Gelegenheidsoptimist: Ode aan het zwart

Armando_gefechtsfeld

Een ode aan het zwart – kan dat wel als gelegenheidsoptimist? Toegegeven, het zwart is allereerst het angstaanjagende, overrompelende zwart, dat je kan omsluiten als plotseling invallend duister – zo ondoordringbaar dat je bijna niet durft te ademen. Een groot doek van Armando waar je per ongeluk te dicht op gaat staan. De randen rafelig in je ooghoeken, zodat je geen uitweg meer ziet. Het omvouwt je, beknelt je, houdt je gevangen. Doodeng en fantastisch tegelijk. Bij zo’n doek begon mijn liefde voor het zwart, al klinkt zo’n liefde misschien masochistisch.


Onlangs zag ik van Armando een ander werk, met daarop een bosrand. (Ik stel het maar even zo droog, los van de beladenheid van het werk.) Een ander zwart, dat toch hetzelfde is. De bosrand markeert de grens naar een andere wereld, of nee, de bosrand ís die grens, een niet-op-zichzelf bestaand gebied, zoals de lijn tussen twee aangrenzende kleurvlakken niet bestaat. Als je de eerste boom voorbijgaat kom je in het land van de  sprookjes. Als dat te aangenaam klinkt: de bosrand verbergt ook de wereld van Twin Peaks, het zwartste sprookje voor volwassenen. Maar je stapt die eerste bomenrij niet voorbij, want een bosrand is iets waar je van een afstand naar kijkt. Je probeert door te dringen in de duisternis. Onmogelijk. Zelfs op de helderste zomerdag kun je niet door het bos heen kijken. Waardoor je blijft kijken, enigszins verontrust en met kippenvel op je blote armen. De dreiging die van het zwart van de bosrand uitgaat is te groot, te onbekend. Ze vibreert van ontembare wildheid. Het zwart temmen, dat moet de volgende stap zijn.

David Lynch, die het zwart niet alleen in Twin Peaks, maar ook in zijn films en schilderkunst onderzocht, beschrijft het als een uitgang – een uitgang die ook een toegang moet zijn, en wel tot je eigen angsten en verlangens: ‘Black has depth. It’s like a little egress; you can go into it, and because it keeps on continuing to be dark, the mind kicks in, and a lot of things that are going on in there become manifest. And you start seeing what you are afraid of. You start seeing what you love, and it becomes like a dream.’ Je zit in je stoel, sluit je ogen en gaat de uitgang door, zo ver je kunt, totdat je ogen wennen aan het zwart en er dingen uit zichtbaar worden. Of misschien is het niet eens nodig om je ogen te sluiten.

Jarenlang woonde ik in een kamer waar ik de Arithmetische Compositie van Theo van Doesburg op de muur had geschilderd. Op ware grootte, 1 bij 1 meter. Het gekantelde vierkant van een halve bij een halve meter schilderde ik zo vaak over tot het inktzwart was. Je zag het meteen als je binnenkwam. Mensen die bij me op bezoek kwamen werden onrustig van die schildering. Na een snelle blik maakten ze steevast een ironisch bedoelde opmerking (‘gezellig’), daarna probeerden ze vooral niet naar de muur te kijken. Toch werken hun ogen steeds weer getrokken door dat vierkant. Anders dan het zwart van Armando, dat je hele blikveld vult en je lichaam omvat, waardoor je uiteen lijkt te vallen en alleen nog maar kunt proberen om jezelf te beschermen – anders dan dat bosrandachtige, dreigende zwart, had het vierkant van Van Doesburg een zuigende werking waardoor je aandacht zeer scherp werd. Als je langdurig in dat vlak keek (wat ik vaak deed), kon de wereld zomaar een heel helder aanzien krijgen.

(Daarvoor woonde ik in een kamer met de Compositie XVIII in drie delen op de muur – het befaamde stuk waarvan het middelpunt buiten het doek ligt, een punt in de lege ruimte van de (witte) muur, dat ik met mijn blik probeerde te vangen.)

Oh, wat zou ik er nu niet voor over hebben een ander zwart vierkant, dat van Malevich, tegenover mijn bank te hebben hangen! Ik denk dat ik er een beter mens van zou worden – scherp, geestig, dapper, als een haast mannelijke furie. ‘Het zwarte vierkant = gevoel, het witte vlak = de leegte voorbij dit gevoel.’ Het klinkt als een oosterse wijsheid, een koan waar je jaren op kunt mediteren. Misschien is het staren in het zwart van een vierkant ook een soort meditatie, waardoor alles bijeen wordt gehouden in plaats van uit elkaar valt. Het zwart is getemd en het zwart temt jou.

Ik wilde eigenlijk alleen maar schrijven over Theo van Doesburg. Omdat ik toevallig in de buurt van Drachten was, ging ik langs de school met twee van zijn glas-in-loodcomposities. Het zwarte vierkant is maar één kant van het verhaal, in die enorme hoeveelheid glas-in-lood die Van Doesburg maakte gaat het juist om licht. In het hoge gebouw in de Torenstraat woont tegenwoordig een vioollerares. Er tegenover staat een tattooshop. Om het glas-in-lood goed te zien moet je binnen zijn, zodat het buitenlicht erdoorheen kan vallen. Nu was het een donker patchwork dat zijn geheimen niet prijsgaf.

Later die dag zocht ik in het Kröller-Müller naar Van Doesburgs Compositie XVIII in drie delen. Het hing er niet meer. Opgeborgen in het depot om plaats te maken voor een tentoonstelling, denk ik. Ik hield stil bij de drie frames met glas-in-lood die daar ook staan opgesteld en waar ik nooit goed naar had gekeken. Voor het raam, met de bomen op de achtergrond, kreeg het licht vrij spel. Ik keek door de oppervlakte heen, tegelijk was er niets dan de oppervlakte om naar te kijken, het spel van vlakken en kleuren. Het leek alsof de oppervlakte van alles verborg, in het opene. Als ik haast nonchalant langs het kader van lood keek, was het alsof meteen daarachter het bos van de Veluwe begon. De bosrand, die rand zonder dikte, of anders met de dikte van een bos. De raamwerken verloren hun licht en werden in mijn toegeknepen ooghoek bijna zwart, zwarte vierkanten waar je niet meer doorheen kunt kijken. Een uitgang naar een andere wereld, waar je dat ziet waar je bang voor bent en dat waar je van houdt. Ik dacht aan de vioollerares en de tattooshop.

Lees bij De Optimist: Gelegenheidsoptimist: Ode aan het zwart

Theo van Doesburg, held

Op de valreep bezocht ik de tentoonstelling over Theo van Doesburg in Leiden (morgen voor het laatst te bezichtigen). Van Doesburg is mijn held, al jaren. Waarom? Mijn eerste kennismaking was in het college Nederlandse letterkunde, waar hij ‘de enige dadaïst van Nederland’ werd genoemd. Hij zou altijd in de schaduw hebben gestaan van de veel beroemdere Piet Mondriaan. Onterecht, vind ik. De enige dadaïst was ook constructivist, schrijver, redacteur van het belangrijkste tijdschrift uit de twintigste eeuw De Stijl, architect, glas-in-lood- en meubelontwerper. En natuurlijk schilder.

In mijn eerste woninkje in Lunetten maakte ik een muurschildering van de Compositie XVIII in drie delen (1920). Dit werk bestaat uit drie schilderijen die samen een driehoek vormen. Het middelpunt van het schilderij ligt daarom buiten het doek. Ik had het uit een boek overgenomen, netjes de afmetingen uitgerekend en met een liniaal overgetrokken en ingekleurd. Heel vaak heb ik naar het onbestaande middelpunt van de drie doeken gestaard, gewoon op de bank in Lunetten. Het origineel zag ik pas later in het Kröller-Müller museum.

Het hangt ook op deze expo. Maar het gekke is: de drie schilderijtjes zijn bij elkaar in een glazen lijst gestopt. Zo vormen ze één geheel, en is het middelpunt niet buiten het schilderij gelegen, maar het middelpunt van een rechthoekig werk geworden. In het boekje dat bij de tentoonstelling hoort, staat het buitendoekige middelpunt wel keurig netjes vermeld. Nog merkwaardiger is dat verderop een foto hangt van een van de eerste tentoonstellingen van Van Doesburg, door hemzelf ingericht. Daar zien we de drie schilderijen hangen aan de muur van het museum, een beetje achteraf. Zonder lijst, natuurlijk. Sterker: ze hangen aan een touwtje, bungelen bijna. Zo benadrukken ze het luchtledige. Het middelpunt kan nu wel in het hele museum liggen. Geweldig. In de Lakenhal ondertussen is de glans er wel van af, hoewel het een indrukwekkend kunstwerk blijft.

Niet veel bezoekers in het studiootje in Lunetten begrepen mijn verering van Van Doesburg, ben ik bang. Toen ik verhuisde naar een andere flat verbeterde het enigszins, met mijn muurschildering van de Aritmetische compositie (uiteraard op levensechte afmeting van 1 bij 1 meter). Dit vind ik een van de beste schilderijen ter wereld, misschien alleen voorbijgestreefd door de Victory Boogie Woogie – maar die is een beetje lastig na te schilderen op een gestuukte muur in een sociale huurwoning. Het is een werk waar ik uren naar kan kijken, waar ik uren naar heb gekeken. Zonder iets te denken, volledig opgaand in het lijnenspel en in het geval van de Aritmetische compositie, ook volledig opgeslokt door het zwarte vlak. Veel mensen vonden het grootste zwarte vierkant iets beangstigends. Ze staarden ernaar. Ze voelden het dus. Het sublieme, dat durf ik wel te stellen.

De Aritmetische compositie (1929-30), zo las ik in een naslagwerk, bevond zich in privébezit in Zwitserland. Nooit te zien. Een droomstuk. Nostalgisch dacht ik terug aan die muurschildering, die nu niet meer bestaat, alleen nog in mijn hoofd. De kleine schetsjes die Van Doesburg maakte, hingen in Leiden onder elkaar tentoongesteld. Die kende ik al. Wat zou het toch mooi zijn, dacht ik en draaide me om.

Daar hing hij. De Aritmetische compositie.
In Nederland. Onder handbereik. Op ware grootte.
Ik kreeg een brok in mijn keel.

Zullen veel mensen dat raar vinden, dat een abstract schilderij je ontroert? Een schilderij gebaseerd op wiskundige principes? Ik zag in elk geval niemand anders op die manier stilstaan op die plek. Terwijl het zwarte vlak daar toch een onweerstaanbare zuigkracht hing uit te oefenen.

Ik ging een beetje aan de kant staan en keek van opzij naar wat ik in gedachten al ‘mijn vriend’ noemde. Dat doe ik vaker: voor een schilderij gaan staan en dan het schilderij dat ernaast hangt bekijken. Het is als met personen: als je iemand recht aankijkt kan er wederzijdse ongemakkelijkheid ontstaan. Je bent niet echt bezig met kijken. Van een afstandje zie je iets heel anders, net als wanneer je naar iemand kijkt die zich onbespied waant. Zo keek ik dus nog een tijdje naar die vierkante meter genialiteit. En steeds duidelijker begreep ik dat het gaat om de leegte van dat grote vlak, waaromheen dingen gebeuren. Het was dan ook geen ontroering, maar duizeling. Een blik in de afgrond, zoals ik eerder had ervaren bij Mondriaans Compositie met rood, geel en blauw (1927).

Van Mondriaan hing er ook een ander schilderij dat dezelfde sublieme duizeling opriep: Compositie met blauw, geel, zwart en rood (1922). En hier bleek het van opzij kijken nog iets anders te doen. Het schilderij veranderde van diepte en van kleur, de afgrond opende zich. Het wit is niet wit. En vooral het blauwe vlak linksboven is geen blauw vlak linksboven, maar een aanzwellende golf die zich als een waterval in de diepte omlaag dreigt te storten. Dreigt, want steeds blijft hij hangen. Als een schilderij in het luchtledige, bijna bungelend.