Gelegenheidsoptimist: Ode aan het zwart

Armando_gefechtsfeld

Een ode aan het zwart – kan dat wel als gelegenheidsoptimist? Toegegeven, het zwart is allereerst het angstaanjagende, overrompelende zwart, dat je kan omsluiten als plotseling invallend duister – zo ondoordringbaar dat je bijna niet durft te ademen. Een groot doek van Armando waar je per ongeluk te dicht op gaat staan. De randen rafelig in je ooghoeken, zodat je geen uitweg meer ziet. Het omvouwt je, beknelt je, houdt je gevangen. Doodeng en fantastisch tegelijk. Bij zo’n doek begon mijn liefde voor het zwart, al klinkt zo’n liefde misschien masochistisch.


Onlangs zag ik van Armando een ander werk, met daarop een bosrand. (Ik stel het maar even zo droog, los van de beladenheid van het werk.) Een ander zwart, dat toch hetzelfde is. De bosrand markeert de grens naar een andere wereld, of nee, de bosrand ís die grens, een niet-op-zichzelf bestaand gebied, zoals de lijn tussen twee aangrenzende kleurvlakken niet bestaat. Als je de eerste boom voorbijgaat kom je in het land van de  sprookjes. Als dat te aangenaam klinkt: de bosrand verbergt ook de wereld van Twin Peaks, het zwartste sprookje voor volwassenen. Maar je stapt die eerste bomenrij niet voorbij, want een bosrand is iets waar je van een afstand naar kijkt. Je probeert door te dringen in de duisternis. Onmogelijk. Zelfs op de helderste zomerdag kun je niet door het bos heen kijken. Waardoor je blijft kijken, enigszins verontrust en met kippenvel op je blote armen. De dreiging die van het zwart van de bosrand uitgaat is te groot, te onbekend. Ze vibreert van ontembare wildheid. Het zwart temmen, dat moet de volgende stap zijn.

David Lynch, die het zwart niet alleen in Twin Peaks, maar ook in zijn films en schilderkunst onderzocht, beschrijft het als een uitgang – een uitgang die ook een toegang moet zijn, en wel tot je eigen angsten en verlangens: ‘Black has depth. It’s like a little egress; you can go into it, and because it keeps on continuing to be dark, the mind kicks in, and a lot of things that are going on in there become manifest. And you start seeing what you are afraid of. You start seeing what you love, and it becomes like a dream.’ Je zit in je stoel, sluit je ogen en gaat de uitgang door, zo ver je kunt, totdat je ogen wennen aan het zwart en er dingen uit zichtbaar worden. Of misschien is het niet eens nodig om je ogen te sluiten.

Jarenlang woonde ik in een kamer waar ik de Arithmetische Compositie van Theo van Doesburg op de muur had geschilderd. Op ware grootte, 1 bij 1 meter. Het gekantelde vierkant van een halve bij een halve meter schilderde ik zo vaak over tot het inktzwart was. Je zag het meteen als je binnenkwam. Mensen die bij me op bezoek kwamen werden onrustig van die schildering. Na een snelle blik maakten ze steevast een ironisch bedoelde opmerking (‘gezellig’), daarna probeerden ze vooral niet naar de muur te kijken. Toch werken hun ogen steeds weer getrokken door dat vierkant. Anders dan het zwart van Armando, dat je hele blikveld vult en je lichaam omvat, waardoor je uiteen lijkt te vallen en alleen nog maar kunt proberen om jezelf te beschermen – anders dan dat bosrandachtige, dreigende zwart, had het vierkant van Van Doesburg een zuigende werking waardoor je aandacht zeer scherp werd. Als je langdurig in dat vlak keek (wat ik vaak deed), kon de wereld zomaar een heel helder aanzien krijgen.

(Daarvoor woonde ik in een kamer met de Compositie XVIII in drie delen op de muur – het befaamde stuk waarvan het middelpunt buiten het doek ligt, een punt in de lege ruimte van de (witte) muur, dat ik met mijn blik probeerde te vangen.)

Oh, wat zou ik er nu niet voor over hebben een ander zwart vierkant, dat van Malevich, tegenover mijn bank te hebben hangen! Ik denk dat ik er een beter mens van zou worden – scherp, geestig, dapper, als een haast mannelijke furie. ‘Het zwarte vierkant = gevoel, het witte vlak = de leegte voorbij dit gevoel.’ Het klinkt als een oosterse wijsheid, een koan waar je jaren op kunt mediteren. Misschien is het staren in het zwart van een vierkant ook een soort meditatie, waardoor alles bijeen wordt gehouden in plaats van uit elkaar valt. Het zwart is getemd en het zwart temt jou.

Ik wilde eigenlijk alleen maar schrijven over Theo van Doesburg. Omdat ik toevallig in de buurt van Drachten was, ging ik langs de school met twee van zijn glas-in-loodcomposities. Het zwarte vierkant is maar één kant van het verhaal, in die enorme hoeveelheid glas-in-lood die Van Doesburg maakte gaat het juist om licht. In het hoge gebouw in de Torenstraat woont tegenwoordig een vioollerares. Er tegenover staat een tattooshop. Om het glas-in-lood goed te zien moet je binnen zijn, zodat het buitenlicht erdoorheen kan vallen. Nu was het een donker patchwork dat zijn geheimen niet prijsgaf.

Later die dag zocht ik in het Kröller-Müller naar Van Doesburgs Compositie XVIII in drie delen. Het hing er niet meer. Opgeborgen in het depot om plaats te maken voor een tentoonstelling, denk ik. Ik hield stil bij de drie frames met glas-in-lood die daar ook staan opgesteld en waar ik nooit goed naar had gekeken. Voor het raam, met de bomen op de achtergrond, kreeg het licht vrij spel. Ik keek door de oppervlakte heen, tegelijk was er niets dan de oppervlakte om naar te kijken, het spel van vlakken en kleuren. Het leek alsof de oppervlakte van alles verborg, in het opene. Als ik haast nonchalant langs het kader van lood keek, was het alsof meteen daarachter het bos van de Veluwe begon. De bosrand, die rand zonder dikte, of anders met de dikte van een bos. De raamwerken verloren hun licht en werden in mijn toegeknepen ooghoek bijna zwart, zwarte vierkanten waar je niet meer doorheen kunt kijken. Een uitgang naar een andere wereld, waar je dat ziet waar je bang voor bent en dat waar je van houdt. Ik dacht aan de vioollerares en de tattooshop.

Lees bij De Optimist: Gelegenheidsoptimist: Ode aan het zwart

Armando wint VSB-prijs: ‘radicale somberte’

‘Op Armando!’
‘Op de wanhoop!’

Armando won gisteren met Gedichten 2009 de VSB-Poëzieprijs voor de beste bundel van het afgelopen jaar. 81 is hij inmiddels, maar hij heeft dus nog niets aan relevantie ingeboet.

Juryvoorzitter Maaike Meijer noemde de grondstemming van Armando ‘radicale somberte’. Een rake typering, die de poëzie ook direct in een verband plaatst met andere radicale sombermansen (mijn persoonlijke associatie: Michel Houellebecq). Neem het gedicht ‘Een galg’, dat hij bij de prijsuitreiking ook voorlas:

Ze dachten we gaan de aarde beklimmen,
we gaan de dood verjagen, we
zegenen de regen, we
brengen stenen naar de stad.

Ze zwoegden
en bouwden moeizaam een galg.

Het ijkpunt van Armando – zegt men steevast – blijft de oorlog. Het steengoeie van een gedicht als dit is natuurlijk dat het het ijkpunt achter zich laat. Ook zonder de (persoonlijke) ervaring van oorlog is het een krachtig gedicht, dat de lezer of luisteraar iets zegt over de mens, de dood, het lijden en vooral de onontkoombaarheid daarvan. De voordracht van de oude Armando, zittend op het lage podium, niet elke letter even helder meer articulerend, vond ik erg indrukwekkend. De woorden komen binnen, hard als een stomp in de maagstreek. 

armando_waldrand

Dat deed me terugdenken aan een aantal schilderijen die ik van hem zag op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam, samengesteld door Koningin Beatrix. Grote doeken, geen kleur, alleen wit en zwart. Ik houd van grote zwarte vlakken (zoals bij de Van Doesburgh die ik jarenlang als muurschildering had). Je kunt erin verdrinken, ze benemen je de adem. Je eigen lijden is dan opeens nietig, onbetekenend. Dat is de reden dat kunst in het teken van het lijden zo mooi en noodzakelijk kan zijn: het heft je eigen lijden op in het zicht van de absolute somberte. Ik vond de schilderijen haast letterlijk verpletterend, die intense zwartheid – zowel van vorm als inhoud. Misschien niet de meest subtiele kunst, maar wel effectief. Ik hou van effect, dat moet gezegd worden.(Heuglijk nieuws dus dat het Armando Museum dat zo noodlottig getroffen werd door brand, misschien naar Utrecht komt!)

Nu zou je denken dat ik geen fijne avond gehad kan hebben. Dat is niet waar, want Armando is een vrolijke, grappige man, met de lachers op zijn hand. Hij wilde de avond eindigen met een lolletje, verklaarde hij. Na het laudatio las hij geen gedichten uit de prijswinnende bundel voor, maar twee sprookjes, één over een leeuw en één over een muis. Prachtig en inderdaad lollig.

Mijn bewondering steeg daarmee tot grote hoogten. Een immens pessimisme, gekoppeld aan levenslust, geestigheid en sprookjes over dieren: dan heb je me al vier keer mee. Ik herken me er ook in. Onlangs had ik een gesprekje waarin ik verstrikt raakte in mijn eigen woorden. Ik houd van sombere, zware literatuur, zei ik. Ja, daarin ben ik wel een pessimist. Maar ik bén geen pessimist, ik zou mezelf juist eerder een optimist noemen. Misschien, peinsde ik, geloof ik eigenlijk niet in mijn eigen optimisme en zoek ik in de literatuur mensen die wel de waarheid durven te zeggen. Daar schrok ik van, dat ik dat zei. Alsof ik mezelf betrapte, en mezelf al jarenlang voor de gek houd. Zou Armando het ook zo zien? Moet hij schrijven over ‘radicale somberheid’ om in het leven vrolijk en geestig te kunnen zijn? En andersom – vrolijk zijn om in de kunst de allerzwartste afgrond in te kunnen kijken? Nee, het ‘dringt zich aan me op, en dat is geen lolletje,’ zegt hij in het filmpje dat hem introduceerde en dat ook in hieronder is terug te zien.

‘Ik kan niks,’ verklaart Armando ook. Raar dat mensen het zo goed vinden. Nou, da’s dus niet waar en niet raar. Armando besloot: ‘Nogmaals: neem me niet kwalijk.’ Doen we niet.

Get Microsoft Silverlight
Bekijk de video in andere formaten.

Karin Johannisson – De kamers van de melancholie

Op 8WEEKLY: Een huis voor de wolvenman

Wat is melancholie? Als niemand het je vraagt, weet je het, maar moet je het uitleggen, dan ontbreken je de woorden. De Zweedse hoogleraar ideeën– en wetenschapsgeschiedenis Karin Johannisson geeft in De kamers van de melancholie woorden aan dat onbestemde gevoel. Het hoofdthema van melancholie is verlies. Maar dat verlies heeft vele gedaanten: verlies van jezelf, van de wereld, van structuur.

Melancholie is de oervorm van het psychisch lijden, schrijft Johannisson, en die neemt de gestalte aan van de tijd waarin je leeft. Haar methode van onderzoek naar de geschiedenis van de melancholie is excellent: op zoek naar ‘collectieve gevoelens’ gaat ze uit van de premisse dat elk gevoel belichaamd wordt door een individu. Brieven, patiëntenverslagen maar ook romans zijn de voornaamste bron. Alleen al voor de citaten daaruit is dit boek absoluut de moeite waard. Een hele stoet melancholici trekt aan je voorbij, zonder dat er twee dezelfde zijn – vanwege de tijd waarin zij leven.

Glamoureus
Neem de zenuwen: als de wetenschap die een eeuw of drie geleden ontdekt, krijgt de elite er terstond last van. Verfijnde zenuwen worden mode, want ze staan in relatie tot een verfijnde smaak. Op een gegeven moment is de mode voorbij en is nervositeit typisch iets voor de lagere klassen. Of voor vrouwen. Melancholie neemt dan weer een andere vorm aan die sociaal geaccepteerd is, vaak gerelateerd aan intellectuele arbeid of aan kunstenaarschap.

Melancholie kan in die modieuze vorm ook een bijna glamoureuze rol zijn om te spelen. Terecht stelt Johannisson de vraag of dat iets afdoet aan het gevoel erachter. Jongelingen die in navolging van Goethes jonge Werther in een depressie belandden, zijn een beroemd voorbeeld. Natuurlijk lieten zij zich meeslepen en was het ‘hip’ om neerslachtig te zijn. ‘In onze tijd is melancholiek zijn de verhevenheid die iedereen aspireert’, aldus Kierkegaard. Toch laten patiëntenverslagen en brieven zien dat er écht geleden werd. Lees de beschrijving van Samuel Butler:

Zijn ziel woont in een zijn lichaam zoals een mol in de grond, die in de duisternis werkt en ingebeelde voortbrengselen opwerpt, […] hij denkt van glas te zijn en vreest dat alles waarbij hij in de buurt komt hem zal breken. Wat zijn gedachten ook maar binnendringt, het draait zich vast als een schroef, en hoe meer hij wrikt en weegt, des te dieper graaft het zich in.

Wolvenman
De kamers van de melancholie zijn veelvormig. In het boek gaan steeds weer deuren open, waarachter nieuwe en boeiende interieurs verschijnen. Zoals dat van de wolvenman uit de achttiende eeuw, waarin het dierlijke en wilde een uitweg zocht. Met als onverwacht symptoom: gulzig schrokken. Eten is een onderdeel van melancholie waar we nu niet meteen aan denken. Voor de achttiende–eeuwse melancholicus, die bij copieuze diners aanzit waardoor zijn lichaamssappen verstoord raken, is het een prominent symptoom. Barlaeus, de Nederlandse hoogleraar filosofie uit de zeventiende eeuw, eet

paling ‘vetter dan de dijen van Cleopatra’, baars met sneeuwwit vlees en brasem ‘even mollig als het achterwerk van Andromache’, en bovendien het verboden hazenvlees met zijn zwarte bloed. ‘Wat ben ik zelf anders dan een haas?’ In zijn relatie met voedsel bevestigt hij het beeld van de melancholicus die bezeten is van eten, of eerder nog van boulimisch verslinden. Na afloop heeft hij de zwartgalligheid uitgespuugd, zegt hij.

Nog één opmerkelijk voorbeeld. De moderne insomnia – slapeloosheid – berust misschien wel op een misverstand, zegt Johannisson. In vroeger tijden was het gebruikelijk om vroeg in de avond naar bed te gaan, na middernacht wakker te worden, een uur of twee te ‘verpozen’ en dan de tweede nachtrust in te gaan. Tegenwoordig associëren we elk nachtelijk waken met slapeloosheid en dus met een probleem. Een opvatting die duidelijk hoort bij onze op efficiëntie gerichte tijd. Wie heeft er nog tijd om tussen twaalf en twee gewoon wakker te zijn, zonder iets te doen?

Zelfverbranding?
De kamers van de melancholie
is niet een boek om in één ruk uit te lezen, daarvoor staat het huis te vol. De geschiedenis van al die individuen, gevangen in hun gevoelens, die weer gevangen zijn in de geschiedenis, kan je onrustig maken of juist ten prooi doen vallen aan de ennui van een dandy. Aan het eind blijft de lezer wel met een groot raadsel zitten: wat is in ’s hemelsnaam zelfverbranding?

Mode, kleding, stijl en identiteit: over het kiezen van een winterjas

Oktober, herfst, blij toe. Kan ik eindelijk mijn leren jack weer aan. Vijf jaar heb ik hem al en elk jaar is het weer een hoogtepunt als ik in september, oktober, dat dunne zomerjasje achter op de kapstok hang en mijn leren jas naar voren haal. Dat gewicht, je voelt dat je iets aan hebt. De geur van het leer, vooral als ik de kraag opzet en de punten op neushoogte komen te staan. Het geluid, dat krakend genoemd wordt, maar eigenlijk een eigen naam zou moeten hebben. Het belangrijkste is echter niet de jas, maar het dragen van de jas. Als ik naar buiten ga, op die eerste koude septemberochtend, voel ik het meteen: ik ben weer net iets meer mezelf.

Mijn leren jas past zo goed bij me, ik val er bijna mee samen. Waarom dan? Nou, hij is stoer, een beetje retro, na vijf jaar nog steeds hip, warm genoeg voor de winter, maar kort, strak en nonchalant.

Er bestaat onder welingelichte mensen een voorbehoud als het gaat om kleding als een manier om je identiteit uit te drukken. Ik snap dat nooit zo goed. Doet niet iedereen dat? Waarom zou het verkeerd zijn? Het is misschien niet goed om je te profileren alleen door je kleding, zonder dat er iets achter schuil gaat. Laat ik dan zeggen: via kleding kun je je identiteit benadrukken. Liever dan de mode te volgen, kun je in je eigen stijl tonen wie je bent. Je kunt daar maar beter over nadenken, want de omgeving zal via je kleding altijd een oordeel proberen te vormen over de naakte mens die eronder zit.

In de Groene Amsterdammer stond een aantal weken geleden een interessant artikel over ‘depressieve mode’. Nu kon ik die depressieve insteek niet zo goed volgen, maar enkele ideeën over kleding en identiteit zijn de moeite waard om over na te denken bij het kiezen van je winterjas. Zo wordt de filosoof Gilles Lipovetsky aangehaald: ‘De massaproductie van modeartikelen maakt het consumenten mogelijk complexe individuen te worden van een democratische, snel veranderende samenleving.’

Mode en massaproductie niet als vereenvoudiging, maar juist als een uitdrukkingsvorm van het complexe. Los van het feit dat de meeste mensen zich hier niets van aantrekken en er bij lopen als het zoveelste H&M-poppetje, is het niet moeilijk in te zien dat juist het enorme aanbod het mogelijk maakt je eigen stijl te vinden. En dat is niet een statisch proces, maar een complexe zoektocht die nooit af is. Met die stijl beantwoord je niet alleen aan een complexe maatschappij, waarin je verschillende rollen hebt en een steeds verschuivende positie inneemt. Een dynamische stijl doet ook recht aan een dynamische, complexe identiteit.

In het artikel wordt ook José Teunissen aangehaald, lector modevormgeving bij ArtEZ in Arnhem. Volgens haar is ‘het hebben van smaak – weten hoe je te kleden – een vitaal element van onze moderne visuele cultuur. Hierin zijn klasse en status niet meer per definitie aan afkomst gebonden, maar worden steeds opnieuw gedefinieerd in het almaar wisselende en zich wijzigende tekensysteem van de mode. Dat maakt mode zo interessant. In tegenstelling tot vroeger, waar mode slechts voor weinigen was weggelegd en je klasse bepaalde wat je droeg, kunnen rijk en arm voor de mode kiezen die hun aanspreekt.

Met vrijheid komt verantwoordelijkheid. Natuurlijk kun je je verre houden van mode en je kleden zonder verder stil te staan bij de betekenis van wat je aantrekt. Dat is een negatieve keuze, maar óók een keuze. Dus welke winterjas draag jij het komende half jaar? ‘Misschien is het ook wel uit respect voor jezelf dat je bepaalde kleding draagt die heel goed een deel van jezelf benadrukt.’


Eerder schreef ik ook over kleding en mode. Hieronder een selectie:

Ik kocht een lange, wollen jurk en wist dat er een kralenketting bij paste. Maar dat ging me te ver. ‘Waarom heb ik zo’n weerzin tegen het modeplaatje? … Het zal wel komen doordat ik het gevoel verafschuw dat ik iets doe omdat het moet. Noem het een autoriteitsprobleem. Maar… zie ik de modepopjes dan als autoriteit?’
Lang, wollig en charmant

Hebben bepaalde groepen mensen bepaalde schoenen aan? ‘Pas vijftien jaar later (au!) begrijp ik waarom mijn theorie als los zand aan elkaar hing: ik dacht helemaal niet vanuit de schoenen, maar vanuit groepen mensen. Ik beweerde dat ik aan de schoenen kon zien wie erin stond, wat ik eigenlijk deed was aan elk type mens een schoen toewijzen.’
Lang, wollig feestpakkie

‘Het gaat mis wanneer je je identiteit ontleent aan bepaalde kleren of merken. Dan wordt de trui een kostuum dat je aantrekt om een rol te gaan spelen, een masker om je achter te verbergen. Je wilt lijken op iemand anders, iemand die populair is of knap of succesvol, dus kopieer je uiterlijke kenmerken in de hoop dat je zo vanzelf ook innerlijk op hem gaat lijken. Een denkfout, natuurlijk, maar ook een noodzakelijke stap in het onderzoeken van wat kleding betekent.’
Gekostumeerd bal

”Inderdaad,’ zei iemand, ‘als ik me jou herinner in die tijd, zie ik zo’n zwart t-shirt van een band voor me.’ Daar was ik wel even heel makkelijk neergezet, teruggebracht tot een enkel kledingstuk. Oké, dat mag dan misschien wel een essentie van mijn identiteit hebben uitgedrukt, maar het is nou ook weer niet de bedoeling dat men je reduceert tot een verwassen t-shirt van een band die vast langzaam in marginaliteit en vergetelheid is weggegleden.
Verwassen, nooit bezeten identiteiten

‘Kleine fenomenologie van de mannenketting: die moet er oud uit zien, liefst van leer of een beetje zwart uitgeslagen zilver, de hanger is een klein flesje, een tribal symbool, een schelp of iets anders uit de natuur. Draag er liefst meerdere tegelijk, van verschillende lengte. Over het t-shirt heen, natuurlijk, zodat de meisjes ze kunnen zien. Die ketting drukt zelfvertrouwen uit (ik draag een ketting maar ben geen mietje), geeft blijk van een interessant leven (weet je hoe ik aan die haaientand gekomen ben?) en een nonchalant soort ijdelheid (ik heb wel sieraden, maar draag ze losjes, met drie tegelijk). Allemaal zaken waar meisjes van houden.
Fenomenologie van de mannenketting

Zou je jezelf je eigen leven toewensen?

titaantjes_waren_we

Stel je voor, je krijgt de kans om een brief te sturen aan je jongere ik. Wat zou je erin zetten? Welke kennis wil je jezelf meegeven, voor welke misstappen jezelf behoeden? In Titaantjes waren we staan 75 brieven van Nederlandse auteurs aan hun jongere ik. Het boek verschijnt ter gelegenheid van de Boekenweek. Voor 8WEEKLY schreef ik er een recensie over. Maar op de echt interessante vragen kun je in een recensie eigenlijk niet ingaan.

Boeken waarin de schrijvers een duidelijke opdracht is gesteld, verleiden de lezer haast automatisch ertoe die opdracht zelf ook te vervullen, al is het maar in gedachten. De lezer zal een stuk eerlijker zijn, omdat niemand de brief zal lezen. Bij het zoveelste ‘wees gerust, alles komt goed’ in Titaantjes waren we, kon ik een gaap niet meer onderdrukken. Waren dit echte schrijvers? Waar was hun verbeeldingskracht dan gebleven? Ik bedoel niet dat het van weinig fantasie getuigt om uit te komen op ‘alles komt goed’ (hoewel dat ook zeker zo is). Ik bedoel dat zij blijkbaar zijn vergeten wat er in de tussenliggende tijd gebeurd is en zich niet kunnen voorstellen wat er nog staat te gebeuren.

Wie weet lopen ze morgen onder een tram. Of erger nog, hun kind. Krijgen ze kanker. Of erger nog, hun kind.

Wie weet hebben ze jaren geleden iemand verloren en zijn ze daar bovenop gekomen. Ze denken dat ze kunnen zeggen ‘alles komt goed’. Maar bagatelliseren ze daarmee niet de diepe ellende die de jongeling nog voor zich heeft? Vind ik wel.

Mooier zijn de brieven die het kind in ere houden. Die eerlijk en rauw zijn, zoals het leven dat dat kind tegemoet gaat. Zou je jezelf je eigen leven toewensen? Dat is nog eens een echte vraag. Bijna te eerlijk voor een gelegenheidswerk. Toch stelt Adriaan van Dis die vraag in zijn brief en het antwoord is niet vertederend, geruststellend of bagatelliserend.

Zou je jezelf je eigen leven toewensen? Ik word er bijna bang van, van zo’n vraag. Omdat er meerdere, ook negatieve antwoorden op te geven zijn. (Los van wat mijn eigen antwoord zou zijn.)

Het is een vraag die ook gesteld wordt in The Pillowman, een toneelstuk van Martin McDonagh. Op Wikipedia heet het een zwarte komedie, maar in mijn herinnering was het toch vooral zwart. De pillowman bezoekt kleine kinderen met een ellendig leven in het vooruitzicht en overtuigt ze ervan er een eind aan te maken, voor het te laat is. Geinig.

Wanneer is het te laat? Voor de meest ellendige kinderen is het bij hun geboorte al te laat. Dan rest alleen te zeggen, ‘het was beter geweest als je niet was geboren’, zoals Grunberg schrijft in zijn niet-geschreven brief. Zulke mistroostige woorden hebben geen plaats in een jubileumboek, vind hij. Nu staan ze er toch in, in de inleiding. Van Dis bewijst dat zo’n brief juist in een vrolijk jubileumboek waarin alles goed komt, tot de beste van het geheel behoort.

Lees ook mijn recensie Boekenweekessay: een jubileumboek als goudmijn op 8WEEKLY

75 auteurs schreven op uitnodiging van de CPNB een brief aan hun jongere ik. Het resultaat is bijeengebracht in Titaantjes waren we, een bijzondere uitgave van het Boekenweekessay, ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Boekenweek. Tips over je kapsel en huiveringwekkende visioenen: het is er allemaal in terug te vinden.

De 75 schrijvers uit Nederland en België vormen samen een mooie staalkaart van de Nederlandse letteren, van columnisten tot oeuvrebouwers. Dit levert natuurlijk niet 75 briljante brieven op (wat een luxe zou dat zijn!), maar wel een fijn bladerboek waarmee je de tijd tot de volgende Boekenweek goed doorkomt.

Vooral doorgaan
Wat zou je je jongere ik willen meegeven van de kennis die je nu bezit? Het is een open vraag die veel dezelfde antwoorden oplevert, namelijk: niets. Of: vooral doorgaan, alles komt goed. Er rijst een archetype van de schrijver uit op. Die was als kind eenkennig, had niet veel vriendjes maar wel gekke kleren, hield zielsveel van lezen en produceerde zijn eerste gedichtjes en verhaaltjes al op de lagere school. Vaak is het eerste inzicht in de menselijke eenzaamheid hem of haar al op de kleuterschool overvallen. Zal dat ooit goed komen? Ja, stelt de oudere gerust, alles komt goed. Alleen al het feit dat ik nu deze brief schrijf, op uitnodiging, zegt genoeg.

Dat, zoveel mag duidelijk zijn, zijn de minder interessante brieven. Gelukkig variëren veel schrijvers op hetzelfde thema. Sommigen op een grappige manier. Arthur Japin die zijn ik toebijt: ‘Wat dacht je, op school kotsen ze me uit, laat ik mijn populariteit eens opschroeven door op ballet te gaan?’ Herman Koch laat een oud-klasgenote aan het woord die hem juist zijn populariteit en arrogantie verwijt. Dat hij ooit beroemd zou worden, ja, dat zat er toen al in. Wat ervan waar is weten we niet. Maar wie naar het fotokatern in het midden van het boek bladert, stuit op een pasfoto van de jonge god Herman Koch, die als een Jim Morrison met Alexander de Grote-kapsel in de camera loert. Wie had dat gedacht.

Brillenwinkel
De meeste indruk maken de auteurs die de opdracht bloedserieus hebben genomen. Want wat zou je werkelijk tegen je jongere ik zeggen als je de kans kreeg? Dat is niet niks. Gerrit Komrij: ‘Briljante jongen, op weg naar het niets. (…) De literatuur is een doodlopende straat.’ Vooruit, hij eindigt met: ‘Begin een brillenwinkel.’ Dan Adriaan van Dis. Hij schreef een van de kortste en indrukwekkendste brieven met een duister visioen, dat nog dagenlang een huivering langs mijn ruggengraat trok. Dan dacht ik gauw weer aan Aaf Brandt Corstius, die een heerlijk vraag-en-antwoord-spel bedrijft. ‘Nog iets: pas laat in je leven zul je ontdekken welk kapsel bij je hoofd past.’

De brieven in Titaantjes waren we zijn gealfabetiseerd op voornaam, zoals kinderen dat zouden doen. Dat gezegd hebbende, blijkt uit bovenstaande hoe je het boek níet moet lezen: na Aaf, Adriaan en Arthur, kwamen Gerrit en Herman nog aan, maar daarna verslapte aandacht en werden Jan tot en met Willem steeds meer een herhaling van zetten. Dat komt niet door de brieven van Jan en Willem senior, maar door de overdaad. Doe het rustig aan en je hebt een Boekenweekessay om een jaar lang plezier aan te beleven.

Een oneindig dunne draad

wiskundige_punt

‘Mijn ritme veranderde: overdag sliep ik, ’s nachts lag ik wakker. Ik begon ook last te krijgen van een soort angstvisioenen, waarbij ik het gevoel had dat alles zich samenbalde tot een compacte massa, kleiner en kleiner, tot er uiteindelijk één loodzwaar punt overbleef. Niet te harden zo zwaar. Daarna raakte de boel weer los en ontstond er een draad, die almaar dunner werd, oneindig lang en dun, en dan weer dikker en weer dunner, heen en weer…’

Herman Finkers was als kind ernstig ziek, vertelt hij in Hollands Diep. Dit angstvisioen stamt uit die tijd. Een herkenbaar visioen, dat gevoel dat je almaar groter wordt, uitdijt als het heelal, tot je opeens weer heel klein en nietig bent, als een wiskundige punt, omringd door oneindig veel andere punten. Loodzwaar inderdaad, zo zwaar dat het net zo goed licht kan zijn.

Dit zo treffend verwoorde visioen verwijst naar een gedeelde menselijke ervaring (mocht Finkers dat nog niet weten, dan verzeker ik het hem hierbij). Een vriend bekende eens schoorvoetend dat hij soms, tijdens een koortsaanval of in een heel zwaarmoedige bui, alle gevoel voor proporties verloor en daar het gevoel voor terugkreeg een lange, uitgerekte draad te zijn. Alsof je in een zwart gat gezogen wordt, dat eindeloos, aan alle kanten aan je trekt, je verplettert onder een enorm gewicht. De deegroller van het niets. Zwarte materie. Er hoorde ook een marcherende stoet bij, van talloze andere draden, die tegelijk reusachtig veel groter en microscopisch veel kleiner waren. Ook dat herken ik. Eenmaal had ik dit visioen als klein kind en vertaalde de hoeveelheid draden of punten of zwarte gaten in Chinezen, omdat ik kort tevoren had geleerd hoeveel er daarvan leven. Meer dan een miljard.

‘De angst dat een klein wollen draadje, dat uit de rand van de deken steekt, hard zal zijn, hard en scherp als een naald; de angst, dat dit kleine knoopje van mijn nachthemd groter is dan mijn hoofd, groot en zwaar; de angst, dat dit broodkruimeltje, dat nu van mijn bed valt, van glas is en in duizend splinters zal stukspringen op de grond, en de beklemmende vrees, dat daarmee eigenlijk alles gebroken zal zijn, alles en voorgoed; de angst, dat het strookje papier van een opengescheurde envelop iets verbodens is, dat niemand zien mag, iets onbeschrijflijk kostbaars, waarvoor geen enkel plekje in de kamer veilig genoeg is; de angst, dat ik, als ik in slaap val, het stuk steenkool zal inslikken dat voor de kachel ligt; de angst, dat er een of ander getal in mijn hersens zal beginnen te groeien, tot het geen ruimte meer in mij heeft; de angst, dat het graniet is, grijs graniet, waarop ik lig; de angst, dat ik zou kunnen schreeuwen en dat men dan voor mijn deur zou gaan samenscholen en haar ten slotte openbreken; de angst, dat ik mij zou kunnen verraden en alles zeggen, waarvoor ik bang ben; en de angst, dat ik niets zou kunnen zeggen, omdat niets is uit te spreken, – en de andere angsten… de angsten.’

Rilke voegt met deze beschrijving van het visioen, uit Het dagboek van Malte Laurids Brigge, nog iets toe: wol. Voor mij hebben wollen pluisjes evengoed met het visioen te maken. Daarom is die eerste zin ook zo treffend. Maar wat wol ermee te maken heeft? Misschien is het de structuur: wol vormt eenheid, maar vol lucht (lege materie) en die piepkleine pluisdraadjes die eruit steken zijn nu eenmaal onverdraaglijk. Op de kleuterschool hadden mijn vriendinnetjes en ik eens voor de grap een vel papier versnipperd en in de lucht gegooid. Het sneeuwt! De juf was boos. We moesten alle snippertjes een voor een oprapen van de vloer. Nog steeds voel ik het kippenvel dat de pluizige vloerbedekking mij gaf, toen ik met duim en wijsvinger die snippertjes probeerde te pakken. Een vormende ervaring.

Hoe het visioen te verklaren, deze gedeelde menselijke ervaring (vier casussen, uit drie landen, drie generaties en twee sekses)? Het uitdijende heelal, de zwarte gaten en de microscoop wijzen een mogelijke weg om het visioen te duiden. Het gaat om afstand. De allergrootste afstand – die tussen sterrenstelsels en tot aan het einde van de ruimte; en de allerkleinste afstand – van deeltjes die ontsnappen aan alle natuurwetten en op verschillende plekken tegelijk kunnen bestaan. De mens, wij, staan daar precies tussen. Het allergrootste verhoudt zich zo tot het allerkleinste, met de mens als gemene deler. Maar soms dringt de afstand zich aan ons op, hij trekt aan ons van beide kanten, duwt ons weer samen, maakt ons plat, verplettert ons. Niet alleen tegenover het immense staan we nietig; ook tegenover het piepkleine. Niet eens pluisjes, maar draadjes die uit het pluisje steken. (Niet voor niets beschrijft de astronomie de ruimte als ‘schuim’.) Als we bestaan uit deeltjes die op meerdere plekken tegelijk bestaan, wie zijn we dan? Het is de ervaring van de onmogelijke mogelijkheid van oneindigheid.

Het laatste woord is aan Rilke: ‘De werkelijkheid is langzaam en onbeschrijflijk uitvoerig.’

Rotstukje

dolkstootlegende

Tweemaal sinds ik met dit blog begonnen ben, heb ik gedacht: ‘Oeh, hij heeft geluk dat ik zo’n beleefd en aardig meisje ben, anders had ik hem genadeloos door het slijk gehaald, voor altijd en eeuwig, met dank aan Google.’ Het is dat ik mezelf voor geen goud wil vergelijken met Heleen van Royen, maar de parallellen met haar column over de vrij foute uitspattingen van Rob Oudkerk drongen zich bij die gelegenheden aan me op. Maar ja, lief en aardig hè. Ik ben nu eenmaal niet zo goed in ruziemaken – in elk geval niet van het soort waarbij je elkaar uitmaakt voor rotte vis.

Aan de andere kant hebben degenen die zo lief en aardig door mij gespaard worden, dat ook vooral te danken aan mijn eigenbelang. Ik wil mezelf niet vergelijken met Heleen van Royen, maar krijg al helemaal stuipen bij het idee dat anderen dat doen. Bovendien ben ik wel zo pragmatisch dat het me heel onhandig lijkt om vijanden te hebben, ik probeer al mijn hele leven iedereen te vriend te houden (dus eigenlijk weet ik niet of het onhandig is, misschien toch een keer uitproberen).

Eigenlijk heb ik drie keer de ‘hij heeft geluk gehad-gedachte’ gedacht. De eerste keer speelde eigenbelang zeker een rol. Ik was op een zeer lullige manier op straat gezet bij mijn oude werk en had niets liever gedaan dan ze hier helemaal zwart te maken. Maar dat is niet zo handig als je met een uitkering in je nieuwe koophuis zit en heel hard op zoek moet naar een nieuwe baan. Mijn website en blog waren óók bedoeld om juist over te komen als een heel leuke, allergeschikste kandidaat voor die ene toffe vacature.

Eenmaal weer aan het werk, zakte het hele verhaal van dat lullige einde bij mijn vorige baan ergens ver weg in het geheugen, daar waar de minder leuke herinneringen liggen te verstoffen. Ik moest er nog wel aan denken toen ik mijn stukje schreef over verraad – want verraad is wat het was. Maar ik haalde mijn schouders op. Ik stond er inmiddels boven.

Tot het moment dat ik erachter kwam dat het allemaal nog veel erger was dan ik had geweten, erachter kwam dat er sprake was van dubbel verraad. Op mijn verjaardag sprak ik een oud-collega, die vertelde dat ‘de baas’, degene die er verantwoordelijk voor was dat na twee jaar mijn contract niet werd verlengd, had gezegd dat ‘dat een verkeerde keuze was geweest’. (Eigenlijk driedubbel verraad, want maanden eerder had ik al gehoord dat iemand anders wel dat vaste contract had gekregen dat mij zogenaamd met geen mogelijkheid geboden kon worden.)

Deze man, die tegenover mij had verklaard dat het ‘een kwestie was van optellen en aftrekken en dan kwam de Telegraaf Media Groep in de min uit’, ‘het heeft niets met jou persoonlijk te maken, alleen met cijfertjes’ – alsof je je beter voelt als je weet dat cijfers belangrijker zijn dan mensen – nou goed, hij dus, had nu even tussen neus en lippen door tegen een derde laten vallen dat hij een fout had gemaakt.

Ik vind dit een rotstukje worden. Waarom schrijf ik hierover, als ik dit al op mijn verjaardag heb gehoord? Dat is een goede vraag. Omdat het precies het geniepige aantoont van verraad: dat je het niet vergeet, dat je het niet vergeeft, dat het niet slijt en zo maar, opeens, in een wolk van stof opnieuw kan aanvallen.

Over druipende hersenen en dode huidcellen

Goya_droom_rede

Ik heb Louis van Gaal ontmoet. Ik zag hem langs lopen en riep in zijn oor: ‘Drie nul! Ja!’ Vooruit, het was in een droom. Dat maakt deze ontmoeting voor Van Gaal misschien minder belangrijk, voor mij niet. Dingen die me in mijn slaap overkomen hebben soms meer impact dan het wakende leven. Net zoals kleine, onbeduidende voorvallen soms meer betekenis hebben dan die waar je niet omheen kunt, wier relevantie zo overduidelijk is dat ze saai worden.

Nadat ik Van Gaal had toegelachen stapte ik de kroeg in. Lekker, biertje drinken. Ik was nog niet binnen of ik zag twee jongens, ladderzat, boezemvrienden in hun dronkenschap, de armen om elkaars schouders, pils in de hand. Dat gaat mis, wist ik. En inderdaad, ze namen nog een laatste slok en vielen toen strak achterover met hun kop op de betonnen vloer. Armen om elkaars schouders. Ik keek meteen weg, maar zag aan de gezichten aan de bar dat het waar was – dat hun schedels gekraakt waren en hun hersenen eruit dropen.

Niet kijken, niet kijken, dacht ik en ik keek niet maar zag het toch. (Het was immers een droom, alle beelden hoorden bij mij, ook degene die ik niet wenste te zien.) Ik spande me zo hard in om niet om te kijken naar de boezemvrienden en hun gulp hersenen op de betonnen vloer, dat ik wakker werd. Ik deed mijn ogen open en zag meteen weer de wittige brij, de leeggelopen bierglazen naast hun hoofd, de armen nog steeds om elkaar schouders. Ik moet dit onthouden, dacht ik, hoewel ik het liefst zou vergeten. Maar ik moet morgen toch kunnen vertellen dat ik over Van Gaal heb gedroomd.

Steeds als ik weer wilde gaan slapen, stond ik in de kroeg, een halve slag gedraaid zodat ik de jongens wel moest zien.

’s Ochtends fietste ik naar het station. In de Halmaherastraat zat een kat op wacht. Hij keek alsof hij zich zwaar beledigd voelde omdat ik Halmaherastraat zo’n gekke naam vind. Opeens herinnerde ik me mijn droom weer. Hoe was ik in vredesnaam op dat beeld van die druipende hersens gekomen? Door de kat wist ik het: eens, op een andere ochtend, fietste ik ook naar het station vanaf de andere kant van de stad. Op de busbaan lag een aangereden kat, een zwarte, met witte hersentjes die uit zijn gespleten schedel dropen. In de verte kwam de volgende bus aan. Ik raakte in paniek en ben hard weggefietst. Diezelfde dag heb ik als een soort boetedoening het nummer van de dierenambulance in mijn telefoon gezet, zodat ik de volgende keer (alsjeblieft, laat er nooit een volgende keer zijn!) wél adequaat kan handelen.

Natuurlijk had ik van mijn fiets moeten stappen, de bus tegen moeten houden met wilde armgebaren, aan moeten bellen bij huizen langs de weg, alles moeten doen om te zorgen dat die arme, roemloos gestorven poes niet nog eens overreden zou worden door een harmonicabus van dertien meter. Dat heb ik niet gedaan.

Ik weet dat als ooit mijn leven als een film aan me voorbij zal gaan, ik die kat weer tegenkom. Als een beschuldigende vinger. Chris uit Into the Wild schiet een eland, voor niets, want het vlees begint al bijna meteen te rotten. ‘It is the great tragedy of my life,’ noteert hij in zijn schrift. Het onrecht achtervolgt hem, net als het beeld van die aangereden kat mij achtervolgt. Daar zie je de mens in zijn lelijkste vorm: als hij de dieren niet met respect behandelt.

In de trein gaat een meisje tegenover me zitten. Uit haar tas haalt ze een wattenschijfje en een reinigingslotion. Doodgemoedereerd begint ze haar gezicht schoon te maken, ze slaat geen porie over. Daarna wrijft ze met twee handen een crème uit. Volgt nog een lotion en nog een wattenschijfje. Ik word er onpasselijk van. Ik zie de vuiligheid en de bruine, dode huidcellen voor me op het wattenschijfje dat nu in het prullenbakje belandt. Niet kijken, denk ik, maar ook nu zie ik het toch. En het is niet eens een droom waarvoor ik niemand anders dan mezelf verantwoordelijk kan houden.

Ergens hangt het vieze wattenschijfje samen met de druipende hersenen op een busbaan of betonnen vloer. Die laatste zijn mijn eigen brandmerk, het wattenschijfje is me opgedrongen door een toevallige passant op donderdagochtend acht uur. Ze lijken in geen verhouding tot elkaar te staan. Een droom en de werkelijkheid, dode huidcellen en dode boezemvrienden (die kat was ook iemand zijn boezemvriend). Beide onbeduidend, beide in staat de hele dag te kleuren in het vaalgrijs van drab – uit de schedelpan of uit een porie.

Misschien is het geen toeval dat de aangereden kat, de dronken boezemvrienden-tot-in-de-dood en het wattenschijfje zich zo aan me opdringen. Gisteren begon ik in Dood op krediet van Louis-Ferdinand Céline en las ik als tussendoortje Sokrates’ verdediging van Plato. Dat heb je soms op novemberdagen, dat de dood als een afgevallen herfstblad door de hemel waait.

Daarom, Louis van Gaal: bedankt. Door jou hing er in elk geval ook nog een vaag gevoel van victorie over deze kattige, katerige ochtend.