Stel dat je 200 jaar oud zou worden

Stel dat je tweehonderd jaar zou worden. Maar echt, probeer te voelen wat het zou betekenen dat de mens gemiddeld tweehonderd werd in plaats van tachtig. Of nee, niet de mens gemiddeld, maar jij persoonlijk. Tijd is iets wat je moet beleven, wat je moet voelen in je eigen geest en lichaam, in ruimte en, ja, tijd. Dus als je 32 bent en je stelt je voor dat je pas eenzevende van je leven achter de rug hebt, in plaats van eenderde – hoe voelt dat dan?

De vraag kwam op in de serie Time, waarin wetenschappers vertelden over hun onderzoek naar sterfelijkheid – uiteraard met als doel onderzoek te doen naar ónsterfelijkheid. Een enkeling beweerde glashard dat de kinderen van nu al onsterfelijk zullen zijn – hoewel je beter kunt zeggen dat ze te maken hebben met ‘uitgestelde sterfelijkheid’. Dood zal de mens altijd wel gaan, door ongelukken of moord, zo vertelde de wetenschapper. Alleen niet meer aan veroudering.

De meeste mensen zullen zich geen voorstelling kunnen maken van een leven zonder einde (eindeloosheid gaat hoe dan ook het voorstellingsvermogen te boven), ook niet van een leven waarin het einde volkomen arbitrair zal zijn. Als je alleen nog maar doodgaat aan auto-ongelukken en psychopaten, en voor eeuwig zult leven als je die toevallig niet tegenkomt, brrrr, wat een ellendig leven heb je dan! Wie zal er nog de straat over durven steken, wie gaat nog alleen op reis of in het donker over straat?

Tweehonderd jaar, daarentegen, daar kunnen we wat mee. Ik wel in elk geval. Tweehonderd! Perfect! De presentator van het programma sloeg de spijker op z’n kop. Ik stel nu wel rationeel de vraag ‘Stel dat…’ maar toen die vriendelijke natuurkundige het op tv hardop uitsprak, was het geen rationele overweging of een idee dat ik in mijn hoofd moest verwerken – ik voelde de gedachte in mijn borstkas nog voor ik de consequenties verstandelijk begreep. En ik zeg je: het was een gevoel van opluchting.

Opluchting die even lang duurde als een ademteug. Want ik ben niet het kind van nu met haar uitgestelde sterfelijkheid, ik ben waarschijnlijk net een kwart eeuw te laat geboren.

Hoewel, is dat zo erg? De meeste onderzoeken naar dit onderwerp worden uitgevoerd op wormen en muizen. Door bepaalde genen te vervangen of aan te passen, kan de levensduur van de dieren verlengd worden. Als een organisme 18.000 genen heeft zoals de muis, en er is een gen verantwoordelijk voor het verouderingsproces, dan is het een kwestie van tijd voordat dat gen getraceerd is. Van de muis naar de mens is vervolgens niet zo’n grote stap. Een jaar of twintig, dertig.

Ik denk dat die kinderen van nu de proefkonijnen van morgen zullen zijn. Hoe erg is het dan om te vroeg geboren te zijn, te oud voor een verjongingskuur? Stel dat ze een foutje maken en je niet tweehonderd jaar zult leven, maar oneindig?

Aan het einde van zijn zoektocht langs wetenschappelijk verantwoorde onsterfelijkheid hield de presentator verschillende mensen een flesje levenselixer voor. Zou je het drinken? De belofte van de eeuwige jeugd waarmaken? Het is de keerzijde van de vraag die Friedrich Nietzsche stelt in De vrolijke wetenschap. Stel je voor, dat op een keer een duiveltje je op de schouder tikt en zegt dat je dit leven nog eens moet leven en dan nog ontelbaar veel keren. Er zal niets nieuws aan zijn, iedere pijn en ieder genot, elke gedachte – ook deze – komt terug. De zandloper wordt steeds weer omgedraaid. Zou je je dan knarsetandend ter aarde werpen en de duivel vervloeken? Of zou je zeggen: nooit hoorde ik iets goddelijkers?

Voorlopig is onze sterfelijkheid nog niet uitgesteld, laat staan dat we de zoete dan wel bittere onsterfelijkheid kunnen proeven. Doet er niet toe. De belangrijkste vraag – wat zou het voor ons betekenen – kunnen we nu al stellen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *