Over Kehlmann, Luiselli en Murakami in De Gids

gidsNu ook online te lezen: Leven na de dood!

Dubbelgangers, zombies, levende doden, het unheimliche en zo verder, op twee pagina’s in De Gids van september. Beginnend bij de beeldhouwwerken en foto’s van Medardo Rosso, via F van Daniel Kehlmann, De gewichtlozen van Valeria Luiselli naar De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren van Haruki Murakami. Drie boeken van drie continenten waarin personages sterven en toch, vreemd genoeg, verder leven.

Lees hieronder of bij De Gids: Leven na de dood. “Over Kehlmann, Luiselli en Murakami in De Gids” verder lezen

Seks en filosofie: Alain de Botton – Meer denken over seks

botton_seks

Op 8WEEKLY: Seks en filosofie. Filosofie en seks.

Seks en filosofie. Filosofie en seks. Zo, nu ben ik in elk geval verzekerd van heel veel pageviews. Zoiets moet Alain de Botton ook hebben gedacht, maar dan met betrekking tot verkochte exemplaren van zijn boekje Meer denken over seks.

‘Filosofie voor een ontspannen seksleven’ staat er op de achterflap. Dat is belangrijk, omdat de vraag zich tijdens het lezen opdringt of je je niet hebt vergist met de veronderstelling een filosofisch werkje in handen te hebben. ‘The School of Life’ levert zelfhulpboeken nieuwe stijl, maar wél expliciet onder de noemer filosofie.

Kluwen van vooroordelen
Oké. Wat is filosofie? Het stellen van de juiste vragen, is een antwoord. De betekenis van woorden en hun werking onderzoeken, kun je ook zeggen. Plus natuurlijk tienduizend dingen meer. Eén ding is echter zeker: Meer denken over seks is geen filosofie, zelfs geen populaire filosofie, ook niet filosofisch als in ‘diep’, het is zelfs geen denken en ook geen zelfhulpboek.

Bataille, Foucault, Michel Onfray, maar ook Plato en Schopenhauer: namen die in het lijstje ‘Filosofie en seks’ staan (ja, ik heb zo’n lijstje). Aangevuld met schrijvers Houellebecq en Grunberg, Coetzee en Willem Jan Otten (over porno). Alles bij elkaar niet echt het recept voor een ‘ontspannen seksleven’ – en waar zijn de vrouwen? – maar denk eens kritisch (ook wel: filosofisch) na over dat woordenpaar, ‘ontspannen seksleven’ en er ontvouwt zich direct een kluwen van vooroordelen en begripsverwarring. Niet erg, want daar houden filosofen van. Alain de Botton? Die houdt alleen van gladstrijken, van schijnproblemen en overstuurde ironie.

De kaasschaaf erover
Bovenstaande namen zoek je tevergeefs dit ‘filosofisch boek over seks’ zoals het nog eens in de inleiding heet. Schopenhauer en Flaubert komen zijdelings voorbij, maar de meest aangehaalde naam is – naast het fictieve echtpaar Jim en Sally – tromgeroffel… Freud. Nu zijn er gegronde redenen om Freud (deels) een filosoof te noemen, maar De Botton bekommert zich daar niet om. Filosofie is hier: psychologie, aangevuld met een snufje neurowetenschap en evolutiebiologie. De kaasschaaf erover en het overblijfsel strooien over slecht vertelde anekdotes over oninteressante mensen: dat is de filosofische methode die hier gebruikt wordt.

Erger is dat De Botton slordig formuleert, wat onhandig is als je de betekenis van woorden en hun werking wilt onderzoeken, en antwoord op antwoord stapelt zonder zich te verwonderen, zonder te vragen dus. Af en toe duikt er een aardige zin op: ‘Erotiek lijkt zich dan ook het scherpst af te tekenen op het raakvlak van het formele en het intieme.’ Maar vooral krab je je op je hoofd om de platitudes en volkomen rare stellingen; en nee, je krabt je bij het lezen niet ergens anders. Als je in elk geval nog opgewonden zou raken van Meer denken over seks, was er al iets gewonnen.

Bijvoorbeeld
Over impotentie: ‘Impotentie kwam voort uit de toenemende empathie die ontstond door de verbreiding van de Gulden Regel (‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’).’ Over seksuele therapie: ‘Dat zo’n hulpdienst er nog niet is, komt alleen maar doordat het kapitalisme nog in de kinderschoenen staat.’ In aanloop naar een stuk over internetporno:

Zoals pleitbezorgers van het internet altijd weer benadrukken, is het een fantastisch leermiddel dat de steeds wisselende verstandelijke inbreng van over de continenten verspreide volkeren samenvoegt tot één gigantische, constant actieve mondiale geest.

(Ik vermoed dat bij deze laatste zin een specifieke vorm van ironie in het spel is, en een gehaaste vertaler.) De vreugde om Aristoteles tegen te komen, wordt al snel gesmoord in, ja in wat eigenlijk?

Voortreffelijkheid, zoals omschreven door Aristoteles in de Ethica Nicomachea – de volledige ontplooiing van wat het meest kenmerkend is voor de mens in overeenstemming met de deugden – is een gepasseerd station wanneer een anonieme vrouw ergens in de voormalige Sovjet-Unie op een bed wordt gedrukt, er drie penissen ruw in haar lichaamsopeningen worden geduwd en het tafereel dat zich vervolgens afspeelt wordt vastgelegd ter vermaak van een internationaal publiek van maniakken.

Snel Marcus Aurelius erbij gepakt, die seks beschreef als ‘niets anders dan het over elkaar heen wrijven van stukjes ingewand, gevolgd door de spastische uitscheiding van wat slijm’.

Zes lessen van genieën uit de wetenschap – ook handig voor gewone stervelingen

Vier grootheden uit de geschiedenis van de wetenschap: Isaac Newton, Florence Nightingale, Charles Darwin en Sigmund Freud. Vier lezingen lang ging Studium Generale op zoek naar de betekenis van deze genieën voor de 21e eeuw en wat de wetenschapper van de toekomst van hen kan leren. Niet iedereen kan een Newton of een Darwin worden, maar het leven en werk van zulke figuren werkt wel als voorbeeld voor veel mensen, ook gewone stervelingen. Waar ligt het aan dat bijvoorbeeld Newton zo exemplarisch was? Welke eigenschappen maken van een wetenschapper een Groot Wetenschapper? Uit vier weken en een veelvoud aan verhalen zijn zes tips te destilleren voor iedereen die streeft naar een geniaal bestaan.

1. Werk keihard aan één stuk door
Om maar meteen elke romantiek uit het leven van een genie te verwijderen: een groots wetenschapper (dan wel kunstenaar, dan wel filosoof) word je door hard te werken. En dan niet vijf dagen in de week, acht uur per dag de uren op kantoor uitzitten, maar geconcentreerd en oplossingsgericht bezig zijn. Net zo lang als het nodig is. Newton kon dagen achter elkaar uiterst gefocust nadenken over wiskundige problemen. Vergelijk het met de flow waar je op je werk misschien soms in komt, een half uurtje maximaal. En dat dan tot het moment dat je de wet van de zwaartekracht hebt ontdekt, bewezen en beschreven. Soms kan het nodig zijn de juiste omstandigheden te creëren. Darwin reisde jarenlang rond de wereld op de Beagle, zonder afleiding en met niets anders omhanden dan de natuur om te bestuderen.

2. Neem met een open en nauwkeurige blik de wereld waar
Wat moet je dan beginnen tijdens dat werk? Gewoon, registreren. Diezelfde Darwin wist het principe van natuurlijke selectie te ontdekken door simpelweg de wereld om hem heen met het blote oog te bestuderen. Het kan erg moeilijk zijn om al je vooroordelen aan de kant te schuiven en de werkelijkheid te aanschouwen alsof je haar voor de eerste keer zag. Mét behoud van alle kennis die je hebt opgedaan, want je moet wel weten waar je op moet letten. Waarnemen kan ook betekenen: luisteren. Freud was de eerste die zonder te oordelen de tijd nam om te luisteren naar zijn patiënten. Hij schortte zijn oordeel op en spitste zijn oren. Zijn oren die een jarenlange opleiding als arts achter de rug hadden.

3. Stel bestaande grenzen ter discussie
Creatief nadenken, daar heeft elke goeroe de mond vol van. Maar wat betekent het precies? Heel concreet: een genie doorbreekt grenzen, bij voorkeur tussen vaststaande categorieën waar iedereen zijn wereldbeeld aan ophangt. Darwin veranderde de mens in een aap, Nightingale zag dat gezonde soldaten evengoed stierven als hun gewonde kameraden (namelijk door infecties), Freud ontdekte dat normale mensen ook met psychische problemen worstelen. Wat is gezond en wat is ziek? Is de mens een dier? De wetenschap slecht de grenzen tussen zulke categorieën, maar streeft – zie 1. – naar een herdefiniëring die helder is als kristal – zie 2.

4. Wees niet bang om tegen de stroom in te gaan
Als je als toekomstig genie hebt ontdekt dat er niet veel klopt van de categorieën die men gebruikt om de wereld te begrijpen, kan het pretty scary zijn om dat vervolgens wereldkundig te maken. Darwin hield zijn evolutietheorie twintig jaar op de plank, omdat hij wist dat hij explosief materiaal in handen had (dat zijn vrome vrouw niet leuk zou vinden). Toen Freud seksualiteit introduceerde als grondthema van de menselijke ontwikkeling, kon hij voorspellen dat hem dat niet in dank zou worden afgenomen. Toch publiceerden zij hun bevindingen. Of neem Florence Nightingale: haar grote liefde was wiskunde, maar als vrouw mocht zij in de negentiende eeuw niet studeren. De verpleging in, dat kon nog net. Nightingale ging als vrouw naar het front en zette haar op eigen houtje opgedane kennis van de statistiek in. Om zo honderden levens te redden. Wie zet er nu statistiek in aan het front? Zie 3.

5. Combineer afstand met empathie
Vier lezingen over genieën die de loop van de geschiedenis eigenhandig hebben veranderd, door keihard te werken, tegen de stroom in te gaan en… nee, ze volgden niet hun passie. Juist door afstand te houden tot je onderwerp, in combinatie met empathie, is iets als nauwkeurige waarneming mogelijk. Of stel dat je een taboe moet doorbreken. Dan is het beter om niet ‘je passie’ op het spel te zetten, maar juist enige distantie in te bouwen. Te veel is natuurlijk ook niet goed, bovendien gaat niemand dagen achtereen geconcentreerd zitten nadenken over een probleem dat hem eigenlijk geen bal interesseert (zie 1.) of zijn reputatie en huwelijk op het spel zetten voor een gebbetje (zie 4.).

6. Zorg dat je genen goed zijn, en het lot je gunstig gezind
Beetje flauw om te eindigen met goede genen? De greep uit de gene pool is immers als een lot uit de loterij. Je kunt er toch niets aan doen dat je wel of niet intelligent bent – wat alle genieën zijn – of geluk hebt – wat alle genieën hebben. Draai het dan om: er zijn talloze intelligente mensen die alles in hun schoot geworpen krijgen en die toch niets presteren van enigerlei waarde. Charles Darwin was als jongen een niksnut die zijn studie geneeskunde verlummelde. Maar toen het lot de Beagle op zijn pad bracht, greep hij die uitzonderlijke kans met beide handen aan. De rest is geschiedenis, heet het dan. Op naar de toekomst.

Lees verder over de vier genieën:
Newton: icoon van de wetenschap en laatste der magiërs
Florence Nightingale: van ‘onkundige zaalmeid’ tot academisch voorbeeld
Charles Darwin: genie met de kracht van een aardverschuiving
Freud – Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend

Freud – Luisteren naar de patiënt: taboedoorbrekend

freud

Sigmund Freud is verguisd om zijn te stringente theorieën, maar het is zonde als daarmee zijn invloed op de psychologische praktijk en op het denken over de mens geen aandacht meer krijgt. Freud is feitelijk de ontdekker van de neurose, waar we allemaal wel eens aan lijden zonder meteen psychisch gestoord te zijn. Hij stelde daarmee de grens van normaal en abnormaal, gek en niet-gek ter discussie. Neuroses zijn te behandelen door goed te luisteren en vanuit een open blik betekenis te verlenen aan het verhaal van een patiënt. Dat dit nu allemaal vanzelfsprekend klinkt, hebben we aan Freud te danken, zo betoogde prof. Paul Schnabel in zijn lezing over dit ‘genie in de wetenschap’.

Bewaarder in een gesticht
Interesse in het verhaal van de mens: in Freuds tijd – hij leefde van 1856 tot 1939 – was het zeer ongebruikelijk om te luisteren naar een patiënt. Dat komt ook omdat de psychiatrie zich bezig hield met psychotische patiënten, voor wie geen andere ‘behandeling’ mogelijk was dan vastbinden en opsluiten. Freud ontdekte een nieuwe categorie patiënten, die daarvoor niet bestond. Freud, die werd opgeleid tot arts-onderzoeker, vond de zware gevallen niet boeiend. Psychoses waren niet te behandelen of te genezen – medicijnen waren er nog niet – dus de arts functioneerde als een bewaarder in een gesticht, net als in een gevangenis.

In analyse
De patiënten – vooral vrouwen – die Freud begon te behandelen, leden niet aan psychoses maar aan neuroses. Zij ‘leden aan het leven’. In feite is Freud daarmee de schepper van de moderne psychologische praktijk zoals die nog steeds floreert. Dat geldt niet voor de psychoanalyse, de therapeutische methode die niet lang geleden met veel bombarie uit het zorgverzekeringspakket werd gegooid. Niet genoeg bewezen effect en bovendien te duur. Schnabel geeft een interessant inkijkje in zijn eigen ervaring ‘in analyse’ en laat zien hoe Freuds ideeën aan de basis staan van de psychotherapeutische praktijk zoals we die nog steeds kennen. Maar ook de manier waarop we over onszelf denken en praten is verregaand bepaald door begrippen die Freud ooit heeft gemunt in het Wenen van het fin de siècle.

Taboe op seksualiteit
Het luisteren naar de patiënt, soms zelfs door een uur lang simpelweg te zwijgen, was baandoorbrekend. Freud doorbrak nog wel meer taboes, waarvan het spreken over seksualiteit het allergrootste was. Juist door een methode te ontwikkelen van ‘maximale nabijheid met behoud van minimale distantie’ kon hij de grenzen van het fatsoenlijke gesprek openbreken. Op de divan moest alles gezegd worden, alle associaties moesten vrij kunnen stromen. Schnabel geeft een pakkend voorbeeld hoe dat mis kan gaan, als de therapeut de noodzakelijke distantie niet meer in acht houdt, namelijk het geval van Keith Bakker.

Taboe
Wat kan de wetenschapper van nu leren van Freud? Behoud een open, haast amorele blik. Schep distantie, maar wel met gevoel en empathie. Geef de tijd aan de ander en zijn verhaal, ook al is tijd tegenwoordig een schaars goed. En wees niet bang voor een taboe meer of minder. Hoewel, het is altijd beter om te mikken op een taboe minder.

De lezing van Paul Schnabel over Freud is hier terug te zien.

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]

Menselijk al te menselijk: de uncanny valley

Mooi begrip: uncanny valley. Opeens hoorde ik van twee kanten over dit fenomeen. Het geeft aan dat robots die te sterk op een mens lijken, enger zijn dan een robot die niets menselijks heeft. ‘Valley’ slaat op een dip in de gevoelsmatige waardering van de te menselijke robot – die is er een van afkeer, walging en angst. De uncanny valley is makkelijk voor te stellen: een zombie is griezeliger dan een lijk. Volgens dit artikel komt dat omdat de robot ons aan de dood doet denken, maar dat is te kort door de bocht. Zombies zijn zo eng omdat ze grenzen van categorieën overschrijden: ze zijn tegelijk dood en levend, tegelijk zoals wij zelf en totaal anders. Een lijk is een lijk – ooit worden wij dat ook, maar dan zijn we niet meer wie we nu zijn. Het gaat er dus niet om dat een zombie ons herinnert aan de dood, dat doet een lijk ook. Sterker nog: een lijk herinnert ons nog wel meer aan de dood dan een zombie.

Vroeger was ik dol op spookverhalen en later ook op alle theorievorming eromheen. Het fantastische heette dat in de literatuurwetenschap, wat betekent dat in het verhaal steeds onzekerheid is over de echtheid van de gebeurtenissen. Freud schreef er een beroemd essay over: Das Unheimliche. Nog steeds hoor je mensen wel zeggen dat ze een ‘unheimlich’ gevoel hebben, dat komt dus daar vandaan. Uncanny is de Engelse vertaling. Unheimlich is iets wat bekend lijkt, maar toch een ongemakkelijk, griezelig gevoel oproept, zonder dat meteen duidelijk is waarom. In de fantastische verhalen in het unheimliche vaak gethematiseerd: doordat bijvoorbeeld een personage heel echt lijkt, maar misschien een geest is. Misschien ja, maar misschien ook niet – wat de hoofdpersoon richting krankzinnigheid drijft. Of is die krankzinnigheid soms de reden dat hij spoken ziet? Je weet het niet, dat is precies het fantastische en unheimliche eraan. Geweldig leesvoer.

Nu is er dus zoiets als de uncanny valley. Een moderne vorm van het unheimliche, zou je denken, met al die robots, maar dat is niet zo. Al eerder had ik het over Der Sandmann, het verhaal waarop Freud zijn theorie van het unheimliche bouwde en dat dus de oervorm mag worden genoemd. Laat het in dat verhaal nou net gaan over een robot, die zo menselijk is dat de hoofdpersoon verliefd op haar wordt, zonder ooit van zijn ongemakkelijke gevoel af te komen. (Maar ja, voel je je niet altijd ongemakkelijk als je verliefd bent, dus het is misschien niet zo gek dat hij zich daar niet door van de wijs liet brengen.) Uiteindelijk drijft Nathanael niet richting krankzinnigheid, maar recht erin. Hij gaat aan het unheimliche ten onder.

Nu begrijp ik waar dat aan ligt: Olympia zit op het dieptepunt van de uncanny valley. Uit het artikel blijkt dat het allemaal niet duidelijk is of de uncanny valley wel bestaat. Toch zou ik beter het zekere voor het onzekere nemen en doen zoals Bamse: vallen als een blok voor iets wat lijkt op poes noch mens: de laptop.