Janet Soskice, Tweeling van de Sinaï

Janet Soskice

’Op 8WEEKLY: Twee vrouwen onder monniken en professoren

Tweelingzusters, beiden weduwen en in het bezit van een gigantische erfenis. Bebaarde monniken in een afgelegen klooster op de berg Sinaï, waar een schat aan manuscripten verborgen ligt. Een smeerseltje dat een oud handschrift tevoorschijn tovert dat de oudst overgeleverde versie van de evangeliën blijkt te zijn. Het lijken de ingrediënten voor een thriller à la De Da Vinci Code. De tweeling van de Sinaï is echter een wetenschappelijk verantwoorde biografie van twee opmerkelijke vrouwen.

Janet Soskice is docente wijsgerige theologie in Cambridge. Ze vertelt het verhaal van Agnes en Margaret, die opgroeien in een onooglijk Schots dorp in de tweede helft van de negentiende eeuw. Dat betekent: ondergedompeld in de Victoriaanse moraal en volkomen gestuurd door het presbyteriaanse geloof. Hoe de tweeling zich opwerkt tot wetenschappelijke autoriteit op het gebied van oude handschriften en Bijbelversies, is bijna niet voor te stellen. Het levert stof voor een uitzonderlijk en spannend wetenschapshistorisch verhaal.

Alleen
De loop van hun leven brengt Agnes en Margaret Smith in de ideale omstandigheden om grote ontdekkingen te doen. Dat betekent niet dat dat leven makkelijk is. Hun moeder sterft twee weken na de geboorte. Vader voedt zijn dochters op met boeken en studie, iets wat niet voor veel meisjes is weggelegd. Wanneer hij overlijdt, is de tweeling 23. Agnes en Margaret hebben alleen nog elkaar, en een enorme som geld op de bank. Ze besluiten op reis te gaan naar Egypte.

Terwijl andere vrouwen op die leeftijd een gezin hebben en hun dagen slijten als huisvrouw, trekt de tweeling door het Midden-Oosten. Ze hebben de tijd en het talent om zichzelf verder te ontwikkelen; zo studeren ze Arabisch, Grieks en Syrisch. Als ze in de dertig zijn, vinden ze toch een geschikte huwelijkskandidaat. Geleerde mannen, die hen niet alleen geestelijk stimuleren, maar ook introduceren in academische kringen. Het geluk duurt niet lang: beide echtgenoten sterven na drie jaar huwelijk. Kinderen zijn er niet gekomen. Weer staan de zussen er alleen voor.

Codex Sinaiticus
Agnes en Margaret beschikken nu over de ervaring en de connecties die nodig zijn om hun stempel op de wetenschap te drukken. In korte tijd maken ze meerdere reizen naar de Sinaï, waar in een klooster talloze kostbare manuscripten liggen opgeslagen. Ze weten de monniken voor zich te winnen en mogen de werken bestuderen. Agnes is degene die de palimpsest ontdekt waarop, onder een andere tekstlaag, de oudst bekende versie van de evangeliën schuilgaat.

Haar ontdekking veroorzaakt grote opwinding in de wetenschappelijke wereld. Niet in de laatste plaats omdat een vrouw, die niet eens toegang tot de universiteit had, hiervoor verantwoordelijk is. Met hun zelfvertrouwen en standvastigheid weten de zussen de mannelijke professoren te weerstaan die de ‘Codex Sinaiticus’ maar wat graag op hun eigen naam zouden schrijven.

Voorbeeld
Janet Soskice heeft duidelijk bewondering voor de gezusters. Toch behoudt ze voldoende afstand tot haar onderwerp. In De tweeling van de Sinaï is geen plaats voor speculatie over emoties of drijfveren. De reisverslagen van de zussen en getuigenissen van anderen vormen de voornaamste bron. Die bronnen bieden voldoende materiaal voor een hele serie boeken, maar Soskice schrijft het verhaal kort en bondig op. Het heeft iets van een avonturenroman, of een boek voor ‘stoere jongens en meisjes’. Tijd om te treuren of uit te rusten gunnen de zussen zichzelf niet, vooral uit religieuze overtuigingen. Alles gebeurt met een reden, zo geloven ze, en het doel van het leven is jezelf en anderen ontwikkelen. Een bijzondere vorm van ‘stoerheid’ is het gevolg. Zoals wanneer ze na de dood van hun vader op reis gaan:

Misschien vonden anderen dat ze ongepast haastig handelden. Maar vanuit het gezichtspunt van Agnes en Margaret was hun vader nu in een beter land en was een langdurige rouwperiode iets voor mensen die niet geloofden in een toekomstig leven.

Juist omdat Soskice niet te vervalt in psychologische aannames of romantische bespiegelingen, overtuigt dit portret. Door altijd koppig hun eigen weg te volgen en niet te zwichten voor wat er van ze verwacht werd, is de tweeling aan de top gekomen. Daarmee zijn ze niet alleen een voorbeeld geweest voor de eerste vrouwelijke wetenschappers, maar mogen ze dat ook zijn voor alle anderen die hun droom willen najagen.

Connie Palmen en haar eerzame eenzaamheid

geluk_van_de_eenzaamheid

Op het afgelopen Boekenbal ontstond een relletje toen Connie Palmen ‘nietsnutten’ als Kluun en Saskia Noort verbande uit het ‘land van de literatuur’. Daags erna zat Palmen aan de tafel van De Wereld Draait Door tegenover Noort, waar ze in eerste instantie haar woorden terugnam om vervolgens dubbel zo hard toe te slaan. Het kan niet anders of ze schreef toen aan het poëticale essay Het geluk van de eenzaamheid, want ook daarin krijgen schrijvers van ‘lectuur’ er van langs.

Begin het jaar met een recensie en lees verder over Het geluk van de eenzaamheid van Connie Palmen op 8WEEKLY. In Egotripperij of een getoupeerde pony? schreef ik eerder dit jaar over de genoemde uitzending van De Wereld Draait Door. (Begin het jaar met een boek, maar dan wel met een ander boek.)

 

Op het afgelopen Boekenbal ontstond een relletje toen Connie Palmen ‘nietsnutten’ als Kluun en Saskia Noort verbande uit het ‘land van de literatuur’. Daags erna zat Palmen aan de tafel van De Wereld Draait Door tegenover Noort, waar ze in eerste instantie haar woorden terugnam om vervolgens dubbel zo hard toe te slaan. Het kan niet anders of ze schreef toen aan het poëticale essay Het geluk van de eenzaamheid, want ook daarin krijgen schrijvers van ‘lectuur’ er van langs.

Onlangs bleek Palmen nog een ander slachtoffer op het oog te hebben: Thomas Vaessens en zijn werk De revanche van de roman. In een recent interview maakte ze hem uit voor charlatan. Hij zou een handlanger zijn van voornoemde nietsnutten. Harde woorden, die vragen om een onderbouwing. Het geluk van de eenzaamheid lijkt een poging die te geven, maar blijft steken in abstracte en ouderwetse argumenten.

Hans Goedkoop
Elke schrijver heeft één verhaal of thematiek, wordt vaak gezegd. Die van Palmen is de inwerking van fictie op het werkelijke: literatuur beschrijft de realiteit, maar oefent ook invloed daarop uit. Feit en fictie zijn niet te scheiden, noch in de literatuur, noch in de werkelijkheid. Goede literatuur verandert de wereld een beetje, of op zijn minst de blik van de lezer daarop.

Dat brengt Hans Goedkoops Een verhaal dat het leven moet veranderen (2004) in gedachten. Het geluk van de eenzaamheid lijkt – buiten die centrale gedachte dat kunst de wereld moet veranderen – in alles het tegendeel van Goedkoops essaybundel. Waar Goedkoop meeslepend schrijft, zichzelf in de waagschaal legt, concrete voorbeelden helder uitwerkt en enthousiasme overbrengt, stelt Palmen op al deze punten teleur.

Leeg en hol
Allereerst ligt dat aan haar belabberde stijl. Ondanks haar gehamer op stilistisch vernuft en persoonlijke visie, is haar eigen schrijfwerk om van te gapen zo saai. De woorden zijn leeg en hol. In elke alinea, in elk hoofdstuk komen ze terug, soms letterlijk woord voor woord. Al die grote woorden maken van dit boekje iets etherisch, waar niet echt iets uit blijft hangen. Een voorbeeld:

De compassie, troost en paradoxale gemeenschappelijkheid die worden opgeroepen door de erkenning van de wezenlijke eenzaamheid en uitzonderlijkheid van eenieder is tegengesteld aan de verbroedering en het saamhorigheidsgevoel waarop de aantrekkingskracht van popconcerten, schlagerfestivals, dancefeesten, lectuur en andere uitingen van massacultuur berust.

Het lukt Palmen niet haar kenmerkende, neerbuigende houding af te leggen. Door het hele boekje heen sijpelt minachting, zoals die ook uit woorden als ‘nietsnut’ en charlatan’ spreekt. Inhoudelijke argumenten om haar afkeer van bijvoorbeeld Saskia Noort te onderbouwen, zijn niet terug te vinden. Steeds weer grijpt ze terug op wat grote auteurs en denkers vóór haar hebben geschreven. Is Palmen bang voor de moderne tijd? Ze kan dan wel beweren dat ze ‘lectuur en kitsch’ niet veroordeelt, maar dat doet ze wel, voortdurend. Het had veel gescheeld als ze daar oprecht in was geweest. Haar ongefundeerde aanklacht lijkt nu verdacht veel op het populistische getier waar ze zo’n hekel aan heeft.

Traditie
Het geluk van de eenzaamheid is het tweede deel van de reeks ‘Over de roman’, een initiatief van Athenaeum – Polak & Van Gennep. Vorig jaar verscheen het eerste deel van de hand van A.F.Th van der Heijden, Kruis en kraai. De reeks wil een ‘plaatsbepaling’ van de roman aan het begin van de eenentwintigste eeuw bieden. Bij Van der Heijden bleef die plaatsbepaling vooral een bepaling ten opzichte van de modernistische traditie.

Ook Connie Palmen blikt vooral terug de twintigste eeuw in en maakt de belofte van de reeks niet waar. Het is wachten op de essayist die écht stelling durft te nemen in de eenentwintigste eeuw, die vooruit durft te kijken in plaats van alleen maar achteruit, het modernisme in. Thomas Vaessens durfde het aan. Geef nu de beurt aan Hans Goedkoop, bijvoorbeeld.

Viermaal Marcel Proust

De nieuwe vertaling van Marcel Prousts “De kant van Swann” biedt een mooie (hernieuwde) kennismaking met deze klassieker. Twee boeken over Proust vergezellen de uitgave. Samen met de eerder verschenen vertaling van “Tegen Sainte-Beuve”, maakt dat van 2009 een echt Proustjaar.

Het is altijd een vreemde gewaarwording om gevleugelde uitspraken en wereldberoemde scènes tegen te komen in hun oorspronkelijke omgeving. Als je Hamlet leest struikel je bijna over het ‘To be or not to be’. Het staat er echt, denk je verbaasd. Ook Marcel Proust heeft zo’n scène aan de literatuur toegevoegd: die waarin een madeleine gedoopt in lindebloesemthee herinneringen wakker maakt en een romanuniversum geboren laat worden.’

Mijn poging nieuwe zieltjes te winnen voor de grootmeester: Viermaal Marcel Proust op 8WEEKLY.

Het is altijd een vreemde gewaarwording om gevleugelde uitspraken en wereldberoemde scènes tegen te komen in hun oorspronkelijke omgeving. Als je Hamlet leest struikel je bijna over het ‘To be or not to be’. Het staat er echt, denk je verbaasd. Ook Marcel Proust heeft zo’n scène aan de literatuur toegevoegd: die waarin een madeleine gedoopt in lindebloesemthee herinneringen wakker maakt en een romanuniversum geboren laat worden.

Met de herziene en deels nieuwe vertaling van Op zoek naar de verloren tijd door Thérèse Cornips, waarvan onlangs het eerste deel ‘De kant van Swann’ verscheen, kan iedereen zich laten binnenvoeren in dat universum. En erachter komen dat de scène met de madeleine maar een nietig deeltje daarin is, dat in de schaduw staat van veel memorabeler episodes.

Ontwaken
Laten we bij het begin beginnen. Ook Prousts eerste zin is beroemd: ‘Lang ben ik bijtijds gaan slapen.’ Deze beginzin is meteen een statement van de nieuwe vertaling. In de vorige luidde die namelijk: ‘Heel lang ben ik vroeg naar bed gegaan.’ Het verschil tussen naar bed gaan en slapen is voor de bedlegerige Proust zeer groot en de verdere openingspagina’s gaan precies over slapen, waken en dromen. De oude vertaling liep vaak hortend en stotend, wat het volgen van de extreem lange zinnen van Proust nog lastiger maakte dan het soms al is. Die van Cornips is ontegenzeggelijk beter, want bijna onzichtbaar.

Zien
Onzichtbaar is eigenlijk een verkeerd woord om bij dit werk te gebruiken. Want als Proust iets doet, is het juist dingen zichtbaar maken. Niet alleen door te beschrijven hoe dingen eruit zien, zoals de natuur en mensen; hij besteedt juist ook heel veel aandacht aan hoe dingen gezien worden. Twee voorbeelden. Swann bekijkt mensen met de blik van een kunstkenner – in ieder mens dat hij ontmoet herkent hij een figuur van een oude fresco of middeleeuws schilderij. Dat levert onuitwisbare tekeningen op, zoals van een livrei die staat ‘te dromen, roerloos, sculpturaal, overbodig, zoals die louter decoratieve krijgsman die je op de meest wilde taferelen van Mategna in gepeins verzonken op zijn schild ziet leunen, terwijl pal naast hem iedereen erop los stormt en elkaar aan het kelen is’.

Of de ontdekking door de verteller van zijn kunstenaarschap: zittend op de bok van een rijtuig kijkt hij toe hoe twee kerktorens langs de horizon verschuiven, verdwijnen en na een bocht weer opduiken. Dat lijnenspel geeft hem een enorme vreugde, maar hij weet niet waarom. Het enige wat hij kan doen is het opschrijven. Het is een prachtige, beeldende en bloemrijke scène.

Portretten
Hoe beeldend Proust ook schrijft, het is absoluut een leuke aanvulling om het boekje Het Parijs van Marcel Proust hervonden tijdens het lezen erbij te hebben. Hoewel de tekst teleurstelt, doen de illustraties je nog verder wegdromen. Schilderijen en foto’s van soirees, bars en Parijse parken laten zien hoe dat universum zich verhoudt tot de echte wereld van de jaren 1871–1922 (Prousts geboorte– en sterfjaar). Daarnaast zijn er portretten opgenomen van gravinnen, schoolvrienden en courtisanes die model stonden voor personages in Op zoek naar de verloren tijd.

Ook Proust verliefd voorziet daarin. William C. Carter geeft bovendien een toegankelijke, maar intelligente duiding van de romancyclus in het licht van Prousts leven. Niets is wat het lijkt, daar hamert Carter voortdurend op. Personages zijn niet een-op-een te herleiden tot een echt bestaand model (hoewel Proust, net als menig groot schrijver, te maken heeft gehad met lezers die zich meenden te herkennen). Dat is ook een thematisch motief in de roman. Telkens weer blijkt dat mensen zich anders voordoen dan ze zijn en een masker dragen. Het snobistische gedrag van het personage Legrandin, bijvoorbeeld, ontleedt de verteller genadeloos. Of hoe de cocotte Odette koketteert met haar onwetendheid. Proust beschikt over een feilloos inzicht in ijdelheid en valse voorwendselen. Ook bij zichzelf; hij spaart zichzelf niet, wat misschien wel het meest bewonderenswaardige van dit werk is.

Poëtica
Het gaat nog verder, want naast een thematisch motief verwijst het masker ook naar een poëticale opvatting. Dat valt te lezen in Tegen Sainte–Beuve, een bundel schetsen en essays die inzicht geeft in het ontstaan van Prousts meesterwerk. Sainte–Beuve was een negentiende–eeuwse criticus die een biografische manier van lezen voorstond en schrijvers beoordeelde op wat ze uitspookten in hun leven. Proust was hier fel op tegen. Hij meende dat het werk niet tot het sociale leven van de schrijver te herleiden is, omdat de kunstenaar twee persoonlijkheden bezit: de uiterlijke en de innerlijke. Kunst komt uit de innerlijke persoonlijkheid voort. De personages met hun maskers en ijdelheden verwijzen naar die dubbele persoonlijkheid. Dat werpt natuurlijk wel de vraag op wat Proust zou vinden van de plaatjesboeken en het biografische gewoel in zijn liefdesleven. Wel, ik denk dat hij – zelfbenoemd roddelaar en koppelaar – ervan zou hebben genoten. Zelfrelativering is hem niet vreemd, zoals gezegd.

Liefde
In Tegen Sainte–Beuve is de werkwijze van de schrijver op een intrigerende manier te volgen. Steeds opnieuw begint Proust met een passage, die subtiel verandert. Zo zie je de indrukken van het eerste deel ontstaan, waarin de verteller in zijn bed ligt en ontwaakt. Is dat eerste deel vooral impressionistisch van aard (de waterlelies van Monet krijgen een papieren equivalent), in deel twee komt de thematiek van de maskerade naar voren in het clubje van de Verdurins. Dan valt er opeens ook veel te lachen. Uiteindelijk gaat liefde – en dan vooral de uitwassen daarvan in verzengende jaloezie – de hoofdrol spelen. De spiegelingen tussen personages en hun verhoudingen nemen een aanvang als in het korte derde deel de verteller zijn eerste verliefdheid beleeft. Nergens zul je zoveel leren over de liefde als bij Proust. Over haar vasthoudendheid, haar desillusies en haar onuitroeibare macht. Dat rechtvaardigt het verschijnen van een boek als Proust verliefd, waarin die onmogelijke liefde centraal staat.

Er valt zoveel te zeggen over Marcel Proust en zijn Op zoek naar de verloren tijd. Het belangrijkste is dat de tekst levend en beschikbaar wordt gehouden in een hedendaags Nederlands, zoals nu is gedaan. Makkelijk zullen die lange zinnen vol metaforen nooit worden. Geef je gewonnen voor die andere, verloren tijd. En ik verklap je: het mooiste moet nog komen. 2009 is zomaar opeens een echt Proustjaar geworden. Op naar de volgende delen.

– Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd. De kant van Swann (vert. Therese Cornips), De Bezige Bij, 2009, 604 pagina’s, € 49,90.

– Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve. Verslag van een ochtend (vert. Martin de Haan, Rokus Hofstede), Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2009, 324 pagina’s, € 34,95.

– William C. Carter, Proust verliefd (vert. W. Hansen), De Bezige Bij, 2009, 317 pagina’s, € 19,95.

– Henri Raczymow, Het Parijs van Marcel Proust hervonden (vert. Frans de Haan), De Bezige Bij, 2009, 199 pagina’s, € 29,95.

De filosofie van de heuvel

De filosofie van de heuvel lijdt onder een bekend probleem in de literatuur: mooie landschappen en een gelukkige liefde gaan op den duur vervelen. Het zijn de diepe dalen waar je als lezer in vast wilt komen te zitten. Beklimming en afdaling zijn in dit boek in balans, zoals de finale filosofie van de heuvel dicteert. Dat is fijn voor Pfeijffer en zijn lief, maar een beetje saai voor de lezer.

Op 8WEEKLY…

In veertig dagen op de fiets naar Rome: dat klinkt als een heilige onderneming. Dichter Ilja Leonard Pfeijffer en zijn vriendin, fotografe Gelya Bogatishcheva, ondernamen de tocht met niet meer dan een creditcard en een fotocamera op zak. De filosofie van de heuvel bevat naast het reisdagboek van Pfeijffer ook tientallen foto’s van Bogatishcheva. Onderweg wordt duidelijk dat niet Rome heilig is, maar de liefde.

Je houdt je hart vast bij het idee: Ilja Leonard Pfeijffer, op de cover afgebeeld met zijn buik in een veelzeggend zijaanzicht, die op een oude racefiets 2600 kilometer naar het zuiden rijdt, dwars door Frankrijk. Weliswaar om de Alpen heen, maar toch door een heuvelachtig landschap dat de fietsende Nederlander totaal vreemd is. Neem daarbij de grootverbruiker van wijn en shag die Pfeijffer is en je vraagt je af waar dat zal eindigen.

De heuvel is plat
Dat ze het zullen halen is vanaf het begin duidelijk en dat verandert de vraag van ‘waar’ in ‘hoe’. Twee dingen houden Pfeijffer gaande: zijn ‘filosofie van de heuvel’ en Gelya. De filosofie van de heuvel ontvouwt zich bij elke beklimming iets verder. Eerst probeert Pfeijffer het met trucjes: de heuvel is eigenlijk plat, de heuvel is gewoon deel van het landschap. Dat werkt niet als je benen verzuren en je longen verschrompelen in je borst. De enige juiste filosofie is het bestaan van de heuvel te erkennen: hij is echt.

Gelya is heel wat beter toegerust voor de reis dan Pfeijffer. Ze heeft een goede fiets en haar conditie is op peil. En zij lijkt niet te malen om heuvels en filosofieën. Ze leeft bij de dag, zonder plan en zonder verwachting. Dingen zijn er gewoon. Van haar leert Pfeijffer dat het niet gaat om het doel, maar om de weg ernaartoe. Dat klinkt als een tegelwijsheid, maar Pfeijffer weet het cliché te omzeilen door het te verbinden met aikido, en doordat hij weet waar hij het over heeft. Hij maakt kilometers, honderden kilometers echte weg.

Echte liefde
‘Echt’ is het sleutelwoord van De filosofie van de heuvel. De reis is echt, de pijn is echt, het dagboek is echt en de liefde is echt. Meer nog dan een ode aan Italië, de fiets en het goede leven is dit een liefdesverklaring aan het kleine Russische meisje Gelya. Opvallend genoeg is het geen lyrische ode van een dichter aan zijn muze, integendeel:

Ik had mij nog nooit zo gelukkig gevoeld als in de afgelopen dagen met Gelya in Genua. Als schrijver mag ik dat soort zinnen niet schrijven, ik weet het, maar het maakt me geen fuck uit want het is waar.

Pfeijffer balanceert hier op het randje, zoals je je voorstelt dat hij op de dunne bandjes van zijn racefiets balanceert. Dat geldt voor het hele boek: soms vervalt hij in reisboekentaal (fietsen door een ansichtkaart). Maar juist omdat het echt is, komt hij ermee weg. De ironie is natuurlijk dat alleen een goede schrijver dat kan: op een overtuigende manier authenticiteit inzetten als stijlmiddel.

Onder spanning
En toch had er meer in gezeten als de echtheid onder spanning was gezet. Uiteindelijk komt alles goed met de heuvels en de liefde en dat is net zo’n anticlimax als dat het hier staat. Ook voor de foto’s had er meer in gezeten. Ze zijn donker afgedrukt en missen daardoor spanning. Het katern met kleurenafdrukken laat zien dat het ook anders had gekund.

De filosofie van de heuvel lijdt onder een bekend probleem in de literatuur: mooie landschappen en een gelukkige liefde gaan op den duur vervelen. Het zijn de diepe dalen waar je als lezer in vast wilt komen te zitten. Beklimming en afdaling zijn in dit boek in balans, zoals de finale filosofie van de heuvel dicteert. Dat is fijn voor Pfeijffer en zijn lief, maar een beetje saai voor de lezer.

 

Lelystad van Joris van Casteren

Op 8WEEKLY mijn recensie Stad zonder verleden.

Lelystad was een serum tegen de verbeelding‘, schrijft Joris van Casteren in Lelystad. Dat neemt niet weg dat zijn reportages een beeld van de stad oproepen dat haarscherp en gruizig, deprimerend en komisch tegelijk is. Lelystad is als enige non-fictietitel genomineerd voor de AKO Literatuurprijs, die op 10 november wordt uitgereikt. Een volkomen terechte nominatie.

Het boek biedt een combinatie van algemene en persoonlijke geschiedschrijving. Het begint allemaal ergens in de negentiende eeuw, met de eerste plannen voor drooglegging en de utopische visies van nieuwe steden die uit het water oprijzen. Niet lang na de geboorte van Lelystad verhuist het gezin Van Casteren naar een van de eenvormige nieuwbouwhuizen en vanaf dat punt lopen kindertijd, puberteit en volwassenwording van de stad en haar chroniqueur min of meer gelijk op.

Zonder opsmuk
Lelystad is een stad zonder metaforen, stelt Van Casteren, alles is plat en zonder symboliek. Zijn stijl reflecteert die platheid: hij schrijft droog en zonder opsmuk. Dat werkt goed. De grote Cornelis Lely introduceert hij als volgt:

Cornelis Lely was een dikkige man met een puntbaard. Hij gaf zijn kinderen en kleinkinderen degelijke cadeaus. Lely kon een zware stoel aan één poot optillen en noten kraken in zijn hand. Soms maakte hij aan tafel een bouwwerk van borden en glazen, zonder dat er iets brak.
Nooit zei Cornelis Lely iets onverstandigs. Hij hield van wandelen, zwemmen en schaatsen. Als een potje lijm ergens vijf cent goedkoper was, kocht hij het daar. Cornelis Lely had bakkebaarden en een frisse gelaatskleur. Iedere ochtend dompelde hij zich in een koud bad. Als hij het huis verliet, zette hij een hoge hoed op.

De keuze van details, zo sec opgesomd, verraadt een groot schrijver, die niet alles hoeft uit te leggen maar juist de verbeelding aan het werk laat – de verbeelding waar het Lelystad zelf aan ontbreekt. De verhalen van de rijksarchitecten, de visionaire polderaars en eerste bestuurders beschrijft Van Casteren op dezelfde toon als die van de eerste bewoners, zijn vrienden en buren die misschien niet allemaal verkeerd terechtkomen, maar wel allemaal op een moment in hun leven door een diep dal gaan.

De talloze personages krijgen vaak in een enkele alinea kleur. Daartussendoor loopt de observerende verteller die zich niet nadrukkelijk op de voorgrond plaatst, maar ook niet bang is om zich bloot te geven. Zijn observaties zijn herkenbaar en vaak komisch. Hoe iedereen op het schoolplein opeens die verwende, vroegwijze jongeren nadeed uit de tv-serie Beverly Hills. En wie had niet een klasgenoot met een lesbische moeder of een criminele vader? Tegelijk zijn ze vreemd, over the top, wrang en onvoorstelbaar.

Monument
Van Casteren schreef een klassiek Bildungsverhaal, van een jongen die zich ontworstelt aan zijn afkomst, daarmee in het reine moet komen. Bijna gaat hij eraan onderdoor, als hij doordeweeks dronken langs de dreven van de stad zwalkt en herhaaldelijk met zwaailichten aan wordt afgezet op het politiebureau. Ook is Lelystad een schets van een voorbije tijd. De jaren zeventig, met idealistische leraren die lang haar hadden en ‘krities’ waren. Dan de jaren tachtig, vol werkloosheid en vandalisme, dat in de jaren negentig uitloopt op criminaliteit en consumptiedrang.

Zoals de stijl van de stad en de stijl van het boek elkaar reflecteren, zo laat Van Casteren de tijdgeest spiegelen in zijn eigen herinneringen en zijn herinneringen in de tijdgeest. Lelystad is een genrevernieuwend werk dat met maar weinig andere boeken te vergelijken is. Autobiografie, geschiedenis en ‘plaatsen van herinnering’ gaan samen in een monument in woorden. Een monument voor die vreemde plaats, de eerste stad zonder verleden. Joris van Casteren geeft de verguisde plek waar hij opgroeide een geschiedenis.

Rob Wijnberg – Nietzsche en Kant lezen de krant

Alles is interpretatie

Rob Wijnberg (1982) studeerde filosofie en schrijft voor nrc.next. Nietzsche en Kant lezen de krant is een bundeling van essays die in die krant verschenen. Alle actuele kwesties van de laatste jaren komen voorbij, uitgekleed en gefileerd met een filosofische bibliotheek onder handbereik. Over het identiteitsprobleem van Geert Wilders en de onmogelijkheid van principes.

Van Wijnberg verschenen eerder Boeiuh en In dubio, waarvan vooral het eerste boek, een pamflet over ‘de jeugd van tegenwoordig’, indruk maakte. Nietzsche en Kant lezen de krant is minder persoonlijk gekleurd dan de eerdere titels. Dat komt enerzijds door de onderwerpen, die allemaal uit het publieke debat komen, anderzijds doordat Wijnbergs redenaties stoelen op wat andere filosofen geschreven hebben. Dat maakt de essays niet minder boeiend, want Wijnberg weet waar hij antwoorden kan vinden, en belangrijker: welke relevante vragen aan de orde zijn.

Identiteit
De stukken volgen een vast stramien. Wijnberg opent met een actueel vraagstuk en stelt vervolgens de vraag welke betekenissen en paradoxen onder de vaak schreeuwerige en al te stellige opinies schuilgaan. De belangrijke begrippen worden gedeconstrueerd aan de hand van belangrijke filosofen, die hij helder maar niet kinderachtig uitlegt. Hij heeft zijn favorieten (namelijk Nietzsche en Kant) en verklaart in de proloog: ‘ik ben zelf een postmodernist in hart en nieren.’ Dat tekent natuurlijk zijn aanpak. Niet erg, want essays behoren ook een persoonlijke zoektocht in te houden. Ten slotte komt hij weer terug bij het vraagstuk en eindigt met een leuke uitsmijter. Essay na essay is dat soms een beetje veel van hetzelfde, maar het werkt.

Zo legt hij bijvoorbeeld scherp de interne tegenstrijdigheden in de opvattingen van Geert Wilders bloot, door zijn uitspraken serieus te nemen en vervolgens op een filosofische manier te duiden. Wilders zegt bij herhaling alleen kritiek te uiten op de islam en niet op moslims. Tegelijk identificeert hij de morele waarden van de Nederlandse samenleving wél met het Nederlanderschap. Wilders hanteert met andere woorden twee definities van identiteit door elkaar, waardoor de moslims geen schijn van kans meer hebben. Een goede reden om hem voorlopig niet meer serieus te nemen, lijkt Wijnberg te zeggen.

In het essay ‘De krant van Joris Luyendijk zou niemand lezen’ bespreekt Wijnberg Luyendijks boek Het zijn net mensen. Luyendijk wil daarin de beperkingen van de journalist laten zien en zo de machinaties van de macht blootleggen en tegenwerken. Maar door te poneren dat objectieve journalistiek niet bestaat, aldus Wijnberg, ondergraaft Luyendijk niet de macht, maar de journalistiek en dus zichzelf. Waarom zou je Luyendijk nog geloven, als zijn mening maar een mening is?

Demasqué
Dit is een duidelijke stelling van Rob Wijnberg,  die echter leidt tot een merkwaardige spagaat. Aan de ene kant klinken zijn persoonlijke opvattingen helder door, die probeert hij dan ook niet te verbloemen: Nietzsche is zijn held en diens uitspraak ‘Alles is interpretatie’ zijn motto. Toch is Wijnberg soms zo stellig in zijn demasqué van rechtlijnige politici en heersende denkfouten, dat je onwillekeurig denkt: ‘Alles is interpretatie, toch?’ Het klinkt een beetje flauw, maar trapt Wijnberg niet in dezelfde val als Luyendijk?

Dat is inderdaad flauw, want Nietzsche en Kant lezen de krant is een intelligente en heldere collectie essays, waarin maatschappelijke actualiteit en tijdloze ideeën uit de filosofie elkaar ontmoeten. Vooral is het een pleidooi om zelf na te denken en altijd te zoeken naar verborgen belangen die een bepalende rol spelen. Wijnberg mag in het vervolg zijn eigen ideeën meer bevragen en uitwerken, en ook een eigen stijl ontwikkelen. Tot die tijd lezen we graag meer van deze essays in de krant. Alles is interpretatie, maar sommige interpretaties overtuigen meer dan andere. Het is niet voor niets dat deze krantenartikelen gebundeld zijn, de vis had er ook in kunnen gaan.

Verdrietig: godverdomse dagen van Verhulst

godverdomse_dagen

Op het debat over recensenten in Spui25, dat verbijsterend was in zijn tentoonspreiding van literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid (zoals ook mooi is beschreven door Gaston Franssen), werden niettemin boeiende dingen gezegd. Boeiend omdat ze getuigden van precies die literaire inteelt, egotripperij en kortzichtigheid en dan zonder dat degene die het zei het doorhad. De allerergste observatie kwam van Elsbeth Etty, die zonder blikken of blozen toegaf dat het haar geen moer interesseerde of de lezer door haar recensies nu wel of niet een boek ging kopen. Hou dan een dagboek bij en publiceer je stukjes niet in de krant! wilde ik roepen, maar ik was met stomheid geslagen.

Een andere deelnemer, Marja Pruis, vertelde dat ze toen ze begon met recenseren, ervan hield om dingen negatief te bespreken. Dat was wel stoer. (Geinig om in het achterhoofd te houden als je vervolgens leest hoe zij publiekelijk in een column reageert als ze zelf negatief besproken wordt.) Ik ben erachter gekomen dat ik zelf een hekel heb aan het schrijven van een negatieve recensie. Maar natuurlijk wil ik niets liever dan dat mensen daardoor het boek níet gaan kopen. Of juist wel.

De eerste versie van mijn bespreking van Dimitri Verhulsts Godverdomse dagen op een godverdomse bol was nog negatiever dan de uiteindelijke versie. Misschien moet ik het niet toegeven, maar ik heb na lang dubben een paar zinnen toegevoegd aan het eind met een positieve noot. En het adjectief ’prachtig’ voor De helaasheid der dingen, in de inleiding. Dat boek was dan ook prachtig. Misschien dat ik juist omdat De helaasheid der dingen prachtig vond (hoewel ook niet briljant) het niet over mijn hart kan verkrijgen Godverdomse dagen totaal de grond in te boren.

Stel dat Verhulst een Engelsman was geweest, en Godverdomse dagen de vertaling van Goddamn Days On A Goddamn Ball. Had ik dan ook zo’n moeite mee gehad? Vast minder. Ik ben een watje: het idee dat Verhulst mijn recensie leest en daar misschien verdrietig van wordt, is genoeg om mezelf verdrietig te maken. Aan de andere kant: laat hem dan maar een column schrijven zoals die van Marja Pruis. Dan kan iedereen weer lachen. Heel hard lachen.

 

Wie met genoegen de verhalen van Dimitri Verhulst las over de zuipschuiten, vuilbekken, lapzwansen en smeerpoetsen uit Reetveerdegem, maar zich soms ook afvroeg hoe het allemaal in vredesnaam zo ver had kunnen komen, kan in Godverdomse dagen op een godverdomse bol een antwoord vinden. Verhulst schreef de geschiedenis van de mensheid in 180 bladzijden, ook wel te zien als een eonenlange prequel van het prachtige De helaasheid der dingen.

 

Godverdomse dagen is genomineerd voor de Librisprijs. De jury schrijft: ‘Verhulst is zo intens kritisch over de mens, dat je je bijna gedwongen voelt om het voor je soort op te nemen. In een literair landschap waarin net iets te veel thrillers, incestdrama’s en andere voorspelbare verhalen opdoemen, is Godverdomse dagen een verademing.’ Engagement mag weer, moet zelfs volgens sommigen. Het stempel van Thomas Vaessens, die een fel debat over straatrumoer en maatschappelijke betrokkenheid in de letteren ontketende met zijn studie De revanche van de roman (zie link) én plaatsnam in de Librisjury, is duidelijk.

 

En toen
Is Verhulst dan zo geëngageerd? En behoort Godverdomse dagen tot de zes beste boeken van het afgelopen jaar? Wat mij betreft kunnen beide vragen met ‘nee’ beantwoord worden. Wel schreef hij een merkwaardig boek, dat alle genreaanduidingen tart, geen zier geeft om spanning of plot, maar in de taal alles op alles zet. Het heeft nog het meest weg van een episch dichtwerk. Voor de lezer die zich instelt op ‘een verhaal met een hoofdpersonage waarin u zich ongetwijfeld zo nu en dan herkennen zal’, zoals de flap belooft, kan dat nog een flinke aanslag op het uithoudingsvermogen betekenen.

 

Het ‘verhaal’ is gauw verteld: ”t’ – de mens – kruipt uit het water en gaat lopen, spreken, samenleven, maar vooral vreten, kezen, liegen. Tot het uiteindelijk op gelijke voet komt te staan met God, namelijk door de allesvernietigende krachten van de atoombom te ontketenen boven Hiroshima. Daarvoor: jagen, verzamelen, ijstijd, volksverhuizingen, prehistorie, Egypte, de Romeinen, middeleeuwen enzovoorts. Door die opzet, waarbij je vanzelf invult ‘en toen, en toen’ lijkt er tegelijk helemaal niets te gebeuren. De boodschap van Verhulst is duidelijk: de geschiedenis is een herhaling van verziekte zetten.

 

Stromen met woorden
Volledigheid of nauwkeurigheid is geen streven in deze vertelling. Soms maakt Verhulst herkenbare verwijzingen naar de geschiedenis zoals je die op school leert, maar die ogen willekeurig en ook wel wat flauw, alsof het een puzzeltje is. Niet iedereen zal zich trouwens herkennen in deze geschiedenis: ’t is een laaglander, een christen, een man. Een zuipschuit, vuilbek, lapzwans en smeerpoets. Is er dan niets de moeite waard aan het godverdomse wezen? Misschien zijn taal:

 

De taak die ’t ooit vrijwillig op een dag met veel plezier heeft aangevat, het benoemen van de dingen, is nog altijd onvoltooid. En ’t hoopt dit zo te houden. Want eens de stromen met woorden zullen zijn opgedroogd, zal ’t zijn eigen einde ruiken. Het einde van de woorden, dat is de dood.

 

Je zou het bijna inconsequent noemen dat Verhulst door zijn ‘stromen met woorden’ dat vervloekte mensdom nog in leven houdt. Zijn uitbundige Vlaams is de hemel in geprezen. Je moet er van houden. Af en toe schiet hij door in grappen en grollen (‘Een eigen grot een plek onder de zon’), andere keren zit er een pareltje tussen (‘Hun lijken worden in wijntonnen naar de kaden gerold en in de rivieren gedropt, waarop ze drijven naar een zee die hen verteren zal’).

 

Verhulst maakt op een mooie manier het universele particulier en vice versa. ”t’ Is als de onsterfelijke graaf Saint-Germain, die tegelijk zichzelf blijft en transformeert tot tijdgenoot.’ De taal is ook zowel particulier als universeel: Verhulsts stijl is volkomen eigen, maar weet te spreken over de ontdekking van vuur evengoed als over de Verlichting. Het duurt alleen allemaal te lang, of juist te kort: had er een vlammende novelle van gemaakt of een echt episch dichtwerk. Ook epische dichtwerken hebben echter spanning en afwisseling nodig. Als dit het beste is wat hedendaags engagement te bieden heeft – een deprimerende visie op de mens zonder hoop op verbetering – rijst de vraag: wat boeit ‘t?

 

Berlijn: van hip naar hot

berlin_wall

Berlijn was al jarenlang hip, maar nu wordt Berlijn hot. Opeens is het Berlijn wat de klok slaat. Daar is een duidelijke reden voor aan te wijzen: dit jaar, op 9 november, is het twintig jaar geleden dat de Muur Viel. Hoewel dat dus pas op 9 november echt aan de orde is, wordt het publiek nu alvast warm gemaakt.

Op het moment dat NRC Handelsblad een spread wijdt aan de scene van elektronische muziek en de Berlijnse underground, is dat natuurlijk hét teken dat van underground geen sprake meer is. Alle dj’s die zich hebben laten interviewen en die Berlijn roemen om de lage huurprijzen en de non-existente sluitingstijden – iedereen blijft gewoon doorfeesten omdat toch niemand een baan heeft om ’s ochtends naartoe te gaan – die dj’s zullen zich binnenkort wel achter de oren krabben als de yuppen hun pakhuizen overnemen. Zo gaat dat immers: hip, goedkoop en underground wordt opgepikt door de massa en verandert dan vanzelf in hot, duur en krantenartikelenmateriaal.

Berlijn kwam ook naar me toe in de vorm van een roman, Wolken boven Berlijn van Chloe Aridjis. Mooi debuut, sfeervol en origineel, alleen lijdt het een klein beetje aan de debutantenziekte: Aridjis wil alles afronden, geeft de lezer een enigszins goed einde, met een verantwoord melancholieke ondertoon. De roman is een van de eerste van een ongetwijfeld enorme stroom boeken over Berlijn die dit jaar de markt zal gaan overstromen. In die zin is het op tijd uitgegeven, net iets vóór de grote massa. Zelf nog hip en underground, maar ook al deel van ‘hot en massamedia’.

Fenomenologie van de ruimte

Berlijn is al jarenlang de hipste stad van underground Europa. Ook is het een gewonde stad. Van het Holocaust-monument via eeuwige bouwputten naar ondergrondse Stasi–kelders: de stenen, het cement en de aarde van Berlijn getuigen van de geschiedenis van de twintigste eeuw. In Wolken boven Berlijn, het debuut van de jonge Amerikaanse schrijfster Chloe Aridjis, zijn underground en geschiedenis twee kanten van dezelfde medaille.

Chloe Aridjis
Chloe Aridjis

De val van de Muur is dit jaar alweer twintig jaar geleden. Nog geen kwart eeuw geleden was Europa verdeeld in twee machtsblokken, waartussen je niet kon reizen. Wie zich afvraagt hoe dit doorwerkt in de jongerencultuur van de eenentwintigste eeuw, doet er goed aan Wolken boven Berlijn te lezen. De hedendaagse scene is daarin gesitueerd in een Berlijn dat aan alle kanten de verschrikkingen van vóór 1989 uitwasemt.

Spookstations
De hoofdpersoon in dit boek is een jonge Mexicaanse vrouw die min of meer toevallig Duits ging studeren, een beurs won om naar Berlijn te gaan en daar de volgende jaren bleef hangen. Toeval speelt in het leven van deze Tatiana een grote rol, vooral door haar passiviteit. Als je zelf niets doet, bepaalt het toeval wat er met je gebeurt. Tatiana is zwijgzaam en houdt zich afzijdig in een koud appartement. Ze doet wel wat denken aan de anti-helden van Paul Auster, die dit boek heeft bejubeld. Zo’n laks personage kan slecht uitpakken, maar Aridjis komt ermee weg. Enerzijds door de verrassende, mooi geformuleerde gedachten van Tatiana; anderzijds doordat Tatiana niet de echte hoofdpersoon is. Dat is namelijk Berlijn.

Tatiana gaat – toevallig – werken voor dr. Weiss, een vooraanstaand historicus die inmiddels een teruggetrokken bestaan leidt. Hij heeft een ‘mechanisch oor’ nodig: Tatiana typt de bandjes uit waarop hij ideeën voor nieuw werk heeft ingesproken. Het zijn essays over het fysieke Berlijn dat doordrenkt is van het immateriële Berlijn, zij vormen een ‘fenomenologie van de ruimte’. Dat klinkt abstract, maar via Tatiana krijgen we een idee van de opzet. Gebouwen, pleinen en wegen bewaren het verleden, om het in het heden te laten herleven. Als dat waar is, is Berlijn een stad met heel zware ruimtes, waarvan de allerzwaarste zich onder de grond bevinden. Een mooie illustratie zijn de spookstations in de Berlijnse metro. Omdat de Muur niet in een rechte lijn liep, moest de West-Berlijnse ondergrondse door Oost-Berlijns gebied rijden. Zonder stoppen natuurlijk, waardoor de daar gelegen stations veranderden in Geisterbahnhöfe, ‘een schemerige onderwereld’ waarin reizigers zich Orpheus waanden.

Vreemd futuristisch
Het is knap hoe Aridjis de undergroundcultuur weet te verweven met de geschiedenis, drugsfeesten koppelt aan kegelende Stasi-agenten, Tatiana spiegelt aan de oude doctor. Het idee dat de fysieke ruimte het verleden in zich vasthoudt, zingt door in alle elementen van de roman. De ruimte is daarom de echte hoofdpersoon, terwijl de personages schimmen blijven (soms letterlijk), aanleidingen om het decor tot leven te brengen (soms ook letterlijk). Dat roept opnieuw Paul Auster in herinnering, wat als een compliment mag gelden.

Wolken boven Berlijn is een boeiende en originele roman, geschreven in een genuanceerde stijl. Daarom is het jammer dat Aridjis aan het eind uit de bocht vliegt. Tatiana wordt van een overval gered door een dichte mist, alsof de wolken boven Berlijn naar beneden zijn gekomen. De mist onttrekt alles aan het zicht, alleen de herinnering aan de straten en gebouwen blijft bestaan. Opnieuw is het de omgeving die het lot van dit passieve meisje bepaalt. Berlijn speelt verstoppertje. Zo’n vreemde afloop had dit boek best kunnen hebben. Waarom laat Aridjis dan doorschemeren dat Tatiana zich die wolken misschien verbeeldde? De ‘schimmige’ personages krijgen opeens de hoofdrol toebedeeld. Alles komt goed, op de literair verantwoorde manier van sadder but wiser. Aridjis had beter het laatste woord aan de omgeving kunnen laten, ‘die zowel bevroren leek in de tijd als vreemd futuristisch’.

Treinkaartje lezen

piep_midas_dekkers

NS is hoofdsponsor van de Boekenweek, dus vandaag reisde ik met 179.999 andere mensen gratis met de trein, het Boekenweekgeschenk, Een tafel vol vlinders van Tim Krabbé, als alternatief treinkaartje in de tas. Opvallend veel mensen zaten ook echt te lezen in de trein. En opvallend veel mensen lazen daadwerkelijk hun treinkaartje. Ik had het al gelezen dus had nog een ander boek mee (toevallig met een pauw op de voorkant, dus ik paste wel in het dierenthema Tjielp Tjielp). Omdat ik voor 8WEEKLY een recensie mocht schrijven van dat andere Boekenweekboekje, het boekenweekessay (zonder hoofdletter), Piep, had ik al twee, drie weken geleden een lijvig promotiepakket met beide boekjes in huis. Ik zag niemand in de trein Piep lezen, het nochtans zeer vermakelijke pamfletje van Midas Dekkers.

Kopen dus, voor 2,50 euro, en/of lees mijn recensie Het dier als mens als dier. Dun genoeg voor een treinrit naar Groningen. Behalve als je in Haren woont.

Boeken waarin dieren de hoofdrol spelen zijn vaak kinderboeken of kookboeken: in de eerste draagt het varken een potsierlijk broekje, in de andere niet eens zijn eigen huid. Daar mag wel eens verandering in komen, vindt Midas Dekkers. In het boekenweekessay Piep. Een kleine biologie der letteren pleit hij voor waarachtige dierenkarakters. Dieren hebben de mens namelijk genoeg te vertellen.

Kinderen worden overstelpt door dieren, in hun boeken en in hun bed. Het zijn knotsgekke beesten die niets met echte dieren van doen hebben. Tegen de tijd dat de kinderen volwassen lezers zijn met een hang naar realisme en psychologisch drama, kleeft aan alle beesten een zotte kinderachtigheid. Daarom zijn dieren in de ‘serieuze’ letteren uit den boze.

Natuurbarbaren
Dat is niet altijd zo geweest. Denk maar aan de fabels van Aesopus of de domineedichters. Maar ook daarin zul je lang zoeken naar dieren die gewoon dieren zijn, en niet zinnebeelden van een moraal. Uiteenlopende citaten laten zien hoe het ook anders kan. Aardig is dat Dekkers daarbij niet bang is schrijvers aan te halen die zich enigszins in de periferie van de literatuur bevinden, zoals Kees Stip en Herman Pieter de Boer. Misschien is dat ook niet toevallig als de meeste ‘grote’ schrijvers zich niet aan dieren wagen.’Een leeuw is iemand die bang is voor niemand’ dichtte De Schoolmeester in de negentiende eeuw. Dat geeft precies aan waar het knelt: het dier is iemand, een individu, en niet alleen een soort. Net zo min als in de biologie, waar alleen over soorten gesproken mag worden, komen in de letteren individuele dieren voor. Er zingt eens een vogel, maar of het een nachtegaal is of een merel weet niemand. Dekkers signaleert een soort dédain onder cultuurminnaars. Het geeft geen pas om de ene vogelsoort van de andere te kunnen onderscheiden. ‘Natuurbarbaren,’ bijt hij ze toe.

Dier in het dier
En dat terwijl bepaalde mensen toch heel goed het dier als individu kunnen zien. Huisdiereigenaren geven allereerst hun nieuwe beste vriend een naam en dichten hem in de loop van de tijd een uitgebreid karakter toe. Dat is alvast een stap in de goede richting, want met een huisdier heb je een gids die je kan inleiden in de wondere wereld van de dieren.

Als je daar dan in gaat ronddwalen is het zaak je ten volste in te leven in de dieren die je tegenkomt. En dan niet op de halfzachte manier van de natuurbeschermer, voor wie dieren eerst zielig moeten zijn. Het gaat om ‘het dier in het dier’, om Koos van Zomeren aan te halen, een van de schrijvers die Dekkers vaak noemt. Het zou niet te moeilijk moeten zijn – de mens is immers ook een dier. ‘Freud is dood, Darwin leeft,’ schrijft Dekkers, we zijn allemaal met elkaar verbonden.

Paradox
Hierin schuilt een merkwaardige paradox. De dieren zijn een manier om tot zelfkennis te komen: ‘kijken in andermans kop is levensvoorwaarde’. Om ze als individu te zien moet je ze ook als individu benaderen. Tegelijk mag je ze niet beroven van hun eigenheid, hun totale anderszijn. Het is een dun lijntje waar de dierenvriend en letterkundige op balanceert.

Je inleven in een dier is het moeilijkste wat er is. Midas Dekkers doet het op zo’n eigenzinnige manier, dat kunnen er maar weinig. Hij schudt de veren van de wetenschapper van zich af en tooit zich met die van de kunstenaar. Díe bezit de vermogens om zich in te leven en van een soort een verzameling individuen te maken. Het is dan ook een genot om Piep te lezen. Het dier Dekkers is gezegend met een feilloos gevoel voor humor en stijl.

Darwin als teaser

Niemand ontkomt aan het Darwinjaar zo lijkt het: of je nu naar de VPRO of naar de EO kijkt, of je nu van de schepping of evolutie bent, allemaal moeten we geloven aan de Darwinhype. Mijn recensie van Janet Brownes Over het ontstaan van soorten van Darwin staat op 8WEEKLY:

Het kan niemand ontgaan zijn: 2009 is Darwinjaar. Tweehonderd jaar geleden werd Charles Darwin geboren en 150 jaar geleden verscheen On the origin of species. Iedereen weet wel iets te zeggen over evolutie. Maar als je meer wilt weten, waar moet je dan wezen? Er verschijnen zo veel boeken dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Het ligt voor de hand om te beginnen met On the origin of species zelf. Wie eerst een toegankelijke, korte introductie verlangt, kan echter ook ‘Over het ontstaan van soorten’ van Darwin ter hand nemen, door Janet Browne.

De discussie over de evolutietheorie, of liever, het welles–nietesspelletje tussen creationisten en atheïsten, is nog lang niet geluwd, zoveel maakt het Darwinjaar wel duidelijk. Het klinkt als een ouderwets dispuut, maar dat is het niet. Toen On the origin of species verscheen, heerste wel het geloof dat God de wereld heeft geschapen, maar werd het scheppingsverhaal toch vooral metaforisch gelezen. De letterlijke lezing van Genesis is pas na de Tweede Wereldoorlog weer in zwang gekomen.

Vooruitgangsgeloof
Browne begint met een schets van de tijd waarin Darwin opgroeide. In de eerste helft van de negentiende eeuw groeide natuuronderzoek in Groot-Brittannië uit tot een nationale hobby. Godsdienst beheerste een groot deel van het dagelijkse leven, maar belangrijker was het vooruitgangsgeloof dat de Industriële Revolutie meebracht. Ideeën over ontwikkeling van soorten en aanpassing aan de omgeving bestonden al. In zijn studietijd ontmoette Darwin geleerden die het pad voor zijn evolutietheorie al hadden geëffend.

In de wetenschapsgeschiedenis is dat niet ongewoon: belangrijke ontdekkingen hangen in de lucht. Het is voor een groot deel afhankelijk van het toeval wie ze op zijn naam weet te schrijven. En van afkomst. Darwin bevond zich in een bevoorrechte positie: er was geld om hem te laten studeren en hij kende de juiste mensen, waardoor hij zijn reis op de Beagle kon maken. Hij twijfelde lang of hij zijn boek over evolutie wel moest publiceren. Bijna was een ander hem voor: Wallace, die tot dezelfde conclusies was gekomen over het ontstaan van soorten. Deze Wallace had niet de reputatie en middelen om de evolutietheorie op zijn naam te schrijven. Enkele jaren na het verschijnen van On the origin of species sprak men al van ‘darwinisme’.

 

Darwin als aap
Darwin als aap

Dat doet niets af aan Darwins prestatie. Browne laat mooi zien hoe Darwin verder durfde te denken dan alle onderzoekers om hem heen. Hij werkte jarenlang onafgebroken, verzamelde specimen van over de hele wereld en onderhield talloze contacten. Hij was een kind van zijn tijd, maar hielp zelf ook die tijd vorm te geven. Meteen na het verschijnen van On the origin of species schreven voor- en tegenstanders er boeken en artikelen over. Belangrijkste punt van geschil was niet de schepping, maar de vraag of de mens van de aap afstamt. Darwin stierf als een beroemdheid en kreeg een staatsbegrafenis – in de kerk.

Blijmoedig
Het deel over Darwins nalatenschap is rommelig. Browne lijkt alles te willen behandelen, van marxisme tot eugenetica en de kwalijke gevolgen van een verkeerd geïnterpreteerd darwinisme, zoals de nazi’s het bezigden. Haar boekje hult zich in een mantel van wetenschappelijkheid, die het niet kan waarmaken. Daarbij doet Brownes stijl soms nogal frivool aan: ‘De rest van de zomer vloog voorbij.’ En: ‘Hij bleef de volle vijf jaar blijmoedig.’

Het was beter geweest als de ondertitel prominent op het omslag had gestaan: Een biografie. Een biografie van On the origin of species welteverstaan. Net als in een levensbeschrijving geeft de auteur een tijdsbeeld, vertelt ze wie de voorouders waren, wie de nakomelingen, en duidt ze bedoeling en betekenis, twee zaken die lang niet altijd hoeven te overlappen. Met dit in het achterhoofd, voldoet het boek prima als inleiding in de materie.

Seculiere religie
Wanneer Browne in de huidige tijd aanbelandt, met de felle strijd tussen creationisten en radicale darwinisten als Richard Dawkins – die zelfs tot in de rechtbank wordt uitgevochten – krijgt ze meer grip op de stof. De evolutietheorie staat nu als een nieuwe ‘seculiere religie’ tegenover het oude geloof. De storm is weer gaan woeden, tot op orkaansterkte:

Nieuwe creationisten wijten de hedendaagse decadentie en het verlies van traditionele familiewaarden misschien aan de opkomst van seculiere denkbeelden. Een aanval op de evolutieleer is dus een aanval op zowel een symbool als de vermeende oorzaak van het verval.

Daar staat tegenover dat Dawkins c.s. van evolutie een alomvattende theorie heeft gemaakt: de wetenschap lijkt voor elke menselijke eigenschap een gen in voorraad te hebben. Dat helpt een genuanceerd debat over evolutie en haar reikwijdte niet echt op gang. Het zou schelen als iedereen die zijn zegje met betrekking tot het conflict tussen geloof en evolutie klaar heeft, zou weten waar hij het over heeft, al is het maar via een boekje als Brownes ‘Over het ontstaan van soorten’ van Darwin. Waarschijnlijk verandert het welles–nietesspelletje dan al gauw in een eensluidend, maar minder overschreeuwd ‘welles’.