3 manieren om de mensheid op te delen

joy_division

Als je je goed voelt, schrijf je minder. Dat was waar in de tijd dat ik nog hartverscheurende puberdagboeken volpende. Zodra ik niets had om me druk over te maken, geen liefdesverdriet of onbegrepen zwaarmoedigheid, verdween de noodzaak om het dagboek bij te houden (in dat opzicht lijkt het een goed teken dat ik sinds mijn negentiende geen dagboek meer bijhoud). Nu valt me het tegenovergestelde op: als je je goed voelt, schrijf je meer. Hoe kan dat?

Iemand vroeg zich op Twitter eens af of niemand ooit eens down is, geen werk heeft of gewoon geen zin. Twitter lijkt soms een doorlopende goednieuwsshow van mensen met drukke levens vol zinvolle bezigheden – waarbij onderuitgezakt op zondagavond een filmpje kijken een welverdiende rust betekent. En op blogs lees je vooral interessante gebeurtenissen, gevatte gedachten en links naar gepubliceerde meesterwerken. Of is er een ander internet dat ik weiger te kennen, juist omdat ik er zelf niet van houd? Ik herinner me ook een keer dat ik op Twitter een tweet las van een meisje over haar menstruatiepijnen, nou die hoef ik nooit meer in mijn tijdlijn terug te zien. Van sites waar mensen schelden en vloeken houd ik me verre. Je kunt zeggen dat de mensheid op te delen is in hen die van internet een goednieuwsshow maken en hen die internet gebruiken om te spugen op de wereld. Ik behoor dan tot de eerste groep.

Het moet te maken hebben met de intentie waarmee je iets schrijft. Internet is openbaar en de goednieuwsshow is vaak een voortdurende open sollicitatie naar een goede online reputatie. In het dagboek lijkt de voornaamste drijfveer zelfmedelijden te zijn. En misschien ook een bemoedigend gesprek met jezelf, de enige op de wereld die weet wat je bedoelt.

De open sollicitatie is natuurlijk altijd impliciet. Niet voor niets heeft iedereen op Twitter het altijd druk met allerlei leuke projecten. Dat bedoel ik niet (alleen maar) ironisch. Een van de aardige dingen van Twitter is dat je volgt waar men mee bezig is. Mensen volgen die nergens mee bezig zijn is geen hol aan, die ontvolg ik dan ook. Zo lijkt het algauw alsof iedereen een bezig baasje is. De laatste tijd denk ik vaak aan een andere manier om de mensheid op te delen: in zij die hard werken en zij die dat niet doen. Of liever: zij die niet werken maar gewoon bezig zijn met waar ze mee bezig zijn, en zij die werken en daarna vrij zijn.

Soms vermoeit het me als ik eraan denk hoe mensen die echt iets bereiken daar ook aan werken. Dat klinkt gek, maar is toch niet zo vanzelfsprekend als je zou denken. Feit is dat iedereen die iets bereikt, daar keihard voor heeft gewerkt. Ik moet de eerste uitzondering nog tegenkomen. Toevallig succes bestaat nu eenmaal niet, omdat succes altijd gebaseerd is op kennis of doorzettingsvermogen of de mensen die je kent. Maar zelfs om de juiste mensen te leren kennen, moet je hard werken. Hoewel ik Malcolm Gladwell en zijn Uitblinkers niet altijd overtuigend vond, is de 10.000 uren regel een principe waar ik volledig van overtuigd ben geraakt (kort gezegd: dat iedereen die ergens goed in is, daar tienduizend uur van zijn leven aan heeft besteed voor hij er goed in werd). De mensen die hard werken, lijken altijd te werken en nooit te werken tegelijk. Ze doen niet hun werk, maar zijn hun werk – zonder meteen workaholic te worden.

Tot welke groep hoor ik? Dat is moeilijk. Ik vind mezelf behoorlijk lui. Mijn voordeel is dat ik heel snel werk. Daardoor lijkt het alsof ik heel veel doe, terwijl ik in werkelijkheid de helft van de tijd zit te verlummelen. Een ander voordeel is dat verlummelen voor mij vaak betekent: iets doen dat toch nuttig is – lezen bijvoorbeeld. Zo komt het dat ik mezelf lui vind, maar toch als hardwerkend en gedisciplineerd overkom. (Oppassen voor mijn online reputatie nu.) Bovendien werk ik altijd door, omdat ik het een zwaktebod vind om niet te werken. Zelfs in het rampjaar 2004 haalde ik al mijn studiepunten en begon ik met Memento en een master, beide een jaar later afgerond. Ik denk dat ik objectief gezien wel tot het hardwerkende deel der natie behoor, of ik dan ook nog eens wat ga bereiken is een andere vraag.

De eerste manier die ik kende om de mensheid in te delen is tussen hen die van stress beginnen te eten en hen die van stress stoppen met eten. Daarvan is het duidelijk (en zal het niemand die mij kent verbazen) dat ik bij de laatste groep behoor. Bij stress gaat geen hap door de keel en de toch al niet overtollige kilo’s verdwijnen in het niets. Maar: altijd blijven werken. In het rampjaar 2007 (soms lijkt elk jaar een rampjaar) liep ik van station Bijlmer/Arena naar mijn werk terwijl mijn spijkerbroek over mijn kont (niet-existerend) naar beneden gleed, letterlijk. Met twee vingers onder mijn riem zakte ik op mijn bureaustoel. Meestal kun je het wel aan de mensen af zien of ze behoren bij degenen die beginnen met eten door stress of juist stoppen. Terwijl je niet van de buitenkant aan mensen kunt zien of ze tienduizend uren hebben gemaakt in wat dan ook of een goed- dan wel slechtnieuwsshow opvoeren op internet.

In het verborgene zwaarmoedig zijn en optimistisch in de openbaarheid; hard werken, maar toch lui zijn; weinig eten tot de broek je van de kont zakt; de mensheid opdelen in hen die wel en hen die niet; misschien hoor ik toch thuis in een klooster. Of nog beter, want niet zo beladen: een stoïcijnse grot in de kliffen van een overspoeld eiland ergens in de Egeïsche zee.

Uitblinkers spelen niet buiten

Het is al weer even geleden dat ik Uitblinkers. Waarom sommige mensen succes hebben en andere niet las, Malcolm Gladwells boek over talent. Ik had erover gelezen in verschillende kranten en het leek me interessant genoeg voor een recensie. Nu kun je in een recensie natuurlijk niet lekker over jezelf gaan zitten ouwehoeren. Daarom op deze plek nog wat persoonlijke gedachten over het hoe en waarom van de uitblinker. Gladwell schreef namelijk een soort zelfhulpboek, weliswaar voor de maatschappij, maar maken wij daar niet allemaal deel van uit? Uitblinkers is dus ook een soort zelfhulpboek voor jezelf.

Het succes van dit soort boeken is dat je alles op jezelf kunt betrekken. In dit geval spoken grote vragen door je hoofd. Heb ik talent? Succes? En als talent inderdaad niet bestaat, maar afhankelijk is van toeval en omgeving, zoals Gladwell betoogt, heb ik dan de kansen gekregen om talentvol te worden? Ben ik in de juiste maand geboren om alle voordelen van scholing mee te pakken? Die laatste vraag is makkelijk te beantwoorden: nee, want mei is een van de slechtste maanden om in geboren te worden, als je in elk geval op school een uitblinker wilt worden.

De interessantste notie uit het boek vind ik de 10.000 uren regel. Alle uitblinkers hebben tienduizend uur geoefend op hun vak, voor ze het zodanig beheersten dat ze erin uitblinken. Vandaar dat zoveel mensen zo goed zijn in slapen! Of ouwehoeren in de kroeg. Je gaat rekenen: heb ik iets 10.000 uur lang gedaan? Jazeker: lezen.

De 10.000 uren – oftewel tien jaren – regel werkt echter niet zo gemakkelijk. Jaar in, jaar uit flutromannetjes verslinden is niet genoeg. Anderen spreken in dit verband van deliberate practice: je moet gericht te werk gaan met het doel beter te worden. Nu durf ik wel te beweren dat ik dat in mijn geschiedenis als lezer heb gedaan. Niet om beter te worden in de techniek van het lezen (ik lees steeds langzamer bijvoorbeeld, maar ik noem dat liever aandachtiger), maar wel als het gaat om het verbreden van kennis. Door klassiekers te lezen (van die boeken waarvan altijd gezegd wordt dat niemand ze echt heeft gelezen) en hedendaagse literatuur, binnenlands en buitenlands, kortom door bewust, deliberate, mijn boeken uit te kiezen.

Grote vraag is natuurlijk: wat heb je aan 10.000 uur lezen en daar dan goed in te zijn? Geen idee, maar het voelt al heel leuk om ergens misschien wel in uit te blinken.

Eigenlijk vind ik de nadruk die Gladwell legt op succes strontvervelend, hij stoot me tegen het hoofd. Hoe hij een school beschrijft in een arme buurt in New York bijvoorbeeld, waar uitblinkers worden gekweekt (ik kan het niet anders noemen). Vergeleken bij de straatbendes, tienermoeders en drugsoorlogen zal het schoollokaal een paradijs zijn, maar op mij komt die wiskunde drill van 9 tot 5 over als een regelrechte hel. En dat terwijl ik school altijd heel leuk vond.

Dan het dedain waarmee hij spreekt over buiten spelen. Gladwell beschrijft buiten spelen als iets wat vooral kansarme of hoe dan ook arme kinderen doen, alsof je pas de deur uit gaat als je niet van 9 tot 5 op school hoeft te zitten – als je geen toneelclub, muziekles, ijshockeytraining of familieberaad hebt. Alsof buiten spelen de enige optie is voor losers. Behalve als je samen met je vriendjes in een team een technisch hoogstaande boomhut bouwt. Daar krijg ik kriebels van. Het geluk is met de dommen, zeggen ze wel eens. Maar in geluk is Gladwell dan ook niet geïnteresseerd.

Uitblinkers zet je aan het denken, over je eigen talenten, kansen en omgeving, over wat je maatschappelijk belangrijk vindt en over de bizarre rol van toeval in het leven. Daarom volgt hier niet de voor de hand liggende uitsmijter dat ik misschien maar minder boeken moet lezen. Een boek dat je aan het denken zet is altijd goed genoeg, maar een uitblinker zou ik Uitblinkers niet noemen.

Lees hier mijn recensie op 8WEEKLY, Goed genoeg.

 

Haal jij alleen maar tienen? Grote kans dat je jarig bent in september, oktober of november. Zulke toevalligheden hebben meer invloed op prestaties dan je IQ. Individueel succes is afhankelijk van de omgeving en van mogelijkheden, zo maakt Malcolm Gladwell duidelijk in zijn laatste boek Uitblinkers.

Stel: je bent op 31 augustus geboren. Je begint op school als je net zes bent. Dat scheelt bijna een jaar met kinderen die op 1 oktober al zeven worden. Die leren snel en lijken slim. Ze mogen in het leesgroepje voor gevorderden en vooruitwerken met rekenen. Tegen de tijd dat jullie naar de brugklas gaan, haal jij net de havo. Uiteindelijk blijf je voor altijd een middenmoter, rechts ingehaald door mensen met meer geluk.

Kansen
Dit is een van Gladwells veelbesproken voorbeelden. Is de kwestie ook om te draaien? Nee, niet iedereen die in het laatste kwartaal van het jaar geboren is, presteert goed op school. Gladwell suggereert dat wel: als alle omgevingsfactoren goed staan afgesteld, is succes onvermijdelijk. Lukt het dan nog steeds niet om de top te bereiken, dan ligt het aan jezelf.

Toch is Gladwells portee juist dat het individuele succesverhaal niet klopt. In het eerste deel van Uitblinkers, ‘Kansen’, geeft hij verbazingwekkende voorbeelden die bewijzen dat de American Dream een fabeltje is. Enige aanleg is mooi meegenomen, maar om succesvol te zijn is het is vooral cruciaal om op het juiste moment op de juiste plek te zijn. En hard te werken.

Hamburg
Om hard te werken moet je echter een kans krijgen. Gladwell beschrijft de zogenaamde ’tienduizend-urenregel’: alle uitblinkers hebben tienduizend uur oefening achter de rug. Neem de Beatles. Die kregen de kans om maandenlang acht uur per dag op te treden in een Hamburgse nachtclub. Dat dwong ze hun repertoire uit te breiden en tot in de puntjes op elkaar ingespeeld te raken. Of Bill Gates. Zijn school schafte al in 1968 een computer aan. Tegen de tijd dat hij aan de universiteit begon, had hij er tienduizend uur programmeren op zitten. Ze hadden op kunnen geven, maar opgeven kan pas als je een kans hebt gekregen.

Iedereen verdient zijn Hamburg, zegt Gladwell. Daar heeft hij gelijk in. Maar is het niet even kortzichtig om alleen maar te wijzen op omgevingsfactoren, als om alles te koppelen aan individueel talent? Je kunt ook betogen dat het een gegeven is dat de mens zijn leven in eigen hand kan nemen. In plaats van tegenargumenten te weerleggen, gebruikt Gladwell de methode van de herhaling om zijn punt te maken. Hij hamert daar zo eenzijdig op, dat het idee van tienduizend uur oefening bij voorbaat vermoeiend wordt. Hoe zit het trouwens met tienduizend uur buitenspelen of ouwehoeren in de kroeg?

Erfenis
In het tweede deel, ‘De erfenis’, onderzoekt Gladwell de invloed van culturele achtergronden bij het al dan niet uitblinken – een behoorlijk taboe. Het hoofdstuk over de rol van cultuur bij het ontstaan (en dus voorkomen) van vliegtuigongelukken is even verontrustend als overtuigend. Een piloot uit een sterk autoritaire cultuur maakt veel meer kans op een ongeluk dan een piloot uit een genivelleerde samenleving. Als er echt iets fout gaat, moet de bemanning niet blijven hangen in beleefdheidsfrases, maar zeggen waar het op staat.

De interessantste notie van Uitblinkers komt al in het begin aan bod. Liever dan uit te blinken in één ding, moet je op verschillende vlakken ‘goed genoeg’ zijn. Iemand met een hoog IQ maar zonder ‘Hamburg’ komt er niet. Het is jammer dat Gladwell dit idee niet breder maakt. Niet iedereen hoeft van negen tot vijf te computeren om toch ‘goed genoeg’ te programmeren.  Bovendien: als alle mensen uitblinken, komt de drempel hoger te liggen. Als iedereen tienen haalt, is een acht maar net voldoende.