Techniek in de Maand van de filosofie: recensie Coen Simon – Een stok om mee te denken

Simon - StokDe maand van de filosofie heeft als thema mens en techniek. Waar beter te beginnen dan bij een historisch overzicht van wat filosofen in de loop van 2500 jaar over techniek hebben geschreven? Coen Simon verzamelde in Een stok om mee te denken ruim twintig stukken van verschillende filosofen over technieken, te beginnen met Plato’s grot. Techniek, dat is alles wat door de mens gemaakt is, dus: Susan Sontag over de fotocamera, Foucault over het panopticon maar ook denkers over zaken als geld, ‘de waar’ volgens Marx en het logistieke centrum van De Botton.

Lees verder hieronder of bij Athenaeum: Een verscheidenheid aan (denk)technieken

Hoe technieken sturen

En het eindigt – natuurlijk – bij een stuk ‘Over het internet’, hoewel die titel wat te beperkt is. Luciano Floridi noemt in die tekst het internet haast niet, het gaat eerder over de totale versmelting van de offline en online wereld in wat hij noemt ‘de infosfeer’, waarin we als ‘inforgs’ binnen afzienbare tijd zullen leven. Het is een rode draad in deze teksten: het gaat niet om het nieuwe apparaat, maar om de sturende werking van het apparaat (dat kan ook het schrift zijn, of het wereldwijde web) op het samenleven. Een nieuwe techniek betekent een verandering in het systeem en dat is wat de filosoof probeert te begrijpen.

Van Plato naar het geld, de trein en de rest

De stukken zijn chronologisch gerangschikt op het moment van uitvinding, wat betekent dat we wel beginnen met Plato maar dat vervolgens oudere en nieuwere teksten van de meest uiteenlopende denkers door elkaar staan. Alle titels zijn gesteld volgens het format ‘Over [de onderhavige techniek]’ en worden heel kort ingeleid door Simon. Ik mis daarbij meer feitelijke informatie over de teksten, zoals jaartal en oorspronkelijke titel van de publicatie. Voor bibliografische informatie moet je naar de bronnenlijst achterin bladeren. Die is dan weer alfabetisch opgesteld, in plaats van de inhoudsopgave te volgen. Een kleinigheidje, maar bij dit soort verzamelbundels is het bedienen van het lezersgemak juist zo belangrijk.

De meeste filosofen komen overigens uit de laatste twee eeuwen, net als de meeste technieken. In feite lijkt het alsof tussen ‘het geld’ (Georg Simmel) en ‘de trein’ (Petran Kockelkoren) haast geen techniek is uitgevonden. Nu nodigt zo’n overzichtswerk natuurlijk ook uit om te bedenken wat erin ontbreekt. Over bijvoorbeeld de drukpers of de telescoop moeten toch teksten te vinden zijn die dit gat hadden kunnen overbruggen.

Hoe de trein via de kermis kwam

Twee van die negentiende-eeuwse technieken zijn de trein en de fonograaf, beschreven door respectievelijk Petran Kockelkoren en René Munnik, twee Nederlandse filosofen. Grappige anekdotes wisselen zij af met inzichten in de culturele betekenis van zulke nieuwe techniek. Kockelkoren laat zien hoe kunstenaars en kermisexploitanten medeverantwoordelijk zijn voor de culturele acceptatie van de trein, door grote doeken te schilderen van locomotieven, of door attracties te ontwerpen waarin het publiek de treinervaring kon meemaken:

‘Het publiek werd in namaakcoupés geplaatst. Aan de overzijde werden landschapstaferelen ontrold […] Beeldend kunstenaars waren als schilders van zulke rollen dikwijls werkzaam als handlangers van kermisklanten. Mensen vergaapten zich aan exotische vergezichten en maakten zich al doende de bewogen blik eigen.’

Een verscheidenheid aan denktechnieken

Wat bovendien juist aardig is bij zo’n anthologie is dat die verscheidenheid je indirect ook iets leert over verschillende manieren om te filosoferen. De teksten zijn heel uiteenlopend, dat kan ook niet anders wanneer Heidegger en Alain de Botton in één bundel opduiken – om maar even twee controversiële ‘denkers’ te noemen. De ondertitel De techniek van filosofen, die ik toch eerder associeer met boeken als Gereedschapskist voor het denken van Daniel Dennett of de interviewbundel Hoe denkers denken, blijkt bij nader inzien niet helemaal onjuist gekozen.

Techniek in de literatuur V

word_perfect_5.1

Nu ben ik nog eens twee keer vergeten het stukje dat ik vrijdag in mijn pauze schreef naar mezelf te mailen. Inmiddels is het niet actueel meer, het is in de dooi verwaterd. Laat dan maar, er zijn genoeg andere dingen om over te schrijven. Mijn mijmeringen over het Word Perfect 5.1-debacle brachten me op het spoor van een volgend hoofdstuk in het verhaal over techniek in de literatuur. Een moderne techniek bovendien, in een moderne roman: De Procedure van Harry Mulisch.

Mulisch begint zijn verhaal zoals elke beginnende schrijver zonder inspiratie een verhaal zou willen beginnen: ik zette de computer aan en hield mijn handen boven het toetsenbord. Het grote verschil is natuurlijk dat Mulisch geen beginnende, inspiratieloze schrijver is – zijn openingszinnen spelen daarmee, zijn begin is een meta-begin.

Eerste stuk
De mens

Ja, ik kan natuurlijk met de deur in huis vallen en beginnen met een zin als:
De telefoon ging. Wie belt wie? Waarom? Het moet iets belangrijks zijn, anders zou het dossier daar niet mee openen. Spanning! Actie! Maar zo kan het dit keer niet.

Zo kan het dit keer niet? Hij heeft het al gedaan! Wie het boek in zijn geheel gelezen heeft, weet dat dit begin ook niet zomaar getuigt van opstartproblemen, niet bedoeld was als warming-up voor de vingers. De roman handelt over scheppen, over het begin van leven, van de mens, van de mensheid. Van de literatuur.

Ik las De Procedure in het verschijningsjaar 1998, dus of ik het nog goed zeg durf ik niet te beloven. Dat ik me kan vergissen is de vorige keer al gebleken. Hoe dan ook verwijst de procedure uit de titel naar de manier, of laten we zeggen techniek, om een golem te maken, het tijdloze, modderige neefje van het monster van Frankenstein. Een schepping van een namaakmens, een mens tussen aanhalingstekens: ‘mens’.

De golem stamt uit de zeer oude Joodse geschiedenis. Al op bladzijde twee van zijn verhaal, slaat Mulisch de lezer om de oren met Bijbelse referenties, om te vervolgen met kabbalistische lettertoverij – die uiteindelijk zal leiden tot het recept voor de menselijke mensenschepping.

In dat licht moet dan ook de moderne techniek worden bezien die Mulisch meteen al in de openingsscène naast de Bijbel plaatst:

Ik heb de bel van de telefoon en de huisdeur afgezet en het klokje op mijn schrijftafel omgedraaid; alles in mijn werkkamer wacht op de komende gebeurtenissen. De eerste lichtgevende woorden zijn in het ultramarijn van het computerscherm verschenen, terwijl buiten de verblindende, ondergaande herfstzon over het plein schijnt.

In 1998 zag iedereen bij deze woorden meteen een enorme beeldschermkast voor zich, met daarop een leeg Word Perfect 5.1-scherm. Ik vond dat toen heel tof: ik gebruikte hetzelfde programma als de grote Harry Mulisch! Niks schrijven met een ganzenveer of een Parkerpen, gewoon lekker prozaïsch typen op een computer. Scheppen uit het niets, in het niet, met cijfertoverij van nullen en enen (dit dacht ik toen niet).

Bij het teruglezen ging ik weer aan mezelf twijfelen. In mijn geheugen was de passage over het blauwe scherm wel wat langer dan twaalf woorden. Ultramarijn, dat klinkt zelfs iets te mooi voor WP5.1. Zou ik dan zelf van alles erbij verzonnen hebben, in mijn vreugde over deze onvermoede verwantschap? Het is een bekend procédé dat lezers dit soort zinnen kunnen uitbouwen tot hele scènes en zelfs dialogen, als er maar een paar woorden zijn die persoonlijk tot hen gericht lijken.

Ik blader verder door het boek. Mijn oog valt nog op de zinsnede ‘gaat zitten, legt de mobiele telefoon opzij’ – maar een mobiel had ik toen nog niet dus dat heeft geen indruk gemaakt. Zo’n terloopse opmerking is ook niet wat ik zoek. Het gaat me om de verwerking van techniek in literatuur, weliswaar hoe die in het alledaagse leven van de personages een rol speelt, maar dan wel nadrukkelijk geformuleerd. Dat iemand zijn mobiel opzij legt kunnen we hoogstens duiden als een afwijzing van dit communicatiemiddel. (Misschien speelt de mobiel verderop in het verhaal een belangrijkere rol, dat weet ik niet meer.)

Maar dan. Het begin van het ‘Vierde stuk’:

Het visioen verzinkt, het verdwijnt als een ijsberg die van de poolkap is losgeraakt en smeltend naar het zuiden drijft. Het witte ijs in de blauwe oceaan (mijn blauwe scherm, de witte letters daarop), het gevaarte zo groot als een alp, waarvan tot slot alleen nog een kleine klomp over is, niet groter dan een mammoetkies.

Kijk, daar is het tweede bewijsstuk: blauw scherm, witte letters. En opnieuw zien we niet alleen letterlijk een schrijver aan het werk, typend achter zijn computer, maar ook in overdrachtelijke zin. Dubbel overdrachtelijk: de metafoor van de ijsschots in de oceaan is hier natuurlijk niet lukraak gekozen (goh, wit op blauw, wat zal ik daarvan maken?). In het licht van de schepping is dit beeld makkelijk te duiden als de mens die losraakt van zijn schepper en hopeloos afdrijft in de grote, woeste wereld, tot hij volledig daarin opgaat (verwaterd, zoals mijn vorige, ongepubliceerde stukje) en van God los is. Geeft zo’n metafoor het smelten van de polen niet een heel nieuwe dimensie?

Pas bij herlezing vallen dit soort dingen op, zelfs als er tien jaren verstreken zijn en je geheugen je soms in de steek laat. (Ik moet nu opeens denken aan de opening van Mystiek lichaam van Kellendonk, waar iemand – ik parafraseer uit het hoofd – het stuur van een fiets vasthoudt alsof het een bruidstaart is. Een metafoor die uit de lucht gegrepen lijkt, maar waarin het hele verhaal vervat is. Zoiets is geniaal en daar heb ik hevige discussies over gevoerd.)

In de hoop dat Mulisch zijn boek eindigt met nog een WP-moment, stuit ik niet op blauwe schermen, maar weer op de mobiele telefoon:

Hij voelt trillen in zijn hartstreek.
‘Werker,’ zegt hij, terwijl hij doorloopt.
Stilte. Hij blijft staan, en als bij het wegschieten van een sigarettenpeuk laat hij de nagel van zijn middelvinger tegen de microfoon springen, in de hoop dat de ander nu denkt dat met de tik een apparaat is ingeschakeld.
‘Blijf maar aan de lijn, dan kan de centrale je nummer peilen.’

Daar had inderdaad iedereen het over in de begintijd van de mobiel: het trillen in je borstzak, dat op een opkomende hartaanval zou lijken. Bij de laatste zin heb ik tien jaar geleden een groot vraagteken in de kantlijn gezet. Het enige wat me nu nog vreemd voorkomt is die Werker, die blijkbaar op straat rookt. Het met twee vingers wegschieten van een peuk is een techniek die langzaam uit het straatbeeld en de literatuur zal verdwijnen, vrees ik.