De Grote Onrust II

doors_film

In de lente woedt De Grote Onrust het hevigst. Er woedt dan al van alles, dus dat kan er ook nog wel bij. Niet alleen mensen die altijd wel een beetje last ervan hebben, maar alles en iedereen, van boom tot bloem, van poes tot puber, voelt in zijn binnenste iets gisten en heeft de drang om tot Grote Daden over te gaan. De natuur heeft maar geluk dat het haar allemaal automatisch afgaat – elk jaar weer die verwondering over bladeren die binnen een dag de koude takken verzwaren, alsof het niets is, alsof iedereen dat zomaar zou moeten kunnen.

Lente is belofte, een belofte die bovendien wordt ingelost door de wereld om ons heen. Dat sterkt je in het idee dat je het zelf ook zou moeten kunnen. En de ingeloste belofte is ook altijd zo mooi! Nooit stelt de lente teleur. Als je er maar voor gaat, liggen zulke prachtig mooie resultaten voor het oprapen! Dat is wat de lente ons vertelt.

De belofte van de lente heeft voor mij een specifiek geluid: dat van The Doors. Dat komt omdat ik The Doors ontdekte in de lente dat ik veertien werd, dezelfde lente dat ik mijn eerste sigaret rookte en voor het eerst dronken was (dit is alleen in mijn herinnering waar, de eerste sigaret was eigenlijk op een Valentijnsfeest en de eerste dronkenschap ergens in oktober). Het was het jaar van Oliver Stones film over Jim en zijn band, en 25 jaar na the summer of love (bijna dan: The Doors stamt uit 1991 en in die tijd zal dat betekend hebben dat hij in ’92 in de Nederlandse bioscopen draaide, inderdaad 25 jaar na 1967). Ik wilde natuurlijk ook een summer of love meemaken, liefst met een Jim Morrison-lookalike. En de muziek van The Doors, beluisterd in de lente, beloofde mij dat dat ook zou gaan gebeuren. Als ik nu (ik reken niet eens meer uit hoe veel jaren later) in april of mei Break On Through hoor, of Love Her Madly, of Roadhouse Blues, dan heb ik het bijna niet meer van beloftevolheid – een ander woord voor De Grote Onrust, niet eens Duits of Engels.

Tegelijk, en dat is het lullige van de lente, nodigt al dat gebloesem en zonnegeschijn alleen maar uit tot luieren. Niets werkt zo goed tegen De Grote Onrust als de zon. Opeens blijkt het toch mogelijk om minutenlang met de ogen dicht helemaal niets te denken. Uitzonderlijk. Sinds ik een tuin heb, ben ik opeens een buitenmens. Mijn bijna veertienjarige zelf moest niets hebben van dat buiten zijn dat iedereen altijd maar de hemel in prijst, vooral omdat het sociaal moest zijn. Bah! Denk je dat Jim Morrison sociaal was? De man die zijn haar liet knippen naar het model van Alexander de Grote? Nee dus.

Maar in je eigen tuin moet niets, zeker niet sociaal doen. Dus nu ben ik degene die elke maandag naar haar hoofd geslingerd krijgt dat ze wéér bruiner is geworden, bijna strafbaar bruin, beledigend bruin, asociaal bruin. Ik voel me aangesproken: De Grote Onrust begint zich weer te roeren. Had ik niet in de tuin moeten zitten? Zien ze aan me dat ik lui ben en niet tot Grote Energie in staat? Ach, denk ik dan, Proust leefde ook jarenlang een ijdel leven om het later op te kunnen schrijven. Dat is ook de lente: een beetje verwaand, totaal overtuigd van eigen kunnen, exhibitionistisch en een optimist. Zeg maar: mijn veertienjarige zelf op betere momenten.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *