Inleiding Memento (december 2004)

Zie ook: Memento. Nagelaten vertalingen van Gerard Rasch.

Enkele weken nadat we in het Universitair Medisch Centrum te horen hadden gekregen dat Gerard Rasch, mijn vader, niet meer van zijn kanker zou genezen, stuurde hij me een e-mail met Het Plan. Het Plan: dat was nog één laatste boek te maken. Het moest een ode zijn aan de Poolse dichters van wie hij het meest hield, met gedichten die hij zelf nog absoluut vertaald wilde zien om de simpele reden dat ze hem dierbaar waren. Behalve een ode zou het daarom ook een literair testament zijn, een persoonlijke geschiedenis van de Poolse poëzie.

Mij vroeg Gerard zorg te dragen voor de selectie, de redactie en de inleiding van de bundel. Hij wist niet zeker hoever hij zelf zou kunnen komen met het werk en het was mogelijk dat hij computerbestanden en in de marge volgekrabbelde manuscripten zou achterlaten die je niet zomaar aan een willekeurig persoon toevertrouwt. Bovendien was de opzet van de bundel heel persoonlijk en moesten keuzes worden gemaakt ‘in zijn geest’, wat niet iedereen kan. En ik denk dat mijn vader mij graag de kans wilde geven een boek te maken waarop naast zijn naam ook mijn naam zou komen te staan. “Inleiding Memento (december 2004)” verder lezen

Oorbellen, buiken en eenzaamheid – Doina Ioanid

Dia01

Lezing gehouden bij de presentatie van Oorbellen, buiken en eenzaamheid van Doina Ioanid (vertaling Jan Mysjkin), 15 juni 2013 in Perdu, Amsterdam. De bundel bestellen kan hier.

Goedenavond, beste mensen. Ik ben begonnen met het voorlezen van het openingshoofdstuk uit een ander boek dan hier vanavond gepresenteerd wordt en zal uitleggen waarom. Max Blecher en zijn Avonturen in de alledaagse onwerkelijkheid zijn de aanleiding waarom ik hier sta om u iets te vertellen over het dichterlijke werk van Doina Ioanid. Deze korte roman, die verscheen in 1936, en in de vertaling van Jan Mysjkin een paar jaar geleden uitkwam, heb ik twee keer gerecenseerd. Eén keer in een geschreven stuk, en daarnaast in een persoonlijk filmpje. Zo bijzonder vond en vind ik hem en zo vreselijk is het dat er niet meer aandacht voor Blechers werk is. Nu heeft Jan Mysjkin de wonderbaarlijke poëzie van Ioanid vertaald. Hij noemt haar werk met een verwijzing naar de roman van Blecher eveneens handelend over de ‘alledaagse onwerkelijkheid’. Dus dat leek de organisatie en mijzelf een goed startpunt voor een korte verkenning van dit mij voorheen totaal onbekende dichterlijke oeuvre.

Dia02

‘Wanneer ik langdurig naar een vast punt op de muur staar, kan het gebeuren dat ik niet meer weet wie of waar ik ben.’ Bij Max Blecher valt de hoofdpersoon voortdurend, vanaf de eerste zin, ten prooi aan versplintering, of misschien moet ik zeggen, kijkend naar de omslag – versnippering. Alsof hij een flinterdun figuur van papier is, waar de werkelijkheid stukken uit knipt.

Zijn beschrijvingen klinken soms als de toestand van een psychose, waarin de jongeman terugvalt in de wereld in haar rauwe staat van zijn, voordat wij mensen er met onze denkpatronen ordening en kleur in aanbrengen. De bewustzijnstoestand die in contact staat met de werkelijkheid voor de intrede van Kantiaanse categorieën, om het ingewikkeld te zeggen: hoogte, breedte, diepte vooral, maar ook het kleurenspectrum (de werkelijkheid in grijstinten en tweedimensionaal, zoals de hond hem schijnt te zien) en natuurlijk herinneringen, associaties, taal. Ik heb overigens weleens gehoord dat je deze toestand ook kunt bereiken door langdurige meditatie, dus pas maar op met de yoga-hype. De dingen zoals ze zijn, de werkelijkheid zoals ze is. Zoals we die eigenlijk nooit kunnen kennen, omdat kennen precies betekent: al die ordeningen en kleuren aanbrengen.

Dia03

Het is altijd lastig te spreken van invloeden onder schrijvers, zeker wanneer een van hen zelf lijfelijk aanwezig is. Op Jan Mysjkin durf ik te vertrouwen als hij die invloed benoemt, maar laat ik zelf spreken van een echo van Blecher die hoorbaar is als Ioanid schrijft: ‘een permanent heden, zonder herinneringen of biografie, compleet leeg’. Haar gedichten zijn te lezen als een verkenning van de wereld als dit permanente heden, waarin toch ook onmiskenbaar de tijd verstrijkt.

Het is een wereld waarin je jezelf niet meer herkent in de spiegel. Steeds is er het gevaar dat je zult wegsmelten als gevallen ijsjes liggend op de vloer in de zon. Alles is vloeibaar, of kan dat elk moment worden. Het enige wat je hebt om daar weerstand aan te bieden is je lichaam (hoewel het lichaam tegelijk door datzelfde gevaar van wegsmelting bedreigd wordt – het is vechten tegen de bierkaai met als wapen de bierkaai). Door je lichaam te voelen bestaat er toch een soort vastheid of eenheid in een verder weke wereld.

Dia06

Blechers jongen is niet sterk genoeg daarvoor, hij laat zich steeds weer overrompelen door de werkelijkheid, door de dingen. Ioanids vrouw laat dat niet zo makkelijk gebeuren, zij gaat de vloeibaarheid te lijf, letterlijk. Bijvoorbeeld door haar nagels erin te zetten. Nagels zijn bij uitstek in te zetten als wapen in de strijd. Als je met je nagels scheuren maakt, in jezelf of liever in een ander, liefst nog in een man, lever je bewijs tegen de vloeibaarheid. Maar je werkt door het scheuren natuurlijk ook de versplintering in de hand.

Dia09

Het weke van het lijf, en van de huid die dat lijf omvat, moet zo steeds getest worden, bekrachtigd. Zoals Ioanid in een gedicht schrijft, door ‘een mes te wetten langs de lijnen van je hand’. Bij Blecher worden de dingen levend, of in elk geval organisch en weten ze hem te overweldigen tot hij als een plasje neerzijgt om pas weer tot leven te komen als de dingen zich terugtrekken. Dat is bij Ioanid anders. Er is al vanaf het begin leven, vlees, huid, dijen en nagels. De bundel opent: ‘Op een zonnige dag. De werkelijkheid van licht korrelige billen.’

Maar in plaats van warmte of nabijheid – zoals bij Blecher de dingen mysterieus blijven maar door die bloedende levendigheid toch naderbij komen, soms te dichtbij – is er bij Ioanid eerder vervreemding tegenover al die lichamelijkheid. Blecher zoekt toenadering tot de dingen en wordt verstoten door de materie, Ioanid zoekt misschien wel afstand tot de mensen, maar wordt er ook van verstoten. Is dat niet erger: afstand zoeken en dan verstoten worden?

Dia12

(Ik moet ook denken aan Het Boek van Bruno Schulz, waar alles tot leven komt en toch op afstand blijft, in een soort stoffig-zonnig-diffuse schemering. Het Boek, dat de jongen mateloos fascineert, dat vol staat met wonderlijke afbeeldingen en haast mythische vertellingen – en dat later een catalogus blijkt van huis-tuin-en-keuken zaken, zeg maar gewoon een reclamefoldertje.)

Nu laat ik Max Blecher, Bruno Schulz, de kindertijd en de epileptische ervaringen even voor wat ze zijn.

Onlangs verscheen een artikel dat driftig door mijn twitter timeline werd verspreid: Does Great Literature Make Us Better? van Gregory Currie, New York Times, juni 2013. Het gaat, dat mag duidelijk zijn, over de vraag of literatuur ons, lezers, goede mensen maakt. ‘You agree with me, I expect,’ schrijft de auteur, ‘that exposure to challenging works of literary fiction is good for us.’ Dat is een thema waar ik me ook veel mee bezig heb gehouden. Currie benadert de eeuwige vraag als een wetenschappelijke speurneus op zoek naar experimenteel bewijs. We willen het zo graag geloven (alsjeblieft, laat ons lezers niet de losers zijn), maar nee, moet de speurneus na een rondgang langs wetenschappelijke experimenten concluderen, de literatuur maakt ons niet beter. Het is niet bewezen en waarschijnlijk ook niet te bewijzen.

Interessant, maar ondertussen, ergens in de loop van het detectivewerk, sluipt er in het essay iets onbestemds. Want wat betekent die vraag in de titel, Does Great Literature Make Us Better? Het gaat natuurlijk niet om de geneeskrachtige werking – dat je door het lezen van Proust een koudje kunt verhelpen. ‘Maakt literatuur ons beter’ betekent hier: maakt literatuur ons moreel hoogstaandere mensen. Het gaat Currie om morele ontwikkeling. Om het kunnen onderscheiden van goed en kwaad. Om het overdragen van een moraal. Maar is dat de meest belangwekkende betekenis van ‘de lezer als een beter mens’? Ik dacht aan Blecher en Ioanid, die ik net had gelezen en herlezen. En aan een film, die ik jaren geleden zag, Reality Bites.

Dia16

De 23-jarige Winona Ryder komt daarin op een sollicitatiegesprek bij een tv-programma. Eén vraag krijgt ze van de talkshowhost: ‘Define irony’. Oei. ‘It’s uh, when something is… ironic,’ zegt Ryder. ‘I can’t really define irony, but I know it when I see it.’ Die baan kan ze op haar buik schrijven natuurlijk. Dan gaat ze uithuilen bij haar beste vriend op wie ze stiekem verliefd is, Ethan Hawke. Gefrustreerd: ‘I mean, can you define irony?’ Waarop hij antwoordt: ‘It’s when the actual meaning is the complete opposite from the literal meaning.’ Oh ja.

Ik hou van deze scène omdat ik sindsdien de uitdrukking ‘define irony’ kan gebruiken. De vraag, dacht ik tijdens het lezen van het artikel, is ‘define morality’. Definieer je het als ‘goed en kwaad kunnen onderscheiden? Dan heb je bij de literatuur niets te zoeken. Dat voelt onbevredigend, voor iemand die literatuur en filosofie studeerde en nu ethiek doceert. Is het zo makkelijk voor eens en voor al bepaald? Nee, je wordt geen beter mens van lezen, als je ‘beter’ op die ietwat bekrompen manier opvat. Maar hoe moet ik de ethische beweging dan begrijpen die ik voel bij het lezen van poëzie zoals die van Ioanid?

Dia22

Allereerst, ik zou me in haar moeten kunnen verplaatsen. Ergens tussen de dertig en de in-de-dertig (laat ik het daarbij houden). Mannen, lichaam, eenzaamheid, versplintering, liefde. Ja, daar verplaats ik mij in. Maar eerder leer ik bij haar over het kwaad in de wereld dan over het goede. Neem deze ‘les’: ‘Je moet de angst in je bedwingen, hem diep in je begraven en hem vooral niet tot vlak onder je huid laten komen!’ (Daar heb je die weke huid weer, waar de angst gewoon doorheen breekt als ze te dicht onder de oppervlakte geraakt.) Nog een bewijs geleverd: literatuur maakt ons niet tot goede mensen?

Gelukkig helpt Ioanid daarop toepasselijk te antwoorden als ze schrijft: ‘Maar wat moet je met zo’n flutwijsheid?’ Kunnen we ‘betere mensen’ niet ook op een andere manier opvatten? Niet als mensen die moreel aanvaardbare keuzes maken, maar als mensen die beter werken, zoals een apparaat beter kan werken, die beter de wereld begrijpen, zich beter tot de epileptische werkelijkheid verhouden…

Dia25

Blecher gaf ons een ervaring van versplintering, Ioanid laat je de weke huid voelen van een ergens-in-de-dertig-vrouw, de huid die tegelijk het weke bij elkaar moet houden. Als je dan de vraag stelt wat experimenteel bewezen is? Nou, dat de werkelijkheid buiten onze hersens versplinterd is, verstoken van rationele categorieën, diepte, kleur (dit is uiteraard een contradictio in terminis, buiten onze hersens kan niets bewezen worden). Lees daarvoor bijvoorbeeld het intrigerende boek van de naamgenoot van deze schilder, Thomas Metzinger. De ervaring van die wereld vinden we in deze literatuur. De auteurs laten zien hoe je je daartoe kunt verhouden, en ook dat is een ethische verhouding, zelfs als het mislukt.

Dia26

Misschien worden we dan wel mensen die beter werken. Beter in linkse hoeken uitdelen en beter het incasseren. Define morality? Dit is ook een definitie van moraliteit. Literatuur maakt ons niet moreel betere mensen, maar beter in het ervaren van het leven. Dat mag je wat mij betreft ook van Ioanid zeggen. (Vandaag las ik nog in een ander artikel: ‘A trio of University of Toronto scholars, report that people who have just read a short story have less need for what psychologists call “cognitive closure.’ Tja, laat dat soort onderzoek maar voor wat het waard is, denk ik, maar de volgende beschrijving van wat literatuur vermag is te mooi om niet te onthouden: ‘literature induces an ease with the unknown’.)

Een verruiming van de ervaring in epileptische, vloeibare, weke werkelijkheid. Angst, eenzaamheid en gebroken hart huid. Maar moraliteit definiëren ho maar, gelukkig wagen dichters zich daar niet aan, ook Ioanid niet. Hier moeten we het mee doen:

‘Op een dag zal ik even onverschillig zijn als zij. Misschien is dat de enige goede boodschap.’

Tot slot een gedicht.
‘Naast jou ben ik een en al poezig en trots. Niemand kan zich met mij vergelijken. Want alleen voor mij bestaat je groene blik, die lijkt op eindeloze theeplantages in Kenia. En je handen zijn precies gemaakt voor mijn welvingen (of misschien hebben mijn welvingen zich onder jouw palmen gevormd). Want vóór de dood me in welk plekje van mijn lichaam ook komt halen, kan ik verzinken in de plooien van je scherpe geur en me aanschurken tegen je huid tot ze flinterdun en roodgloeiend zal zijn. Het licht van mijn nachten. En misschien, wie weet, zullen onze gepaarde lichamen – een enkele, onmogelijk op het spoor te komen geur – de dood misleiden, gewoon omdat hij er niet in slaagt ons te herkennen.’

Images: Retronaut.com (selectie)

Memento (uitgeverij Pegasus, 2005)

mementoMiriam Rasch (samenst.): Memento. Nagelaten vertalingen van Gerard Rasch. Pegasus 2005, 287 blz.
€ 24,50.

Lees de inleiding.

Lees de recensie van Michel Krielaars uit het NRC Handelsblad.

‘De gedrevenheid en acribie van Gerard Rasch niet alleen als vertaler, maar ook als kiezer van poëzie blijken uit deze posthume bloemlezing, liefdevol ingeleid door zijn dochter. Memento is een monumentje voor Rasch.’

– T. van Deel

Bestel bij Athenaeum

Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan: Nu alleen zijn is verboden

heytze

Dit stuk maakt deel uit van de blogtournee over de onlangs verschenen dichtbundel van Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan (Uitgeverij Podium). Check Not just any book voor meer informatie. Eerder schreef ik over Blijf bij ons van Florence Tonk: Twee soorten vrijheid.

Eerst ben je samen en gelukkig; dan ben je alleen tussen de mensen; daarna alleen nog alleen; en uiteindelijk is er niets behalve het niets. Als dat besef eenmaal is doorgedrongen kun je beter terug gaan denken: van het levenloze niets terug naar jezelf, al is dat eenzaam, naar de anderen hoe gevoelloos ze ook zijn, om te eindigen bij het begin, bij jou.

Bij het lezen van de nieuwe bundel van Ingmar Heytze, Ademhalen onder de maan, slinger je steeds heen en weer tussen de verre uithoeken van het steenkoude en levenloze heelal dat zich uitstrekt ver voorbij de maan, naar het piepkleine leven dat je leidt, in een huis, met mensen die, ja, ademhalen maar evengoed levens leiden zonder zin.

Julian Barnes beschrijft in Nothing to be frightened of, zijn fenomenale essay over zijn angst voor de dood, ‘le réveil mortel – the wake-up call to mortality’. Het moment waarop je ineens weet: ik ga dood. En dood betekent: niks meer. Waardoor leven misschien ook wel niks betekent. Je kunt je wel een god wanen en soms de touwtjes van de wereld in je handen voelen, in elk geval de touwtjes van je eigen leven. Als de man achter de schermen, die alle schermen tegelijk ziet, zoals Heytze schrijft. Maar het blijft een waan. Als je ver genoeg kijkt moet je zien dat er geen god is en dat jij hem niet bent.

Het absurde, heet dat in goed filosofisch jargon.

Ach, zo’n betekenisloos heelal, het heeft ook wel iets prettigs. Je hebt met niemand iets te schaften, behalve met jezelf. En van jezelf kun je in elk geval op aan. Toch? Mwah. ‘Wie zou je ermee hebben behalve jezelf, en zelfs dat valt te bezien.’ (Binnen en buiten) De ander dan? ‘Maar ik zou niemand weten, alleen jij, en zelfs bij ons heb ik zo mijn vraagtekens.’ (Achter ons)

Heytze weet heel goed de tragiek te vangen van dat ietwat sneue hoopje mens dat tegen beter weten in er nog iets van probeert te maken. Sneu hoopje, omdat je in het licht van dat enorme, mechanische heelal maar ‘één tussen miljarden’ bent. Het is moderne tragiek: doorgaan omdat het niet anders kan, niet tegengewerkt door een god of het noodlot, maar voortgedreven door de tijd. De tijd, die is nog veel meedogenlozer dan welke god ook. God, die liet nog plaats voor hoop. Zelfs die is er niet meer voor ons, wij die ‘op weg zijn naar ons onbestaan, voorgoed verloren’. (Schaduwen)

Zo voortgedreven door de tijd, ligt de hoop (toch eigenlijk een projectie op de toekomst) vooral in de herinnering. Terug dus, naar het samenzijn, ‘niet langer alleen’. De wens en de hoop zijn niet gericht op een hiernamaals of een betekenisvol leven, maar op het terugdraaien van de tijd. Ik hoef niemand te vertellen dat dat onmogelijk is. Dat maakt het verlangen tragisch. En ook mooi. Er is in dit lege universum veel schoonheid te vinden. Niet zozeer in het licht, maar juist in de duisternis. ‘The tunnel at the end of the light’, zoals Bukowski in het motto dicht, verandert van een duistere, enge plek in een veilige haven.

Er staan veel regels (soms zinnen) in de bundel die je wilt onthouden. Trefzekere tragiek. (Dat is in elk geval een zekerheid die de dichter nog geboden is.) Het mooiste gedicht vind ik ‘Het uur van het schaap’. Het is duister en eng en zeker niet veilig. Maar het biedt je één absolute zekerheid.

‘Nu alleen zijn is verboden.’

Buffo van Szymborska (of: serendipiteit)

Ter herinnering aan mijn vader Gerard Rasch, die vandaag 65 jaar zou zijn geworden. Ik geloof niet dat hij met pensioen was gegaan.

Vorige week werd ik gebeld over het gedicht ‘Buffo’ van Wisława Szymborska, dat in Gerards vertaling in een toneelstuk zal figureren – waarvoor dank @luukimhann. Vandaag figureert Szymborska bovendien in de Klassiekerreeks op 8WEEKLY.

Lees ook wat ik schreef op 8 december 2008, 8 december 2009 en 8 december 2010. En lees dit gedicht. Ik noem het zelf stiekem: Serendipiteit.

Buffo

Eerst zal onze liefde vergaan.
daarop volgen een-, tweehonderd jaar,
dan pas komen we weer bij elkaar:

als een stel komedianten,
lievelingen van het publiek,
komen we terug op de planken.

Een korte klucht waarin men zingt,
een beetje danst en heel veel lacht.
En na die rake zedenschets
volgt het applaus.

Onweerstaanbaar komisch ben je
op toneel, met je jaloezie
en die rare strik.

En mijn hoofd slaat op hol,
met hart en kroon en al,
een dom hart dat barst
en een kroon die valt.

Die dag zien we elkaar terug,
scheiden weer, in de zaal gelach,
zeven bergen en rivieren
hebben we tussen ons bedacht.

En alsof de echte rampen
in het leven niet genoeg zijn
– maken wij elkaar met woorden af.

Dat is het einde van de pret,
daarna buigen we heel diep.
De spectator gaat naar bed,
tranen in de ogen van plezier.

Zij zullen keurig leven,
de liefdestijger temmen,
laten eten uit hun hand.

Maar wij blijven rare snuiters
met belletjes aan hun muts,
we luisteren naar het gerinkel,
aandachtig als barbaren.

Wisława Szymborska, Einde en begin

Armando wint VSB-prijs: ‘radicale somberte’

‘Op Armando!’
‘Op de wanhoop!’

Armando won gisteren met Gedichten 2009 de VSB-Poëzieprijs voor de beste bundel van het afgelopen jaar. 81 is hij inmiddels, maar hij heeft dus nog niets aan relevantie ingeboet.

Juryvoorzitter Maaike Meijer noemde de grondstemming van Armando ‘radicale somberte’. Een rake typering, die de poëzie ook direct in een verband plaatst met andere radicale sombermansen (mijn persoonlijke associatie: Michel Houellebecq). Neem het gedicht ‘Een galg’, dat hij bij de prijsuitreiking ook voorlas:

Ze dachten we gaan de aarde beklimmen,
we gaan de dood verjagen, we
zegenen de regen, we
brengen stenen naar de stad.

Ze zwoegden
en bouwden moeizaam een galg.

Het ijkpunt van Armando – zegt men steevast – blijft de oorlog. Het steengoeie van een gedicht als dit is natuurlijk dat het het ijkpunt achter zich laat. Ook zonder de (persoonlijke) ervaring van oorlog is het een krachtig gedicht, dat de lezer of luisteraar iets zegt over de mens, de dood, het lijden en vooral de onontkoombaarheid daarvan. De voordracht van de oude Armando, zittend op het lage podium, niet elke letter even helder meer articulerend, vond ik erg indrukwekkend. De woorden komen binnen, hard als een stomp in de maagstreek. 

armando_waldrand

Dat deed me terugdenken aan een aantal schilderijen die ik van hem zag op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam, samengesteld door Koningin Beatrix. Grote doeken, geen kleur, alleen wit en zwart. Ik houd van grote zwarte vlakken (zoals bij de Van Doesburgh die ik jarenlang als muurschildering had). Je kunt erin verdrinken, ze benemen je de adem. Je eigen lijden is dan opeens nietig, onbetekenend. Dat is de reden dat kunst in het teken van het lijden zo mooi en noodzakelijk kan zijn: het heft je eigen lijden op in het zicht van de absolute somberte. Ik vond de schilderijen haast letterlijk verpletterend, die intense zwartheid – zowel van vorm als inhoud. Misschien niet de meest subtiele kunst, maar wel effectief. Ik hou van effect, dat moet gezegd worden.(Heuglijk nieuws dus dat het Armando Museum dat zo noodlottig getroffen werd door brand, misschien naar Utrecht komt!)

Nu zou je denken dat ik geen fijne avond gehad kan hebben. Dat is niet waar, want Armando is een vrolijke, grappige man, met de lachers op zijn hand. Hij wilde de avond eindigen met een lolletje, verklaarde hij. Na het laudatio las hij geen gedichten uit de prijswinnende bundel voor, maar twee sprookjes, één over een leeuw en één over een muis. Prachtig en inderdaad lollig.

Mijn bewondering steeg daarmee tot grote hoogten. Een immens pessimisme, gekoppeld aan levenslust, geestigheid en sprookjes over dieren: dan heb je me al vier keer mee. Ik herken me er ook in. Onlangs had ik een gesprekje waarin ik verstrikt raakte in mijn eigen woorden. Ik houd van sombere, zware literatuur, zei ik. Ja, daarin ben ik wel een pessimist. Maar ik bén geen pessimist, ik zou mezelf juist eerder een optimist noemen. Misschien, peinsde ik, geloof ik eigenlijk niet in mijn eigen optimisme en zoek ik in de literatuur mensen die wel de waarheid durven te zeggen. Daar schrok ik van, dat ik dat zei. Alsof ik mezelf betrapte, en mezelf al jarenlang voor de gek houd. Zou Armando het ook zo zien? Moet hij schrijven over ‘radicale somberheid’ om in het leven vrolijk en geestig te kunnen zijn? En andersom – vrolijk zijn om in de kunst de allerzwartste afgrond in te kunnen kijken? Nee, het ‘dringt zich aan me op, en dat is geen lolletje,’ zegt hij in het filmpje dat hem introduceerde en dat ook in hieronder is terug te zien.

