Pragmaticus vs. spervuur

Ik ging eten bij een vriend, een oud-studiegenoot van het Radboudjaar. Een van de weinigen (misschien wel de enige) uit die tijd met wie ik nog contact heb, hoewel sporadisch. Het leuke van zo’n gedeeld verleden op de Wijsgerige Faculteit, in combinatie met sporadisch contact, is dat een avondje eten vrijwel direct uitloopt op een filosofisch spervuur: geen ditjes en datjes, want daar zie je elkaar te weinig voor. Ik had de eerste hap nog niet genomen of ziekte, dood, liefde, een gebroken hart, kinderen, echtelijke trouw, geloof, literatuur, filosofie en God waren al langsgekomen.

Ik ontdekte die avond twee dingen over mezelf. Onvermijdelijk dat je iets over jezelf leert in een filosofisch spervuur (en een spervuur was het, omdat we het over enkele fundamentele kwesties nooit eens zullen worden). Vergelijk het met het bekende associatiespelletje: waar denk je aan bij blauw, bij zomer, bij een paard. Maar dan op een net iets ander niveau.

Het eerste waar ik achter kwam is dat ik relativist ben. Dat klinkt vies. Ik bedoel dat ik steeds weer uitkwam op fundamentele onzekerheid, twijfel. ‘Maar ik heb niet de pretentie te weten dat…’ is een zinswending die ik die avond wel tien keer heb gebezigd. ‘Je moet je toch ergens op baseren,’ was dan de terechte repliek, ‘je hebt toch wel enige principes.’ ‘Ja,’ zei ik. ‘Mezelf.’ Best schrikken als je jezelf dat hoort zeggen. Het is niet egoïstisch bedoeld, waar het me om ging én gaat is dat ik alleen mijn eigen ervaring als uitgangspunt durf te nemen en niet voor anderen wil spreken. Of juist wel: advocaat van de duivel spelen is een favoriete bezigheid van mij, want ik probeer me altijd in te leven in de situatie van de ander. Wat me het meest tegen de borst stuit – in filosofisch, moreel, maar ook wetenschappelijk opzicht – is inderdaad de pretentie van sommige mensen dat ze iets zeker weten. Zelfs van mezelf weet ik meer niet zeker dan wel.

Maar sommige dingen, zo dachten we hardop verder, moeten toch zeker zijn. Ook, juist in filosofisch en moreel opzicht. Ik kreeg een gedachte-experiment voor mijn kiezen. Je zit in een luchtballon die te pletter dreigt te slaan. Medepassagiers zijn een stuk of tien kinderen. Er moet ballast overboord en de enige opties zijn jij zelf of twee van de kinderen. Wie is de lul?

‘Die kinderen,’ zei ik meteen. Dat was het enige moment van de avond dat er een stilte viel. Ik probeerde het nog te verzachten door erop te wijzen dat dit ook zo’n situatie is waarin je nooit weet of het wel zo zeker is wat er staat te gebeuren. Voor hetzelfde geld spring je er zelf uit en slaat de ballon alsnog tegen de rotsen. Of blijkt dat het mandje blijft hangen aan een tak. Stel, je springt eruit en al die kinderen moeten in the middle of nowhere, op een Lost-achtig eiland overleven. Wat moeten ze dan zonder volwassene?

Twee zelfinzichten dus. Moet ik die ontdekkingen met elkaar in verband zien? Als mijn enige principe mezelf is, is het dan gek dat ik mezelf red en niet de kinderen? Maar is dat principe dan niet toch gewoon egoïstisch? Toch vind ik dat mensen die zo overtuigd kunnen zeggen dat ze natúúrlijk de kinderen redden, precies weer een voorbeeld geven van die vreselijke pretentie dat je het allemaal zeker weet. Ik weet niet zeker of ik niet zelf uit het mandje zou springen. Maar ik weet ook niet zeker dat ik het niet zou doen. Ik heb het immers niet meegemaakt.

Misschien is mijn principe niet mezelf, maar de situatie. Elke situatie is anders, dus ook van jezelf kun je niet uitgaan. Je kunt alleen proberen consistent te zijn, want dat is wel een van mijn principes, waarmee ik het relativisme in bedwang probeer te houden. Consistent zijn betekent iets anders dan in herhaling vallen of onvermurwbaar zijn. Als je zoals ik gelooft in fundamentele onzekerheid, is het consistent om elke situatie opnieuw in te schatten en te proberen daar, volgens wat je weet uit eigen ervaring, het beste van te maken. Dat verklaart meteen mijn plezier in het advocaat-van-de-duivel-zijn.

In de trein naar huis besloot ik dat ik geen relativist ben, maar een pragmaticus. Mooi, want dat klinkt een stuk minder vies. Toch nog zekerheid.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *