Het voorkomen van een gespiegeld ik

spiegel_lamp

Op mijn werk schrijf ik tegenwoordig ook af en toe een ‘stukkie’. Het zijn verslagen van lezingen die bij Studium Generale zijn gehouden (van Jelle Reumer en op het Huis van de Poëzie). Dat lijkt wel journalistiek! Hield ik laatst niet nog een tirade tegen journalistiek? Gaat het verloochenen van principes zo snel? Ik noteerde toen ook dat het zaak was om scherp te blijven. Bij deze.

De twee stukken kun je het beste journalistieke verslagen noemen. Het gaat om mijn eigen ervaring, niet zozeer om een objectieve weergave. Net als bij recensies – die zijn ook een soort objectief verslag van een persoonlijke (lees)ervaring. Toch schrijf ik niet over mijn eigen optreden die avond – het is geen geinig stukkie over mijn belevenissen als nieuwbakken presentator met microfoonangst. Enige voorwaarde: de spreker moet zichzelf erin herkennen, hem mogen geen dingen in de mond worden gelegd die hij niet uitgesproken heeft. En de bezoeker die er die avond bij was, moet zijn eigen ervaring erin teruglezen. Dat is controleerbaar: als de onfortuinlijke die de lezing miste online de opnamen terugkijkt, kan hij nagaan of het verslag ergens op slaat. Net als degene die het boek leest na de recensie. (Overigens mag het duidelijk zijn dat ik een bevooroordeeld schrijver ben in dezen, want werkzaam bij de organisatie van de lezing.)

Zo heb ik er weer een rol bij gekregen. Inderdaad, een rol. Het is een oud inzicht dat de mens in zijn leven allemaal rollen heeft: als kind, geliefde, professional, feestbeest. Dat kun je negatief uitleggen: de mens acteert altijd en is dus nooit zichzelf. Daar ben ik het niet mee eens. Sommige mensen doen dat misschien, maar daar prik je gauw doorheen. Liever zie ik de rol als een uitvergroting van een bepaalde eigenschap van jezelf. Je draait bij wijze van spreken een kant van je gezicht naar het licht. Bijvoorbeeld je intellectuelenkop. Of je trekt een ironische columnistenwenkbrauw op.

Belangrijk is dat je niet een kostuum aantrekt, een carnavalsmasker opzet en je stem verdraait. Je kan beter zoeken naar een aspect van je persoonlijkheid om onder een vergrootglas te leggen. Een beperkt beeld van jezelf, maar nog steeds jezelf. Dat kan gek uitpakken, als je heel verschillende eigenschappen in jezelf verenigt. Weinig mensen die mij in de Aula van de Universiteit Utrecht voor 300 mensen de professor zagen aankondigen die een lezing kwam houden, zullen zich kunnen voorstellen dat ik ook wel eens vier dagen dronken over een festivalterrein zwalk. Of dat ik wel eens op vakantie twee weken niet heb gedoucht. Dat ik er soms dol ben op ben om mensen te shockeren met verhalen over twee weken niet douchen.

‘Rol’ is daarom misschien niet het goede woord. Het klinkt fake, onoprecht. Precies op dit punt moet je scherp blijven. Je kunt een rol spelen die je van een ander afkijkt, uit een boekje hebt geleerd of waarvan je denkt dat die succes oplevert. Je kunt de rol spelen van journalist, met de bijbehorende slordige stijl en verontwaardiging. Of de rol van columnist die overal tegenaan schopt en er prat op gaat zijn bronnen niet te noemen. Daar zullen de meesten uiteindelijk aan onderdoor gaan. Net zoals je niet de rol van liefhebbende partner moet spelen (en dat hoor je maar al te vaak), maar je partner moet liefhebben zoals jij je partner liefhebt.

Ik vind het een mooi beeld: in verschillende situaties draai je verschillende kanten van jezelf naar het licht. Voor degene die dan naar je kijkt kan het lijken alsof dat je enige verschijningsvorm is, terwijl er talloze manieren zijn om in het licht te bewegen. De zes foto’s die de fotograaf laatst van mij nam laten dat heel letterlijk zien: op elk ervan sta ik net even anders voor de camera en zie je net een andere Miriam verschijnen. Je kunt ze zelfs bijna benoemen: de filosoof en de flirt, de lezer en de blogger.

Als het geen rol is, wat dan? Gestalte klinkt – helaas – vreselijk achterhaald, verschijningsvorm is te omslachtig en doet me denken aan een geest die opduikt en weer verdwijnt. Wat dacht je van ‘voorkomen’: datgene wat op de voorgrond treedt. Mooi is ook dat voorkomen zowel met uiterlijk als innerlijk te maken heeft. Op het podium van de Aula draag ik iets anders dan op de festivalweide. Er zit ook nog iets van de rol in; je voorkomen valt niet samen met je persoon, maar is een deel daarvan, een mogelijke veruiterlijking en gedraging van jezelf.

Gaat er dan ergens, in die spiegeling van eigenschappen, achter die verschillende belichtingen tóch een in zichzelf besloten ik schuil? De persoon waar het voorkomen naar verwijst, maar waar het niet mee samenvalt? Dat wat alle verschijningsvormen gemeenschappelijk hebben? Is dat dan waar je in je zelfonderzoek naar op zoek moet gaan? Een fenomenologische kern, de essentie van… Miriam? Je zou het denken, maar ik heb zo het idee dat het zo niet werkt. Dat alleen in de spiegelbeelden van Miriam een vage notie van Miriam naar voren komt. Een soort vage Miriam…