Jean-Paul Sartre en het existentialisme

levenskunst

‘De existentie gaat vooraf aan de essentie!’ Hele generaties zagen deze woorden van Jean-Paul Sartre als strijdkreet. Woorden die een vrij leven mogelijk maakten. Maar wat betekent het eigenlijk, dat de existentie aan de essentie vooraf gaat? Professor Maarten van Buuren (Moderne Letterkunde, UU) legt het in zijn lezing voor de serie Levenskunst uit aan de hand van sprekende voorbeelden en persoonlijke inzichten.

Sartre baseerde zich in zijn denken op de fenomenologie van Edmund Husserl. Deze filosoof beschreef als eerste het bewustzijn als iets wat níet als een kern in de mens zit. Zijn definitie van bewustzijn was ‘Bewustzijn is bewustzijn ván iets’. Met andere woorden: het bewustzijn bestaat uit een verhouding met de buitenwereld. Er is niet zoiets als een essentie, die je een vooropgesteld levensdoel of richtsnoer geeft. Nee, pas door je verhouding tot de buitenwereld in het bewustzijn, existeer je en kun je iets van je essentie herkennen. Vandaar: ‘De existentie gaat vooraf aan de essentie!’

Dat brengt een enorme vrijheid met zich mee, want existeren doe je helemaal zelf. De mens is volgens Sartre nu eenmaal veroordeeld tot de absolute vrijheid, los van alles en iedereen. Dat kan beangstigend zijn, maar ook juist heel optimistisch stemmen. Het is opvallend hoe vol beweging en activiteit de filosofie van Sartre zit – beweging die Maarten van Buuren in zijn enthousiaste en levendige presentatie ook tot uiting brengt.

Die beweging begint al helemaal aan het begin van het leven, als de mens in het bestaan ‘geworpen’ wordt. Van Buuren vergelijkt het met een survivaltocht: je wordt gedumpt in de jungle met een rugzakje om, maar zonder opdracht en zonder doel. Er zijn een paar gegevenheden, zoals je rugzakje, maar ook je geslacht en in welk land je gedropt bent. Vanaf dat moment moet je het echter zien te rooien. Allereerst met je bewustzijn, dat ook een activiteit is: ‘een pijl die je afschiet’. Door bewust keuzes te maken ontwerp je je eigen existentie. Sterker nog: je moet een sprong wagen in het project dat je leven is.

Vaak gaat het niet zo makkelijk. De absolute vrijheid is ook een last. Van Buuren beschrijft de val van het existentialisme, een val in het absolute niets. Dat is het besef van het ontbreken van een vooraf gegeven essentie. In je jeugd heeft alles nog een doel en een betekenis, maar het existentialisme prikt door deze illusie heen. Een pijnlijk moment, dat Van Buuren uit eigen ervaring kent.

In de serie Levenskunst draait het om de manier waarop denkers en schrijvers kunnen helpen bij de morele opgave iets van je leven te maken. Wat zeggen zij tegen je? En wat is jouw antwoord? Maarten van Buuren en Joep Dohmen vertellen openhartig over de manier waarop de schrijvers hen geraakt en beïnvloed hebben, zonder daarbij het wetenschappelijke perspectief te verliezen.

Mondriaan, Compositie met rood, geel en blauw (1927)

De eerste keer dat ik Mondriaan zag, was in het Kröller-Müller museum. Natuurlijk kende ik Mondriaan van de mokken en muismatten, de poster van mijn moeder en het eeuwige ‘dat kan mijn zoontje van drie ook’. Maar de eerste keer dat ik een schilderij van Mondriaan echt zág, begreep en doorvoelde, was bij ‟Compositie met rood, geel en blauw‟ uit 1927.

Het kleine doek hangt in een hoekje van de zaal en ik slenterde erlangs, zoals je langs zoveel schilderijen in een museum slentert. Mijn blik bleef echter hangen en ik moest terug. Het schilderij zoog me op, benam me de adem en liet me niet passeren. Minuten later verliet ik het zaaltje in verwarring, nog steeds happend naar adem. Ik begreep niet goed wat er gebeurd was, maar het voelde alsof ik kennis had genomen van iets heel fundamenteels. Iets wat te maken heeft met zinloosheid, de onbeduidendheid van de mens en mijn leven in het bijzonder, een afgrond. De afgrond van de existentie, zoiets. Duizeling. Dat was vijf jaar geleden.

Vijf jaar later blijkt het schilderij nog precies dezelfde duizeling bij me op te roepen. NIet meer zo heftig als de eerste keer. Ik kan haar op afstand houden en observeren. Inmiddels weet ik iets meer over die existentiële afgrond, waar Sartre over zegt: ‘Duizeligheid is angst, niet in die zin dat ik ervoor beducht ben in de afgrond te vallen, maar me erin te storten.’ In plaats van me op de inhoud van de duizeling te richten, probeer ik daarom erachter te komen waardoor die veroorzaakt wordt. Het merendeel van de mensen ziet gewoon witte vlakken, zwarte strepen en wat kleurtjes, en het valt niet mee om uit te leggen waar de grootheid van Mondriaan in ligt.

Allereerst is er een groot verschil tussen de mokken en muismatten, al die cleane reproducties van Mondriaan, en de echte schilderijen. Niks wit, ik zie grijstonen. In het grote vlak in het midden zit een verloop, onderaan lijkt een schaduw zich te verstoppen achter de blauwe rand. Dat zie je niet op een poster. Het witte (vooruit) vlak dringt zich daardoor naar voren, en trekt zich tegelijkertijd terug. Het beweegt. De lijnen en gekleurde vlakken langs de rand lijken door het witte vlak te worden weggedrukt. Het witte vlak eist alle aandacht op, plaatst zich ten koste van de rest in het middelpunt.

Hoeveel schilderijen zijn er waarbij het middelpunt een wit vlak is? De compositie biedt geen vast referentiepunt, je móet je verliezen in dat wegtrekkende wit. De lijnen en kleuren kunnen de blik niet vasthouden, steeds weer dringt het wit-dat-geen-wit-is zich op de voorgrond. Daar komt de duizeling vandaan. Het besef van leegte, het gevoel van verdrukking, en het verlangen je in de afgrond te storten, in plaats van erin te vallen.

Dat Mondriaan dit bereikt door een geometrische compositie, en niet door een natuurgetrouwe voorstelling van een afgrond in de bergen (om maar wat te noemen), vind ik ronduit geniaal. De geometrie, de vorm, vlakken en primaire kleuren kunnen een zeer gevoelig, romantisch en existentieel effect teweegbrengen, een epifanie bijna. Dat is ook wat Mondriaan en zijn bentgenoten van De Stijl voor ogen stond.

De afgrond lonkt… ik stort me erin.