Monade

monade

‘Ik ben toch zeker geen monade!’ riep ik eens in een ruzie met een geliefde. Tip: gebruik in ruzies, zeker met geliefden, nooit woorden waarvan je mag aannemen dat de meerderheid van de bevolking de betekenis niet kent. Het komt de ruzie niet ten goede. Dat neemt niet weg dat monade een woord is dat even normaal zou moeten zijn als geliefde of ruzie, even spreektalig zelfs als – pak ‘m beet – slet of eikel.

Wat is een monade dan? In mijn eigen bescheiden woorden zeg ik: zoiets als ‘een op zichzelf staande eenheid die geen anderen nodig heeft om te bestaan’. Misschien kan ik beter uitleggen wat ik in die ruzie eigenlijk wilde roepen. Zoals zoveel ruzies tussen geliefden begon het ermee dat ik volgens de ander iets fout had gedaan. Dat was waar. Die fout stond echter niet op zichzelf, alsof ik in mijn eentje een relatie had, maar had een lange voorgeschiedenis van twee personen die in doen en laten volkomen verstrengeld waren geraakt. Die voorgeschiedenis kun je niet uitschakelen om een van de twee vervolgens verantwoordelijk te stellen voor een fout. Diegene is toch zeker geen monade!

De monade werd me dierbaar, nadat ik dit woord eenmaal had ontmoet (sommige woorden ontmoet je, leer je kennen, begin je te waarderen om na een tijdje bevriend mee te raken, mee in de kroeg te hangen, ruzie mee te maken). Niet omdat ik het wil zijn, het een ideaal vertegenwoordigt of een heerlijke staat van geluk aangeeft, nee, het is me dierbaar als woord dat zo vaak van toepassing is. Hoeveel woorden zijn er die bruikbaar zijn in de meest uiteenlopende omstandigheden en toch genuanceerd zijn en een geschiedenis met zich meedragen? Weinig. Turba is er misschien nog zo een.

Ik moest weer aan de monade denken omdat ik hem tegenkwam in Het boek der rusteloosheid van Pessoa. ‘In een flits je ware zelf zien, zoals op dit louterende moment, is plotseling besef hebben van de innerlijke monade, van het magische woord “ziel”.’ En bij zulke woorden, die niemand ooit gebruikt, maar je toch heel dierbaar zijn, is het net als met muziek die onbekend is maar toch heel goed: met ieder ander die er ook van houdt, heb je automatisch een band ook al verschil je verder van elkaar als hemel en aarde. De hoofdpersoon van dit boek lijkt me bij uitstek een monade – en geeft meteen het bewijs dat dat geen nastrevenswaardig doel is, door de ervaring een monade te zijn positief te waarderen. Hij is teruggetrokken, depressief, angstig, niet een ‘waar zelf’ om te begeren. Mocht hij ooit tegen iemand roepen dat hij toch zeker geen monade is, dan zou die ander kunnen zeggen: ‘Echt wel!’ Maar hij is zozeer een monade dat ik me niet kan voorstellen dat hij tegen iemand ook maar iets zal roepen (ik ben pas op pagina 54 van de 649).

Nu realiseer ik me wel dat mijn monade een monade uit velen is. Op de Engelse Wikipedia is er een hele pagina die onderscheid maakt tussen de filosofische, wiskundige, musicologische en computertechnologische monade. De liefdesrelatiemonade staat er niet tussen, maar gaat terug op de filosofische variant (Leibniz heeft een hele monadologie ontwikkeld – dat gaat me te ver). Toch was ik het meest verrast door de (Nederlandse) beschrijving van de wiskundige vorm:

Bij de Pythagoreërs (volgelingen van Pythagoras) was de monade het eerste ding dat ‘was’. De monade bracht de dyade voort, die de getallen baarde. De nummers kregen punten, die de lijnen voortbrachten. Uit lijnen kwamen tweedimensionale entiteiten voort, die lichamen vormden. Uit de lichamen ontstonden de vier elementen aarde, water, vuur en lucht waaruit de rest van de wereld is opgebouwd. De monade was dus een centraal concept in de Pythagorese kosmologie, die er vanuit ging dat de wereld – letterlijk – opgebouwd was uit getallen. Dit wordt gesteld in het werk van Diogenes Laertius: Over het leven van vooraanstaande filosofen.

Ik voel hieruit de oneindig dunne draad zich afwikkelen, waarover Finkers en Rilke spraken. De monade die getallen baart, een lijn voortbrengt, oneindig veel punten punten punten. De oerangst die zij beschrijven is de ervaring van een monade: dat ondeelbare punt in de kosmos waar er oneindig veel van zijn, allemaal alleen, afgesloten, een lijn

En dat past weer wonderwel bij Het boek der rusteloosheid, zoals hier:

Achter mij, aan de andere kant van waar ik lig, raakt de stilte van het huis aan het oneindige. Ik hoor de tijd vallen, druppel voor druppel, en niet één druppel die valt kan men horen vallen. Mijn fysieke hart onderdrukt fysiek mijn tot niets herleide herinnering aan alles wat was of wat ik was. Ik voel mijn hoofd stoffelijk aan het kussen plakken waarin ik het heb laten zakken. Mijn huid en de huid van de sloop raken elkaar als mensen in het donker. Het oor waarop ik lig, etst zich mathematisch in mijn hersenen. Ik knipper met mijn ogen van vermoeidheid en mijn wimpers maken een miniem, onhoorbaar geluid op het gevoelige wit van het rechtopgezette kussen. Ik adem zuchtend en mijn ademhaling vindt plaats – is niet de mijne. Ik lijd zonder te voelen of te denken. De huisklok, vaste plek ginds achter de dingen, slaat droog en nietig het halve uur. Alles is zo veel, alles is zo diep, alles is zo zwart en zo koud!

Vanaf vandaag mag iedereen in een ruzie roepen: ‘Ik ben toch zeker geen nomade!’ Of nog beter: ‘Denk maar niet dat je een monade bent!’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *