Over Bas Heijne op Humanistisch Verbond

heijne

Op de website van het Humanistisch Verbond: De eigen opvatting en emotie als standaard

Moeten wij van elkaar houden?

Heijne signaleert in zijn ontleding van het populisme twee tendensen: aan de ene kant is er steeds meer openheid, globalisering en daarmee anonimisering (schoolvoorbeeld: Wikileaks). Aan de andere kant sluiten we ons collectief op in onze eigen, kleine, individuele belevingswereld. Die belevingswereld wordt geregeerd door emoties en ook gezag wordt alleen op basis van emotie toegekend. Het liefst in de vorm van een ‘verlosser’ die de hele open, geanonimiseerde maatschappij eens flink door elkaar schudt.

Pim Fortuyn is daar een voorbeeld van, maar Heijne haalt ook De idiootvan Dostojevski aan als een archetypisch verhaal van een buitenstaander die de gemeenschap moet regenereren. De dodelijk zieke jongen Ippolit (die overigens ook onuitstaanbaar is, maar kun je een hekel hebben aan een doodzieke jongen?) leest in een gezelschap van burgerlijke dames en heren zijn ‘testament’ voor. Pointe van Ippolits manische bekentenis: hij gaat er een eind aan maken. Het interesseert de dames en heren hoegenaamd niets. In een hartverscheurende passage rent Ippolit naar buiten, zijn einde tegemoet, terwijl de aanwezigen klagen over verkrampte ledematen van het lange zitten. Wat zullen we nu eens gaan doen? Ippolit is de buitenstaander die noodzakelijk is om een gemeenschapsgevoel te creëren, schrijft Heijne.

Ik voel me aangesproken door de analyse van Heijne, omdat ik de twee tendensen – openheid en eigenheid – ook bij mezelf waarneem, maar dan tegelijkertijd. Wel van de kosmopolitische netwerkgeneratie, maar ook gericht op beleving en individualiteit. Die twee gaan voor mij samen. Zijn het wel twee tegengestelden?

Wat mij juist opviel in die scène uit De idioot is het verraad aan de buitenstaander. De enorme genadeloosheid waarmee de rest over zijn ellende heenstapt. Emotieloos en anoniem. Misschien wil de samenleving wel een verlosser, maar ze zal de verlosser nooit accepteren (Zoals ook blijkt uit de beroemde parabel over de Groot-Inquisiteur uit De broers Karamazow: zelfs als Jezus in eigen persoon op aarde terugkeert, zal men hem niet accepteren.). De mensen zijn inderdaad zoals Heijne zegt alleen bezig met hun eigen belevingswereld (dat verhaal van die zelfmoordenaar heeft me een stijve nek opgeleverd). Maar tegelijk blijven ze volkomen emotieloos.

Hoe breng je die schijnbare tegenpolen in evenwicht? Hoe breng je emotie in de open samenleving, zonder dat iedereen zich opsluit in zijn eigen kleine wereldje? Het laatste hoofdstuk van Moeten wij van elkaar houden geeft een haast literair antwoord. Uiteindelijk houdt Heijne een pleidooi voor de twijfel. Als kind hoorde hij over ‘de onbekende god’ van de Atheners, die de christenen helaas weer moesten invullen. Terwijl de oplossing juist ligt in het wel erkennen van iets wat buiten jou bestaat (niet per se iets goddelijks), zonder dat meteen met je eigen beleving in te vullen. Tegelijk open, globaal en anoniem en hyperindividueel, emotioneel en eigen.

Je moet dat laatste echter niet tot standaard verheffen, en dat dat zo vaak gebeurt is precies de oorzaak van de problemen. Niet alleen in de politiek of media, maar voortdurend, overal om je heen verheffen mensen hun eigen opvattingen en emoties tot standaard. Ik verbaas me bijvoorbeeld vaak over hoe gesprekken worden vervormd: ‘X zei dat Z geen idee heeft waar ze mee bezig is’ [vul intonatie van afkeer in]. Maar misschien zei Z wel dat ze even niet weet wat ze met de situatie aan moet [vul intonatie van twijfel in].

De twijfel en de onbekende god brengen mij een andere negentiende-eeuwer in gedachten. Kierkegaard schreef (naast god) over het geheim. Elk mens is fundamenteel onkenbaar en dat onkenbare stukje is het geheim. Dat geldt voor mij, dat geldt voor jou. Toegegeven, dat is een enge gedachte. Het misverstand regeert als je elkaar niet kent. Tegenwoordig zie je uitmelken van het misverstand óm te regeren. Maar het geheim is ook de plek waar openheid en anonimiteit samenvallen met individualiteit en emotie. De onbekende god van de Atheners, die draagt elk mens in zichzelf. Zolang het niet een god in het diepst van mijn gedachten wordt, is dat prachtig. Ik ben bang dat Kierkegaard en Dostojevski de maatschappij niet gaan redden. Maar het geheim maakt misschien een kans. Niet om te ontmaskeren, maar om van te moeten houden.

Kierkegaard – Brieven: plan, geheim en misverstand

kierkegaard_brieven

‘Niets brengt een mens zo tot ontwikkeling als het vasthouden aan een plan, tegen de hele wereld in. Zelfs als het iets slechts zou zijn, dan nog zou het een mens in hoge mate ontwikkelen.’

Søren Kierkegaard, Brieven, 31 oktober 1841

De opgave om een plan te trekken in het leven, een idee ten uitvoer te brengen, vasthoudend te zijn, komt in zoveel teksten terug, dat het haast wel waar moet zijn. Zo ook bij Kierkegaard, van wie ik de Nederlandse bloemlezing uit zijn Brieven lees. Tegelijk verklaart hij zich in deze brieven ook schatplichtig aan het misverstand. Nu zijn misverstanden inherent aan het brievenschrijven. Net als bij sms en e-mail gaat er in een papieren vriendschap nuance verloren. Brieven raken zoek of worden juist te haastig verstuurd zonder ze nog eens over te lezen.

Maar het misverstand betekent bij Kierkegaard meer. Het is een fundamentele gesteldheid van het menselijk verkeer – en in die zin besteedde ik er een flink deel aan van mijn afstudeeronderzoek voor de master Wijsbegeerte. Op zoek naar wat ik daar toentertijd ook alweer over beweerde, stuitte ik in mijn digitale bureaula op de introductie die ik schreef voor de verdediging van mijn scriptie. Omdat ik verbaasd was hoezeer die woorden uit 2005 nog steeds voor mij opgaan (want het is niet alleen een samenvatting van mijn onderzoek, maar ook van mijn levensovertuiging), en dus blijkbaar een plan vormen waar ik mij aan vasthoud (goed dan wel slecht), wat weer bovenstaand citaat illustreert – daarom hieronder een letterlijke kopie.

Het probleem dat ten grondslag ligt aan mijn onderzoek is de vraag hoe we kunnen begrijpen dat de mens vrij is, terwijl hij toch ook gebukt gaat onder de dingen die hem in de werkelijkheid, buiten zijn wil en buiten zijn macht om overkomen. Dit probleem is tevens het kernpunt van de tekst ‘Weerspiegeling’ uit Of/Of van Søren Kierkegaard. In dit stuk gaat het om het ‘ware tragische’. En dat is volgens Kierkegaard precies de samenkomst in de mens van vrijheid of subjectiviteit en gebondenheid, determinatie door de feitelijke werkelijkheid.

In de tekst wordt dit uitgewerkt aan de hand van de menselijke verhoudingen: het blijkt dat deze dubbelheid van de menselijke conditie pas echt problematisch wordt in de omgang met de ander. Het is een kennisprobleem: ik kan mezelf niet volledig doorgronden vanwege de duistere inwerking van de werkelijkheid op mijn leven. Daardoor kan ik ook niet de ander kennen, of uitleg geven aan de ander over mijn leven.

Kierkegaard symboliseert dit door ‘het geheim’. Het geheim is een concrete uitwerking van de kloof tussen mijn subjectiviteit, mijn idealiteit, iets wat helemaal van mij is, en de werkelijkheid van de andere mens die hier geen kennis van heeft. Maar een geheim is niet alleen iets van mijzelf: het wordt me gegeven door een ander ofwel de noodzaak tot geheimhouding wordt ingegeven door de ander, door de reacties van anderen. Het geheim is niet altijd een gegeven dat ikzelf wel ken en begrijp – het kan ook iets in mezelf zijn dat voor mezelf verborgen blijft, juist omdat het zo met de ander verbonden is. Dat helpt natuurlijk niet bij de omgang, want als ik mezelf niet volledig doorschouw, kan de ander het ook niet. Ik kán mezelf niet aan de ander openbaren.

Het misverstand is dan ook structureel in de relaties tussen mensen. Overigens wordt dat niet alleen maar als vervelend beschouwd, maar zelfs als wenselijk. Later zal duidelijk worden waarom.

Om dat echter te kunnen begrijpen was het nodig ook andere teksten van Kierkegaard in mijn onderzoek te betrekken. Uiteindelijk volg ik hem door de ethische levensfase en de religieuze levensfase heen om meer licht op dit punt te laten schijnen. Het blijkt mogelijk om een soort ‘oplossing’ te formuleren. Het geheim blijft een grote rol spelen, maar verandert van gedaante. Het is niet meer alleen op te vatten als een concreet feit dat ik verborgen houd voor de mensen om me heen, maar als iets fundamenteel menselijks. Het geheim, of misschien eerder het heimelijke, dat ook voor mezelf een geheim is en blijft, representeert dan ‘het andere’. In het religieuze verbindt Kierkegaard het andere aan de goddelijke oorsprong, maar we kunnen het ook op een seculiere manier begrijpen. Wat de gang door de andere teksten duidelijk heeft gemaakt is dat het tragische niet zozeer gelegen is in de kloof tussen mijzelf en de ander, de kloof die ontstaat omdat de ander mij niet zou kunnen begrijpen en ik een geheim voor hem bewaar.

Het tragische misverstand is precies de overtuiging dat ik als enige een geheim heb dat ondeelbaar is. ‘Het andere’ in de algemene zin is namelijk iets dat alle mensen delen. Ieder mens, kunnen we zeggen, is op een volstrekt eigen manier volstrekt anders – maar in het feit dat dat geldt voor ieder mens ligt toch een gemeenschappelijkheid besloten. Hoewel de tragische kloof tussen mijn subjectiviteit en de werkelijkheid, tussen mij en de ander, tussen de vrijheid en de gegevenheid dus zeker bestaat, betekent dat niet dat een gedeeld beleven daarvan onmogelijk is.

En daarin ligt denk ik een zinvolle manier om met dit probleem om te gaan. Het geheime of andere – dat dus in verband staat met het passief gebukt gaan onder gebeurtenissen die ons overkomen – is niet alleen maar iets negatiefs, maar bezit een openheid naar de andere mensen, en ook een zekere schoonheid. Bovendien is heeft het een oneindigheid, omdat het heimelijke karakter van het andere nooit onthuld kán worden, de sluiers kunnen nooit opgelicht worden. Het is daarom niet alleen zonde maar ook onzinnig om te streven naar een opheffing van die passieve lijdelijkheid.

Over de streep: gedeelde geheimen

over-de-streep

Hoe beter je elkaar kent, hoe meer respect je voor elkaar zult hebben, zo leert een gangbare wijsheid. Nu niet meteen beginnen over de uitzonderlijke gevallen van écht slechte mensen – hoewel de stelling misschien zelfs dan opgaat. In de documentaire Over de streep is de wet het uitgangspunt voor een bijzonder evenement op een middelbare school in Amsterdam: Challenge Day. Elke dag brengen de leerlingen uren met elkaar door en toch weten ze bijna niets van elkaar. Ieder heeft zijn eigen vriendengroepje en zet zich af tegen de anderen, soms door schelden of pesten of een grote mond. Challenge Day moet dat doorbreken. Maar hoe krijg je vijftienjarigen zover dat ze hun intiemste geheimen blootgeven?

Op een wel erg Amerikaans-schreeuwerige wijze, blijkbaar. Leraren doen gekke dansjes, leerlingen roepen naar elkaar ‘Get ready!’ Onwillekeurig denk je aan van die motivational trainers op bedrijfscongressen – en dan vooral aan de parodie daarop in bijvoorbeeld de film Donnie Darko. Het uitbundige maakt echter de weg vrij voor ingetogen, rustige gesprekken in kleine groepjes. Maak de volgende zin af: ‘If you really knew me, you would know this…’ Het gebruik van zo’n standaardzin werkt; de heftigste verhalen rollen erachteraan. Dat deed me denken aan Siri Hustvedt, die in The Shaking Woman patiënten de opdracht geeft om over zichzelf te schrijven en te beginnen met ‘I remember…’ Het korte zinnetje zet het geheugen in werking, als de startknop voor een soort écriture automatique.

Het belangrijkste onderdeel van de Challenge Day is echter dat waar de documentaire naar vernoemd is: door het midden van de gymzaal loopt een streep. Alle kinderen staan aan de ene kant. Een van de trainers beschrijft een situatie en als die van toepassing is op je eigen leven, moet je ‘over de streep’ gaan. Het fysieke aspect hiervan heeft een grote impact, het bewegen brengt een ‘bewogen zijn’ met zich mee. Zowel voor degenen die aan de andere kant van de streep gaan staan en dus met heel hun lichaam laten zien wat zij hebben meegemaakt (alcoholmisbruik in de familie, mishandeling, geweld, eenzaamheid, afwijzing, pesten, ga zo maar door) – als voor degenen die blijven staan en getuigen zijn van wat hun klasgenoten met zich meedragen.

Ik beken dat ik hier een traan moest wegpinken. Niemand kan hiernaar kijken en luisteren zonder te bedenken wat je zelf zou doen: blijven staan of over de streep gaan. Feit is dat niemand een ongeschonden jeugd heeft. Wie heeft zich nooit afgewezen of eenzaam gevoeld? Dat is ook de kracht van zo’n dag: verbondenheid creëren door te laten zien dat iedereen ‘meer hetzelfde is dan verschillend’, aldus de trainer.

De laatste situatie waar de kinderen op moesten reageren vond ik heel heftig, bijna als een stomp in de maag. ‘Loop over de streep als je ooit een kind bent geweest.’ Bijna alle kinderen slenteren naar de andere kant van de zaal. Bíjna. Hartverscheurend: kinderen van vijftien die nu al weten dat ze nooit kind zijn geweest, kind hebben kunnen zijn.

Ik moest denken aan een verhaal over Emil Cioran, de Roemeense essayist en filosoof die op zijn vijfde zijn eerste depressieve ervaring zou hebben gehad. Vijf! Kan dat überhaupt? In een tijdschrift las ik onlangs een stuk van een hersenonderzoeker die beweerde dat kinderen tot een jaar of tien nog geen geweten hebben. Dat soort artikelen maken me altijd een beetje boos. Omdat in de hersenen nog geen ‘gewetensprikkels’ te zien zijn, bestaat het geweten niet. Dat de ervaring iets anders leert, doet er niet meer toe.

Wie herinnert zich niet een moment op de kleuterschool van spijt, schaamte, wanhoop? Ik wel, misschien was ik niet vijf, maar wel jonger dan acht en ik was ten einde raad over twee dingen: zwemles, waar ik een onverklaarbare afkeer van had (en uiteindelijk ook een tijdje mee gestopt ben) en mijn beste vriendinnetje, met wie ik ruzie had. In mijn herinnering was het vooral de gelijktijdigheid van deze twee kwesties, die me tot wanhoop bracht. Ik wist gewoon niet hoe ik het moest bolwerken, kon het niet overzien. Het was een buitenproportioneel verdriet. Maar wel écht.

(Overigens weet ik niet waarom ik bijna gedachteloos depressie en geweten aan elkaar verbind – dat vraagt een nader onderzoek.)

Ik weet natuurlijk niet zeker of iedereen zulke herinneringen heeft. Misschien niet. Niemand komt ongeschonden uit zijn jeugd, schreef ik, maar weet ik veel? Misschien ook wel. Dat is iets wat me bij de documentaire toch een beetje dwarszat. De veronderstelling dat iedereen een ongedeeld en onverwerkt verdriet heeft. En ook: de veronderstelling dat het hebben van een trauma, of het nu groot is of klein, ons hetzelfde maakt. Of toch in elk geval ‘meer hetzelfde dan verschillend’.

Dan denk ik terug aan Kierkegaard en het geheim van het individu, dat in de grond onkenbaar en onmededeelbaar is en iedereen juist verschillend maakt. ‘Er is misschien niets dat de mens zozeer adelt als het bewaren van een geheim,’ schrijf hij. Het geheim heeft bij hem een paradoxale status: het schept een afstand tussen mij en de anderen en daar lijd ik onder, maar als ik mijn geheim deel en de afstand ophef, verlies ik de individuele betekenis van mijn eigen leven. Niet alle geheimen vragen erom verteld te worden. Respect voor elkaar betekent ook: iemand zijn geheim gunnen. En begrijpen dat je zelf een geheim bent dat een ander nooit geheel zal kunnen ontrafelen.

Op uitzendinggemist.nl is de documentaire terug te kijken.

Geheim

Denk eens terug aan de eerste keer dat je een geheim had. Uit de trommel een snoepje gepikt en niemand die het weet. Een wereld gaat open: de binnenwereld. Bij het begin van een nieuw decennium wil ik pleiten voor een herwaardering van het geheim.

Ik pleit niet voor leugens. Wat begint met liegen over een gepikt snoepje, waaiert uit tot gedachten en dromen die je met niemand deelt, omdat er geen woorden voor zijn. Of gewoon omdat je houdt van stilte. Tegenwoordig staan geheimen gelijk aan leugens. Je wilt iets niet prijsgeven? Dan zal je wel iets in je schild voeren. Een geheim is per definitie verdacht.

Wie herinnert zich nog het moment dat je beseft dat niet alleen jij, maar iedereen iets kan verzwijgen? De wereld is opeens bevolkt met geheimen. Je zou zelfs kunnen zeggen: de mens ís een geheim.

Als ik terugdenk aan de jaren nul, dan zie ik de ronde nul als een symbool van het decennium. Een extreme hang naar openheid werd ingesnoerd door extreme geslotenheid. Miljoenen mensen begonnen het jaar 2000 met de ontknoping van de realitysoap Big Brother. Die liet alles zien en alles horen en maakte sterren van gewone mensen. In de tien jaar die volgde, breidde de openheid zich uit naar internet, waar iedereen zich toont (ik ook), het nieuws, de straat. Tegelijkertijd timmerde extreme regulering het leven dicht, zowel openbaar als privé. Voor – of tegen – alles is een wet. E-mail- en telefoonverkeer wordt bewaard. Bodyscans op Schiphol, sneeuwbalterroristen en de vuurwerkbob sloten het decennium af.

Het vreemde is dat de openheid en geslotenheid geen tegengestelden zijn. Zoals een cirkel betaamt vullen ze elkaar aan. De regeltjes die alles dichttimmeren, lijken bedoeld om zoveel mogelijk openheid te creëren. We moeten met de billen bloot en niet alleen in de bodyscan.

Wie neemt geheimen nog serieus? Het geheim wordt in zijn bestaan ontkend: alleen dingen die uitgesproken worden of zichtbaar zijn, bestaan tegenwoordig nog. Toch hoef je maar even terug te denken aan het gepikte snoepje en het besef dat iedereen wel eens iets verzwegen heeft, om te weten dat er ook onuitgesproken en onzichtbare dingen zijn.

Geheimen zul je met een bodyscan niet aan het licht brengen. En dat hoeft ook niet, want geheimen zijn geen leugens en niet voorbehouden aan verdachten. Het zijn de ridders van de ziel. Ze vertellen dat je niemand door en door kunt kennen, ook niet jezelf. Ze verwijzen naar dat waarvan we weten dat het er is, maar wat niet aan de oppervlakte komt, noch in regeltjes te vangen is. De illusie van volledige openheid en geslotenheid prikken ze stilzwijgend lek. ‘Er is misschien wel niets dat een mens zozeer adelt als het bewaren van een geheim,’ schrijft Kierkegaard. Omdat de mens een geheim is. En menselijke tijden kunnen we goed gebruiken.

[verschenen als column in Radboud info 83, februari 2010]