Online (kunst)kritiek // Hybrid criticism

Bij de presentatie van het nieuwste nummer van tijdschrift Kunstlicht op vrijdag 18 oktober had ik de eer iets te mogen zeggen over online kunstkritiek. Vanuit mijn eigen ervaring in de online literaire kritiek en met de overgang naar digitaal publiceren, kwam ik uit op wat ik heb genoemd: hybrid criticism. Hieronder mijn praatje.

Slide01

Goedenavond allemaal. Ik ben blij dat ik hier ook iets mag zeggen. In het voorjaar was ik samen met Daan Stoffelsen bezig een bijdrage te schrijven voor dit Kunstlicht-nummer getiteld Art criticism in the networked age, maar vanwege (heuglijke) persoonlijke omstandigheden – hij werd vader – hebben we het niet gehaald om het op tijd af te maken. Nu kan ik toch wat dingen delen waar ik toen over heb nagedacht. In hoofdzaak gaan die over online literaire kritiek en wat ik heb genoemd hybrid criticism. “Online (kunst)kritiek // Hybrid criticism” verder lezen

Verdrietig: godverdomse dagen van Verhulst

godverdomse_dagen

Op het debat over recensenten in Spui25, dat verbijsterend was in zijn tentoonspreiding van literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid (zoals ook mooi is beschreven door Gaston Franssen), werden niettemin boeiende dingen gezegd. Boeiend omdat ze getuigden van precies die literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid en dan zonder dat degene die het zei het doorhad. De allerergste observatie kwam van Elsbeth Etty, die zonder blikken of blozen toegaf dat het haar geen moer interesseerde of de lezer door haar recensies nu wel of niet een boek ging kopen. Hou dan een dagboek bij en publiceer je stukjes niet in de krant! wilde ik roepen, maar ik was met stomheid geslagen.

Een andere deelnemer, Marja Pruis, vertelde dat ze toen ze begon met recenseren, ervan hield om dingen negatief te bespreken. Dat was wel stoer. (Geinig om in het achterhoofd te houden als je vervolgens leest hoe zij publiekelijk in een column reageert als ze zelf negatief besproken wordt.) Ik ben erachter gekomen dat ik zelf een hekel heb aan het schrijven van een negatieve recensie. Maar natuurlijk wil ik niets liever dan dat mensen daardoor het boek níet gaan kopen. Of juist wel.

De eerste versie van mijn bespreking van Dimitri Verhulsts Godverdomse dagen op een godverdomse bol was nog negatiever dan de uiteindelijke versie. Misschien moet ik het niet toegeven, maar ik heb na lang dubben een paar zinnen toegevoegd aan het eind met een positieve noot. En het adjectief ’prachtig’ voor De helaasheid der dingen, in de inleiding. Dat boek was dan ook prachtig. Misschien dat ik juist omdat De helaasheid der dingen prachtig vond (hoewel ook niet briljant) het niet over mijn hart kan verkrijgen Godverdomse dagen totaal de grond in te boren.

Stel dat Verhulst een Engelsman was geweest, en Godverdomse dagen de vertaling van Goddamn Days On A Goddamn Ball. Had ik dan ook zo’n moeite mee gehad? Vast minder. Ik ben een watje: het idee dat Verhulst mijn recensie leest en daar misschien verdrietig van wordt, is genoeg om mezelf verdrietig te maken. Aan de andere kant: laat hem dan maar een column schrijven zoals die van Marja Pruis. Dan kan iedereen weer lachen. Heel hard lachen.

 

Wie met genoegen de verhalen van Dimitri Verhulst las over de zuipschuiten, vuilbekken, lapzwansen en smeerpoetsen uit Reetveerdegem, maar zich soms ook afvroeg hoe het allemaal in vredesnaam zo ver had kunnen komen, kan in Godverdomse dagen op een godverdomse bol een antwoord vinden. Verhulst schreef de geschiedenis van de mensheid in 180 bladzijden, ook wel te zien als een eonenlange prequel van het prachtige De helaasheid der dingen.

 

Godverdomse dagen is genomineerd voor de Librisprijs. De jury schrijft: ‘Verhulst is zo intens kritisch over de mens, dat je je bijna gedwongen voelt om het voor je soort op te nemen. In een literair landschap waarin net iets te veel thrillers, incestdrama’s en andere voorspelbare verhalen opdoemen, is Godverdomse dagen een verademing.’ Engagement mag weer, moet zelfs volgens sommigen. Het stempel van Thomas Vaessens, die een fel debat over straatrumoer en maatschappelijke betrokkenheid in de letteren ontketende met zijn studie De revanche van de roman (zie link) én plaatsnam in de Librisjury, is duidelijk.

 

En toen
Is Verhulst dan zo geëngageerd? En behoort Godverdomse dagen tot de zes beste boeken van het afgelopen jaar? Wat mij betreft kunnen beide vragen met ‘nee’ beantwoord worden. Wel schreef hij een merkwaardig boek, dat alle genreaanduidingen tart, geen zier geeft om spanning of plot, maar in de taal alles op alles zet. Het heeft nog het meest weg van een episch dichtwerk. Voor de lezer die zich instelt op ‘een verhaal met een hoofdpersonage waarin u zich ongetwijfeld zo nu en dan herkennen zal’, zoals de flap belooft, kan dat nog een flinke aanslag op het uithoudingsvermogen betekenen.

 

Het ‘verhaal’ is gauw verteld: ”t’ – de mens – kruipt uit het water en gaat lopen, spreken, samenleven, maar vooral vreten, kezen, liegen. Tot het uiteindelijk op gelijke voet komt te staan met God, namelijk door de allesvernietigende krachten van de atoombom te ontketenen boven Hiroshima. Daarvoor: jagen, verzamelen, ijstijd, volksverhuizingen, prehistorie, Egypte, de Romeinen, middeleeuwen enzovoorts. Door die opzet, waarbij je vanzelf invult ‘en toen, en toen’ lijkt er tegelijk helemaal niets te gebeuren. De boodschap van Verhulst is duidelijk: de geschiedenis is een herhaling van verziekte zetten.

 

Stromen met woorden
Volledigheid of nauwkeurigheid is geen streven in deze vertelling. Soms maakt Verhulst herkenbare verwijzingen naar de geschiedenis zoals je die op school leert, maar die ogen willekeurig en ook wel wat flauw, alsof het een puzzeltje is. Niet iedereen zal zich trouwens herkennen in deze geschiedenis: ’t is een laaglander, een christen, een man. Een zuipschuit, vuilbek, lapzwans en smeerpoets. Is er dan niets de moeite waard aan het godverdomse wezen? Misschien zijn taal:

 

De taak die ’t ooit vrijwillig op een dag met veel plezier heeft aangevat, het benoemen van de dingen, is nog altijd onvoltooid. En ’t hoopt dit zo te houden. Want eens de stromen met woorden zullen zijn opgedroogd, zal ’t zijn eigen einde ruiken. Het einde van de woorden, dat is de dood.

 

Je zou het bijna inconsequent noemen dat Verhulst door zijn ‘stromen met woorden’ dat vervloekte mensdom nog in leven houdt. Zijn uitbundige Vlaams is de hemel in geprezen. Je moet er van houden. Af en toe schiet hij door in grappen en grollen (‘Een eigen grot een plek onder de zon’), andere keren zit er een pareltje tussen (‘Hun lijken worden in wijntonnen naar de kaden gerold en in de rivieren gedropt, waarop ze drijven naar een zee die hen verteren zal’).

 

Verhulst maakt op een mooie manier het universele particulier en vice versa. ”t’ Is als de onsterfelijke graaf Saint-Germain, die tegelijk zichzelf blijft en transformeert tot tijdgenoot.’ De taal is ook zowel particulier als universeel: Verhulsts stijl is volkomen eigen, maar weet te spreken over de ontdekking van vuur evengoed als over de Verlichting. Het duurt alleen allemaal te lang, of juist te kort: had er een vlammende novelle van gemaakt of een echt episch dichtwerk. Ook epische dichtwerken hebben echter spanning en afwisseling nodig. Als dit het beste is wat hedendaags engagement te bieden heeft – een deprimerende visie op de mens zonder hoop op verbetering – rijst de vraag: wat boeit ‘t?

 

Verdediging van het recensentendom

Na het redigeren en invoeren van zo’n vijftig artikelen voor 8WEEKLY, heb ik het aangedurfd zelf een recensie te schrijven, die inmiddels online te lezen is. Het boek in kwestie is Mikado van de Duitse schrijver Botho Strauss, een verzameling miniatuurverhalen die samen een even hecht als onontwarbaar geheel vormen als een worp met mikadostokjes. Niet het makkelijkste boek om een carrière als recensent mee te beginnen. Gelukkig maar, want makkelijk is stom en moeilijk is leuk, in my book.

Die recensie ga ik hier niet herhalen, zorg maar dat mijn artikel op 8WEEKLY heel veel hits krijgt. Hier heb ik de plek om te onderzoeken wat dat nu eigenlijk inhoudt, een recensie, en wat dat van mij maakt. Een recensent. De eerste vraag die me bij de keel grijpt is of mijn toetreden tot het recensentendom (let op dat -dom) niet automatisch een mislukt schrijver van me maakt. Want de kaste der recensenten is zo verguisd, iedereen weet dat dat een stelletje pennenlikkers is dat ooit zelf wilde schrijven, daar te lui en talentloos voor bleek en zich toen maar ging toeleggen op het afzeiken van mensen die wél een kunstwerk weten te scheppen.

Zoals advocaten alles behalve eerlijk en rechtvaardig zijn – dat weet elk kind dat Suske en Wiske heeft gelezen – zo zijn recensenten alles behalve kunstminnend en schrijfvaardig.

Hoe moet dat dan met mijn meesterwerk in wording? Heb ik dat nu voorgoed de nek om gedraaid, door te kiezen voor het schrijven over in plaats van het schrijven punt? Tuurlijk niet (zei zij hihi-hijgerig en maakte een wegwerpgebaar met haar hand, waarbij ze bijna zichzelf op de wang sloeg).

Ik denk dat het waar is dat de overgrote meerderheid van de recensenten (en andere mensen die zich met literatuur bezighouden) ooit dromen had over het schrijven van de Grote Roman, een Meesterwerk, het Boek Dat Alle Andere Boeken Overbodig Maakt. Dat is alleen niet voor heel veel mensen weggelegd – als 99,9 % van de recensenten ooit zelf een boek heeft willen schrijven, is het voor 0,01% van de mensheid weggelegd dat ook daadwerkelijk te doen.

Elk mens heeft dromen die in duigen zijn gevallen, en als ze die niet hebben, zijn het halve mensen. Als iedereen werd wat hij wilde worden toen hij op zijn zestiende droomde van een groots en meeslepend leven… dan was er nu nóg meer voetbal op tv.

Er zijn natuurlijk recensenten die plezier scheppen in het afkraken, die het als hun levensinvulling zien om een smet te werpen op al die grote schrijversego’s, een smet als een inktvlek. Dagelijks een balpenmoord plegen in het veilige onderkomen van het krantenkatern. Maar er zijn ook onderwijzers die vooral houden van de macht die hun beroep geeft, net als tandartsen die kicken op de angst voor de boor. Dat maakt niet van alle tandartsen vreselijke mensen die eigenlijk beul hadden willen worden (nee, echt niet).

De meeste recensenten lezen liever een goed boek dat ze kunnen aanprijzen dan een slecht boek dat ze willen afraden. Ze verkeren graag in de nabijheid van de kunst, en een slecht boek is geen kunst. Het goed onder woorden brengen van een afgewogen oordeel mag je wel een kunst noemen. Zelfs in afgeleide beroepen als het recensentendom zijn er excellente beoefenaars, naast heel veel middelmatige buffelaars. Zij sprokkelen de scherven van hun dromen bij elkaar en weten niet hoe ze ze aan elkaar moeten plakken tot iets nieuws.

En ik dan? Hoe rechtvaardig ik mezelf? De recensent en de schrijver gebruiken toevallig hetzelfde materiaal: het woord. Daarnaast gebruikt de schrijver zijn ervaring in het leven en de recensent zijn ervaring in de literatuur. Beide ervaringen zijn nodig om te komen tot het Meesterwerk, het Boek Dat Alle Andere Boeken Overbodig Maakt. Dat is nooit gewoon een verhaaltje, niet alleen maar een roman, maar ook altijd een essay, een recensie, een beschouwing, filosofie, letterkunde en plot ineen. Zo verkoop ik het aan mezelf: het verhaaltje is een afgeleide, de recensie is een afgeleide – samen maken ze de contouren zichtbaar van waar het werkelijk om gaat.