Theo van Doesburg, held

Op de valreep bezocht ik de tentoonstelling over Theo van Doesburg in Leiden (morgen voor het laatst te bezichtigen). Van Doesburg is mijn held, al jaren. Waarom? Mijn eerste kennismaking was in het college Nederlandse letterkunde, waar hij ‘de enige dadaïst van Nederland’ werd genoemd. Hij zou altijd in de schaduw hebben gestaan van de veel beroemdere Piet Mondriaan. Onterecht, vind ik. De enige dadaïst was ook constructivist, schrijver, redacteur van het belangrijkste tijdschrift uit de twintigste eeuw De Stijl, architect, glas-in-lood- en meubelontwerper. En natuurlijk schilder.

In mijn eerste woninkje in Lunetten maakte ik een muurschildering van de Compositie XVIII in drie delen (1920). Dit werk bestaat uit drie schilderijen die samen een driehoek vormen. Het middelpunt van het schilderij ligt daarom buiten het doek. Ik had het uit een boek overgenomen, netjes de afmetingen uitgerekend en met een liniaal overgetrokken en ingekleurd. Heel vaak heb ik naar het onbestaande middelpunt van de drie doeken gestaard, gewoon op de bank in Lunetten. Het origineel zag ik pas later in het Kröller-Müller museum.

Het hangt ook op deze expo. Maar het gekke is: de drie schilderijtjes zijn bij elkaar in een glazen lijst gestopt. Zo vormen ze één geheel, en is het middelpunt niet buiten het schilderij gelegen, maar het middelpunt van een rechthoekig werk geworden. In het boekje dat bij de tentoonstelling hoort, staat het buitendoekige middelpunt wel keurig netjes vermeld. Nog merkwaardiger is dat verderop een foto hangt van een van de eerste tentoonstellingen van Van Doesburg, door hemzelf ingericht. Daar zien we de drie schilderijen hangen aan de muur van het museum, een beetje achteraf. Zonder lijst, natuurlijk. Sterker: ze hangen aan een touwtje, bungelen bijna. Zo benadrukken ze het luchtledige. Het middelpunt kan nu wel in het hele museum liggen. Geweldig. In de Lakenhal ondertussen is de glans er wel van af, hoewel het een indrukwekkend kunstwerk blijft.

Niet veel bezoekers in het studiootje in Lunetten begrepen mijn verering van Van Doesburg, ben ik bang. Toen ik verhuisde naar een andere flat verbeterde het enigszins, met mijn muurschildering van de Aritmetische compositie (uiteraard op levensechte afmeting van 1 bij 1 meter). Dit vind ik een van de beste schilderijen ter wereld, misschien alleen voorbijgestreefd door de Victory Boogie Woogie – maar die is een beetje lastig na te schilderen op een gestuukte muur in een sociale huurwoning. Het is een werk waar ik uren naar kan kijken, waar ik uren naar heb gekeken. Zonder iets te denken, volledig opgaand in het lijnenspel en in het geval van de Aritmetische compositie, ook volledig opgeslokt door het zwarte vlak. Veel mensen vonden het grootste zwarte vierkant iets beangstigends. Ze staarden ernaar. Ze voelden het dus. Het sublieme, dat durf ik wel te stellen.

De Aritmetische compositie (1929-30), zo las ik in een naslagwerk, bevond zich in privébezit in Zwitserland. Nooit te zien. Een droomstuk. Nostalgisch dacht ik terug aan die muurschildering, die nu niet meer bestaat, alleen nog in mijn hoofd. De kleine schetsjes die Van Doesburg maakte, hingen in Leiden onder elkaar tentoongesteld. Die kende ik al. Wat zou het toch mooi zijn, dacht ik en draaide me om.

Daar hing hij. De Aritmetische compositie.
In Nederland. Onder handbereik. Op ware grootte.
Ik kreeg een brok in mijn keel.

Zullen veel mensen dat raar vinden, dat een abstract schilderij je ontroert? Een schilderij gebaseerd op wiskundige principes? Ik zag in elk geval niemand anders op die manier stilstaan op die plek. Terwijl het zwarte vlak daar toch een onweerstaanbare zuigkracht hing uit te oefenen.

Ik ging een beetje aan de kant staan en keek van opzij naar wat ik in gedachten al ‘mijn vriend’ noemde. Dat doe ik vaker: voor een schilderij gaan staan en dan het schilderij dat ernaast hangt bekijken. Het is als met personen: als je iemand recht aankijkt kan er wederzijdse ongemakkelijkheid ontstaan. Je bent niet echt bezig met kijken. Van een afstandje zie je iets heel anders, net als wanneer je naar iemand kijkt die zich onbespied waant. Zo keek ik dus nog een tijdje naar die vierkante meter genialiteit. En steeds duidelijker begreep ik dat het gaat om de leegte van dat grote vlak, waaromheen dingen gebeuren. Het was dan ook geen ontroering, maar duizeling. Een blik in de afgrond, zoals ik eerder had ervaren bij Mondriaans Compositie met rood, geel en blauw (1927).

Van Mondriaan hing er ook een ander schilderij dat dezelfde sublieme duizeling opriep: Compositie met blauw, geel, zwart en rood (1922). En hier bleek het van opzij kijken nog iets anders te doen. Het schilderij veranderde van diepte en van kleur, de afgrond opende zich. Het wit is niet wit. En vooral het blauwe vlak linksboven is geen blauw vlak linksboven, maar een aanzwellende golf die zich als een waterval in de diepte omlaag dreigt te storten. Dreigt, want steeds blijft hij hangen. Als een schilderij in het luchtledige, bijna bungelend.

Mondriaan, Compositie met rood, geel en blauw (1927)

De eerste keer dat ik Mondriaan zag, was in het Kröller-Müller museum. Natuurlijk kende ik Mondriaan van de mokken en muismatten, de poster van mijn moeder en het eeuwige ‘dat kan mijn zoontje van drie ook’. Maar de eerste keer dat ik een schilderij van Mondriaan echt zág, begreep en doorvoelde, was bij ‟Compositie met rood, geel en blauw‟ uit 1927.

Het kleine doek hangt in een hoekje van de zaal en ik slenterde erlangs, zoals je langs zoveel schilderijen in een museum slentert. Mijn blik bleef echter hangen en ik moest terug. Het schilderij zoog me op, benam me de adem en liet me niet passeren. Minuten later verliet ik het zaaltje in verwarring, nog steeds happend naar adem. Ik begreep niet goed wat er gebeurd was, maar het voelde alsof ik kennis had genomen van iets heel fundamenteels. Iets wat te maken heeft met zinloosheid, de onbeduidendheid van de mens en mijn leven in het bijzonder, een afgrond. De afgrond van de existentie, zoiets. Duizeling. Dat was vijf jaar geleden.

Vijf jaar later blijkt het schilderij nog precies dezelfde duizeling bij me op te roepen. NIet meer zo heftig als de eerste keer. Ik kan haar op afstand houden en observeren. Inmiddels weet ik iets meer over die existentiële afgrond, waar Sartre over zegt: ‘Duizeligheid is angst, niet in die zin dat ik ervoor beducht ben in de afgrond te vallen, maar me erin te storten.’ In plaats van me op de inhoud van de duizeling te richten, probeer ik daarom erachter te komen waardoor die veroorzaakt wordt. Het merendeel van de mensen ziet gewoon witte vlakken, zwarte strepen en wat kleurtjes, en het valt niet mee om uit te leggen waar de grootheid van Mondriaan in ligt.

Allereerst is er een groot verschil tussen de mokken en muismatten, al die cleane reproducties van Mondriaan, en de echte schilderijen. Niks wit, ik zie grijstonen. In het grote vlak in het midden zit een verloop, onderaan lijkt een schaduw zich te verstoppen achter de blauwe rand. Dat zie je niet op een poster. Het witte (vooruit) vlak dringt zich daardoor naar voren, en trekt zich tegelijkertijd terug. Het beweegt. De lijnen en gekleurde vlakken langs de rand lijken door het witte vlak te worden weggedrukt. Het witte vlak eist alle aandacht op, plaatst zich ten koste van de rest in het middelpunt.

Hoeveel schilderijen zijn er waarbij het middelpunt een wit vlak is? De compositie biedt geen vast referentiepunt, je móet je verliezen in dat wegtrekkende wit. De lijnen en kleuren kunnen de blik niet vasthouden, steeds weer dringt het wit-dat-geen-wit-is zich op de voorgrond. Daar komt de duizeling vandaan. Het besef van leegte, het gevoel van verdrukking, en het verlangen je in de afgrond te storten, in plaats van erin te vallen.

Dat Mondriaan dit bereikt door een geometrische compositie, en niet door een natuurgetrouwe voorstelling van een afgrond in de bergen (om maar wat te noemen), vind ik ronduit geniaal. De geometrie, de vorm, vlakken en primaire kleuren kunnen een zeer gevoelig, romantisch en existentieel effect teweegbrengen, een epifanie bijna. Dat is ook wat Mondriaan en zijn bentgenoten van De Stijl voor ogen stond.

De afgrond lonkt… ik stort me erin.