Verdrietig: godverdomse dagen van Verhulst

godverdomse_dagen

Op het debat over recensenten in Spui25, dat verbijsterend was in zijn tentoonspreiding van literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid (zoals ook mooi is beschreven door Gaston Franssen), werden niettemin boeiende dingen gezegd. Boeiend omdat ze getuigden van precies die literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid en dan zonder dat degene die het zei het doorhad. De allerergste observatie kwam van Elsbeth Etty, die zonder blikken of blozen toegaf dat het haar geen moer interesseerde of de lezer door haar recensies nu wel of niet een boek ging kopen. Hou dan een dagboek bij en publiceer je stukjes niet in de krant! wilde ik roepen, maar ik was met stomheid geslagen.

Een andere deelnemer, Marja Pruis, vertelde dat ze toen ze begon met recenseren, ervan hield om dingen negatief te bespreken. Dat was wel stoer. (Geinig om in het achterhoofd te houden als je vervolgens leest hoe zij publiekelijk in een column reageert als ze zelf negatief besproken wordt.) Ik ben erachter gekomen dat ik zelf een hekel heb aan het schrijven van een negatieve recensie. Maar natuurlijk wil ik niets liever dan dat mensen daardoor het boek níet gaan kopen. Of juist wel.

De eerste versie van mijn bespreking van Dimitri Verhulsts Godverdomse dagen op een godverdomse bol was nog negatiever dan de uiteindelijke versie. Misschien moet ik het niet toegeven, maar ik heb na lang dubben een paar zinnen toegevoegd aan het eind met een positieve noot. En het adjectief ’prachtig’ voor De helaasheid der dingen, in de inleiding. Dat boek was dan ook prachtig. Misschien dat ik juist omdat De helaasheid der dingen prachtig vond (hoewel ook niet briljant) het niet over mijn hart kan verkrijgen Godverdomse dagen totaal de grond in te boren.

Stel dat Verhulst een Engelsman was geweest, en Godverdomse dagen de vertaling van Goddamn Days On A Goddamn Ball. Had ik dan ook zo’n moeite mee gehad? Vast minder. Ik ben een watje: het idee dat Verhulst mijn recensie leest en daar misschien verdrietig van wordt, is genoeg om mezelf verdrietig te maken. Aan de andere kant: laat hem dan maar een column schrijven zoals die van Marja Pruis. Dan kan iedereen weer lachen. Heel hard lachen.

 

Wie met genoegen de verhalen van Dimitri Verhulst las over de zuipschuiten, vuilbekken, lapzwansen en smeerpoetsen uit Reetveerdegem, maar zich soms ook afvroeg hoe het allemaal in vredesnaam zo ver had kunnen komen, kan in Godverdomse dagen op een godverdomse bol een antwoord vinden. Verhulst schreef de geschiedenis van de mensheid in 180 bladzijden, ook wel te zien als een eonenlange prequel van het prachtige De helaasheid der dingen.

 

Godverdomse dagen is genomineerd voor de Librisprijs. De jury schrijft: ‘Verhulst is zo intens kritisch over de mens, dat je je bijna gedwongen voelt om het voor je soort op te nemen. In een literair landschap waarin net iets te veel thrillers, incestdrama’s en andere voorspelbare verhalen opdoemen, is Godverdomse dagen een verademing.’ Engagement mag weer, moet zelfs volgens sommigen. Het stempel van Thomas Vaessens, die een fel debat over straatrumoer en maatschappelijke betrokkenheid in de letteren ontketende met zijn studie De revanche van de roman (zie link) én plaatsnam in de Librisjury, is duidelijk.

 

En toen
Is Verhulst dan zo geëngageerd? En behoort Godverdomse dagen tot de zes beste boeken van het afgelopen jaar? Wat mij betreft kunnen beide vragen met ‘nee’ beantwoord worden. Wel schreef hij een merkwaardig boek, dat alle genreaanduidingen tart, geen zier geeft om spanning of plot, maar in de taal alles op alles zet. Het heeft nog het meest weg van een episch dichtwerk. Voor de lezer die zich instelt op ‘een verhaal met een hoofdpersonage waarin u zich ongetwijfeld zo nu en dan herkennen zal’, zoals de flap belooft, kan dat nog een flinke aanslag op het uithoudingsvermogen betekenen.

 

Het ‘verhaal’ is gauw verteld: ”t’ – de mens – kruipt uit het water en gaat lopen, spreken, samenleven, maar vooral vreten, kezen, liegen. Tot het uiteindelijk op gelijke voet komt te staan met God, namelijk door de allesvernietigende krachten van de atoombom te ontketenen boven Hiroshima. Daarvoor: jagen, verzamelen, ijstijd, volksverhuizingen, prehistorie, Egypte, de Romeinen, middeleeuwen enzovoorts. Door die opzet, waarbij je vanzelf invult ‘en toen, en toen’ lijkt er tegelijk helemaal niets te gebeuren. De boodschap van Verhulst is duidelijk: de geschiedenis is een herhaling van verziekte zetten.

 

Stromen met woorden
Volledigheid of nauwkeurigheid is geen streven in deze vertelling. Soms maakt Verhulst herkenbare verwijzingen naar de geschiedenis zoals je die op school leert, maar die ogen willekeurig en ook wel wat flauw, alsof het een puzzeltje is. Niet iedereen zal zich trouwens herkennen in deze geschiedenis: ’t is een laaglander, een christen, een man. Een zuipschuit, vuilbek, lapzwans en smeerpoets. Is er dan niets de moeite waard aan het godverdomse wezen? Misschien zijn taal:

 

De taak die ’t ooit vrijwillig op een dag met veel plezier heeft aangevat, het benoemen van de dingen, is nog altijd onvoltooid. En ’t hoopt dit zo te houden. Want eens de stromen met woorden zullen zijn opgedroogd, zal ’t zijn eigen einde ruiken. Het einde van de woorden, dat is de dood.

 

Je zou het bijna inconsequent noemen dat Verhulst door zijn ‘stromen met woorden’ dat vervloekte mensdom nog in leven houdt. Zijn uitbundige Vlaams is de hemel in geprezen. Je moet er van houden. Af en toe schiet hij door in grappen en grollen (‘Een eigen grot een plek onder de zon’), andere keren zit er een pareltje tussen (‘Hun lijken worden in wijntonnen naar de kaden gerold en in de rivieren gedropt, waarop ze drijven naar een zee die hen verteren zal’).

 

Verhulst maakt op een mooie manier het universele particulier en vice versa. ”t’ Is als de onsterfelijke graaf Saint-Germain, die tegelijk zichzelf blijft en transformeert tot tijdgenoot.’ De taal is ook zowel particulier als universeel: Verhulsts stijl is volkomen eigen, maar weet te spreken over de ontdekking van vuur evengoed als over de Verlichting. Het duurt alleen allemaal te lang, of juist te kort: had er een vlammende novelle van gemaakt of een echt episch dichtwerk. Ook epische dichtwerken hebben echter spanning en afwisseling nodig. Als dit het beste is wat hedendaags engagement te bieden heeft – een deprimerende visie op de mens zonder hoop op verbetering – rijst de vraag: wat boeit ‘t?

 

Berlijn: van hip naar hot

berlin_wall

Berlijn was al jarenlang hip, maar nu wordt Berlijn hot. Opeens is het Berlijn wat de klok slaat. Daar is een duidelijke reden voor aan te wijzen: dit jaar, op 9 november, is het twintig jaar geleden dat de Muur Viel. Hoewel dat dus pas op 9 november echt aan de orde is, wordt het publiek nu alvast warm gemaakt.

Op het moment dat NRC Handelsblad een spread wijdt aan de scene van elektronische muziek en de Berlijnse underground, is dat natuurlijk hét teken dat van underground geen sprake meer is. Alle dj’s die zich hebben laten interviewen en die Berlijn roemen om de lage huurprijzen en de non-existente sluitingstijden – iedereen blijft gewoon doorfeesten omdat toch niemand een baan heeft om ’s ochtends naartoe te gaan – die dj’s zullen zich binnenkort wel achter de oren krabben als de yuppen hun pakhuizen overnemen. Zo gaat dat immers: hip, goedkoop en underground wordt opgepikt door de massa en verandert dan vanzelf in hot, duur en krantenartikelenmateriaal.

Berlijn kwam ook naar me toe in de vorm van een roman, Wolken boven Berlijn van Chloe Aridjis. Mooi debuut, sfeervol en origineel, alleen lijdt het een klein beetje aan de debutantenziekte: Aridjis wil alles afronden, geeft de lezer een enigszins goed einde, met een verantwoord melancholieke ondertoon. De roman is een van de eerste van een ongetwijfeld enorme stroom boeken over Berlijn die dit jaar de markt zal gaan overstromen. In die zin is het op tijd uitgegeven, net iets vóór de grote massa. Zelf nog hip en underground, maar ook al deel van ‘hot en massamedia’.

Fenomenologie van de ruimte

Berlijn is al jarenlang de hipste stad van underground Europa. Ook is het een gewonde stad. Van het Holocaust-monument via eeuwige bouwputten naar ondergrondse Stasi–kelders: de stenen, het cement en de aarde van Berlijn getuigen van de geschiedenis van de twintigste eeuw. In Wolken boven Berlijn, het debuut van de jonge Amerikaanse schrijfster Chloe Aridjis, zijn underground en geschiedenis twee kanten van dezelfde medaille.

Chloe Aridjis
Chloe Aridjis

De val van de Muur is dit jaar alweer twintig jaar geleden. Nog geen kwart eeuw geleden was Europa verdeeld in twee machtsblokken, waartussen je niet kon reizen. Wie zich afvraagt hoe dit doorwerkt in de jongerencultuur van de eenentwintigste eeuw, doet er goed aan Wolken boven Berlijn te lezen. De hedendaagse scene is daarin gesitueerd in een Berlijn dat aan alle kanten de verschrikkingen van vóór 1989 uitwasemt.

Spookstations
De hoofdpersoon in dit boek is een jonge Mexicaanse vrouw die min of meer toevallig Duits ging studeren, een beurs won om naar Berlijn te gaan en daar de volgende jaren bleef hangen. Toeval speelt in het leven van deze Tatiana een grote rol, vooral door haar passiviteit. Als je zelf niets doet, bepaalt het toeval wat er met je gebeurt. Tatiana is zwijgzaam en houdt zich afzijdig in een koud appartement. Ze doet wel wat denken aan de anti-helden van Paul Auster, die dit boek heeft bejubeld. Zo’n laks personage kan slecht uitpakken, maar Aridjis komt ermee weg. Enerzijds door de verrassende, mooi geformuleerde gedachten van Tatiana; anderzijds doordat Tatiana niet de echte hoofdpersoon is. Dat is namelijk Berlijn.

Tatiana gaat – toevallig – werken voor dr. Weiss, een vooraanstaand historicus die inmiddels een teruggetrokken bestaan leidt. Hij heeft een ‘mechanisch oor’ nodig: Tatiana typt de bandjes uit waarop hij ideeën voor nieuw werk heeft ingesproken. Het zijn essays over het fysieke Berlijn dat doordrenkt is van het immateriële Berlijn, zij vormen een ‘fenomenologie van de ruimte’. Dat klinkt abstract, maar via Tatiana krijgen we een idee van de opzet. Gebouwen, pleinen en wegen bewaren het verleden, om het in het heden te laten herleven. Als dat waar is, is Berlijn een stad met heel zware ruimtes, waarvan de allerzwaarste zich onder de grond bevinden. Een mooie illustratie zijn de spookstations in de Berlijnse metro. Omdat de Muur niet in een rechte lijn liep, moest de West-Berlijnse ondergrondse door Oost-Berlijns gebied rijden. Zonder stoppen natuurlijk, waardoor de daar gelegen stations veranderden in Geisterbahnhöfe, ‘een schemerige onderwereld’ waarin reizigers zich Orpheus waanden.

Vreemd futuristisch
Het is knap hoe Aridjis de undergroundcultuur weet te verweven met de geschiedenis, drugsfeesten koppelt aan kegelende Stasi-agenten, Tatiana spiegelt aan de oude doctor. Het idee dat de fysieke ruimte het verleden in zich vasthoudt, zingt door in alle elementen van de roman. De ruimte is daarom de echte hoofdpersoon, terwijl de personages schimmen blijven (soms letterlijk), aanleidingen om het decor tot leven te brengen (soms ook letterlijk). Dat roept opnieuw Paul Auster in herinnering, wat als een compliment mag gelden.

Wolken boven Berlijn is een boeiende en originele roman, geschreven in een genuanceerde stijl. Daarom is het jammer dat Aridjis aan het eind uit de bocht vliegt. Tatiana wordt van een overval gered door een dichte mist, alsof de wolken boven Berlijn naar beneden zijn gekomen. De mist onttrekt alles aan het zicht, alleen de herinnering aan de straten en gebouwen blijft bestaan. Opnieuw is het de omgeving die het lot van dit passieve meisje bepaalt. Berlijn speelt verstoppertje. Zo’n vreemde afloop had dit boek best kunnen hebben. Waarom laat Aridjis dan doorschemeren dat Tatiana zich die wolken misschien verbeeldde? De ‘schimmige’ personages krijgen opeens de hoofdrol toebedeeld. Alles komt goed, op de literair verantwoorde manier van sadder but wiser. Aridjis had beter het laatste woord aan de omgeving kunnen laten, ‘die zowel bevroren leek in de tijd als vreemd futuristisch’.

Treinkaartje lezen

piep_midas_dekkers

NS is hoofdsponsor van de Boekenweek, dus vandaag reisde ik met 179.999 andere mensen gratis met de trein, het Boekenweekgeschenk, Een tafel vol vlinders van Tim Krabbé, als alternatief treinkaartje in de tas. Opvallend veel mensen zaten ook echt te lezen in de trein. En opvallend veel mensen lazen daadwerkelijk hun treinkaartje. Ik had het al gelezen dus had nog een ander boek mee (toevallig met een pauw op de voorkant, dus ik paste wel in het dierenthema Tjielp Tjielp). Omdat ik voor 8WEEKLY een recensie mocht schrijven van dat andere Boekenweekboekje, het boekenweekessay (zonder hoofdletter), Piep, had ik al twee, drie weken geleden een lijvig promotiepakket met beide boekjes in huis. Ik zag niemand in de trein Piep lezen, het nochtans zeer vermakelijke pamfletje van Midas Dekkers.

Kopen dus, voor 2,50 euro, en/of lees mijn recensie Het dier als mens als dier. Dun genoeg voor een treinrit naar Groningen. Behalve als je in Haren woont.

Boeken waarin dieren de hoofdrol spelen zijn vaak kinderboeken of kookboeken: in de eerste draagt het varken een potsierlijk broekje, in de andere niet eens zijn eigen huid. Daar mag wel eens verandering in komen, vindt Midas Dekkers. In het boekenweekessay Piep. Een kleine biologie der letteren pleit hij voor waarachtige dierenkarakters. Dieren hebben de mens namelijk genoeg te vertellen.

Kinderen worden overstelpt door dieren, in hun boeken en in hun bed. Het zijn knotsgekke beesten die niets met echte dieren van doen hebben. Tegen de tijd dat de kinderen volwassen lezers zijn met een hang naar realisme en psychologisch drama, kleeft aan alle beesten een zotte kinderachtigheid. Daarom zijn dieren in de ‘serieuze’ letteren uit den boze.

Natuurbarbaren
Dat is niet altijd zo geweest. Denk maar aan de fabels van Aesopus of de domineedichters. Maar ook daarin zul je lang zoeken naar dieren die gewoon dieren zijn, en niet zinnebeelden van een moraal. Uiteenlopende citaten laten zien hoe het ook anders kan. Aardig is dat Dekkers daarbij niet bang is schrijvers aan te halen die zich enigszins in de periferie van de literatuur bevinden, zoals Kees Stip en Herman Pieter de Boer. Misschien is dat ook niet toevallig als de meeste ‘grote’ schrijvers zich niet aan dieren wagen.’Een leeuw is iemand die bang is voor niemand’ dichtte De Schoolmeester in de negentiende eeuw. Dat geeft precies aan waar het knelt: het dier is iemand, een individu, en niet alleen een soort. Net zo min als in de biologie, waar alleen over soorten gesproken mag worden, komen in de letteren individuele dieren voor. Er zingt eens een vogel, maar of het een nachtegaal is of een merel weet niemand. Dekkers signaleert een soort dédain onder cultuurminnaars. Het geeft geen pas om de ene vogelsoort van de andere te kunnen onderscheiden. ‘Natuurbarbaren,’ bijt hij ze toe.

Dier in het dier
En dat terwijl bepaalde mensen toch heel goed het dier als individu kunnen zien. Huisdiereigenaren geven allereerst hun nieuwe beste vriend een naam en dichten hem in de loop van de tijd een uitgebreid karakter toe. Dat is alvast een stap in de goede richting, want met een huisdier heb je een gids die je kan inleiden in de wondere wereld van de dieren.

Als je daar dan in gaat ronddwalen is het zaak je ten volste in te leven in de dieren die je tegenkomt. En dan niet op de halfzachte manier van de natuurbeschermer, voor wie dieren eerst zielig moeten zijn. Het gaat om ‘het dier in het dier’, om Koos van Zomeren aan te halen, een van de schrijvers die Dekkers vaak noemt. Het zou niet te moeilijk moeten zijn – de mens is immers ook een dier. ‘Freud is dood, Darwin leeft,’ schrijft Dekkers, we zijn allemaal met elkaar verbonden.

Paradox
Hierin schuilt een merkwaardige paradox. De dieren zijn een manier om tot zelfkennis te komen: ‘kijken in andermans kop is levensvoorwaarde’. Om ze als individu te zien moet je ze ook als individu benaderen. Tegelijk mag je ze niet beroven van hun eigenheid, hun totale anderszijn. Het is een dun lijntje waar de dierenvriend en letterkundige op balanceert.

Je inleven in een dier is het moeilijkste wat er is. Midas Dekkers doet het op zo’n eigenzinnige manier, dat kunnen er maar weinig. Hij schudt de veren van de wetenschapper van zich af en tooit zich met die van de kunstenaar. Díe bezit de vermogens om zich in te leven en van een soort een verzameling individuen te maken. Het is dan ook een genot om Piep te lezen. Het dier Dekkers is gezegend met een feilloos gevoel voor humor en stijl.

Darwin als teaser

Niemand ontkomt aan het Darwinjaar zo lijkt het: of je nu naar de VPRO of naar de EO kijkt, of je nu van de schepping of evolutie bent, allemaal moeten we geloven aan de Darwinhype. Mijn recensie van Janet Brownes Over het ontstaan van soorten van Darwin staat op 8WEEKLY:

Het kan niemand ontgaan zijn: 2009 is Darwinjaar. Tweehonderd jaar geleden werd Charles Darwin geboren en 150 jaar geleden verscheen On the origin of species. Iedereen weet wel iets te zeggen over evolutie. Maar als je meer wilt weten, waar moet je dan wezen? Er verschijnen zo veel boeken dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Het ligt voor de hand om te beginnen met On the origin of species zelf. Wie eerst een toegankelijke, korte introductie verlangt, kan echter ook ‘Over het ontstaan van soorten’ van Darwin ter hand nemen, door Janet Browne.

De discussie over de evolutietheorie, of liever, het welles–nietesspelletje tussen creationisten en atheïsten, is nog lang niet geluwd, zoveel maakt het Darwinjaar wel duidelijk. Het klinkt als een ouderwets dispuut, maar dat is het niet. Toen On the origin of species verscheen, heerste wel het geloof dat God de wereld heeft geschapen, maar werd het scheppingsverhaal toch vooral metaforisch gelezen. De letterlijke lezing van Genesis is pas na de Tweede Wereldoorlog weer in zwang gekomen.

Vooruitgangsgeloof
Browne begint met een schets van de tijd waarin Darwin opgroeide. In de eerste helft van de negentiende eeuw groeide natuuronderzoek in Groot-Brittannië uit tot een nationale hobby. Godsdienst beheerste een groot deel van het dagelijkse leven, maar belangrijker was het vooruitgangsgeloof dat de Industriële Revolutie meebracht. Ideeën over ontwikkeling van soorten en aanpassing aan de omgeving bestonden al. In zijn studietijd ontmoette Darwin geleerden die het pad voor zijn evolutietheorie al hadden geëffend.

In de wetenschapsgeschiedenis is dat niet ongewoon: belangrijke ontdekkingen hangen in de lucht. Het is voor een groot deel afhankelijk van het toeval wie ze op zijn naam weet te schrijven. En van afkomst. Darwin bevond zich in een bevoorrechte positie: er was geld om hem te laten studeren en hij kende de juiste mensen, waardoor hij zijn reis op de Beagle kon maken. Hij twijfelde lang of hij zijn boek over evolutie wel moest publiceren. Bijna was een ander hem voor: Wallace, die tot dezelfde conclusies was gekomen over het ontstaan van soorten. Deze Wallace had niet de reputatie en middelen om de evolutietheorie op zijn naam te schrijven. Enkele jaren na het verschijnen van On the origin of species sprak men al van ‘darwinisme’.

 

Darwin als aap
Darwin als aap

Dat doet niets af aan Darwins prestatie. Browne laat mooi zien hoe Darwin verder durfde te denken dan alle onderzoekers om hem heen. Hij werkte jarenlang onafgebroken, verzamelde specimen van over de hele wereld en onderhield talloze contacten. Hij was een kind van zijn tijd, maar hielp zelf ook die tijd vorm te geven. Meteen na het verschijnen van On the origin of species schreven voor- en tegenstanders er boeken en artikelen over. Belangrijkste punt van geschil was niet de schepping, maar de vraag of de mens van de aap afstamt. Darwin stierf als een beroemdheid en kreeg een staatsbegrafenis – in de kerk.

Blijmoedig
Het deel over Darwins nalatenschap is rommelig. Browne lijkt alles te willen behandelen, van marxisme tot eugenetica en de kwalijke gevolgen van een verkeerd geïnterpreteerd darwinisme, zoals de nazi’s het bezigden. Haar boekje hult zich in een mantel van wetenschappelijkheid, die het niet kan waarmaken. Daarbij doet Brownes stijl soms nogal frivool aan: ‘De rest van de zomer vloog voorbij.’ En: ‘Hij bleef de volle vijf jaar blijmoedig.’

Het was beter geweest als de ondertitel prominent op het omslag had gestaan: Een biografie. Een biografie van On the origin of species welteverstaan. Net als in een levensbeschrijving geeft de auteur een tijdsbeeld, vertelt ze wie de voorouders waren, wie de nakomelingen, en duidt ze bedoeling en betekenis, twee zaken die lang niet altijd hoeven te overlappen. Met dit in het achterhoofd, voldoet het boek prima als inleiding in de materie.

Seculiere religie
Wanneer Browne in de huidige tijd aanbelandt, met de felle strijd tussen creationisten en radicale darwinisten als Richard Dawkins – die zelfs tot in de rechtbank wordt uitgevochten – krijgt ze meer grip op de stof. De evolutietheorie staat nu als een nieuwe ‘seculiere religie’ tegenover het oude geloof. De storm is weer gaan woeden, tot op orkaansterkte:

Nieuwe creationisten wijten de hedendaagse decadentie en het verlies van traditionele familiewaarden misschien aan de opkomst van seculiere denkbeelden. Een aanval op de evolutieleer is dus een aanval op zowel een symbool als de vermeende oorzaak van het verval.

Daar staat tegenover dat Dawkins c.s. van evolutie een alomvattende theorie heeft gemaakt: de wetenschap lijkt voor elke menselijke eigenschap een gen in voorraad te hebben. Dat helpt een genuanceerd debat over evolutie en haar reikwijdte niet echt op gang. Het zou schelen als iedereen die zijn zegje met betrekking tot het conflict tussen geloof en evolutie klaar heeft, zou weten waar hij het over heeft, al is het maar via een boekje als Brownes ‘Over het ontstaan van soorten’ van Darwin. Waarschijnlijk verandert het welles–nietesspelletje dan al gauw in een eensluidend, maar minder overschreeuwd ‘welles’.

De toekomst van de roman volgens A.F.Th.

Kruis en kraai heet het boekje waarin A.F.Th. van der Heijden zijn persoonlijke geschiedenis als schrijver uiteenzet teneinde iets te zeggen over de toekomst van de roman in het algemeen. Door het verleden te bestuderen kun je iets zinnigs zeggen over de toekomst, dat is het idee. Op 8WEEKLY staat mijn recensie van dit eerste deel in de serie Over de roman.

Ik ben niet onverdeeld positief. Van der Heijden is een typische babyboomer, voor wie café De Zwart aan het Spui fungeert als tweede huiskamer. Daarom is het niet verwonderlijk dat zijn beeld van de toekomst van de roman niet erg modern aandoet. Ja, deze paradoxen (verleden beschrijven om iets te zeggen over de toekomst, toekomstbeeld dat niet modern is) bedenk ik niet, en A.F.Th. ook niet. Dat laatste is natuurlijk onvergeeflijk; ze sluipen zijn tekst in zonder dat hij zich daar geheel bewust van lijkt.

Misschien zal ik later eens mijn eigen visie op de toekomst van de roman onder woorden proberen te brengen. Kruis en kraai biedt zeker aanknopingspunten, stelt interessante vragen en geeft dus antwoorden die aanzetten tot discussie. Aangezien bekend is dat de grote schrijver snel op zijn teentjes getrapt is, hoop ik niet dat hij me nu gaat beschuldigen van karaktermoord.

Lees de recensie!

Hoe te schrijven na Finnegans Wake? Dat bijna onleesbare boek van James Joyce markeert het einde van de literatuur, verder reikt de taal niet. Als het taalexperiment tot het uiterste is doorgevoerd, kun je eigenlijk alleen nog terugkeren naar traditionele romanvormen. Maar heeft de roman dan nog wel bestaansrecht, een toekomst? En hoe ziet die toekomst er dan uit? Dat vraagt A.F.Th. van der Heijden zich af in Kruis en kraai. De romankunst na James Joyce.

Zijn antwoord op de vraag hoe de roman verder moet na Joyce, schrijft Van der Heijden in de vorm van een brief aan zijn goede vriend Anthony Mertens, de éminence grise van de Nederlandse literatuur die enkele jaren geleden een herseninfarct kreeg. Dat betekende het einde van de bijna dagelijkse gesprekken die Van der Heijden met Mertens voerde over literatuur. Met deze brief geeft hij er toch een vervolg aan.

Grachtengordel
Hoewel de ondertitel anders doet vermoeden, is dit een zeer persoonlijk relaas over Van der Heijdens relatie tot de romankunst na James Joyce. De vorm, deels autobiografie, deels essay, zorgt ervoor dat de lezer na de eerste pagina’s zogezegd moet gaan verzitten. Hier is een literator aan het woord, geen onderwijzer.

De vraag naar de toekomst van de roman is vooral een vraag naar de toekomst van Van der Heijdens werk. Door zijn eigen ervaringen uit te lichten wil hij ‘een algemener proces zichtbaar maken’. Eigenlijk is het jammer dat Van der Heijden zo schippert tussen het persoonlijke en het algemene en niet voluit heeft gekozen voor het persoonlijke. Niet elke lezer en zeker niet elke schrijver zal zich herkennen in zijn visie op het algemene proces, dat stevig geworteld is in het modernisme en de babyboomgeneratie. Een jongere schrijver kent wellicht heel andere eindpunten waartoe hij zich moet zien te verhouden dan Joyce, bijvoorbeeld internet en ‘reality’.

Freud
Kruis en kraai is dus geen geschiedenisles. De aloude vraag hoe te schrijven na Auschwitz is hier in puur letterkundige vorm geherformuleerd. Op zoek naar een antwoord gaat Van der Heijden terug naar het begin van zijn schrijverschap, in een ‘discours de la méthode van mijn geschrijf’. Waar en wanneer is het schrijven begonnen? Om voorbij het einde te komen, moeten we weten hoe het begin eruit zag, lijkt de redenering.

Wat volgt is – om bij Joyce te blijven – een portret van de kunstenaar als jongeman. De eerste keer dat de schrijver in Van der Heijden zich roerde, was op tweejarige leeftijd in de zandbak. Hij lijkt zich er niet van bewust hoezeer deze herinnering, die geconcentreerd is rond de moeder en een hevige afkeer-plus-fascinatie voor de eigen uitwerpselen, ingebed is in de modernistische, Freudiaanse traditie. Het is moeilijk voor te stellen dat een jonge auteur van de huidige generatie een soortgelijke herinnering zou opdissen als begin van zijn schrijverschap. Dat maakt de herinnering niet oninteressant, maar wat zegt deze anale moederfantasie over de toekomst van de roman?

James Joyce
James Joyce

Klassiek
De autobiografie van de jonge schrijver eindigt als Van der Heijden zijn eerste roman op papier heeft gezet. Dit Oerboek, dat nooit is uitgegeven en dat achteraf helemaal niet alles bleek te bevatten en zeker niet alle andere boeken overbodig maakte, staat in nauw verband met het eindboek, het magnum opus waar elke auteur van droomt. Hoewel het even fictief en onbestaand is als het ultieme Oerboek, houdt Van der Heijden juist dit eindboek voor ogen bij het schrijven ‘na Joyce’.

Daarmee is de romankunst op voorhand verdoemd: het eindboek noemt hij Het Onmogelijke Boek. Het kan niet geschreven worden, alleen ‘omcirkeld’. De schrijver keert in het zicht van het einde van de literatuur op zijn schreden terug. Terug naar de klassieke roman, maar dóór het experiment heen. De klassieke roman biedt het materiaal om mee te experimenteren, niet in taalgebruik of thematiek, maar vooral in opbouw en personages. De variaties daarop zijn eindeloos, zodat de roman nog heel lang mee kan, is Van der Heijdens conclusie.

Reeks romans
Rest na het experiment echt alleen maar het klassieke? Van der Heijden heeft duidelijke ideeën over Het Onmogelijke Boek: het is een reeks dikke, teleologische romans, geschreven in een ongebonden stijl, met open karakters. Mussen mogen in groten getale van het dak vallen, noodzakelijkheid is geen vereiste. Klinkt bekend? Jazeker, want dit is een beschrijving van Van der Heijdens eigen werk – de almaar uitdijende cycli van De tandeloze tijd en Homo duplex. ‘Ik spreek voor mezelf, en ik verhul mijn megalomanie niet,’ schrijft hij eerlijk. Zo schaart Van der Heijden zichzelf in één adem onder de klassieke auteurs.

Kruis en kraai nodigt uit tot discussie, het gesprek dat Van der Heijden had willen houden met zijn kompaan Mertens. Het is jammer dat dit persoonlijke pamflet het aanzien heeft gekregen van een algemene verhandeling. Een tekstje achterin maakt duidelijk hoe dat komt. De reeks ‘Over de roman’, waarvan dit het eerste deel is, is een initiatief van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak en is bedoeld om ‘de positie van de roman te bevorderen in de multimediale en multiculturele samenleving’. Een interessante insteek, maar voor dit boekje volledig misplaatst.

 

Botho Strauss – Mikado

Parabels voor de 21e eeuw

Botho Strauss ontleende de constructie voor zijn verhalenbundel Mikado aan het gelijknamige spel. Eenenveertig verhalen, variërend in lengte van één alinea tot een aantal bladzijden, vormen samen een wirwar die moeilijk uit elkaar te halen is. Net als de eenenveertig stokjes van het spel raken ze aan elkaar, heb je het ene nodig om het andere te ‘pakken’ en zijn sommige verhalen meer waard dan andere.

De verhalen in Mikado hangen op alle mogelijke niveaus met elkaar samen. Dit is geen verhalenbundel waarin de schrijver verschillende registers gebruikt of uiteenlopende thema’s aan de orde wil stellen. Eerder doet het boek denken aan een hecht geconstrueerde dichtbundel of een film als Babel, waarin meerdere verhaallijnen en personages rakelings langs elkaar scheren.

Verkeerde vrouw
In het openingsverhaal ‘Mikado’ zijn alle thema’s die in de overige verhalen ook aan bod komen samengebald. Een man betaalt losgeld voor zijn ontvoerde echtgenote, maar de vrouw die terugkomt herkent hij niet als de zijne. Samen spelen ze mikado. Zij raapt met rustige hand het ene na het andere stokje op, hij kan niet eens een vrijliggend stokje pakken zonder de andere te bewegen. Hij is gedoemd met deze nieuwe vrouw, die rustig en praktisch is in plaats van geleerd, samen te leven: ‘Ik heb geen andere keus, ik moet nemen wat zich aanbiedt, een tweede losgeld kan ik nooit betalen.’

De driehoeksverhouding, waarbij een van de drie hoofdrolspelers schittert door afwezigheid, de (echtelijke) liefde die ontaardt in miscommunicatie en vervreemding, maar ook de moderne verwaarlozing van het intellect: al deze elementen zullen in de rest van het boek steeds weer terugkomen, een kwartslag gedraaid of vanuit een ander perspectief bekeken.

 

Botho Strauss (foto: Ruth Walz)
Botho Strauss (foto: Ruth Walz)

Tragische wijsheid
De noodlottige instelling van de man – ‘ik heb geen andere keus’ – geeft het verhaal iets tragisch. Strauss situeert zijn verhalen expliciet in de moderne tijd. Mensen internetten en een voorbijgangster lijkt op actrice Naomi Watts. Maar ze ademen tegelijkertijd de archaïsche sfeer van de parabel. Hier geen assertieve personages die actief handelen; het misverstand overkomt hen en ze kunnen er niets aan veranderen. Als het lot hen weer uitspuwt, herkennen ze niemand meer, ook zichzelf niet. Daarin lijkt Strauss op Kafka.

Hoe pijnlijk het lot ook kan zijn, het herbergt ook schoonheid. En wijsheid: de moderne mens zou heel veel kunnen leren van de werking van het lot, maar hij kiest voor de ironische onverschilligheid van het heden. Straus veroordeelt de moderne tijd om haar leeghoofdigheid:

Alles wat jou een wreed toeval lijkt dat je in je verschrikkelijke isolement treft, is in feite niets anders dan een gat in je herinnering: omdat je brein het verband met de grote geschiedenis van het menselijk ongeluk is kwijtgeraakt.

Geschakeld
Ook de stijl verbindt de verhalen in Mikado. Kleine details komen in verschillende verhalen terug, als schakels. In de eerste verhalen spelen fabrikanten en fabrieken een rol, later komt het theater – ook als bioscoop en catwalk – steeds terug. Het geeft de lezer houvast en dat is geen overbodige luxe. Miscommunicatie en onbegrip zijn Strauss’ hoofdthema’s en hij spiegelt die op weergaloze manier in zijn stijl. Niets is wat het lijkt. Veel horen we achteraf of indirect, zodat ook de lezer in het duister tast over wat er nu écht gezegd of gebeurd is. Voeg daarbij een hoge concentratie aan aforistische zinnen en het mag duidelijk zijn dat dit geen pageturner is.

Wanneer je het heel nauw neemt en al het overbodige weglaat, blijven er uiteindelijk maar twee grondvormen van het menselijk bestaan over: de zoektocht en het wachten. En zo zijn er, afgezien van alle varianten, ook maar twee elementaire ruimtes op aarde: de grot en de woestijn.

Het is verstandig om Mikado in één of twee sessies uit te lezen, zodat de eenenveertig verhalen vers in het geheugen liggen en met elkaar een groot kluwen kunnen vormen. Laat je echter niet misleiden door de omvang van het boek: elke pagina bevat minstens één alinea die uitnodigt tot een minutenlange overpeinzing over de condition humaine. Perfect voor de donkere dagen dus, die als tegenhanger voor de feestuitgaven wel wat filosofische overwegingen kunnen gebruiken.