Statusangst en de remedie van Schopenhauer

statusangst

Ik heb eens de fout gemaakt om zomaar, zonder nadenken, te laten vallen dat ik misschien wel een beetje last heb van statusangst. Op mijn werk. Dat heb ik geweten, want die tussen neus en lippen door geplaatste opmerking is al een paar keer terug in mijn gezicht geboomerangd.

Wat ik bedoelde was dat ik soms bang ben dat mensen me niet serieus nemen. Dat komt natuurlijk voort uit een menselijk al te menselijke onzekerheid over het eigen kunnen (misschien wel vrouwelijk al te vrouwelijk). Tijdens mijn studie is dat verder gevoed doordat de mannelijke studenten serieuzer werden genomen dan ik (een vrouw), ook al waren ze minder serieus met hun studie bezig dan ik.

Nu werk ik aan de universiteit en ontmoet ik aan de lopende band doctoren, hoogleraren en oude mensen die op gratis lezingen afkomen. Om de vriendelijke der openingszinnen te memoreren: ‘Goh, wat studeer jij?’ ‘Is dit een leuk bijbaantje?’ Zucht. (Begin ik al vervelend te klinken? So be it.)

Om me te wapenen tegen die mensen – die het over het algemeen goed bedoelen -, om me te wapenen tegen mezelf en mijn achteloze opmerking die maar niet ongedaan gemaakt wil worden, besloot ik het boek Statusangst te lezen. Ik had me de titel van Alain de Bottons boek eigen gemaakt zonder het ooit opengeslagen te hebben. (Ik hoor nu sommige mensen denken: als dat is hoe het zit met die belezenheid van jou, geen wonder dat je dan last hebt van statusangst. So be it.)

Bij De Botton gaat het meer om afgunst op materieel vlak en niet zozeer om de angst geestelijk niet voor vol te worden aangezien. Keeping up with the Joneses, de auto van de buurman en zo. Zoals hij dat zo goed kan, traceert hij de geschiedenis van die afgunst en biedt hij handreikingen waar de lezer in het dagelijks leven wat mee kan aanvangen. Vroeger hadden mensen geen last van statusangst omdat de maatschappij een hiërarchie kende die onveranderlijk werd geacht. Met opwaartse mobiliteit, keuzevrijheid en van die dingen meer, ontstond de overtuiging dat je succes van jezelf afhangt. En dat anderen je daarop mogen, nee zúllen afrekenen.

Dat lijkt niet echt op mijn probleem van toepassing. Het interesseert me werkelijk geen biet wat voor auto de buurvrouw rijdt. (Een onderdeel van mijn hippie-opvoeding waar ik me gelukkig mee prijs.) Nee, het probleem ligt ook niet in het feit dat anderen meer hebben, kunnen of doen en dat ik dat ook wil, het gaat niet om bezit. Het gaat natuurlijk om gedachten. Dat is ook de fuck-up eraan. Want bezit kun je beïnvloeden en gedachten niet.

Maar gelukkig heeft Alain de Botton ook altijd een oplossing. Die oplossing is meervoudig en ga ik hier niet helemaal uit de doeken doen (de catharsis die tragische personages bieden, want hun zit het al helemaal niet mee, het aantrekkelijke van een bohemienbestaan (zie hippie-opvoeding)). Eén citaat is echter blijven hangen:

‘Andermans hoofd is een te ellendige plek om als zetel voor waar geluk te dienen.’
Arthur Schopenhauer, Parerga en Paralipomena

Dit werkt in noodsituaties als een mantra. En vervolgens, als de statusangst is gaan liggen, als een instrument voor methodische reflectie. Wat statusangst – of in elk geval mijn verschijningsvorm ervan – doet, is jouw waarde laten afhangen van wat zich in het hoofd van een ander afspeelt. Van gedachten inderdaad. Andermans gedachten kun je niet veranderen, maar je kunt ze wel negeren. Beter gezegd: jouw versie van andermans gedachten – die per definitie onkenbaar zijn – kun je negeren.

Dat schept rust. Pfiew, wat is jouw hoofd een ellendige plek om als zetel voor mijn geluk te dienen, bekijk het maar! Daar doe ik niet aan mee. Maar daar moet je niet stoppen (zeg ik, niet Alain de Botton). Want er zijn natuurlijk mensen wier mening wél waardevol is. Die wél als de zetel van je geluk dienen (bij wijze van spreken). Wie zijn dat? Dan wordt het interessant.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *