Column: De Grote Droomshow

Terug te zien en te lezen: De Grote Droomshow van SG Erasmus en Arminius over slaap en dromen, waar ik de openingscolumn voor schreef en uitsprak.

DC 22-10-2014 DROOMSHOW [fcp]-1024×576 BOINXout from arminius on Vimeo.

Rustig, maar met lood in de benen dwaal ik door het metrostation. Geel licht, bedrukte, haastige mensen, vier zwarte tunnels die zich aan weerszijden uitstrekken – dit is onmiskenbaar de Amsterdamse ondergrondse. Ik ben verdwaald, mijn vader kwijtgeraakt in de stromen passagiers. De uitgang moet ergens boven zijn, maar is onzichtbaar. Of nee, ik ben niet verdwaald, maar weggelopen.

Altijd heb ik veel gedroomd en voor het onthouden heb ik ook talent. Dat komt misschien omdat ik dromen heb die jarenlang terugkeren. De droom over het Amsterdamse metrostation waar ik verdwaald was, dan wel weggelopen hoorde bij me, zo tussen mijn 9e en 14e. Ik heb een minder groot talent voor dromenduiding. Het schaamrood stijgt me naar de kaken als eraan denk dat ik pochte over die ondergrondse droom tegen wie het maar wilde horen – ja ja, ik als pre-puber droomde terugkerend, onthield dat allemaal en wist ook nog eens mijn weg in de Amsterdamse metro (zo’n opschepper was ik toen). Pas tien jaar later viel het kwartje: toen ik 9 was scheidden mijn ouders, mijn vader vertrok naar Amsterdam, en ik werd een om-het-weekend-naar-je-vader-kind, verdwaald en/of kwijt. Ik zeg het: schaamrood op de kaken dat ik mijn eigen onbewuste via die kinderdroom zonder het zelf door te hebben zo vaak open en bloot op tafel heb gelegd.

Maar goed, je moet je eigen schaamte in de bek kijken, heb ik geleerd van de meester die schreef: ‘Lang ben ik bijtijds gaan slapen…’ Dat is de eerste zin van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust. (Ik mag hem aanhalen, want heb de zeven delen van a tot z gelezen.) Beroemd is de scène die volgt waarin hij als kind wacht op de nachtkus van zijn moeder – als ze niet komt stort de wereld in elkaar. Maar het mooist vind ik hoe hij dat moment beschrijft tussen slapen en waken, hoe, als je langzaam wakker wordt de ruimte zonder diepte en contrast is en zich dan in elkaar schuift en weer kleur krijgt. Of andersom – als je weet dat je in slaap aan het vallen bent en nog bij bewustzijn een inkijkje krijgt in je eigen onbewuste.

Kent u dat, als je in de trein na een lange werkdag heel even je ogen dicht doet en meteen wordt bestookt met absurde beelden, verhalen en ervaringen, zodat je weet dat je geslapen hebt omdat je weet dat je droomde? Beangstigend wel, dat de drempel tussen waken en dromen zo laag is, zelfs als er honderden vreemden om je heen zitten en je met 200 kilometer per uur in een onbetrouwbare mag-geen-Fyra-meer-heten-trein door de bollenstreek raast.

Of is het juist het omgekeerde van beangstigend? Weinig geeft zo’n gevoel van veiligheid als slapen terwijl de ander wakker is. Is dat ook niet waarom Proust (en minder gevoelige kinderen) die nachtkus van zijn moeder zo nodig heeft – haast op leven en dood? Is dat ook niet waarom er niets ergers is dan niet-slapen terwijl de ander wel slaapt? Je gaat naar bed, de ander pakt een boek om nog wat te lezen, jij draait je vast om. Het gaat niet snel genoeg, daar knipt het licht aan de andere kant al uit, je krijgt een kus en voelt hoe hij op zijn zij draait en de zwaartekracht zijn werk laat doen. Ondertussen lig jij nog te denken aan je to-do-lijst. En dan, al gauw, hoor je het. De slaap, zo dichtbij (want laten we wel wezen, bij jou in bed) en toch zo ver weg. Voor je het weet ligt je met je ogen dicht want dat moet als je wil slapen energie te produceren die draadloos je telefoon op het nachtkastje zou moet kunnen opladen. Terwijl iedereen toch weet dat slapen een oefening is in oog-spier-ont-span-ning.

Nee, dan slapen, terwijl de ander wakker is, slapen, terwijl de ander wakker is… voelt u het al? We zouden het hier ook kunnen doen. U hebt vast een lange dag achter de rug. En nu ook nog een lange avond in het verschiet. Als iedereen voor vijf minuten even de ogen sluit, blijf ik wakker om over u allen te waken. Dan mag u in uw dromen verdwalen, of weglopen, iemand kwijt zijn of zelf kwijt zijn, u mag naar Amsterdam of naar negentiende-eeuws Parijs, dat maakt allemaal niet uit. Ik zal u be-waken.

Dank u.

De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein

tijd

Als het donker wordt, word je moe; als je de middelbare leeftijd bereikt kom je in de overgang en van vrouwen in de dertig zeggen we dat hun biologische klokje tikt. Tijd zit ingebakken in ons lichaam, in de hele cyclus van de geboorte tot de dood. Dat gaat verder dan je misschien denkt. De meeste kinderen worden geboren in de vroege ochtend van een woensdag of een donderdag. En in de hersenen van overleden mensen is te zien hoe laat zij stierven, omdat de tijd letterlijk stil is blijven staan. Over deze en andere feiten van de biologische, lichamelijke tijd, sprak prof. dr. Dick Swaab in zijn lezing voor de serie Tijd.

Dick Swaab is de bekendste neurobioloog van Nederland; zijn boek Wij zijn ons brein is een regelrechte bestseller. Hij zette het hersenonderzoek op de kaart en nog steeds loopt Nederland dankzij het Instituut voor Hersenonderzoek en de Hersenbank wereldwijd hierin voorop. In zijn boek, met de ondertitel Van baarmoeder tot Alzheimer, laat Swaab zien hoe processen in de hersenen gedrag, karaktervorming en (geestelijke) ziekte en gezondheid beïnvloeden en zelfs bepalen. Vooral de rol van hormonen – in samenspel met de omgeving – is niet te onderschatten, zo blijkt uit de vele voorbeelden.

Hetzelfde geldt ook van ‘tijd in het brein’. De biologische klok bevindt zich op een duidelijk te lokaliseren plaats in de hersenen, in de suprachiasmatische nucleus, ook wel de SCN. Het is dus mogelijk om de biologische klok uit de hersenen te verwijderen en te kweken in het lab. Vanuit dat punt in de hersenen worden al die uiteenlopende lichamelijke reacties op het tikken van de klok geregeld. De klokgenen zijn het resultaat van miljoenen jaren evolutie. Opvallend: zelfs het weekritme heeft een lichamelijke basis. Uit tandemail gevonden in drieëneenhalf miljoen jaar geleden levende voorlopers van de mens, blijkt een weekritme. Velen zullen ervan uitgaan dat het weekritme zijn oorsprong heeft in het Bijbelse scheppingsverhaal, maar dat klopt dus niet. ‘De Bijbel heeft de week te danken aan ons biologisch ritme en niet andersom,’ aldus Swaab.

De klokgenen zijn niet zomaar te negeren in onze beleving van tijd, zoveel is duidelijk. Zelfs Australiërs, die al generaties geleden uit Engeland emigreerden, dragen nog steeds het ritme van het noordelijk halfrond met zich mee (net als hun geïmporteerde dieren). Toch zijn we niet geheel overgeleverd aan de biologie. Dick Swaab houdt zich de laatste jaren veel bezig met onderzoek naar Alzheimer. Bij die ziekte zie je ook een verstoring in de biologische klok (net als bij depressie). Het dag- en nachtritme werkt niet goed meer, waardoor de patiënten onrustig zijn. Er zijn zelfs aanwijzingen dat dit slechte slaapritme ook van invloed is op het aftakelen van het geheugen, waar Alzheimer mee gepaard gaat.

Er is echter een vrij simpele manier om het leed in elk geval deels te verzachten. Door de ouderen bloot te stellen aan veel licht (liefst daglicht en buitenlucht), wordt de structuur in het ritme hersteld. In combinatie met een pilletje van het ‘slaaphormoon’ melatonine is dat vooralsnog de beste Alzheimertherapie voorhanden. Wat dit voorbeeld bovendien laat zien is dat de biologische klok, die zoveel lichamelijke processen beïnvloedt, zelf ook vatbaar is voor invloeden uit de omgeving.

De mens is niet willoos overgeleverd aan zijn brein of zijn genen. Maar zonder kennis van die biologische conditie, zullen we tijd als een concept van de ‘ervaring’ nooit kunnen begrijpen. De interpretatie van die ervaring, het toekennen van betekenis eraan, zoals prof. Maarten van Buuren deed in zijn lezing is niet een ontkenning van de beschrijving van de mens als biologisch wezen met een ingebouwde klok (lees Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn). De patronen waar Van Buuren het over had, die ontstaan in de loop van de tijd, die inslijten in het leven, slijten misschien juist in in de hersenen. Door de omgeving te manipuleren, zijn ook de processen in de hersenen te beïnvloeden. Wij zijn ons brein, maar ons brein is geen kweekje in het lab.

Volgende week gaat historicus dr. Harry Jansen in op het tijdsbegrip in de geschiedwetenschap. De lezing van Dick Swaab kun je hier terugzien.

[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]

Stuff that dreams are made of: Bijlmer en boek

bijlmer

Back to the Bijlmer. Heel af en toe mag ik van mezelf iets schrijven over dromen en/of poezen. Ik geloof niet in voorspellende dromen, mysterieuze tekens of boodschappen van geesten. Nee hoor, een droom is als een blokkendoos. Door het bouwwerk te onttakelen kun je er je voordeel mee doen. De enige die tekenen geeft en boodschappen stuurt ben je zelf. ‘We are such stuff / As dreams are made on’, met nadruk op we.

Wat zal ik als eerste beschrijven, de blokken of het bouwwerk? Het bouwwerk, omdat de droom ook letterlijk een bouwwerk was. Geen wilde achtervolgingen of spannende avonturen – ik was in een ruimte en deed daar niet veel meer dan heel goed om me heen kijken. Het was de flat van mijn vader in de Bijlmer, Koningshoef 232 (inmiddels gesloopt) aan de metrohalte Kraaiennest. Daar ben ik al bijna twintig jaar niet geweest. Best bijzonder om er weer eens binnen te stappen. Het gekke was: iemand anders woonde er, en wel schrijver X. Ik bestudeerde heel nauwkeurig de dingen die aan de muur hingen, die mijn vader daar had opgehangen, twintig jaar geleden (in werkelijkheid had hij die dingen helemaal niet aan de muur hangen en herkende ik een droomvoorstelling). Plotseling viel me op dat op al die papiertjes en dingetjes ‘Peter’ stond. Peter?

De blokken in de blokkendoos:
1. Afgelopen woensdag was de sterfdag van mijn vader (zes jaar geleden was ook een woensdag)
2. Ik las Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, dat voor een groot deel in de Bijlmer speelt. De parkeergarages, de markt, de liften. Metrohalte Kraaiennest, het winkelcentrum en de ‘getto-Albert Heijn’ waar wij in de weekenden boodschappen deden. Hij beschrijft hoe mensen vuilnis over het balkon naar beneden gooien – ik ben op mijn negende aan een wisse dood ontsnapt toen iemand van zes hoog een zak ijs naar beneden gooide, die een halve meter voor mij met een enorme klap neerkwam. De flats die hij beschrijft, de kamers, de lange balkons, de keuken om het hoekje. (En Grand Café Het Vervolg, dat na elven transformeert van jasjedasje-borrelkroeg tot goudentanden-bubblingjoint, maar dat was een andere tijd.)
3. De schrijver X die kort na het overlijden over mijn vader zei, ‘Het was een vreemde man. Ik heb het altijd een vreemde man gevonden’, (ik dacht, bedankt voor deze meelevende woorden) en van wie ik nu elke week interessante artikelen lees, waarbij ik dan altijd denk ‘Jij bent een vreemde man, altijd al gevonden’.

Tel 1, 2 en 3 bij elkaar op en je hebt mijn droom. Ik zie nog haarscherp het droominterieur van de flat voor me. Het was een totaal ander interieur dan de Bijlmerflat van mijn vader. Doet er allemaal niet toe, zo gaat dat nu eenmaal. De grote vraag die overblijft is: who the fuck is Peter?

Ik hou het voorlopig op een foutje in de neuronenhuishouding. Ik ken meerdere Peters, maar wat hebben die in de Bijlmer te zoeken? Alsof er in de Lego-doos opeens een Duplo-stuk opduikt. Dan kun je wel proberen het stuk in je bouwwerk te passen, maar het verzakt en stort in. Je wordt wakker.

Metadromen

treinrails

Iemand hield me in een houdgreep in mijn bed. Met een kreet schoot ik los en werd wakker. Het was een droom. Nee wacht: het was een metadroom, want ik lag in een ander bed in een andere kamer en eigenlijk hield niemand me in een houdgreep, maar die niemand was er toch. Ik werd weer wakker, nu echt.

Iedereen heeft wel eens gedroomd dat ie bijna dood ging. Ik lag eens in mijn droom op treinrails, hing aan de perronrand en probeerde met alle macht mezelf omhoog te hijsen. In de verte zag ik een trein met een onthutsende snelheid op me afkomen. Ik was zo dichtbij het veilige perron, maar het lukte niet me te bewegen. Eerder ontglipte de perronrand me, nog even en ik moest hem laten gaan. Het is maar een droom, het is maar een droom, riep ik in mezelf, maar toch was ik bang. Ik riep het zo lang en hard tot ik wakker werd – net voor de trein over me heen zou denderen.

In een droom kun je niet doodgaan zegt men. Als je droomt dat je doodgaat, ga je ook echt dood. Dat zou ik na mijn minuten op de treinrails nog kunnen geloven. Het zou ook meteen verklaren waarom je zo bang bent in je droom, zelfs als je weet dat het een droom is. Toch is het een broodjeaapverhaal. Ik ben een keer doodgegaan in een droom. Ik kan niet controleren of het levensecht – doodsecht – was, maar zo voelde het wel. Of het voelde juist niet. Ik herinner me vagelijk een zeer verschrikkelijke toestand. Enkele maanden zat die toestand vers in mijn geheugen, inmiddels is de herinnering eraan versleten. Zelfs een terugkeer uit de dood is blijkbaar niet memorabel genoeg om je voorgoed bij te blijven.

Ik zou dit allemaal niet opschrijven (er bestaat immers een ongeschreven regel tégen blogs over dromen) als ik vanochtend na mijn metadroom en het ontwaken daaruit niet opnieuw was ingeslapen om in een metametadroom terecht te komen. Ik droomde namelijk dat ik dit stukje ging typen, over een metadroom, over bijna-doodgaan in je droom, over de mogelijkheid om echt dood te gaan in je droom en zelfs over het dromen over het schrijven van het stukje over het dromen over…

Mijn hele leven droom ik al levendig en ik heb ook nooit een probleem mijn dromen de volgende ochtend te herinneren. Ze hebben altijd een betekenis. Niet in de zin dat ze iets voorspellen of symbolisch verwijzen naar een of ander verborgen trauma. Het is vaak heel simpel: er zijn dingen die je bezighouden en die komen terug in je droom, vermengd met wat dan ‘dagrest’ heet. Ik vraag me vaak en graag af wat al die rare gebeurtenissen ’s nachts te betekenen hebben. Maar wat doe je met metadromen? Wat vertellen die? Deze vertelde me dat ik een stukje moest typen. Daar moet ik het maar mee doen en jullie ook.

Over druipende hersenen en dode huidcellen

Goya_droom_rede

Ik heb Louis van Gaal ontmoet. Ik zag hem langs lopen en riep in zijn oor: ‘Drie nul! Ja!’ Vooruit, het was in een droom. Dat maakt deze ontmoeting voor Van Gaal misschien minder belangrijk, voor mij niet. Dingen die me in mijn slaap overkomen hebben soms meer impact dan het wakende leven. Net zoals kleine, onbeduidende voorvallen soms meer betekenis hebben dan die waar je niet omheen kunt, wier relevantie zo overduidelijk is dat ze saai worden.

Nadat ik Van Gaal had toegelachen stapte ik de kroeg in. Lekker, biertje drinken. Ik was nog niet binnen of ik zag twee jongens, ladderzat, boezemvrienden in hun dronkenschap, de armen om elkaars schouders, pils in de hand. Dat gaat mis, wist ik. En inderdaad, ze namen nog een laatste slok en vielen toen strak achterover met hun kop op de betonnen vloer. Armen om elkaars schouders. Ik keek meteen weg, maar zag aan de gezichten aan de bar dat het waar was – dat hun schedels gekraakt waren en hun hersenen eruit dropen.

Niet kijken, niet kijken, dacht ik en ik keek niet maar zag het toch. (Het was immers een droom, alle beelden hoorden bij mij, ook degene die ik niet wenste te zien.) Ik spande me zo hard in om niet om te kijken naar de boezemvrienden en hun gulp hersenen op de betonnen vloer, dat ik wakker werd. Ik deed mijn ogen open en zag meteen weer de wittige brij, de leeggelopen bierglazen naast hun hoofd, de armen nog steeds om elkaar schouders. Ik moet dit onthouden, dacht ik, hoewel ik het liefst zou vergeten. Maar ik moet morgen toch kunnen vertellen dat ik over Van Gaal heb gedroomd.

Steeds als ik weer wilde gaan slapen, stond ik in de kroeg, een halve slag gedraaid zodat ik de jongens wel moest zien.

’s Ochtends fietste ik naar het station. In de Halmaherastraat zat een kat op wacht. Hij keek alsof hij zich zwaar beledigd voelde omdat ik Halmaherastraat zo’n gekke naam vind. Opeens herinnerde ik me mijn droom weer. Hoe was ik in vredesnaam op dat beeld van die druipende hersens gekomen? Door de kat wist ik het: eens, op een andere ochtend, fietste ik ook naar het station vanaf de andere kant van de stad. Op de busbaan lag een aangereden kat, een zwarte, met witte hersentjes die uit zijn gespleten schedel dropen. In de verte kwam de volgende bus aan. Ik raakte in paniek en ben hard weggefietst. Diezelfde dag heb ik als een soort boetedoening het nummer van de dierenambulance in mijn telefoon gezet, zodat ik de volgende keer (alsjeblieft, laat er nooit een volgende keer zijn!) wél adequaat kan handelen.

Natuurlijk had ik van mijn fiets moeten stappen, de bus tegen moeten houden met wilde armgebaren, aan moeten bellen bij huizen langs de weg, alles moeten doen om te zorgen dat die arme, roemloos gestorven poes niet nog eens overreden zou worden door een harmonicabus van dertien meter. Dat heb ik niet gedaan.

Ik weet dat als ooit mijn leven als een film aan me voorbij zal gaan, ik die kat weer tegenkom. Als een beschuldigende vinger. Chris uit Into the Wild schiet een eland, voor niets, want het vlees begint al bijna meteen te rotten. ‘It is the great tragedy of my life,’ noteert hij in zijn schrift. Het onrecht achtervolgt hem, net als het beeld van die aangereden kat mij achtervolgt. Daar zie je de mens in zijn lelijkste vorm: als hij de dieren niet met respect behandelt.

In de trein gaat een meisje tegenover me zitten. Uit haar tas haalt ze een wattenschijfje en een reinigingslotion. Doodgemoedereerd begint ze haar gezicht schoon te maken, ze slaat geen porie over. Daarna wrijft ze met twee handen een crème uit. Volgt nog een lotion en nog een wattenschijfje. Ik word er onpasselijk van. Ik zie de vuiligheid en de bruine, dode huidcellen voor me op het wattenschijfje dat nu in het prullenbakje belandt. Niet kijken, denk ik, maar ook nu zie ik het toch. En het is niet eens een droom waarvoor ik niemand anders dan mezelf verantwoordelijk kan houden.

Ergens hangt het vieze wattenschijfje samen met de druipende hersenen op een busbaan of betonnen vloer. Die laatste zijn mijn eigen brandmerk, het wattenschijfje is me opgedrongen door een toevallige passant op donderdagochtend acht uur. Ze lijken in geen verhouding tot elkaar te staan. Een droom en de werkelijkheid, dode huidcellen en dode boezemvrienden (die kat was ook iemand zijn boezemvriend). Beide onbeduidend, beide in staat de hele dag te kleuren in het vaalgrijs van drab – uit de schedelpan of uit een porie.

Misschien is het geen toeval dat de aangereden kat, de dronken boezemvrienden-tot-in-de-dood en het wattenschijfje zich zo aan me opdringen. Gisteren begon ik in Dood op krediet van Louis-Ferdinand Céline en las ik als tussendoortje Sokrates’ verdediging van Plato. Dat heb je soms op novemberdagen, dat de dood als een afgevallen herfstblad door de hemel waait.

Daarom, Louis van Gaal: bedankt. Door jou hing er in elk geval ook nog een vaag gevoel van victorie over deze kattige, katerige ochtend.