Jacques Bos – Het ongrijpbare zelf

bos_ongrijpbare_zelf

Wat is ‘het zelf’? Die vraag blijft rondspoken, of het nu in de gedaante is van het zijn-wij-ons-brein-debat, de al dan niet Nederlandse identiteit, of populair-psychologische TED-talks. We geloven al lang niet meer in een mannetje dat in ons hoofd of hart de stuurknuppel hanteert. Toch leef je je alledaagse leven met het idee van een gedefinieerd zelf, waar je in zekere mate verantwoordelijk voor kunt worden gehouden. Je kunt je zelf kwijt zijn, waarna je ernaar op zoek moet. Het is de manier waarop we over het zelf spreken die uiteindelijk beslissend is voor hoe het zelf bestaat, betoogt Jacques Bos in Het ongrijpbare zelf.

Als het breindebat lang genoeg aanhoudt komt het misschien wel zover dat we ons ook ervaren als materialistisch en zelf-loos, ik zou haast willen zeggen, neuronisch. Een gang langs de historische opvattingen ervan laat in elk geval zien hoe recent de ervaring van het zelf als iets individueels en innerlijks is. Bos is historicus en filosoof en presenteert de geschiedenis van het denken over datgene wat het zelf heet. Door de bronnen te bestuderen van Homerus via Plato, Augustinus en Locke geeft hij inzicht in hoe onze alledaagse ervaring van het zelf is gevormd. Charles Taylor deed dat eerder in het monumentale Bronnen van het zelf (1989). Jacques Bos zegt anders dan Taylor geen cultuurkritische doelstelling te hebben. Dat brengt met zich mee dat zijn uitwaaierende betoog soms wat richtingloos aandoet.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Wat je zegt ben je zelf

Sinds Taylors hoofdwerk is er natuurlijk enorm veel gebeurd, vooral op het gebied van de neurowetenschappen. Een theorie die Bos meerdere malen aanhaalt en waar hij van onder de indruk lijkt te zijn, is Daniel Dennetts conceptualisering van het zelf als center of narrative gravity – het zelf als product van de verhalen die we vertellen over onszelf en de wereld, en die weer voortkomen uit ‘parallelle stromen van informatieverwerking en interpretatie op verschillende plaatsen in de hersenen’. Dat idee van het zelf lijkt een mogelijke verzoening van de neurofielen en meer humanistische, holistische denkers mogelijk te maken.

Bos noemt niet alleen Homerus en Plato, Augustinus en Locke en moderne filosofen als Dennett. Integendeel, het lijkt er soms op dat hij een uitputtende beschrijving wil geven van alles wat er in meer dan tweeëneenhalf millennia over het zelf geschreven is. Dat werkt niet altijd even goed, het streven een overzicht te geven werkt de overzichtelijkheid tegen. Het geheel krijgt iets opsommerigs, ook omdat de meeste werken in ongeveer dezelfde ruimte – een pagina of vier – worden besproken. Op die manier weet je aan het eind weinig over heel veel. Dat is wel handig als ingang om verder te studeren of om je te oriënteren in het debat, waar de uitgebreide noten en literatuurlijst ook bij helpen.

Vier dimensies

Als structuur in al die filosofieën en wetenschappelijke visies, kiest Bos vier dimensies waaromheen het denken over het zelf steeds draait: ‘innerlijkheid, de vraag naar identiteit door de tijd heen, de relatie tussen lichaam en geest en individualiteit.’ Dimensies die elk voor zich hele boekdelen zouden rechtvaardigen, zoveel wordt duidelijk. Het ontbreekt ook zeker niet aan boeiende inzichten waar je nog lang over blijft peinzen (en wie is het dan, die dat peinzen doet?). Zoals het ontstaan, in de zeventiende eeuw, van de notie innerlijkheid. Als het zelf iets innerlijks is, betekent dat ook dat het verborgen is en misschien zelfs per definitie onkenbaar. Voor de ander die jou ontmoet, en later ook voor jezelf. Voor die tijd zag men het karakter als iets transparants. Hoe anders zou het moderne leven er niet uitzien als we nog steeds konden geloven in de doorzichtige persoonlijkheid? Nooit meer op zoek naar je ware zelf, verstopt en vergeten, nooit meer het gevaar van hypocrisie!

Opvallend is dat de conclusie eveneens maar vier bladzijden telt en dan nog eerder een samenvatting biedt in plaats van daadwerkelijke conclusies. Bos heeft niet voor niets de titel Het ongrijpbare zelf gekozen, stelt hij, het is immers lastig conclusies trekken over iets wat steeds door je vingers glipt. Toch verlang je op zeker moment naar grip op de complexe materie, al is het maar een (kritische) stellingname van de auteur zelf. De slotsom van zijn onderzoek noemde ik al: het zelf is ‘gevormd door de manier waarop we erover denken en spreken. Het zelf is niet iets innerlijks en individueels, maar wórdt dat, doordat we het op die manier conceptualiseren.’ Daarmee komt hij eigenlijk terug bij Dennetts center of narrative gravity, dat nu niet alleen een model lijkt te vormen voor hoe we het zelf kunnen begrijpen, maar ook de hele geschiedenis van het denken erover. Het is daarbij aan de lezer om als mannetje in het hoofd de stuurknuppel te grijpen.

Peter Bieri en Paul van Tongeren: diepgravend zelfonderzoek vereist!

tongeren

Op 8WEEKLY: Voelen, af en toe onderuit gaan, leren en ontwikkelen – Diepgravend zelfonderzoek met Peter Bieri en Paul van Tongeren

Diepgravend zelfonderzoek met Peter Bieri en Paul van Tongeren

Voelen, af en toe onderuit gaan, leren en ontwikkelen

 

Hoe moraal te funderen in een maatschappij die elke fundering van buitenaf weigert? We kunnen alleen van onszelf op aan toch? Laten we voor een 21e-eeuwse ethiek dan maar beginnen met een diepgravend zelfonderzoek, zeggen de filosofen Paul van Tongeren en Peter Bieri. Een kritisch zelfonderzoek vooral, dat niet voorbijgaat aan dat wat ons bepaalt van buitenaf. Vooral de taal en het (beschouwende) verhaal krijgen daarbij veel aandacht.

In de populaire filosofie is het individu zowel begin- als eindstation. Paul van Tongeren is uitgesproken kritisch over die stroming van de levenskunst, in zijn boek dat dan toch Leven is een kunst heet. Deze filosofen beloven misschien wel (zelf)hulp in zware tijden, stelt hij, maar doen dat door die zware tijden in een handomdraai te neutraliseren. Het is Amerikaanse wilskracht vermengd met stoïcijnen-light. Je krijgt wat je wilt als je er maar genoeg in gelooft. En als het tegenzit, moet je iets anders willen. Voor tegenslag en tragiek, toch onderwerp van de verhevenste kunst, is in de levenskunst geen plaats. Dat is voor deze hoogleraren te makkelijk gedacht.

Individuele ervaring
Van Tongeren wil evengoed een filosofie voor deze tijd geven en pleit voor een ‘hermeneutische ethiek’, die vertrekt vanuit de morele – persoonlijke – ervaring. We hebben immers alleen maar onze eigen ervaring om van uit te gaan. Hoezeer we ook houden van statistiek en breinweetjes, als we ons willen beroepen op individualiteit zullen we ons juist niet moeten verlaten op empirie en experiment. Betekenis mag je niet reduceren tot feitelijkheid, maar vraagt om uitleg en interpretatie. Dan blijkt de individuele ervaring een bron voor gedeelde kennis: ‘Ervaringen hebben – door de betekenissen die ze ons tonen – een strekking die niet alleen voor mij geldt.’ Wie heeft het niet meegemaakt, dat ‘onze ervaringen door de interpretatie die anderen ervan geven worden veranderd’? Maar hoe haal je die betekenis in de praktijk uit een ervaring?

Daar komt Peter Bieri (ook bekend als romancier Pascal Mercier) van pas. In de drie lezingen in Hoe willen wij leven? gaat hij minder expliciet op zoek naar een nieuwe ethiek, maar ook hij probeert vanuit de individuele ervaring tot een gedeelde moraal te komen. Ook Bieri stelt het zelfonderzoek voorop, omdat dat de voorwaarde is voor een van de grootste idealen van deze individuele tijd: autonomie of zelfbeschikking. Wat is dat en hoe realiseer je dat? Door bewust om te gaan met je innerlijke drijfveren, zegt Bieri, door na te denken over wat je beweegt, kortom: zelfkennis op te doen. Het aparte van zelfkennis als methode voor zelfbeschikking is dat zelfkennis nooit los staat van het object: het ‘zelf’ is tegelijk datgene wat nadenkt en dat waarover wordt nagedacht. Het denken zelf, de kennis opdoen, verandert het object in de loop van het nadenken.

Taal
Bieri legt daarbij veel nadruk op taal. Het zelf ontstaat pas in de taal en vraagt daarom om taal als uitdrukkingsvorm. (Hoewel hij later zegt dat ook andere ‘creatieve’ uitdrukkingen kunnen voldoen.) De autonome mens zal ‘door kritische vragen te stellen een innerlijke distantie tot zijn meningsgewoonten ontwikkelen en tijdens dit proces zelf de regie over zijn denken’ nemen. Waarbij we welbewust afstand nemen van ‘gedachteflarden en retorische sjablonen’:

Veel van wat we menen te denken en te weten is ontstaan doordat we onze moedertaal hebben nagepraat: het zijn dingen die je nu eenmaal zo zegt. In ons denken zelfstandiger, mondiger worden houdt ook in: alerter worden ten opzichte van blinde taalgewoonten, die ons alleen maar voorspiegelen dat we iets denken. […] Uit een chaos van gevoelens kan bijvoorbeeld door deze onder woorden te brengen emotionele zekerheid ontstaan. En dat kun je veralgemeniseren: als onze ervaringstaal gedifferentieerder wordt, wordt ook het ervaren zelf gedifferentieerder.

Als een echte filosoof is de zelfonderzoeker uit op begripsmatige helderheid, die in de (onbewuste) chaos (bewuste) orde schept. En via die handeling van het denken het object van het denken – namelijk het zelf – verandert.

Transformatie
De levenskunst, schrijft Van Tongeren, gaat uit van de mogelijkheid tot transformatie. Door het zelfonderzoek, dat de oude Grieken al aan filosofische pupillen oplegden, leer je onderscheid te maken tussen wie je bent, wat je daarvan vindt en wie je eigenlijk wilt zijn – het verschil tussen zijn en willen zijn. Hier zal hij later aan toevoegen: wie je kunt zijn, want zoals gezegd is de nadruk op dat wat je niet in de hand hebt volgens Van Tongeren te veel uit het levenskunstdebat verdwenen.

Bieri lijkt te zeggen dat zo’n transformatie altijd positief is, omdat meer kennis leidt tot meer zelfbeschikking. Is dat wel zo? Aristoteles zag de wereld misschien als doelgericht, met een natuur die in feite ‘goed’ is ingericht, waarbij vooruitgang altijd ook een verbetering is. Maar wil de Aristotelische ethiek ook een bruikbare ethiek voor de moderne tijd zijn, dan moet ze, net als het eigen leven, worden geïnterpreteerd en vertaald, door de eigen ervaring heen en naar de eigen tijd toe.

Desondanks
Dat doet Van Tongeren dan ook in zijn boek. Hij richt zich op zijn fort, de deugdethiek. Na Aristoteles werd de deugdethiek voorzien van nieuwe vertalingen en differentiatie, zoals in christelijke zin. Dan komt bijvoorbeeld de wil in beeld, niet alleen ‘de goede wil’, maar juist ook de identificatie (door Augustinus) van ‘de kwade wil’:

Dat kwaad bestaat erin dat we soms willens en wetens doen wat niet goed is, waarvoor geen goede redenen zijn, en waarvan we niet zelf beter worden.

Een woord als ‘desondanks’ (een zeer hermeneutisch woord, zou je kunnen zeggen) doet zijn intrede. Het gaat de mens niet altijd om nut, geluk, kennis, natuur of verlangen, in elk geval niet in eenduidige vorm.

Weer later geeft Nietzsche zijn eigen radicaal kritische vertaling en differentiatie van de deugden. Eerlijkheid of waarachtigheid wordt de deugd van dienst – en let op: eerlijkheid heeft ook (vooral?) betrekking op dat wat niet gezegd of gehoord mag worden, het aanstootgevende, dat waar morele goody two-shoes niet van houden. Kort gezegd, de wil tot macht. Een gelukkig leven à la Aristoteles ligt dan ook niet in het vooruitzicht van de waarachtige: eerder ‘radicale ontheemding, diepe twijfel en vertwijfeling, schrijnende eenzaamheid’ en angst.

Lieve hemel, denk je, waarom dan nog waarachtigheid nastreven? Nou, om die zelfbeschikking waar Bieri over spreekt te bereiken. Daarvoor moet volgens Nietzsche meer vernietigd worden dan alleen vaste taalgewoonten en retorische sjablonen. Zoals Kierkegaard zou zeggen: je moet door die duizelende afgrond van de vertwijfeling heen, wil je echt authentiek kunnen leven. Dat is inderdaad iets wat je bij de levenskunstpropagandisten niet snel hoort.

Onderuit gaan
Net als Van Tongeren is Bieri geen voorstander van het stoïcisme dat de levenskunstenaars omarmen. Het is niet realistisch: we willen voelen, af en toe onderuit gaan, leren en ontwikkelen en dat kan niet door alles van je af te laten glijden. Dat wat aanvoelt als een vreemde kracht kan alleen door zeer talig en vaak pijnlijk werk omgevormd worden tot een morele, psychische identiteit, gegrond in zelfkennis en dus ter beschikking staand aan jezelf.

Zitten we dan toch niet vast in een hyperindividuele ethiek, waar iedereen naar zijn eigen navel aan het staren is? Zowel Bieri als Van Tongeren worstelen met de moraal in een tijd die geen grondvesten voor een moraal biedt. Toch pleiten ze beiden voor een blik naar buiten, ook al buigt die af naar jezelf. Door met een blik van buitenaf naar jezelf te kijken kom je tot echte zelfkennis. Dat gebeurt als je je terdege bewust bent van de aanwezigheid van een ander, en het bewustzijn van de ander vraagt weer om bewustzijn van jezelf, stelt Bieri. Via een soort verlicht individualisme lijkt dan een rechtvaardig en goed samenleven mogelijk. Door jezelf te zien als individu (iets unieks, kortom iets ‘anders’ dan de rest), zul je ook automatisch respect opbrengen voor al die andere ‘anderen’. Klinkt utopisch, zo geeft ook Bieri toe, maar god, het is het proberen waard.

Peter Bieri (vert. Marijke Koekoek) • Hoe willen wij leven? • Wereldbibliotheek • 94 pagina’s • ISBN 9789028424982 • 15,90 euro

Paul van Tongeren • Leven is een kunst. Over morele ervaring, deugdethiek en levenskunst • Klement | Pelckmans • 253 pagina’s • ISBN 9789086871025 • 22,50 euro

Persoonlijke waarden: wat heb je eraan?

persoonlijke_kracht

Hoe te leven? Niemand die het weet, maar een goed voorbeeld kan inspiratie geven. Naar aanleiding van de lezing van Joachim Duyndam over voorbeeldfiguren ging ik nadenken over wie voor mij als voorbeeldfiguur geldt. En belangrijker nog: waarom. Want de waarde die zo’n figuur representeert is een waarde die leidend voor je is. De ‘persoonlijke waarden‘ zongen sowieso al door mijn hoofd na het coachgesprek van vorige week en de opdracht die ik toegestuurd kreeg, bedoeld om mijn persoonlijke waarden te achterhalen.

Door uit te gaan van een situatie waarin je gelukkig was, en ongelukkig, door te kijken naar wat je bewondert in anderen en nog zo wat vragen, ontstaat er in die opdracht een rijtje van vijf waarden. Prima, maar wat moet je ermee? Wat voor situatie kies je en wie zijn in hemelsnaam die anderen? Ieder werkend mens reutelt zonder moeite een paar van die woorden eruit, in mijn geval: authenticiteit, humor, intellectuele bevlogenheid, erkenning en ontwikkeling. Nogmaals: prima, maar wat moet je ermee?

Op de fiets gingen mijn pas ontdekte persoonlijke waarden in mijn hoofd een gesprek aan. Humor en intellect bijvoorbeeld, betekenen die twee samen niet dat ik grappen maak ten koste van de domheid van anderen? Ik hou niet van komedie, kan niet lachen om cabaret. Wil ik niet vooral ad rem en scherp zijn, mensen verbluffen met mijn snelle geest, als beoefenaar van de Aristotelisch deugd eutrapeleia? (Ziet u wel hoe slim ik ben?)

Op de workshop ‘Persoonlijke kracht’ die ik vorige week volgde, ging het ook al over waarden. Als afsluiting moest iedere deelnemer een van haar persoonlijke waarden hardop uitspreken. Ik was als een van de laatsten aan de beurt. Iedereen keek me verwachtingsvol aan. ‘Ik ben…’ ik aarzelde, alsof ik niet durfde. ‘Ik heb… best wel een beetje, misschien, humor.’ Iedereen lachte. Bewijs geleverd. Maar bewijs waarvan?

En dan die authenticiteit en de behoefte aan erkenning: dat slaat natuurlijk nergens op. Als je authentiek bent, heb je de bevestiging van anderen toch niet nodig. Trouwens, is authenticiteit niet een achterhaald begrip, uitgesleten door overgebruik en besmet door misbruik? Laat staan ontwikkeling. Lekker origineel ook, zich ontwikkelen wil iedereen wel. Ja maar, bracht ik in, het gaat me niet om verticale ontwikkeling, steeds meer en steeds beter, maar horizontaal. Het gaat me er om de fundamentele onzekerheid te omarmen, het toeval af te buigen in mijn richting, nooit iets zeker te weten, zelfs niet wie ik ben. Maar hoe kun je dan authentiek zijn? vroeg de stem in mijn hoofd snedig, en een beetje vals.

Hoewel dit gesprek in mijn hoofd me niet veel verder bracht, ben ik er toch wijzer van geworden, wijzer in elk geval dan het statische rijtje op het coachformulier. Ik dacht aan Hans Goedkoop, die in zijn lezing het verhaal het allerbelangrijkste middel noemde om een leven te begrijpen. Daar kan ik het alleen maar mee eens zijn. De waarden krijgen pas betekenis in een verhaal, als je laat zien hoe ze botsen op de werkelijkheid, of hoe ze als een Lebenslüge fungeren, zonder ooit echt te worden.

Ook de voorbeeldfiguren van Duyndam spreken tot je door verhalen, in romans of in het verhaal van jouw leven en de mensen om je heen en in de wijde wereld. Het statische rijtje waarden leeft niet en is dat niet precies dat de vraag waar het mee begint… hoe moet ik leven?

Over twee van mijn voorbeeldfiguren – Jack White en Arnon Grunberg – en hoe zij waarden belichamen en concreet maken, zal ik het morgen overmorgen hebben.

Ironie en zelfironie: 7 opmerkingen

Hoe zit het met zelfironie, vroeg iemand naar aanleiding van het stuk over zelfonderzoek als mythe. Goeie vraag. Zeven gedachten.

1. Ik moet bij ironie altijd denken aan de film Reality Bites, waarin Winona Ryder de kans krijgt zich te presenteren aan een tv-bobo. De dame in powersuit zegt neerbuigend: Define irony. Winona staat met haar bek vol tanden. Haar vriendje Ethan Hawke, aan wie ze even neerbuigend en vol verontwaardiging het voorval vertelt, antwoordt zonder nadenken. ‘Het tegenovergestelde zeggen van wat je eigenlijk bedoelt, met de bedoeling dat wel duidelijk te maken.’

2. De ironie van Socrates: jezelf dommer voordoen dan je bent om de onwetendheid van de ander te ontmaskeren.

3. De ironie van Kierkegaard bouwt voort op die van Socrates. Ironie inzetten om reflectie op gang te brengen en vraagtekens te zetten bij alles wat je weet, alle vooroordelen die je hebt. Je hebt eerder te veel kennis dan te weinig. Uiteindelijk is zijn ironie een oneindige, absolute negativiteit die in zichzelf verdwijnt. Eindeloze reflectie, die uiteindelijk resulteert in onbegrijpelijkheid. Toch maakt zijn voortdurende ironie van Kierkegaard een uitzonderlijk humoristisch filosoof. Humoristischer ook dan Socrates. En dat heeft misschien wel te maken met zelfironie.

4. Wat is dan zelfironie? Sowieso is duidelijk dat ironie iets te maken heeft met het zelf. De filosofen zetten het in om de ander iets over zichzelf te leren. Maar dat klinkt ontzettend pedant: ik zal jou eens even wat over jezelf leren, maar doe dat door het omgekeerde te zeggen van wat ik bedoel. Hier heeft Socrates soms wel een handje van, als ik het mag zeggen. Dan doet Kierkegaard het beter. Hij voert allerlei personages op, alter ego’s, pseudoniemen en heteroniemen waarachter zijn eigen zelf totaal versnippert. Hoe zelfironisch wil je het hebben? Jezelf laten verdwijnen achter talloze in elkaar spiegelende personages en auteurs, om de ander eens over zichzelf te laten reflecteren.

5. Dat klinkt weer als een veel te ernstig, nobel doel. De ironische distantie, is dat niet gewoon de methode van een slappeling die nooit eens zijn ware gezicht durft te tonen? Dat betoogde ik immers na het zien van Zomergast Annet Malherbe. Al die fascinaties, niets is meer een échte obsessie, alles is wegwuifbaar met een hand waarachter een vergoelijkend lachje klinkt. Ironie, dat is toch lachen? En zelfironie, dat is toch lachen om jezelf?

6. Dan zijn we weer terug bij Kierkegaard, die lachte om zichzelf, maar met een enorme ernst. Sorry, ik ontkom er niet aan. Of denk aan Houellebecq, die de neiging naar het sociale van de mens beschrijft als ironie van de evolutie: je kan er om lachen, maar niet hartelijk, eerder wanhopig. Oscar Wilde, die leefde als een personage (in de negentiende eeuw kon je dit woord makkelijk zo gebruiken), met een zelfironie die volkomen ernstig was. Uiteindelijk ontkomt ironie niet aan ernst, omdat het doel ervan ernstig is, met gebruikmaking van de methodiek van humor: omkering, overdrijving, acteerwerk.

7. Zelfonderzoek als mythe ging precies om die dingen: omkering (je leven als kernachtig verhaal voorstellen terwijl het in werkelijkheid chaotisch is), overdrijving (niemand gelooft werkelijk dat hij een mythische held is) en acteerwerk (je moet desondanks een klein beetje geloven dat je een mythische held bent). Uiteindelijk leert het je precies het omgekeerde van wat je zegt: want het leven is onbegrijpelijk toevallig, begint zonder aanleiding en stopt zonder afsluiting. En hooguit een decennium na je dood is iedereen je alweer vergeten. Hoe ironisch.

Creatief zelfonderzoek: streven naar mythe en verhaal

Zelfkennis is belangrijk, maar de vorm waarin je die kennis giet ook. Aan suffe feiten over jezelf heb je niets en leuk zijn ze ook niet. Zelfonderzoek is pas boeiend als het je op een creatieve manier bezighoudt. Nog mooier: als het ergens toe leidt.

Niemand schrijft wetten voor over de methoden en resultaten van zelfonderzoek. Sterker nog, de ongelimiteerde vrijheid die je bij dat onderzoek hebt, is precies wat het onderzoek zo leuk maakt. Wie controleert het waarheidsgehalte van jouw kennis? Bestaat er überhaupt een waarheid over het zelf? De vraag stellen is hem beantwoorden. Waarom dan niet helemaal los gaan bij het nadenken over je leven? Als je echt een beetje inzicht hebt in wie je bent, hou je jezelf heus met beide benen op de grond. Hieronder een paar ideeën voor een creatief zelfonderzoek, met jezelf als de held van een zelfgeschreven verhaal. Op weg naar een glorieus einde.

‘Self-study of any seriousness aspires to myth. Thus do we endlessly inscribe and magnify ourselves.’ (David Shields) Oftewel: Een serieuze zoektocht naar zelfkennis streeft naar mythe, om jezelf steeds verder een verhaal in te schrijven en je persoonlijkheid te vergroten.

Het gaat hier om drie dingen: zelfonderzoek als mythe, schrijven en vergroting. Je kunt zeggen dat een mythe een beschreven verhaal is waarvan de kern een uitvergroting is. Die uitvergroting vertelt over de oorsprong van iets – de mens, het leven, of een deel daarvan; liefde, oorlog, broederschap. Wat gebeurt er als je van je eigen leven een verhaal maakt en streeft naar mythische proporties? Wat is het oorspronkelijke verhaal van je leven? Wat ga je uitvergroten?

De 21e eeuw is de eeuw van het verhaal. Alle media draaien op verhalen, haast nog liever van ‘gewone’ mensen dan van buitengewone sterren. In de filosofie bestaat de belangstelling voor het verhaal als structuur voor zelfonderzoek al langer. Je leven interpreteren als een verhaal is een manier om je leven zin te geven, maar ook om je herinneringen te structureren en de chaos van het bestaan te temmen.

Dat heeft niet alleen betrekking op het verleden. Juist door je leven op die manier te interpreteren, maak je een richtsnoer voor de toekomst. Wat is de mythische kern van je leven? Als je die vraag hebt beantwoord, kun je ook een visie op de toekomst ontwikkelen. Niet als een noodlottig vooruitzicht, het verhaal als een keten van gebeurtenissen waaraan niet te ontsnappen is, maar als een verhaal waar je zelf tegelijk de schrijver én hoofdpersoon van bent. ‘Je moet iets vinden wat bij jouw leven past – een principiële kern die veertig jaar artistieke arbeid kan doorstaan.’ (Art: de kunst van het richten)

Het leven ís geen verhaal, mensen vertellen hun verhaal. Uitzondering op deze regel is het mythische leven van Oscar Wilde, die de uitspraak muntte ‘Life imitates art’. In zijn geval kun je beter zeggen: ‘Life is art’. Waar zou jij voor kiezen? Een leven dat de kunst imiteert en daardoor aan schoonheid wint, of een leven dat een kunstwerk is en daardoor niet ontkomt aan tragiek en ironie?

Ik voel me zelf aangetrokken door de mythe van gedaanteverwisseling. Zoals bij de grootste sterren, die hun gedaanteverwisselingen zo ver uitvergroten dat ze ongrijpbaar worden. Hun verhaal is gefragmenteerd, een collage van hoogtepunten. Als een slang stropen ze hun huid af en komt er een nieuwe gedaante tevoorschijn. Het is de mythe van Bob Dylan in I’m Not There.

‘Er zijn sterren die er op hameren dat ze altijd zichzelf zijn gebleven, met andere woorden: miezerig gepeupel. Mythische sterren zul je dat niet horen zeggen. Zij blijven nooit zichzelf, omdat dat zelf niet bestaat; ze blijven nooit dezelfde, omdat ze voor hun sterrendom al anders waren. De voorwaarde voor onsterfelijkheid: je verleden dood verklaren en jezelf opnieuw geboren laten worden. De woestijn in trekken en je ziel aan de duivel verkopen. Keer op keer.’

We zijn niet allemaal een ster van de magnitude van Bob Dylan of Oscar Wilde. Dat velen dat wel aspireren, bewijzen de steeds verder uitgekauwde realityprogramma’s echter wel. Wat je verder ook van die shows denkt, ze maken iets duidelijk over het scheppen van je eigen verhaal en je eigen mythe, hoe klein of individueel die ook zijn.

‘Er zijn zoveel realityprogramma’s dat je kunt zeggen dat inmiddels tientallen mensen per jaar een niet-reëel leven leiden, hoewel ik het toch niet meteen mythisch zou willen noemen. Figuranten in een verhaal, dat ze zelf niet schrijven. Enkelen weten het verhaal naar hun hand te zetten en het fictieve voor zichzelf om te buigen in realiteit.’ Succes hebben degenen die streven naar mythe, zichzelf het verhaal in schrijven en (een deel van) zichzelf uitvergroten. ‘Het is zaak om het verhaal naar je hand te zetten en het fictieve om te buigen in realiteit.’ Dan ontstaat een chemische reactie tussen fictie en realiteit. Doe er je voordeel mee.

Schrijf je een traditioneel verhaal met een enkelvoudige plot of een gefragmenteerd verhaal gebaseerd op gedaanteverwisseling? Er is nog een derde optie. Zowel de enkelvoudige plot als de opeenvolgende gedaanteverwisselingen zijn lineair van aard. Wat gebeurt er als je het nu probeert te beschrijven? Leg het heden onder een vergrootglas, blaas het op tot alle details zichtbaar zijn. Wie zie je? Gokje: je ziet meerdere versies van jezelf.

Ieder mens heeft meerdere rollen: kind, geliefde, professional. Je kunt je afvragen of je dan wel jezelf bent. Maarten Doorman zegt: ‘Aan de ene kant is het onverstandig om te proberen jezelf te zijn – want het zal je niet lukken – en is het beter om goed na te denken over de rol die je speelt. Maar tegelijkertijd rijst daarbij de vraag: wie is het die die rol verzint? Ben je dat dan niet toch weer zelf?’ Juist door een caleidoscopische blik op het nu, met al die verschillende versies van jezelf die daarin rondlopen, merk je dat die vraag er niet echt toe doet. ‘Liever zie ik de rol als een uitvergroting van een bepaalde eigenschap van jezelf. Je draait bij wijze van spreken een kant van je gezicht naar het licht.’

Voelt het een beetje ongemakkelijk om zoveel met jezelf bezig te zijn, jezelf op te blazen tot mythische proporties en de heldenrol te spelen in een zelfgeschreven verhaal? Denk dan aan wat filosoof Frank Meester zegt: ‘We fantaseren over ons leven, proberen er een mooi verhaal van te maken waarin we zelf een heldenrol spelen. Dat noemen we dan ijdel. En daar is niets mis mee.’

10 filosofische vragen op weg naar zelfkennis

vraagteken

Zelfkennis is een belangrijk thema op dit blog. Filosofische zelfkennis welteverstaan, niet zelfkennis die berust op psychologie van de koude grond, waar zelfhulpboeken zo goed in zijn. Wat is dan filosofische zelfkennis en hoe kom je eraan? Dat is iets waar ik de komende tijd vaker over zal berichten. Zelfkennis krijg je pas als je een nietsontziende eerlijkheid tegenover jezelf bezigt en jezelf voortdurend een spiegel voorhoudt.

Hieronder tien vragen om jezelf te stellen, op weg naar filosofische zelfkennis. Het zijn vragen die eerder voorbij zijn gekomen, onder elkaar gezet met linkjes erbij naar de betreffende posts. Lijkt een beetje op een zelfhulpboek? Misschien. Ik spreek je aan de andere kant nog wel. Eén ding nog: neem nooit genoegen met je eerste antwoord.
Lees ook 10 filosofische vragen om over het verhaal van je leven na te denken

Ik begin met een trits vragen die aan de oppervlakte raken.
1. In welk hokje zou ik mezelf stoppen? Oftewel: wie ben je en waar onderscheidt zich dat door? Iedereen bezit bepaalde kenmerken, die je een identiteit geven in de buitenwereld. Welke daarvan vind je belangrijk? Hoogopgeleid zijn, kinderen hebben, hedonist of asceet zijn. Of de kenmerken verder gaan dan de buitenkant, doet er even niet toe.

2. Tot welke groep behoor ik? Deze vraag sluit aan op 1, maar heeft te maken met het milieu waarmee je je identificeert. Je behoort tot meerdere groepen in de maatschappij, maar met welke voel je je verbonden: studenten, werkende moeders, Marokkanen of bejaarden? En waarom?

3. Welke materiële zaken dragen dat uit? Ik was drie dagen op reis voor Studium Generale en kwam erachter dat mijn mobiele internet niet werkt in Berlijn. Dat zorgde voor enige paniek, maar ook had ik meteen aansluiting met de andere internetverslaafden in de groep. (Zie ook: Help, wie ben ik!)

Wie je bent, heeft te maken met hoe je verschilt van al die andere mensen op de wereld. Niet alleen aan de buitenkant en in de statistiek, maar ook in je opvattingen en overtuigingen.
4. Ben ik een optimist of een pessimist? Lijkt makkelijk, maar er zit meer achter dan je denkt. (Zie ook: Pessimisten zijn niet intelligent, maar ongelukkig)

5. Hoe verdeel ik de mensen om me heen? Als je het hebt over anderen, welke tweedelingen breng je dan aan? Zij die veel eten onder stress en zij die niets meer kunnen eten. Zij die vinden dat ze altijd te weinig doen terwijl ze heel veel werk verzetten en zij die geen last hebben van de Grote Onrust. Waarom zijn die criteria belangrijk? Ben je blij met de kant waar je zelf staat? (Zie ook: 3 manieren om de mensheid op te delen)

Als je heel veel losse eindjes hebt verzameld, heb je nog geen duidelijk beeld van jezelf, eerder information overload. Zelfkennis is óók gestructureerde kennis, die een verhaal maakt van het verleden en richting geeft aan de toekomst.
6. Wie is mijn voorbeeld? Om je betere ik te realiseren (uiteraard een proces dat je nooit kunt voltooien), moet je weten wat dat betere ik is, en om daar achter te komen, heb je een voorbeeld nodig om je op te richten. Het voorbeeld van Nietzsche was Schopenhauer, wie is dat van jou en waarom? Niet meteen zeggen: je vader.

7. Vul in: Ik … dus ik ben. Niet alleen oppervlakkige kenmerken en karaktereigenschappen bepalen wie je bent. Door je keuzes bepaal je hoe je je leven vormgeeft. Wat ligt er aan de basis van je beslissingen? Wat maakt het hart van jou als mens uit? (Zie ook: Wat maakt dat je dus bent?)

Dan is het nu tijd voor absolute eerlijkheid, een strenge blik in de afgrond van de ziel.
8. Kun je leven met de keuzes die je hebt gemaakt? Als je keuzes maakt, wordt één optie werkelijkheid en de rest verdwijnt in het niets. Kun je dat tegenover jezelf verantwoorden of heb je spijt van je beslissingen? (Zie ook: Over gewetensvragen: nogmaals Peter Bieri)

9. Wat is de leugen van jouw leven? De droom die de mens als een wortel voor zijn eigen neus laat bungelen, die hem op gang houdt, maar die voor altijd onbereikbaar blijft. ‘Mijn leven is draaglijk omdat ik me altijd dommer voordoe dan ik ben.’ Of: ooit ga ik op wereldreis, want ik ben eigenlijk niet zo burgerlijk als het lijkt. (Zie ook: Lebenslüge: even kennismaken)

10. Zou je jezelf je eigen leven toewensen? En wat als het antwoord daarop ‘nee’ is? (Zie ook: Zou je jezelf je eigen leven toewensen?)

Wat maakt dat je dus bent?

afgrond

Ik berichtte al eerder over het project ‘Dus ik ben’, dat bestaat uit een boek en een website. Over het boek van Rob Wijnberg en Stine Jensen ben ik niet wildenthousiast, het weblog waar gasten hun eigen invulling geven van het beroemde ‘Ik denk, dus ik ben’ biedt veel stof tot nadenken. Een sympathiek project, waarin de filosofische twijfel voorop staat. Waar interessante mensen laten zien dat intelligentie eerder te maken heeft met het niet-weten dan met het weten. Helemaal op en top filosofie dus.

Je ontkomt er niet aan het jezelf voor te leggen: Ik …, dus ik ben. Probeer het, en je begrijpt meteen die weifelende, nadenkende toon in alle stukken. Het is namelijk verdomde moeilijk. In mijn recensie schreef ik ironisch ‘Ik lees, dus ik ben’ en ‘Ik word gelezen, dus ik ben’. Maar dat voelt tweedehands. Je bent zonder object ook iets. Gaat het dan om taal? Of om gezien worden? Of nog abstracter? Ik neigde al gauw naar – hoe verrassend – ik denk, dus ik ben, of liever ik denk na, dus ik ben. Is dat niet prachtig? Door zo’n ‘opdracht’ kom je uit eigen denkbeweging uit op een van de beroemdste filosofische stellingen die er bestaan. Om achteraf pas op te merken dat die invulling niet heel origineel is.

Verder dus maar. Wat maakt dat ik ben? Fundamenteler vragen krijg je niet gauw. Ik moest denken aan de levenskunstlezingen, waarin het steeds gaat over vrijheid, kiezen, beweging. Dat is de hoek waar ik het zoeken moet. Ik kies, dus ik ben? Ik ben vrij, dus ik ben? Alleen al om de lelijke formulering valt de laatste af. En niet elke keuze maakt dat je bent, het gaat om de keuze tegen jezelf en anderen in, een vrije keuze vanuit hoofd en hart, een gedurfde keuze.

Ik durf, dus ik ben! Nu ben ik niet de meest avontuurlijke persoon op aarde. Je hoort mij niet over bungeejumpen, jungletochten of hallucinatoire experimenten. (Bang ben ik ook niet, hoor.) Ik maakte eens een bergwandeling over een besneeuwd pad, langs een diepe afgrond vol rotsen. Halverwege ben ik omgekeerd. Ook al was het even ver om terug te gaan als heen. Toch herinner ik me dat moment niet als een nederlaag, maar eerder als een overwinning. In dit geval was ‘nee’ de juiste beslissing. Ik keek in de afgrond, de duizelende afgrond van Sartre, en het boeide me niet wat de anderen ervan zouden denken. Ik ging terug, wat een opluchting. Dus toch kiezen? Ik durf te kiezen, dus ik ben?

Al deze dingen dacht ik gisterenavond, vlak voor ik ging slapen. Eindelijk was ik eruit: ik durf te kiezen, dus ik ben. Ook als kiezen betekent: teruggaan. Het beeld dat erbij hoorde: de foto die iemand van mij maakte op de besneeuwde richel, waar ik al half omgekeerd sta, op weg terug (sorry, niet digitaal beschikbaar).

Was ik er echt uit? ’s Nachts ging in een droom mijn gedachtegang verder. Ik liep met iemand te praten, een onbekende. Ik vertelde hem mijn bevindingen, trots dat ik een origineel standpunt voor mijzelf had ontdekt. Hij zei: ‘Het gaat je er dus eigenlijk om, altijd voor jezelf te kiezen. Ook al is het een “nee”. Je stelt je eigenbelang voorop. Dan moet je zeggen: Ik ben egoïstisch, dus ik ben.’ Ik sputterde tegen, maar moest die onbekende cynicus toch gelijk geven.

Vanochtend dacht ik verder. Wat kon ik tegen hem inbrengen? Want zo zat het toch niet, dat elk kiezen egoïstisch is? Dat is in elk geval niet wie ik ben of wil zijn. Ik dacht terug aan de mens, wiens hersenstructuur is ingesteld op betekenis geven en daarmee op sociaal gedrag (Een steen als een mens). En ik dacht aan het pact dat Castorp en Claudia in De Toverberg sluiten vóór Peeperkorn (Notities van een synestheet). En aan de beschrijving van loyaliteit door Pascal Mercier in Nachttrein naar Lissabon: ‘Daarom kwam het op loyaliteit aan. Dat was geen gevoel, zei hij, maar een wil, een beslissing, het partij kiezen door de ziel.’

Zijn dat niet de meest gedurfde keuzes, vóór iemand gemaakt en dóór de ziel gaand? Ik denk het wel. Jammer genoeg komen dit soort tegenwerpingen altijd te laat. Ik zal ze die onbekende nooit meer kunnen meegeven. Of zou hij toevallig morgen bij de Levenskunstlezing over Pascal Mercier aanwezig zijn?

Lebenslüge: even kennismaken

munch_karl_johan

Ik heb een nieuw woord geleerd dat heel goed dienst kan doen bij een kennismakingsrondje. Meteen de diepte in, onschuldige antwoorden zijn niet mogelijk. Zo’n heerlijk Duits woord waar een hele existentiële crisis aan kleeft, dat klinkt als het licht van een druipende kaars, bruine schaduwen op oude schilderijen, als kromgebogen onder de last van het leven peinzen, als dolende zielen in een vochtig-kil historisch stadshart, als weltschmerz. Lebenslüge: en nu allemaal rillen van unheimlich genot.

Wat is een Lebenslüge? Iedereen zal zich er meteen wel een voorstelling van kunnen maken. De levensleugen, een leugen die het leven van waarachtigheid ontdoet, maar misschien ook wel de leugen die het leven mogelijk maakt. De uitleg die ik erbij kreeg was een simpele: de Lebenslüge is de wortel die de mens zelf voor zijn neus laat bungelen, die hem op gang houdt, maar die voor altijd onbereikbaar blijft. Signaalwoord: ooit… ‘Ooit ga ik een boek schrijven.’ ‘Ooit maak ik een wereldreis.’ ‘Ooit ga ik me verdiepen in Oosterse mystiek van de vroege middeleeuwen.’ De sabbatical is de burgerlijke invulling van de Lebenslüge, de wortel die aan het touwtje van de werkgever hangt.

Toch leert een klein onderzoekje dat deze burgerlijke Lebenslüge – die onschuldig is, geaccepteerd en ongevaarlijk – maar het topje van de ijsberg vormt. Want de echte Lebenslüge, ik wilde bijna schrijven: de ware levensleugen, is niet een schimmig beeld in de toekomst die nooit heden wordt, het is de leugen die doorwerkt in het dagelijks leven van het hier en nu. Daarmee komt die dicht in de buurt van Sartres kwade trouw. Misschien kun je zeggen dat kwade trouw het resultaat is van de Lebenslüge, dat de Lebenslüge aan kwade trouw ten grondslag ligt. Hoe dan ook is de Lebenslüge ook een instrument om aan eigen verantwoordelijkheid te ontkomen en de absolute vrijheid van de mens te ontkennen.

Toch horen de twee niet helemaal bij elkaar. De Lebenslüge heeft ook iets noodzakelijks over zich, als je Wikipedia mag geloven: hoe ongegrond en ongerijmd ze ook is, ze geeft de mensen moed het leven te leven. ‘Everyone has one,’ leert een andere vermelding. Overigens is het woord wel ontsproten aan kritiek op de burgerlijkheid; wederom volgens Wikipedia werd het gemunt door Henrik Ibsen om de valse waarden van de vroeg twintigste-eeuwse burgerlijke maatschappij door te prikken.

Misschien is de meest voorkomende Lebenslüge wel dat iedereen de eerste de beste wortel pakt en liegt over zijn echte Lebenslüge, om maar te ontsnappen aan de verplichting die onder ogen te zien. ‘Ooit maak ik een wereldreis,’ uitgesproken met een knipoog, een sarcastisch lachje en een wapperende hand: dat is veel makkelijker dan te zeggen ‘Mijn leven is draaglijk omdat ik me altijd dommer voordoe dan ik ben’ of, op mondiaal niveau: ‘Ons leven is draaglijk omdat we niet hoeven te zien hoe negentig procent van de mensheid lijdt voor de welvaart van de tien procent die de andere kant op kijkt.’

Vraag is dan: kun je ervan afkomen? En wil je dat? Dat ligt eraan wat je onder een goed leven verstaat. Het geluk is met de dommen nietwaar. Waarachtigheid is met de slimmen. Eerst moet je echter ontdekken wat je eigen Lebenslüge is. Iets wat je niet in een blogje voor elkaar krijgt. En ik beloof niet dat als ik mijn eigen Lebenslüge heb ontdekt, ik hem hier zal openbaren. Bij nader inzien is ‘wat is jóuw Lebenslüge’ misschien toch niet zo geschikt voor een kennismakingsrondje…

Help, wie ben ik!

kierkegaard_corsair

Mijn zus geeft college aan de universiteit. Ze vertelde dat ze, om te ontsnappen aan het oersaaie kennismakingsrondje aan het begin van een nieuwe collegereeks, alle studenten in de groep iets over zichzelf laat vertellen aan de hand van een paar vragen. Welke vragen dan, vroeg ik natuurlijk. Had ik beter niet kunnen doen, want sindsdien verkeer ik in een identiteitscrisis.

De vragen waren – in mijn woorden: wie ben je zelf en waar onderscheidt zich dat in? – tot welke groep reken je jezelf en wie zie je als de ander? – en welke materiële zaken dragen dat uit? Tel dit alles bij elkaar op en je hebt de schets van een identiteit. Handig bij een college over identiteit, want dan weet iedereen waar het om draait.

Ik hou enorm van dit soort vragen. Lekker over jezelf nadenken en dat ook nog hardop mogen zeggen! En je voelt je meteen begrepen, deel van de meerderheid (= veilig) of juist van de underdog (= cool). Kan niet missen. Zoals ik laatst merkte bij een lezing over gezinnen en de levensloop, waaruit bleek dat een hoge opleiding toch echt zo’n beetje de enige meerwaarde in het leven is (hoor die zaal vol hoogopgeleiden vergenoegd smakken). Of de lezing waarbij niemand de grote, zwarte gorilla door een filmpje ziet rennen tot de prof erop wijst. Heerlijk om met z’n allen ergens in te trappen.

Tot nu. Ik had beter moeten weten, na al mijn mijmeringen over spiegelende ikken en verwassen kledingstukken. Wie ben je zelf en waar onderscheidt zich dat door? Geen idee. Ben ik hoogopgeleid, tweeverdiener met een koophuis en een samenlevingscontract? Gatsie. Feestbeest, muziekliefhebber, parttime drankorgel? Bah. Zo’n type met drie katten, kattenharen op haar kleren en veel te veel saaie kattenverhalen? Nee toch! Migrant, echtscheidingskindje, halve wees, zwarte school? Ook dat.

Oké, volgende. Tot welke groep behoor je? Mogelijke antwoorden, vertelde mijn zus, zijn studenten, werkende moeders of Antillianen. Weer stond ik met mijn mond vol tanden. Een ding is zeker: tot die drie groepen behoor ik niet. Verder tast ik in het duister. Misschien helpt het om te denken in politieke termen. Ware het niet dat ik voor het eerst in mijn leven overweeg om op een andere partij te stemmen. Politieke identiteitscrisis, ook dat nog.

De ander? Lastige vraag in filosofenland. Wat bedoel je met de ander? Is dat een concreet iemand, een andere groep, of een ideologie, een angst, een belofte? Mijn scriptie over Kierkegaard ging uiteindelijk over de fundamentele onkenbaarheid van de ander (zeg maar simpel: de ander is anders dan ik), dus laat ik daar verder maar geen uitspraken over doen. Bijna wanhopig probeer ik iemand te bedenken, maar ik kom er niet op. Aha, toch iets gevonden wat me onderscheidt: ik kan me goed inleven in anderen, hou ook erg ervan om advocaat van de duivel te spelen. In een slechte bui betekent dit dat ik met iedereen medelijden heb, zelfs met dingen die kapot gaan, en met mijn aardrijkskundeleraar die werd weggepest toen hij beweerde dat een aids-epidemie goed was tegen overbevolking.

Wat was die laatste? Materiële zaken. Bijna zou ik zeggen: ik probeer liefst zo weinig mogelijk mijn identiteit te laten bepalen door materiële zaken. Maar iemand die zulke dingen zegt, is voor mij de ander. Opeens weet ik nóg een antwoord: mijn boekenkast. Natuurlijk. Noem me dan ook maar een lezer, nee een denker, nee een humanist. En de ander: dat is degene die niet begrijpt wat schoonheid is.

Morgen denk ik er vast weer anders over.

De volgende vraag van mijn zus aan haar studenten was makkelijker: wat moet je wel en niet doen om te beginnen met schrijven en het ook vol te houden. Het antwoord op dat kluwen van vragen is namelijk gewoon: doen.

A fierce personality, mijn betere ik

Saleisha_ANTM

Saleisha is America’s Next Top Model! Mijn heimelijke genoegen is allang geen echt geheim meer, hoewel er soms nog een onwetende mee te shockeren is. Komt ie: het enige tv-programma dat ik volg is America’s Next Top Model. En als dat niet draait, Hollands Next Top Model. En ik schaam me helemaal nergens voor.

Veel mensen vinden het gek dat iemand die dol is op Marcel Proust en afgestudeerd op Kierkegaard zich volledig laat meeslepen door een programma als ANTM. Dat iemand die alles verafschuwt wat riekt naar platte lectuur en een clichématige levensbeschouwing, nu al voor het negende seizoen op rij elke maandag om half negen klaarzit voor RTL 5. Die mensen hebben duidelijk nog nooit de moeite genomen dit programma te bekijken, laat staan volgen. Juist uit dit soort alledaagse, platte programma’s kun je veel waardevolle ideeën halen. Als je de programma’s bekijkt op het niveau van parabels of symbolische sprookjes, wordt complexe materie ineens inzichtelijk.

Wat is er zo leuk aan ANTM? Om te beginnen zijn er de in het oog springende feiten: Tyra Banks is grappig, integer, intelligent en een boeiende verschijning. Een gek wijf dat nooit met zo’n overslaand stemmetje zal zeggen ‘ach ik ben ook zó’n gek wijf!’ Zij bedacht een van de eerste en succesvolste programma’s in het format dat sindsdien tot op de laatste druppel is uitgemolken: het tien-kleine-negertjes-concept. Zet dertien wanna-be modellen bij elkaar in een huis, laat ze elke week voor een strenge jury door het stof kruipen, stuur er eentje naar huis, waar ze een compleet onbetekenend leventje moet gaan voortzetten, en richt op dit alles een camera.

Tyra is nooit bezweken voor de verleidingen van de sms-hype, waar alle Nederlandse reality-programma’s, inclusief Hollands Next Top Model, aan meedoen. Daardoor verwordt ANTM niet tot een populariteitsrace waarin andere waarden belangrijker zijn dan de eigenlijke vereiste van de winnaar, namelijk een goed model zijn. De meisjes hoeven zich alleen aan de jury te verkopen en niet aan het publiek. Zo kan binnen no time van een vrij onooglijk, maar niettemin zeer arrogant gangstermeisje uit Queens, een professioneel ogend model worden gemaakt, dat haar plaats weet en tegenover Tyra onzeker is over haar eigen kunnen.

Dat is wat ik zo leuk vind aan deze show (los van de make-overs, wanneer die ene met heel lang blond haar die er altijd tussen zit in huilen uitbarst als het eraf gaat, en de mooie jurken en bizarre make-up en de gekke poses en de lekkere male models en noted fashion photographer mister Nigel Barker): die meiden zijn aan het eind van de rit onherkenbaar veranderd. In de meeste gevallen verbeterd. Je hoort ze met de anderen maar ook met zichzelf worstelen, het is mijn betere ik in de praktijk gebracht. De echte bitch, die er ook altijd tussen zit, wint nooit omdat ze een echte bitch is. Daar houdt Tyra niet van.

Dit programma past dus eigenlijk helemaal in mijn straatje, ja, is een van de buren van A la recherche en Of/of. Het gaat over gewone mensen die zichzelf onderzoeken, die onder een vergrootglas liggen en zich niet van hun evenbeeld kunnen afwenden. In ANTM gebeurt dit zeer letterlijk (het is tenslotte tv) als de meiden een voor een hun foto van de week te zien krijgen. ‘Give me a close-up!’: en daar zien we een hand die verstijfd aan een arm bungelt. Of ogen die fierce zijn, with a fierce personality (fierce is zo ongeveer het hoogste wat je kunt bereiken en personality is de eerste voorwaarde).

Ze moeten hard werken, zeer precies zijn, en kunnen zich geen terughoudendheid veroorloven – want een terughoudend model is een saai model, niet fierce en zonder personality. Hetzelfde geldt voor filosofie en literatuur, toch? Dat dit alles in ANTM gepaard gaat met veel gegil en gejank… daar moet je maar tegen kunnen.

Ik ben er nog niet over uit welke ik leuker vind: de Nederlandse of de Amerikaanse editie. De Amerikaanse meisjes zijn mondiger en hebben een meer uitgesproken persoonlijkheid. Het budget voor de serie is overduidelijk veel groter, dus ze mogen echt toffe dingen doen. De Nederlandse show heeft dat stomme sms-element. En Daphne Deckers haalt het toch ook niet bij Tyra. Nou ja, als de ene is afgelopen begint de andere en vice versa, ik volg ze allebei.

Volgend jaar schijnt Daphne Deckers als jurylid in de Amerikaanse versie te zitten. Dat heb ik gehoord van mijn vriend. Die volgt het namelijk ook, hoewel hij natuurlijk nooit kijkt.