Gesprek in het rookhok

De enige plek in Tivoli waar je kunt zitten is het rookhok, dus na een concert lang schudden met de billen, ging ik in het rookhok zitten roken. Nauwelijks was ik geïnstalleerd in de hoek van een lange bank, of mijn buurman boog zich naar me toe. Of ik helemaal alleen ging zitten roken. Nou, zei ik, ja. Overigens, benadrukte ik nog maar eens, ging ik vooral zitten en was het roken een noodzakelijke, ongevraagde bijkomstigheid. We rookten. Of hij ook bij De Jeugd van Tegenwoordig was geweest? Nee, alleen Pop-o-matic. God, ja, het was immers donderdagavond, studentenavond, Pop-o-maticavond. Ik was er, op de allereerste Pop-o-matic tien of elf jaar geleden, en heb in de jaren daarna elke donderdagavond in Tivoli rondgehangen (één zomer verplaatste Pop-o-matic naar Ekko). ‘Ik ben al een hele tijd niet op Pop-o-matic geweest,’ vatte ik hardop mijn mijmeringen samen. ‘Ik moet meestal op vrijdag werken.’

Er ontspon zich een gesprek via het werk aan de universiteit, literatuurwetenschap en filosofie naar geloof. We spraken over de ziel, of die wel of niet bestond, en welke substantie zo’n ziel dan zou hebben. Ik geloof wel in de ziel in de zin van persoonlijkheid, maar dat dat een klompje is dat ergens in je binnenste huist, met een aangeboren of erger nog voorbestemde kern, wil er bij mij niet in. Bij hem, wel. Het gesprek werd een discussie, de discussie werd verhit. We hadden er lol in dat de andere rokers vreemd opkeken als woorden zich met nadruk losmaakten, woorden als ‘ziel’ ‘reïncarnatie’ ‘atheïst’ en ‘dood’.

Want ik geloofde nergens in, behalve in de mens, die sterfelijk is, en mijn rookgenoot geloofde in zielsverhuizingen en een leven na de dood. Pertinente onzin natuurlijk, zeker na een biertje of wat. Hij wist het net zo zeker als ik. Hij had mensen verloren in zijn leven en hij wist zeker dat zij niet zelf verloren waren. Egoïst! riep ik, dat geloof je alleen uit zelfbescherming. Is het bovendien niet een vreselijke gedachte dat je na je dood nog een eeuwigheid moet zweven tussen het hier en daar, dat je zelfs dan geen rust hebt? Was hij het natuurlijk niet mee eens.

Zo ging het door, inmiddels zat ik aan mijn derde sigaret. De jongen dacht erover om filosofie te gaan studeren. Doen! riep ik. Nee, geen psychologie kiezen!

Opeens zei hij – vast niet opeens, maar het kwam als een baksteen uit de rokerige lucht vallen – hij zei: ‘Ik ben ook nog maar achttien.’ Mijn verbijstering was groot, ik probeerde mijn gezicht stil te houden. Hij ging door: ‘En ik ben pas twee dagen achttien, eigenlijk ben ik nog zeventien.’ Dat was natuurlijk niet waar, alle minderjarigen krijgen tegenwoordig bij het betreden van Tivoli een rood armbandje, zodat ze geen sterke drank kunnen kopen. Maar toch. Zeventien op twee dagen na?

Ik doofde mijn peuk en stamelde iets over vrienden zoeken. Niet alleen had ik drie sigaretten lang met een bijna-minderjarige zitten praten, ik had hem beschuldigd van egoïsme, hem misschien wel van zijn geloof afgeholpen. Aan de andere kant: wie weet ging hij nu filosofie studeren (ik had gedacht dat hij het als tweede studie wilde gaan doen, maar ik zat blijkbaar met een scholier te praten) en werd hij een briljant denker, dankzij mij. Op je achttiende kunnen de gesprekken die je voert in een rookhok levensveranderd zijn, toch?

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *