Recensie Joke J. Hermsen – Kairos. Een nieuwe bevlogenheid

KairosWat hebben de Weggeefwinkel, het metamodernisme en Rotterdam Vakmanstad met elkaar gemeen? Ze figureren alle drie in het abecedarium dat filosoof Joke J. Hermsen presenteert als afsluiting van haar nieuwe essaybundel Kairos: Een nieuwe bevlogenheid.

Deze week in De Groene Amsterdammer, mijn recensie van Joke J. Hermsen – Kairos. Een nieuwe bevlogenheid. In het papieren blad of online achter de inlog: Een nieuw begin.

Filmpje: Tijd – een wetenschapsfilosofische verkenning

Lees verder over tijd:
Maarten van Buuren: Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn
Dick Swaab: De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein
Harry Jansen: Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap / Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven
Renate Loll: Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?
Victor Gijsbers: Heden, verleden en toekomst: betekenisvolle illusies
L’année dernière à Marienbad: Op de rand van verlatenheid, dreiging, hoop en schaduw: abandoned images
Tanja van der Lippe: Druk druk druk
Henriëtte de Swart: Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’

Alles wat we zeggen over tijd is ‘Tijd in taal’

rivier

Om de tijd te beschrijven en te begrijpen, heb je metaforen nodig, dat is in de acht weken van de wetenschapsfilosofische serie Tijd wel gebleken. Alle wetenschappers grepen metaforen aan om de betekenis van het concept tijd in hun discipline te verhelderen. Van de letterkundige Maarten van Buuren – van wie je beeldend taalgebruik verwacht – die sprak over gangen en deuren in de herinnering, tot theoretisch fysicus Renate Loll, die een artistieke impressie van de kwantumschaal toonde.

Subjectieve tijd
De laatste lezing, van prof. Henriëtte de Swart, ging over ‘Tijd in taal’. Veel van de taalkundige concepten die zij besprak, herinnerden aan wat in de andere lezingen ter sprake is gekomen. Niet zo gek als je bedenkt dat alle wetenschappen zich van een taal moeten bedienen – ook al is dat de formele taal van de wiskunde of de logica – om hun begrip van tijd te omschrijven. Toch gebruikte De Swart juist ook muziek om de verschillende visies op tijd op een luchtige manier voor het voetlicht te brengen, een beetje zoals historicus Harry Jansen in zijn lezing vertrok vanuit een drietal schilderijen.

Een belangrijk onderscheid dat steeds is teruggekomen, is dat tussen de subjectieve, ervaren tijd en de objectieve, ‘vulgaire’ tijd. Juist in de wrijving tussen die twee liggen interessante vragen. Zoals over het ontstaan van tijdsdruk, die te maken lijkt te hebben met een discrepantie tussen deze twee soorten tijd. De verdeling is ook in de taal te vinden. Subjectieve tijd in taal is deiktisch. Wat er gezegd wordt staat in een relatie tot de spreker. Neem bijvoorbeeld ‘gisteren ging ik naar Amsterdam’. Het is afhankelijk van het moment van spreken wanneer ‘gisteren’ precies was. De getallenlijn waarop je dat kunt aanwijzen, is daarentegen juist onafhankelijk en objectief.

Asymmetrie van tijd
De taalkunde gaat ook uit van een asymmetrie van verleden en toekomst. Het verleden is toegankelijk, we weten wat er gebeurd is, het ligt vast, terwijl de toekomst open ligt en niet toegankelijk is. Over de asymmetrie van de tijd, maar dan in natuurkundige zin, ging het ook bij Victor Gijsbers: tijd kan alleen maar vooruit lopen en niet achteruit. Uiteindelijk bleken in de natuurkunde verleden, toekomst en heden geen betekenis te hebben. Ze hebben in elk geval allemaal dezelfde waarde, namelijk als betekenisloze punt op een lijn. Eigenlijk bestaat daar alleen de objectieve tijd van de vierdimensionale ruimtetijd, die Gijsbers voorstelde als een blok (ook weer een metafoor). De asymmetrie van de talige tijd heeft juist wel te maken met de subjectiviteit ervan, met de ‘rivier’ die almaar voorstroomt in een verschuivend heden.

Het verschil in toegankelijkheid van verleden en toekomst is terug te zien in de taal. Voor het beschrijven van het verleden zijn veel meer mogelijkheden dan voor het spreken over de toekomst. Als het gaat om hoeveel tijd er verstreken is tussen het moment van spreken en dat waarover gesproken wordt, is het verleden veel beter te specificeren. Er zijn meer ‘degrees of remoteness’ zoals dat dan heet. Het heden, het nu van de spreker, heeft juist een heel beperkte uitdrukkingsvorm.