‘Ik kan niks,’ verklaart Armando ook. Raar dat mensen het zo goed vinden. Nou, da’s dus niet waar en niet raar. Armando besloot: ‘Nogmaals: neem me niet kwalijk.’ Doen we niet.

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.

Aleksander Wat: Verdoemd

aleksander_wat

Voor Gedichtendag, een gedicht. Het komt uit Memento en is van Aleksander Wat. Een gedicht dat zwaar, grappig, ellendig, prachtig en bizar is. En dat allemaal tegelijkertijd!

Verdoemd

Eerst droomde ik van een koffiemolen.
Een heel gewone. Zo’n ouderwetse. Donker koffiekleurig.

(Als kind hield ik ervan het dekseltje open te klappen, te kijken en ogenblikkelijk dicht te slaan. Met angst, trillend! Tot mijn tanden klapperden. Het was alsof ik erin werd fijngemalen! Ik heb altijd geweten dat het slecht moest aflopen.)

Eerst was er dus een koffiemolen.
Of misschien leek het maar zo, want even later was het al een molen met wieken geworden.
Die molen stond op zee, op de lijn van de horizon, precies in het midden.
De vier wieken draaiden krakend rond. Ze vermaalden vast iemand.
En boven op elke wiek
draaide een equilibrist in wit
mee op de maat van Die lustige Witwe
met zijn linkerhand leunend op de wiek zweefde hij vloeiend,
met zijn voeten in de ether zilveren vlammen slaand.
Daarna doofde hij. De een na de ander. En zou het donker zijn geweest als de maan niet had gebrand.
Maar waar kwamen die nu vandaan? Voltigeuses?! Mijn beminde voltigeuses!
Licht op zware hoewel snelle molenpaarden
galopperen ze achter elkaar en ik zie er talloze,
sommige in plooiende tule, andere blootjes in zwarte zijden kousen,
weer andere in gitten – goudkleurig, turquoise, zwart, en regenboogkleurig,
de lendenen als suiker zo wit! Als tanden! En sterk, ijzersterk, zo sterk!

(Als jongen droomde ik van een voltigeuse – alleen een voltigeuse! Een voltigeuse zadelde de grote liefde van mijn leven! Ach! Ik heb er nooit een gekend. En dat is waarschijnlijk beter, want wat was dat voor een paar geweest: een voltigeuse en een boekhouder in de genationaliseerde begrafenisonderneming.)

Tja! niets duurt eeuwig. Want een ogenblik later defileerden in plaats van
de voltigeuses de Sabijnsen, in bruidsuitrusting, hoe dan ook veel trivialer,

(elf jaar geleden was ik verliefd op een zekere Sabina, gescheiden, maar maakt het uit: het was niet wederkerig).

Derhalve geen
ontvoerde Sabijnsen – vervoerende, dat wel. Waarheen?
Waar heen? Kan ik weten waarheen?
Hoe het ook zij – naar het zelfverlies.

Ik werd wakker. Ik wist dat het slecht moest eindigen.

(Saint-Mandé, juni 1956)

Of Mere Being

monolith_2001

Of Mere Being

The palm at the end of the mind,
Beyond the last thought, rises
In the bronze distance.

A gold-feathered bird
Sings in the palm, without human meaning,
Without human feeling, a foreign song.

You know then that it is not the reason
That makes us happy or unhappy.
The bird sings. Its feathers shine.

The palm stands on the edge of space.
The wind moves slowly in the branches.
The bird’s fire-fangled feathers dangle down.

— Wallace Stevens, 1954

Zojuist stuitte ik op dit gedicht. Het geeft me kippenvel. Voorbij de laatste gedachten zit een dier. En dat dier weet door niet te weten. Kippenvel, omdat ik het prachtig vind, ontroerend, maar ook heel griezelig. Een verstild beeld, niet omdat het leven eruit is weggeslopen, maar omdat het erin samengebald zit, dreigend op de rand van uitbarsting. Zoals de zwarte monoliet uit 2001: A Space Odyssey. Het begin van het menselijk bewustzijn, maar ook het eindpunt, meer nog: ’the end of the mind’ standing ’on the edge of space.’