Geluk als productiviteit

leeuw_bek

Lees eerst De verhalen van ons leven – Het beest in de bek kijken

Timothy Wilson geeft – jazeker – de drie ingrediënten van geluk (dit is geluk in sociaal-psychologische zin, dus zoals dat uit statistisch onderzoek is gerold). Zin, doel en hoop. Dat zegt nog niet zoveel. Zin: een gelukkig mens heeft een stelsel van overtuigingen die een coherent antwoord bieden op grote vragen in het leven. Een geloofsovertuiging, het humanisme, of misschien wel ‘uiteindelijk is alles zinloos’. Doel: een gelukkig mens is doelgericht, werkt ergens naartoe. Hoop: een gelukkig mens richt zich op wat hij kan veranderen in plaats van op het noodlot. Een gelukkig mens is een ‘effectief en autonoom persoon’.

Ik noem dit alles bij elkaar de deugd van de productiviteit.

(Erg mooi klinkt het allemaal niet. Effectief, autonoom, productief. Hebben we het nog wel over geluk?)

Wil productiviteit een deugd zijn, dan moet ze wortelen in een overtuiging, doelgericht zijn en gericht op verandering. Wil een overtuiging zich uiten, op een doelgerichte manier die verandering teweegbrengt, dan heb je productiviteit.

Dat is allemaal nogal abstract. Rousseau beschrijft in zijn overigens hysterisch conservatieve ‘Brief over het theater’ hoe een productieve omgang met tijd leidt tot geluk. Uren gespendeerd in ‘ledigheid’ maken dat de tijd zelf niet veel waarde meer voor je heeft. Nog een uur gespendeerd met niets doen maakt niet uit, wanneer je al te veel tijd hebt verloren is tijd niet meer iets wat je kunt verliezen. Wie herkent dit niet? Hoe meer tijd je verlummelt, hoe moeilijker het is om weer iets te gaan doen. Alsof het kleinste klusje al onevenredig veel beslag legt op je tijd. Maar als je veel werk verzet in korte tijd, kan er altijd nog wel wat meer bij. Door de tijd te vullen groeit hij, door nietsdoen loopt hij leeg als een ballon. Zo voel je je dan ook: als een leeggelopen ballon, een herinnering aan een nooit gehouden feest.

Een andere vorm van productiviteit is samen te vatten in de (mijn) maxime: Actie is altijd beter dan geen actie. Dat heeft vooral betrekking op de omgang met andere mensen. Handelen is altijd beter dan niet handelen. Je uitspreken is altijd beter dan je niet uitspreken. Daar ben ik van overtuigd, hoewel het heel veel jaren heeft geduurd voor ik hierachter ben gekomen. Actie is altijd beter dan geen actie omdat daarin de hoop tot uiting komt, zou je met Wilson in het achterhoofd kunnen zeggen. Een maxime die uitgaat van de mogelijkheid van verandering, optimistisch, maar zonder te oordelen. Ze zegt immers niet wat je moet doen, alleen dat je moet doen.

Om weer met Nietzsche aan te komen, die als een rode draad door deze zoektocht loopt: ‘aanstotelijk is al het waarlijk productieve’. Ik denk dat aanstotelijk begrepen moet worden als iets uitzonderlijks, dat niet vaak voorkomt, niet vaak voor kán komen. Iets wat veel inspanning kost, maar met weinig middelen. Iets wat in de breedte niet veel voorstelt, maar grondvesten doet schudden. De meeste mensen lijken het tegenwoordig te streven naar ‘zo weinig doen met zo veel middelen als mogelijk’. Mij gaat het om zo veel mogelijk doen met zo weinig mogelijk middelen (zie ook Revolutie in het hoofd II). Dat vraagt om doelgerichtheid.

Het gaat me heus niet alleen om het ontmaskeren van trucjes die de wereld mooier doen lijken dat ze is. Ik hou van verhalen en ook van het nadenken over het narratief in je leven. Optimisme betekent voor mij niet dat de wereld schoon en goed is, maar dat je de wereld kunt veranderen, hoe ellendig die soms ook mag zijn. Het beest in de bek kijken en niet terugdeinzen, maar een tandenstoker tevoorschijn halen. In de kantlijn van De verhalen van ons leven schreef ik: actie+realisme=geluk. Dat is wel hoe je deze stukjes kunt samenvatten. Mooie eindejaarsgedachte, niet?

Taoïsme en levenskunst: harmonie met de natuurlijke orde

pijl_boog

Een moderne moraal legt geen regels op, maar ondersteunt de natuurlijke neigingen tot het goede. Deugden die het vrije individu trainen in dat waar hij goed in is, in plaats van hem te beperken maken zo’n moraal praktisch. De 21e eeuw vraagt om een ethiek die geen regels en wetten formuleert, maar juist de verlammende werking van regels laat zien. Prof. Maarten van Buuren wil op zoek naar zo’n natuurlijke moraal, en het taoïsme is daar een eerste voorbeeld van. Zo blijkt uit zijn lezing in de serie Levenskunst, Wu wei, doen door niet te doen.

Het taoïsme van de Chinese wijsgeer en dichter Lao Tse is in de vierde eeuw voor Christus opgetekend in het beroemde boek Tao Te Ching. Het bestaat uit 81 hoofdstukken of gedichten. In die vorm tekent zich al af dat ‘dao’ niet verwijst naar een ethische imperatief of naar een set leefregels. Anders dan bijvoorbeeld de leer van Confucius, die wel bestaat uit zulke regels en waartegen Lao Tse zich met zijn eigen werk afzette. Hij schrijft dan ook niet voor de machthebbers of om een hiërarchische orde te bestendigen, zoals Confucius deed. Dao is dynamisch, natuurlijk, niet humanistisch en soms zelfs meedogenloos.

Hoe komen we weer in tune met de natuurlijke weg, met dao? Hoe zorg je dat je weer ‘spoort’? En waarom is dat eigenlijk iets om na te streven? Zo min als het bestaan van een ‘universele orde’ vanzelfsprekend is, hoeft het volgen daarvan nastrevenswaardig te zijn. Eenvoudige oefeningen kunnen je in aanraking brengen met de dao en je de harmonie laten ervaren die uitgaat van het ‘sporen’ ermee, aldus Maarten van Buuren. Meditatie is de bekendste, maar voor hemzelf werkt fietsen het beste. Wat volgt is een persoonlijke ‘tao van het fietsen’. Twijfels over bestaan en nut worden daarmee weggenomen: het bestaan van de orde ervaar je via die oefeningen. En het is nastrevenswaardig omdat in die ervaring iets als het goede leven werkelijkheid wordt. ‘Geluk,’ durft Maarten van Buuren het zelfs te noemen. En bovendien ontvankelijkheid, waarin kennis en oplossingen zich aandienen zonder dat je ook maar hoeft na te denken.

Daarmee is nog niet gezegd wat ‘doen door niet te doen’ eigenlijk inhoudt. Is het gewoon een soort ‘go with the flow’, waarbij je alle regels afwerpt om op zoek te gaan naar je kern, liefst achteroverhangend en genietend van het nietsdoen? Dat klinkt wel erg gemakzuchtig. Ten onrechte, zegt Van Buuren, want wu wei duidt op een zorgrelatie. Zorg voor een ander – denk bijvoorbeeld aan de opvoeding van een kind, waarbij stimuleren belangrijker is dan verbieden. Juist door te veel regels in te stellen, zal het kind ontaarden. Hetzelfde geldt bij de zorgrelatie voor jezelf. Harmonie met de dao bereik je door steeds verder terug te gaan en steeds meer regels en obstakels af te leggen, tot je de ‘oorspronkelijke leegte’ bereikt.

Dit zal voor veel mensen ver van hun bed klinken. Kan het taoïsme wel een moraal voor onze tijd zijn? Staat er niet te veel techniek en afleiding tussen het individu en de wereld? Is het volgen van de natuurlijke orde nog wel een optie in onze door en door gemedieerde werkelijkheid? Een andere vraag kan zijn of in onze tijd het teruggaan tot de leegte, door het afleggen van alle grenzen en beperkingen niet automatisch leidt tot een extatische volheid.

In de volgende lezingen over Levenskunst: deugden en ondeugden zullen dit soort vragen ongetwijfeld terugkomen. De volgende keer, op woensdag 9 november, gaat het over Aristoteles. De lezing van Maarten van Buuren kijk je hier terug: Wu wei: doen door niet te doen.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]

Lees ook mijn persoonlijke overweging bij ‘doen door niet te doen’: Actie is altijd beter dan geen actie.

Denis Grozdanovitch – De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen

grozdanovitch_bijnanietsdoen

Op 8WEEKLY: Luchtige ironie die zwaar op de maag ligt

‘Zijn eerste boek werd genomineerd voor zeven literaire prijzen, die hij geen van alle won.’ Denis Grozdanovitch, over wie het hier gaat, schreef deze zin ongetwijfeld zelf. Zijn boek De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen bezit dezelfde luchtige, ironische toon.

Die luchtige toon is wel vermengd met soms ondoorgrondelijke, zeer Frans aandoende zinsconstructies die zich alinea’s lang voortslingeren. Ook de inhoud is een mengeling tussen luchtige levenslessen en zo abstracte filosofie, dat je je afvraagt of de auteur zelf wel weet wat hij bedoelt.

Hangmat
Heel veel maakt dat eigenlijk niet uit: De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen bestaat uit korte essays van gemiddeld drie, vier pagina’s en is daarmee een boek om af en toe een stukje uit te lezen, wat in te bladeren en wat over te mijmeren, liefst languit liggend in een hangmat of onderuitgezakt in een luie stoel bij het haardvuur. Op de wijze dus die Grozdanovitch in zijn boek bepleit: een levenshouding die ‘pluk de dag’ combineert met onthaasting.

Neem jezelf vooral niet te serieus, schrijft hij bij herhaling. Zoals bijvoorbeeld in het geslaagde ‘De kring van de hermetische dichters’, waarin hij gevraagd wordt een voordrachtsavond van een Chinese ster aan het poëtisch firmament bij te wonen. Van de voorgedragen poëzie snapt hij niets, daar helpt de vertaling geen cent bij. Tot overmaat van ramp wordt hem gevraagd ter afsluiting een aardig woordje te zeggen. Hij weet zich er uit te redden door een verhaal te vertellen dat eindigt met: ‘Het spijt me zeer, maar dichters zijn teleurstellend.’ Het sluitstuk: ‘Iedereen was tevreden, ik ook.’

Montaigne en taoïsme
Grozdanovitch is het sterkst in die stukken waarin hij mensen die zichzelf juist wel serieus nemen, te kijk zet. Hij volgt daarbij het voorbeeld van Montaigne, de grote humanist en essayist uit de zestiende eeuw. Met zichzelf als belangrijkste doelwit en de geschiedenis van de literatuur en filosofie als leidraad, ontdoet Grozdanovitch de mens van al zijn pretenties en luchtkastelen. Niet om hem belachelijk te maken, maar eerder om hem te bevrijden van die loodzware last van de ernst. Dat lucht op!

Wat die kunst van het bijna-nietsdoen nu precies inhoudt, wordt niet helemaal duidelijk. De essayistische vorm van Montaigne vult Grozdanovitch met een inhoud geïnspireerd op het taoïsme. Je mee laten voeren in de loop der dingen, niet te veel verlangen en geen energie verspillen aan onnutte zaken; soms vraag je je af hoe Grozdanovitch denkt dat er brood op de plank komt. Natuurlijk moeten we het niet zo serieus nemen; niet voor niets verhaalt hij ook van een jonge kunstenaar die lijkt te leven op een dieet van liefde en inspiratie – tot blijkt dat hij onderhouden wordt door een oude aristocraat.

Filosofischdoenerij
Het blijft wringen dat Grozdanovitch, die zo afgeeft op de pretenties van hardwerkende mensen en hermetische dichters, zichzelf herhaaldelijk verliest in zwaarwichtig filosofischdoenerij. Of moet de lezer dat ook opvatten als (ver doorgevoerde) zelfironie? Geen idee, want begrijpen doe ik het niet. Op zoiets kun je Montaigne niet betrappen. Zijn Essays telt zo’n 1500 pagina’s waarvan geen een verveelt, de 270 bladzijden van De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen zijn er eigenlijk honderd te veel.

Hoe overleef ik mijn eerste werkdag na de vakantie

to do list

Hoe overleef ik… de eerste werkdag na de vakantie? Nou, volg de adviezen van Robert Benchley, een komiek uit de jaren twintig. Zijn essay How to get things done is heel goed van toepassing als je met een slaapkop je muffe kantoor binnenstapt en de computer meldt dat je 368 ongelezen e-mails hebt. (Pak eerst maar een kop koffie.)

  1. Maak een to do lijst van alle klussen die liggen te wachten, opgesteld in volgorde van belangrijkheid.
  2. Ga uitgebreid lunchen. Een overzichtelijke to do lijst geeft voldoening, daar moet je even van genieten.
  3. Draai de lijst om, zodat de minst belangrijke dingen bovenaan staan.
  4. Begin nu met het eerste punt. Daar heb je natuurlijk geen zin in, want je wil nooit datgene doen wat als eerste moet.
  5. Vooruit, doe dan maar iets wat een beetje naar onderen staat.
  6. (Niet vergeten om met een nieuwe pen een dikke streep te halen door de volbrachte taak.)
  7. Doe nog iets wat ergens onderaan de lijst bungelt, belangrijk is het toch niet.
  8. En nog iets.
  9. (Stel jezelf niet de vraag wát je hebt gedaan, je moet de betovering van het goede werk niet verbreken.)

Benchley schrijft: ‘The psychological principle is this: anyone can do any amount of work, provided it isn’t the work he is supposed to be doing at the moment.’ De truc is om welbewust werk- (dan wel studie-) ontwijkend gedrag te vertonen, maar de ontwijking nuttig te laten wezen. Toegegeven: hiervoor is wel een grote persoonlijke overtuigingskracht en een zeker talent voor zelfmisleiding voor nodig.

Ik kwam op het spoor van Robert Benchley via Denis Grozdanovitch en zijn boek De moeilijke kunst van het bijna-nietsdoen. Daarin haalt hij ook de negentiende-eeuwse schrijver Jerome K. Jerome aan, die iets vergelijkbaars zegt over luiaards:

‘Er zijn heel wat luiwammesen en slome duikelaars, maar een authentieke luiaard is een zeldzaamheid. Het is niet iemand die met zijn handen in zijn zakken rondhangt. Integendeel, zijn meest opzienbarende kenmerk is dat hij altijd heel druk bezig is.

Het is onmogelijk intens van luieren te genieten als je niet een heleboel werk te doen hebt. Nietsdoen als je niets te doen hebt, is niet grappig. Je tijd verdoen is dan louter een bezigheid en een zeer vermoeiende bezigheid. Net als kussen is luiheid alleen dan zoet als ze gestolen wordt.’

Neem dus gerust nog een kop koffie, als je drie van de 368 e-mails hebt beantwoord.

Ik heb zelf alweer twee werkdagen achter de rug. Mijn eigen tips voor het overleven ná je vakantie: begin een paar dagen voordat je collega’s terugkomen van vakantie. Wie heeft er nu werkelijk zin om op de eerste dag allerlei vakantieverhalen te moeten aanhoren of vertellen? Dat lijkt me een voorbeeld van ‘je tijd verdoen’ en ‘een zeer vermoeiende bezigheid’.

Niet iedereen zal in de gelegenheid zijn om zoals ik een paar dagen helemaal alleen op kantoor door te brengen en in zalige rust aan een nieuw werkjaar te beginnen. Maar mijn andere tip kan iedereen opvolgen: begin halverwege de week, zodat het heel snel weer weekend is.

Dus: blijf vandaag nog maar even thuis.

Drie luie, zomerse citaten

‘”Het schijnt dat sommigen veel bevrediging uit werken krijgen,” zegt Wang Yaocun, softcore kluizenaar. “Maar persoonlijk hou ik helemaal niet van moe worden.”‘
In De Groene Amsterdammer, 8 juli 2010 (een mooi verhaal over taoïsme in het hedendaagse China).

‘Ik zie mensen graag niets doen met grote resultaten. Dat zijn de mensen die aan het oogsten zijn. Hun nietsdoen is het kersje op de taart van hard werken. Dat nietsdoen is trouwens niet alleen de laatste, maar ook de moeilijkste stap, al oogt hij niet zo.’
Martin Simek in De Groene Amsterdammer, 8 juli 2010

‘Het hele idee van gemakkelijk leven is volslagen absurd. De werkelijkheid van alledag geeft een tegengestelde beweging, namelijk dat het leven moeilijk is.’
Jeffrey Wijnberg, Dat moet ik nog een plekje geven en andere psychologische onzin, geciteerd in de Volkskrant 3 juli 2010

Lummelen of tijdverspilling II

kuijer_hoe_word_ik_gelukkig

Ligt het aan de milde tot zware herfstdepressie waar iedereen last van lijkt te hebben dat het lummelen, vervelen en op de bank liggen steeds van zich doen horen? Joke J. Hermsen pleitte voor een herwaardering van het nietsdoen. Je onderdompelen in de verveling met de voeten omhoog. Daar is Guus Kuijer niet van gediend. Ongerichte lamlendigheid leidt nergens toe, zo stelt hij in zijn ‘zelfhulpboek’ Hoe word ik gelukkig? Een opvallend meningsverschil dat zij met elkaar voeren – niet echt met elkaar, maar in mijn hoofd omdat ik toevallig hun boeken tegelijk aan het lezen ben. Toch denk ik dat ze het meer met elkaar eens zijn dan ze zelf misschien weten.

Verstrooidheid, schrijft Kuijer, is niet afwezig zijn maar juist ‘inwezig’. Iemand die er schijnbaar met zijn gedachten niet bij is, verstrooid is, is juist heel erg gericht op iets. Iets uit het (nabije) verleden dat in zijn gedachten blijft hangen en dat hij niet van zich kan afzetten. Verstrooidheid is daarom goed: het is een teken van concentratie. Alleen het woord is niet goed, omdat verstrooiing niet alleen lijkt te verwijzen naar een versnipperde aandacht, maar ook naar hersenloos amusement (in de zin van ‘verstrooiing bieden’).

Kuijer zegt het zelf niet met zoveel woorden, maar hij toont zich in zijn boek een duidelijk voorstander van de deliberate practice. Mensen, kinderen vooral, moeten een interesse ontwikkelen, een gerichtheid op één punt en alles in het werk stellen om zich op dat punt te verdiepen. In het geval van kinderen is het de taak van de school en van onderwijzers om de omstandigheden te creëren waarin het kind zijn interesse kan ontdekken en verder kan ontwikkelen, liefst tot het een passie is. Zo’n kind zal als alles goed gaat een verstrooide volwassene worden.

Hoe valt dat te rijmen met de lofzang van Hermsen op de verveling en het zalig niets doen? De overeenkomst zit ‘m in het resultaat, niet in de weg ernaartoe. Want ook bij Hermsen lijkt het toelaten van verveling niet geheel belangeloos: je laten overspoelen door de tijd is een voorwaarde voor creativiteit en inspiratie. Uit de verveling komen ideeën voort. Zomaar lamlendig op de bank hangen is dus niet de bedoeling. Ook daar is een gerichtheid gewenst, een concentratie die zich precies concentreert op de verveling zelf. Zonder concentratie vloeien de inzichten en goede ideeën ook maar langs je heen – dan kun je je net zo goed laten verstrooien door een amusementsprogramma op tv.

Beiden zijn het er dus over eens dat je je niet moet laten meeslepen door de waan van de dag, maar je eigen weg moet volgen. Bij Hermsen is dat vooral ‘je eigen tijd volgen’, bij Kuijer gaat het om je eigen interesse. Dat is het antwoord op de vraag hoe je gelukkig wordt. Je eigen tijd volgen betekent je overgeven aan het niets, aan reflectie en intuïtie, waaruit ideeën, kunst en herinneringen ontstaan. Kuijer benadrukt juist de werklust, die gericht is op íets. Maar ook die is gefundeerd in reflectie, kunst en herinneringen. Overgave en concentratie is waar het beiden om te doen is: aan iets of aan niets, aan werk of aan ledigheid – dat maakt gek genoeg niet zo heel veel uit.

Lees ook Lummelen of tijdverspilling I

De Grote Onrust II

doors_film

In de lente woedt De Grote Onrust het hevigst. Er woedt dan al van alles, dus dat kan er ook nog wel bij. Niet alleen mensen die altijd wel een beetje last ervan hebben, maar alles en iedereen, van boom tot bloem, van poes tot puber, voelt in zijn binnenste iets gisten en heeft de drang om tot Grote Daden over te gaan. De natuur heeft maar geluk dat het haar allemaal automatisch afgaat – elk jaar weer die verwondering over bladeren die binnen een dag de koude takken verzwaren, alsof het niets is, alsof iedereen dat zomaar zou moeten kunnen.

Lente is belofte, een belofte die bovendien wordt ingelost door de wereld om ons heen. Dat sterkt je in het idee dat je het zelf ook zou moeten kunnen. En de ingeloste belofte is ook altijd zo mooi! Nooit stelt de lente teleur. Als je er maar voor gaat, liggen zulke prachtig mooie resultaten voor het oprapen! Dat is wat de lente ons vertelt.

De belofte van de lente heeft voor mij een specifiek geluid: dat van The Doors. Dat komt omdat ik The Doors ontdekte in de lente dat ik veertien werd, dezelfde lente dat ik mijn eerste sigaret rookte en voor het eerst dronken was (dit is alleen in mijn herinnering waar, de eerste sigaret was eigenlijk op een Valentijnsfeest en de eerste dronkenschap ergens in oktober). Het was het jaar van Oliver Stones film over Jim en zijn band, en 25 jaar na the summer of love (bijna dan: The Doors stamt uit 1991 en in die tijd zal dat betekend hebben dat hij in ’92 in de Nederlandse bioscopen draaide, inderdaad 25 jaar na 1967). Ik wilde natuurlijk ook een summer of love meemaken, liefst met een Jim Morrison-lookalike. En de muziek van The Doors, beluisterd in de lente, beloofde mij dat dat ook zou gaan gebeuren. Als ik nu (ik reken niet eens meer uit hoe veel jaren later) in april of mei Break On Through hoor, of Love Her Madly, of Roadhouse Blues, dan heb ik het bijna niet meer van beloftevolheid – een ander woord voor De Grote Onrust, niet eens Duits of Engels.

Tegelijk, en dat is het lullige van de lente, nodigt al dat gebloesem en zonnegeschijn alleen maar uit tot luieren. Niets werkt zo goed tegen De Grote Onrust als de zon. Opeens blijkt het toch mogelijk om minutenlang met de ogen dicht helemaal niets te denken. Uitzonderlijk. Sinds ik een tuin heb, ben ik opeens een buitenmens. Mijn bijna veertienjarige zelf moest niets hebben van dat buiten zijn dat iedereen altijd maar de hemel in prijst, vooral omdat het sociaal moest zijn. Bah! Denk je dat Jim Morrison sociaal was? De man die zijn haar liet knippen naar het model van Alexander de Grote? Nee dus.

Maar in je eigen tuin moet niets, zeker niet sociaal doen. Dus nu ben ik degene die elke maandag naar haar hoofd geslingerd krijgt dat ze wéér bruiner is geworden, bijna strafbaar bruin, beledigend bruin, asociaal bruin. Ik voel me aangesproken: De Grote Onrust begint zich weer te roeren. Had ik niet in de tuin moeten zitten? Zien ze aan me dat ik lui ben en niet tot Grote Energie in staat? Ach, denk ik dan, Proust leefde ook jarenlang een ijdel leven om het later op te kunnen schrijven. Dat is ook de lente: een beetje verwaand, totaal overtuigd van eigen kunnen, exhibitionistisch en een optimist. Zeg maar: mijn veertienjarige zelf op betere momenten.