Episode in Rome

Staande aan een barretje een espresso drinken. Op de trappen van een oeroude fontein een ijsje eten. De allersmerigste plaatpizza in vierkante stukken naar binnen werken onder een hete tl-lamp. Rome-associaties heeft iedereen en ze hebben bijna allemaal met eten en drinken te maken. Een oud-collega is een leuk weblog gestart waarin ze dit soort associaties tot leven brengt, met tips, anekdotes en smakelijke verhaaltjes van een fervente Romeganger. Ciao tutti heet het.

Het kon niet anders of de stukjes brachten me terug in de tijd dat ik zelf in Rome was. Ja, ik was in Rome, drie weken lang, dertien jaar geleden, achttien jaar oud en zo blond als Anita Ekberg.

Drie lange weken, waarna ik gillend gek ben weggegaan.

Ik had prachtige, romantische voorstellingen bij de hoofdstad van de kunst, van de oudheid, van de liefde. De taal vond ik betoverend, die ging ik dan ook bestuderen. Ik schreef me in op het Instituto Italiano en kreeg een kamer toegewezen in een appartement aan de Via dell’Amba Aradam, nummer 28 meen ik. Mijn geluk kon niet op, ik prevelde voortdurend die woorden Via dell’Amba Aradam, Via dell’Amba Aradam, Via dell’Amba Aradam. Het huis had een gietijzeren toegangshek, een beroemde kerk om de ene en een idyllisch park om de andere hoek.

Mijn beeld van Italië bestond grotendeels uit – gek genoeg – eind negentiende-eeuwse, begin twintigste-eeuwse, Engelse romans van Henry James en E.M. Forster (A room with a view!), en films over gentlemen en adellijke wildebrassen die in Rome, Florence en Siena een lotsbepalende ‘episode’ in hun leven meemaakten.

Ik was gek op de Renaissance en op De ontdekking van de hemel (dat ik op mijn zestiende in een lange, koortsachtige zit uitlas). Oude grafstenen, symbolen, dikkige engeltjes op wolken, het Vaticaanse fluweel, palmbomen, het Colosseum, Vespa’s, la dolce vita

Al in de nachttrein maakte ik kennis met een deel van Italië waar ik niet echt ideeën over had: het mannelijke deel van de bevolking. Met vijf oudere zakenmannen deelde ik een slaapcoupé die walmde van het zweet. Het zou nog veel erger worden. Op dag één moest ik al drie mannen teleurstellen, en op elke volgende dag van de eenentwintig die ik in Rome doorbracht, hield ik me tussen de twee en tien keer bezig met het negeren, afwimpelen, uitschelden, wegduwen en kleineren van mannen.

Overdag zat ik op school, ’s middags zwierf ik door de stad, meestal te voet. Ik dronk koffie staande aan de bar, bestelde broodjes bij de bakker aan de overkant, at elke dag en ijsje tegenover het Pantheon of in Trastevere. En negeerde, wimpelde af, schold uit, duwde weg en kleineerde.

Terug in mijn kamer aan de Via dell’Amba Aradam lag ik op bed te balen, zoals je op je achttiende baalt. Het appartement was van twee jongens die hun kamers verhuurden aan buitenlanders. Zelf sliepen ze in het piepkleine rommelhok. Ik had de kamer van de schrijver gekregen. De ander was regisseur; in zijn kamer woonden een Frans meisje, Pascalle, en haar Nieuw-Zeelandse vriend Bede. In de kamer van de ‘schrijver’ was één plank met boeken te vinden. Ik herkende er eentje van: De Celestijnse belofte van James Redfield.

Mijn laatste avond in Rome. Er stond een etentje met Pascalle en Bede op het programma. Net toen het eten klaar was ging de telefoon. Bede’s hond was dood, spuitje gekregen. Alleen gelaten, met mijn bord op schoot, las ik dan maar in de Lonely Planet. Zou ik nog een paar dagen naar Florence gaan?

De schrijver kwam binnen. Met een ernstig gezicht ging hij naast me zitten. ‘Ik ben blij dat je weggaat,’ zei hij. Goh, bedankt. ‘Ik heb me drie weken lang bijna niet kunnen inhouden. Het idee dat jij in mijn bed lag te slapen. Mijn bed! Ik wilde… ik smachtte…’

‘I hate you!’ Het was het enige wat ik uit kon brengen. Ik bedoelde te zeggen, ik haat jullie, jullie mannen, jullie Italianen. Maar ik corrigeerde mezelf niet en liet hem denken dat hij op zichzelf belangrijk genoeg was om te haten.

Sindsdien heb ik geen voet meer in Italië gezet. Maar nu ik de stukjes lees over koffie en de Piazza Navona, voel ik weer de romantische opwinding van januari 1997, vlak voor ik vertrok naar het beloofde land. Nu ik ongeveer even oud ben als Anita Ekberg durf ik een episode misschien wel weer aan.

Categorie├źnBlog

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *