Very Short Introductions: Mythe, Romantiek en Heidegger

VSI

Stel, je wil je verdiepen in mythes. Je leest wat oude Griekse verhalen, raakt benieuwd naar mythes in andere culturen en begint mythen in politiek en media te herkennen. Daar moet je meer over weten! Dus google je: 199.000.000 resultaten. Google Books: 16,3 miljoen titels. Waar begin je? Bij de Very Short Introductions (VSI) van Oxford University Press. Informatieve inleiding en leesgids ineen, geven ze grip op de enorme literatuur die over een begrip als ‘mythe’ is geproduceerd. Het geheim van de goede VSI: weet je te beperken, blijf kritisch en wees niet bang om citeren.

Uit de grote berg VSI’s koos ik lukraak drie deeltjes. Dat wil zeggen, Myth, Romanticism en Heidegger vallen binnen mijn vakgebied van de filosofie, maar dat had evengoed drie totaal andere titels kunnen opleveren. En alle thema’s uit de reeks vallen in de categorie ‘eigenlijk te groot om in 150 pagina’s samen te vatten’. Uiteraard is dat wel wat de schrijvers vervolgens doen, hoewel samenvatten in dit geval te kort door de bocht is.

Lees verder hieronder of op Athenaeum.nl: Inleiding en leesgids ineen

Natuurlijk is een van de eerste dingen die de auteur van een VSI doet, zichzelf beperken. Miljoenen boeken samenvatten of presenteren gaat nu eenmaal niet. Dat beperken gaat in grote stappen. Sommige auteurs scharen onder mythen alles van de Amerikaanse droom tot reality-tv, of juist alleen verhalen die te maken hebben met het ontstaan van het universum. Robert A. Segal, auteur van Myth, toont de alternatieven en kiest iets daartussenin: een mythe is per definitie een verhaal, stelt hij, maar dat verhaal kan over vele dingen gaan. Zo heeft de lezer in zeer kort bestek toch alvast een beeld gekregen van de vele mogelijke manieren om over het onderwerp na te denken.

Vanaf de eerste bladzijde neemt Segal op deze manier stelling zonder andere perspectieven weg te laten of te bagatelliseren. Daarbij vraagt hij wel behoorlijk wat concentratie van de lezer: de dichtheid van de tekst is enorm.

Het juiste citaat

Dat is anders in Romanticism (Google Books: 2,8 miljoen resultaten). Terwijl Michael Ferber in feite dezelfde aanpak heeft – eerst maar eens dat multi-interpretabele woord romantiek inperken – is zijn tekst meteen een genot om te lezen.

Dat komt omdat hij niet bang is uitgebreid te citeren of te parafraseren. Het zal een hoge drempel zijn geweest. Als je maar 150 pagina’s tot je beschikking hebt, is de voor de hand liggende neiging om zo min mogelijk ruimte te verdoen aan citaten. In Romanticism werkt het andersom. Het geheim ligt in de keuze voor de juiste citaten. Zoals de lange passage (twee bladzijden!) over een tekst van Alfred de Musset waarin twee heren op zoek gaan naar een definitie van romantiek:

‘“Romanticism is the weeping star; it is the sighing wind, the chilly night […]” Such “nonsense” leaves them even more baffled, and after a little more research, they settle on the conclusion that Romanticism is “an abuse of adjectives”.’

To the point en grappig — zo houdt Ferber de lezer bij de les.

Niet kritiekloos

Mythe is een concept of genre, of in elk geval een verhaal zoals Segal stelt, romantiek definiëren we als een tijdperk of een levenshouding of een combinatie van die twee. Heidegger — dat is simpel! — is gewoon een mens, met een filosofisch oeuvre.

Was het maar zo makkelijk. Heidegger (Google Books: ruim 4 miljoen) is ook een notoir ingewikkelde filosoof — volgens sommigen zelfs een onbegrijpelijke charlatan. Michael Inwood schreef met Heidegger eigenlijk een introductie bij het hoofdwerk Zijn en tijd – dat is zijn manier om het onderwerp in te perken. Vreemd genoeg begint hij met een nogal schools aandoende biografische schets; zonde van de beperkte ruimte. Het zal er wel bij horen, toch laat dit boekje net als de andere twee juist zien dat in Oxford niet gevraagd wordt om een neutrale samenvatting van bekend materiaal. Inwood is lekker kritisch op de Duitse filosoof in skipak en probeert de complexe denkgang van Zijn en tijd tot op het bot te doorgronden – om soms tot de conclusie te komen dat dat gewoonweg onmogelijk is.

Verbindingen

Het is leuk om bij het lezen van de drie boekjes ook na te denken over de onderlinge verbanden. De Romantici waren bovenmatig geïnteresseerd in mythen, zozeer dat zij het kunstenaarschap opvatten als mythisch. Heidegger zou je niet zo snel een romanticus noemen – aan de andere kant hield hij evenveel van wandelen in de natuur als Wordsworth. Juist het dwalen langs (vergeten) paden leverde ze allebei materiaal voor hun werk, zo niet hun persoonlijkheid. Misschien kunnen we Heideggers vraag naar het zijn ook wel een mythische vraag noemen? Welk verhaal vertelt die vraag dan?

Eigenlijk zou iedereen min of meer lukraak drie deeltjes moeten lezen. ‘Stimulating ways in new subjects,’ beloven de Very Short Introductions en dat geldt niet alleen voor de deeltjes op zich, maar ook voor de creatieve verbindingen die ertussen ontstaan.

Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn

tijd

‘Objectieve tijd bestaat niet.’ Professor Maarten van Buuren zet in de eerste lezing in de serie Tijd meteen het publiek op scherp. Tijd bestaat niet als iets buiten de mens, want ‘tijd is een scheppende daad van ons bewustzijn’. Aan de hand van Augustinus, Husserl en Heidegger legt hij uit wat dit betekent voor de manier waarop wij in het leven staan.

Met hoofdstuk XI van zijn Belijdenissen schreef Augustinus een van de vroegste en invloedrijkste teksten over tijd. Er is alleen een heden, stipuleert hij. Daarbinnen bestaan drie tijden: het verleden, heden en de toekomst. Het is de mens die deze tijden tot leven wekt. Tijd is in de woorden van Augustinus een ‘extensie van de ziel’. Dat is te begrijpen als je denkt aan het zingen van een lied: als je begint te zingen heb je het hele lied in je hoofd, de verwachting ervan strekt zich uit in de toekomst. In het hier en nu zing je de melodie, die verdwijnt in het verleden. Dat verleden bewaar je in je geheugen. Zo strekt de tijd zich van het heden uit naar verleden en toekomst. Hetzelfde geldt voor degene die luistert naar het lied, ook die heeft verwachtingen en herinneringen die ‘actief’ zijn terwijl hij luistert.

Ook de vroegtwintigste-eeuwse filosoof Husserl beschrijft tijd als iets innerlijks, namelijk als een ‘bewustzijnstoestand’. Husserl is de grondlegger van de fenomenologie, die het bewustzijn beschrijft als iets intentioneels. Dat wil zeggen dat het bewustzijn altijd op iets in de buitenwereld gericht is, je bent je altijd bewust van iets. Maar hoe zit dat dan bij tijd? Want tijd bestaat toch niet in de buitenwereld, zoals Van Buuren stelt? Inderdaad, bij het bewustzijn van tijd gebeurt iets bijzonders. Dan richt het bewustzijn zich namelijk op zichzelf.

Husserl is wel verweten dat hij te veel van Augustinus heeft overgenomen. Husserl beschrijft namelijk het heden als een ‘uitwalsing van het nu’, vergelijkbaar met de ‘extensie’ van Augustinus. Tijd is een soort ‘actieradius’ van het bewustzijn, waarbij je vooruitreikt naar wat er gaat komen en tegelijk terugreikt in de herinnering aan het verleden. Dat vooruit- en achteruitreiken voltrekt zich met een inzicht in patronen. Denk bijvoorbeeld weer aan het lied van Augustinus: als je de eerste noten hoort, vul je volgens je verwachting het patroon van de melodie aan. Het herkennen van een patroon is een proces van voortschrijdend inzicht. Voortdurend toets je je verwachtingen aan je bevindingen in het heden en als je verwachting wordt doorbroken, kun je haar aanpassen. Als het lied opeens overgaat van majeur in mineur, creëert dat een nieuw verwachtingspatroon voor de rest van wat er komen gaat. Dit heen en weer gaan tussen verwachting van de toekomst, de bevinding van het heden en de herinnering aan het verleden, waaruit een patroon ontstaat, heet de hermeneutische cirkel.

Heidegger was een leerling van Husserl en gaat verder op het ingeslagen pad. Zijn grote bezwaar tegen de opvatting over tijd van Husserl is dat hij het nog altijd beschouwde als een object, ook al lag dat dan in het innerlijke bewustzijn. Heidegger maakt er juist een punt van dat je tijd niet kunt objectiveren. Tijd is iets waar we ons niet aan kunnen onttrekken, dus je kunt tijd ook niet als een object bestuderen. Sterker nog, wij zijn tijd. Heideggers hoofdwerk heet niet voor niets Sein und Zeit. Tijd is het element waarin ons bestaan vorm krijgt. Waar Augustinus spreekt van extensie, Husserl van uitwalsing, heeft Heidegger het over ‘uitplooiing’. Verleden en toekomst zijn ook bij hem in het heden ingebouwd. Opvallend is de grote nadruk die Heidegger legt op het belang van dit zijn in de tijd (ofwel zijn-in-de-tijd), het is zelfs van levensbelang.

Dat illustreert Maarten van Buuren met een persoonlijk verhaal over de periode dat hij een depressie had. Dat het bestaan in de tijd fundamenteel is voor het zijn, voor het leiden van een zinvol leven, ondervond hij toen de depressie dit beschikken over de tijd wegsloeg. In plaats van vrijelijk te kunnen bewegen door de tijd, in de herinnering en in dromen over de toekomst, was alle toegang tot de tijd afgesloten. Dan besta je niet meer, omdat je je niet meer kunt ‘uitplooien’, je actieradius kwijt bent. Het terugkrijgen van je bewegingsvrijheid in de tijd (en ook in de ruimte), betekent het terugkrijgen van je bestaan. Tijdsdimensies zijn in letterlijke zin zijnsdimensies.

Tijd is dus een activiteit van de geest. Ze wordt niet gegeven, maar gemaakt. De gegeven tijd, dat is het banale tijdsbegrip van de kloktijd, waarin de tijd wél is geobjectiveerd. De tijd zoals we die zelf scheppen met onze geest is de authentieke tijd. Daar mogen we best wat aandacht aan besteden. Door de sporen van de tijd te lezen, zoals die zijn achtergebleven in de wereld – bijvoorbeeld de geschiedenis van de Aula van het Academiegebouw – maar ook in ons geheugen, roepen we het verleden terug en wekken we de tijd tot leven. Als we daarbij bovendien de hermeneutische cirkel durven te volgen en onze verwachtingen aanpassen en onze patronen doorbreken, kan ons leven, dat zijn-in-de-tijd, aan betekenis en schoonheid winnen.

De hele lezing Tijd en verhaal is online terug te zien. Kijk volgende week online mee naar de lezing van prof. Dick Swaab over Tijd in het brein.

[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]