsen.

Michel Houellebecq is van jongs af aan weinig sociaal en erg teruggetrokken. Via de literatuur – eerst poëzie, later proza – ontpopte hij zich tot iemand anders. Sinds de jaren negentig is hij een van de meest controversiële schrijvers van Europa, zeer uitgesproken en niets en niemand ontziend. Zijn romans bevatten veel autobiografische elementen. Zoals Elementaire deeltjes, waar de twee halfbroers twee persoonlijkheidshelften van Michel Houellebecq zelf zijn. Dominante eigenschappen, die eerder verborgen moesten blijven omdat ze niet de mooiste zijn, komen in de literatuur aan de oppervlakte. In het geval van Houellebecq: haat.

De drie bekendste romans van Houellebecq – De wereld als markt en strijd, Elementaire deeltjes en Mogelijkheid van een eiland – vormen een drieluik. Houellebecq geeft daarin felle kritiek op de moderne maatschappij. Als hoofdschuldige wijst hij naar het doorgeschoten liberalisme en individualisme.

Is er alleen haat? Of ook een oplossing? Ja, die is er: de nieuwe mens. Die is zowel technologisch nieuw, want zal voortkomen uit klonen. Maar ook gaat het om een nieuw ethisch besef, waarin de zwakkeren op bescherming mogen rekenen. Dat klinkt zowel futuristisch als conservatief. Er is in het werk van Houellebecq steeds spanning tussen kritiek op het moderne en fascinatie voor dat moderne. Houellebecqs personages (die dicht bij hemzelf staan) zijn representanten van de moderne tijd, ze gaan daarin mee maar gaan er ook aan ten onder.

Volgens Maarten van Buuren zien we in Mogelijkheid van een eilandhoe Houellebecq tijdens het proces van schrijven van opvatting verandert. Het utopische ideaal van gekloonde, onsterfelijke mensen, vertoont te veel gebreken. Uiteindelijk verandert de roman in een dystopie: de toekomst is koud en duister, de onsterfelijke kloon kiest uit eigen beweging voor de dood. Schrijven is een manier van (zelf)onderzoek: Houellebecq heeft tijdens en dóór het schrijven de onmogelijkheid van zijn eigen utopie ingezien.

Zulk zelfonderzoek kan alleen iets opleveren als het gepaard gaat met een genadeloze eerlijkheid tegenover jezelf. Houellebecq gebruikt zijn meest pijnlijke en inktzwarte ervaringen om door te dringen tot de kern van het mens-zijn. Midden in de pijn staan en dan hard stampen: dat is waarom hij volstrekt authentiek is, zegt Van Buuren. Of is Houellebecq juist een aansteller en een acteur, zoals Joep Dohmen stelt, in zijn reactie op de lezing?

Beide kunnen kloppen. Er ligt een verschil tussen de Houellebecq uit het ‘echte leven’ en die uit de boeken – het personage Houellebecq waarin hij is ontpopt. En anders dan voor de hand ligt, is de Houellebecq uit het ‘echte leven’ niet de meest echte. Alleen in boeken kan hij volledig zichzelf en dus authentiek zijn. Dat is meteen het beste argument waarom literatuur en filosofie onmisbaar bij zijn bij het beoefenen van levenskunst.

In september verschijnt de nieuwe roman van Houellebecq in een eerste oplage van 100.000 stuks in Frankrijk. Hij zal ongetwijfeld weer genoeg stof doen opwaaien. Hopelijk ook in de hoofden van zijn lezers.

De lezing Tegen de vooruitgang is terug te zien via Studium Generale. Kijk onder Levenskunst op het Studium Generale nieuwsblog voor de andere artikelen over deze serie.

Houellebecq: Mogelijkheid van een eiland. Gelukkig miserabel

Mogelijkheid van een eiland van Michel Houellebecq is een fenomenaal boek. Hij en ik hadden een valse start – het eerste wat ik van hem las was Lanzarote, en ik vond het toen, rond 2002, totale onzin. Sinds ik (in 2004) De wereld van markt en strijd las, ben ik fan. Bij Mogelijkheid van een eiland had ik mijn twijfels, omdat het wordt gepresenteerd als een toekomstroman over klonen (boring). Slechte marketing, want natuurlijk is dit in de eerste plaats een hedendaagse roman over mensen, over het wezen van de mens, zoals altijd bij Houellebecq. Het gruwelijke wezen van de mens die tot zijn ongeluk een sociaal wezen is. Dat sociale moet wel ironie van de evolutie zijn, zo maakt hij steeds weer fenomenaal duidelijk. Maar hoe kan ik daar een liefhebber van zijn? Steeds als ik hem lees, voel ik me miserabel. De wereld die hij beschrijft is niet een wereld waarin je wilt leven.

Ik ben dol op boeken die de mens beschrijven als een hoopje ellende, als een miserabel uitwas van de evolutie, geplaatst in een vijandige wereld waar hij hoegenaamd niets mee weet aan te vangen. Ook al voelt het lezen van zulke boeken alsof de schrijver zijn vuist bij je naar binnen slaat en eens lekker in je ingewanden gaat knijpen. En je het liefst na het dichtslaan een potje zou gaan janken. Hoe kun je daar in vredesnaam dol op zijn?

De oude Grieken (Aristoteles in het bijzonder) zouden zeggen: door de ellende van de personages mee te beleven, word je gereinigd. Catharsis heet dat. Je komt er als een beter mens uit, omdat je hebt geleerd van de ellende van een ander. Dat (moedermoord, incest) wil je zelf in elk geval nooit meemaken.

Akkoord, je wil het zelf niet meemaken. Probleem is juist dat je het al aan het meemaken bent. Die personages staan niet buiten je (in het oude Griekenland zag je de toneelspelers natuurlijk van buitenaf op een toneel), zij zijn als jijzelf. Is het dan zoiets simpels als herkenning? Troost? Dat lijkt me sterk. Voor ik begon aan Houellebecq had ik nergens last van, zogezegd. Geen behoefte om getroost te worden, geen behoefte aan een andere zielenpiet om me aan op te trekken. Gelukkig ben ik er (nog) niet zo slecht aan toe als de middelbare mannen van Houellebecq. Nee, die mannen staan eigenlijk erg ver van mij af in al hun opdringerige mannelijkheid.

Zou het dan nieuwsgierigheid zijn? Ik weet nog dat ik als zestienjarige in de VPRO-gids las over het ‘meest walgelijke boek uit de geschiedenis van de literatuur’: American Psycho van Bret Easton Ellis. Meteen uit de bibliotheek gehaald, zeer nieuwsgierig. Ik moest het boek al lezende op armlengte houden, mijn gezicht afgewend, lezend vanuit mijn ooghoek. Walgelijk was het zeker. Mijn nieuwsgierigheid was gestild. Maar daar was het dan ook klaar mee.

Stijl heeft er natuurlijk ook mee te maken. Dramatische verhalen (al dan niet waargebeurd) boeien me niet als het lelijk is opgeschreven. Nee, dan Houellebecq: ‘De kliffen verheffen zich boven de zee met hun verticale absurditeit, en er zal geen einde komen aan het lijden van de mensen.’ Een geniale zin, vooral door die ‘verticale absurditeit’. die een oerangst oproept. Niet bang zijn voor grote woorden, ‘het lijden van de mensen’, maar echt.

Een ander voorbeeld: De Joodse Messias van Arnon Grunberg (ben fan). Dat las ik in 2005 en ik noteerde in mijn notitieboekje: ‘Zelden een boek gelezen dat zo naar en ellendig is en mij ook zo doet voelen. Ik zou bijna stoppen. De humor zie ik niet. Toch is het geniaal, blijf ik lezen.’ Houellebecq en Grunberg zijn aan elkaar verwant. Grunberg: ‘Van wat mooi is kan iedereen houden, dat is geen kunst. Maar van het monster houden, dat is de ware opgave van de mens.’ Grote woorden, zeker. En: een richting. De mens heeft – ondanks alles, ondanks de absurditeit, het monster, de zinloosheid van de evolutie – een opgave.

Gaat het dan werkelijk om het W-woord? Waarheid. Ai. Ik ben postmodernistisch genoeg opgeleid om niet te geloven in de waarheid. Maar misschien wel in een waarheid. Als ik Mogelijkheid van een eiland lees, of De Joodse Messias, voel ik de ellendige verticale absurditeit. Maar het voelt waar. En dat is tegelijk een goed gevoel. Iedereen is op zoek naar geluk, al vanaf de oude Grieken. Maar wie verzekert de mens eigenlijk dat geluk het doel is van het leven? Is dat niet een verzinsel (van de oude Grieken)? En toch, ook al is het een miserabele waarheid, hij is ook fenomenaal en daarom gelukkig. Gelukt.

Publieke vijanden corresponderen

houellebecq_levy

Bestaan ze nog, mensen die elkaar brieven schrijven, met andere woorden corresponderen? Het zal een kunst zijn die steeds minder mensen beoefenen (misschien ook niet, veel meer mensen communiceren tegenwoordig veel meer, het kan heel goed zijn dat het aantal dat correspondeert absoluut gezien hetzelfde blijft). Dat het een kunst is, bewijzen Michel Houellebecq en Bernard-Henry Lévy in hun gebundelde brieven Publieke vijanden. Zelden krijg je een inkijk in twee hoofden die zo erudiet zijn, zo open, zo onbescheiden en onzeker tegelijk, zo verschillend en identiek op hetzelfde moment. Met aanhoudende bewondering (u kent het wel, dat de adem oppervlakkig wordt omdat je je leesritme niet wilt storen en in je hoofd een langgerekte ‘shiiiiiiiiiiit’) las ik de brieven die bol staan van namen die me niets zeggen, affaires die ik niet ken, Franse gebruiken die voor mij een lege huls zijn. Maakt niet uit en omdat het niet uitmaakt is het kunst.

Een paar losse gedachten over deze verzameling, die óók bol staat van doordringende observaties, filosofische bedenkingen en persoonlijke bekentenissen – zoveel dat je er zelf een boek tegenover zou willen zetten, een brief zo dik als een boek als antwoord.

Een van mijn eerste gedachten was: zouden vrouwen dit ook kunnen? Is de vraag stellen hem beantwoorden? Het is een door en door mannelijk boek. De enige vrouw die erin voorkomt is de moeder (twee vrouwen dus eigenlijk, maar beiden de incarnatie van hetzelfde mythische wezen). BHL noemt een keer tussen neus en lippen door ‘mijn vrouw’. Maar wie dat is, wat ze voor hem betekent en ook wat vrouwen verder voor rol spelen in het leven van deze intellectuelen blijft duister. Goed, ze houden van seks. Met vrouwen. Maar vrouwen zijn niet eens seksobject, ze zijn gewoon afwezig. Dat zou in een correspondentie tussen twee vrouwen natuurlijk nooit kunnen: dat mannen afwezig blijven. Ondenkbaar.

Ook los daarvan kan ik me zo’n boek van de hand van twee vrouwen nauwelijks voorstellen. Zou ik het kunnen, zo corresponderen met een andere vrouw, mezelf fileren, het verleden blootleggen, de spiegel naar mezelf keren (om een beeld van Houellebecq te lenen)? Ik heb de branie om te denken van wel. Maar ja, met wie? Dat is een belangrijke vraag, want de brieven blijken een uitermate belangrijk middel (of medium) te zijn waarmee de heren zichzelf onderzoeken. De correspondentie verandert wie ze zijn, doordat hun inzichten veranderen. In de confrontatie met een ander, leer je jezelf kennen. Jezelf leren kennen betekent een ander worden. Daarom zal iedereen die zelfkennis nastreeft na het lezen van dit boek niet alleen zelf willen corresponderen, maar daar ook bevreesd voor zijn.

Zijn er überhaupt Nederlanders te bedenken die zulke passages uit hun pen / toetsenbord krijgen:

De eerste is, zoals ik al zei, de diepgewortelde zekerheid dat geen enkele bekentenis ook maar iets aan je persoonlijkheid verandert, dat eventuele gebreken er niet door genezen en niet door verergeren, de antipsychoanalytische zekerheid kortom – misschien een van de weinige die ik nooit ben kwijtgeraakt, samen met die van het niet-bestaan van God.

Of deze, waar ik het helemaal mee eens ben, hoewel ik dat nooit van mezelf heb geweten (en dat betekent dus dat er nog boeken worden geschreven die je iets openbaren over jezelf):

Als mijn romans echter van één idee doortrokken zijn, soms op het obsessieve af, is het wel het idee van de absolute onomkeerbaarheid van elk aantastingsproces als het eenmaal is begonnen. Of die aantasting nu een vriendschap, een familie, een huwelijk, een grote sociale groepering of een hele samenleving betreft, in mijn romans is er geen pardon, geen weg terug, geen tweede kans: alles wat verloren is, is inderdaad verloren, voorgoed. … Alle dingen gaan dus dood.

En deze, die ook een voorbeeld geeft van een stijlfiguur die Houellebecq tot in de puntjes beheerst: de zelfcorrectie, wat moeilijk is omdat die algauw een trucje wordt (net als zijn gewoonte om dingen tussen haakjes te zetten, zoals Susan Sontag):

Ik geloof niet echt in intuïties of liever gezegd ik geloof er volledig in, maar ik zie er geen mysterieuze of alchimistische dimensie in: ik geloof dat momenten van intuïtie gewoon momenten van uitzonderlijke, onvoorspelbare spanning van het begripsvermogen zijn, waarin ultrasnelle redeneringen plaatsvinden, te snel om de premissen of de bewijsvoeringen te laten doordringen tot het bewustzijn.

Precies wat ik al jaren beweer in veel minder elegante en veel wolliger bewoordingen.

Dat bovenstaande passages alle drie afkomstig zijn uit brieven van Houellebecq betekent niet dat die van BHL minder goed zijn. Houellebecq schrijft nu eenmaal gecondenseerder, donkerder, waardoor zijn gedachten harder aankomen. (Bovenstaande citaten mogen overigens ook als voorbeelden van de excellente vertaling gelden.) Halverwege het boek vindt een onverwachte wending plaats, waardoor de brieven elke schijn van spel en frivoliteit (zover ze die hadden), verliezen – wat overblijft is een grimmige, snoeiharde, glasharde eerlijkheid die bijna pijnlijk is en mij deed schudden op mijn morele en intellectuele grondvesten. Wie zich intellectueel wil laten uitdagen, wie aangespoord wil worden tot zelfonderzoek, wie zoekt naar manieren om zijn verleden eerlijk en hardvochtig, onder ogen te zien: Publieke vijanden is de titel. Dit is het doel.