Objectieve tijd
De objectieve tijd in taal is niet deiktisch, maar juist onafhankelijk van de positie van de spreker. Het gaat om punten op een tijdas, zoals donderdag 31 maart 2011. Opmerkelijk genoeg vergeleek De Swart deze tijd met de biologische klok zoals beschreven door Dick Swaab. In de natuurlijke taal (de taal die we als kind leren en in de omgang gebruiken), zit de tijd net zo ingebakken als in de biologische klok in ons lichaam.

En daarin is een samensmelting van de objectieve en de subjectieve tijd dan eindelijk binnen handbereik. We kunnen bijvoorbeeld de cyclische tijd beschrijven, zoals Swaab dat ook deed: in de zomer vinden meer veldslagen plaats. Dat gaat niet om de zomer van 2011, maar om de steeds terugkerende zomer. We kunnen echter ook zeggen: ‘Ik vertrek vrijdag naar Amsterdam.’ Niemand zal eraan twijfelen dat ik dan spreek over aanstaande vrijdag (behalve misschien omdat het dan 1 april is). Deze zin is dus tegelijk objectief (‘vrijdag’) en subjectief (gekoppeld aan mijn perspectief: niet elke vrijdag maar déze vrijdag).

Spreken over taal in taal
Henriëtte de Swart besloot met te benadrukken dat we niet om de tijd heen kunnen, die zit net zozeer in onze taal als in ons lichaam. Die koppeling tussen tijd en lichaam, tussen subjectiviteit en objectiviteit kwam prachtig tot uitdrukking in de film L’année dernière à Marienbad, die bij uitstek via niet-talige middelen de tijd probeert uit te drukken. Je zou de film kunnen zien als één grote metafoor, die evenals de schilderijen van Jansen en de tekening van Loll iets onzegbaars wil uitbeelden. Het is dan ook moeilijk om over tijd in taal te spreken, omdat je de taal daarvoor nodig hebt. Hoe stijg je daarboven uit? Zoals de natuurkundige die virtueel buiten het blok van ruimtetijd gaat staan? Maar ook hij gebruikt een taal om te vertellen wat hij ziet. Misschien kan dat dus niet, en laat elk spreken over tijd weer een ander facet liggen.

De acht perspectieven die in deze serie zijn geboden laten de verscheidenheid én de samenhang tussen de wetenschappen zien. Er zijn er vast nog veel meer en dat is mooi: het onderzoek naar tijd is work in progress of misschien meer toepasselijk gezegd, een stroom die vanuit het verleden naar de toekomst loopt. Deze lezingen beschouwen de stand van zaken in het heden; een heden dat – echt waar – is gestold, vastgelegd en terug te zien.

Was er tijd voor de oerknal? Ja! Ja?

oerknal

Tijd is fundamenteel voor het bestaan van ons universum – dat was de conclusie van de lezing over tijd in de theoretische fysica, door professor Renate Loll. Tijd kun je benaderen als een kwantitatief gegeven en op die manier speelt het een rol in alle natuurkundige processen. Een formulering van natuurwetten kan niet zonder de notie van tijd, waarin veranderingen zich afspelen. Ook in experimenten die natuurwetten onderzoeken en proberen te bewijzen is ‘tijd’ altijd aanwezig als het referentiekader waarbinnen de natuurkunde werkt. Maar tijd is ook als kwalitatief fenomeen, een ding op zichzelf te bestuderen.

‘Was er tijd voor de oerknal?’ De titel van Lolls lezing verwijst naar de vraag of tijd emergent is, een soort bijverschijnsel in het universum dat tegelijk met het heelal is ontstaan. Of is het iets fundamenteels, iets wat noodzakelijk is voor het bestaan van alles?

Newton, Einstein, Terry Pratchett
Loll geeft een ultrakorte geschiedenis van het natuurkundige denken over tijd. Voor Newton bestond de wereld uit ruimte, tijd en zwaartekracht als drie losse eenheden. Tijd was in zijn wereldbeeld universeel en onveranderlijk. Dan komt Einstein met de relativiteitstheorie. Tijd is niet meer een statisch ding, maar afhankelijk van de positie van de waarnemer. Ruimte, tijd en zwaartekracht zijn één, ze gaan samen in de gekromde ruimtetijd. Tijd functioneert als vierde dimensie: een punt in de ruimte (drie dimensies) gaat gepaard met een punt in de tijd.

De relativiteitstheorie van Einstein laat zien dat het heelal uitdijt. Dat is een beweging in de tijd, die je ook terug kunt volgen. Het is mogelijk terug te denken tot aan het begin van het uitdijende heelal. De ruimte wordt dan almaar kleiner en kleiner. Uiteindelijk kom je uit op een punt waarin alle materie is samengebald. Renate Loll citeert fantasyschrijver Terry Pratchett: ‘In the beginning there was nothing, which exploded.’

Op dit punt, dat tegelijk alles en niets is, gebeurt echter iets vreemds. De condities daar zijn zo extreem, er is zoveel energie en materie samengebald, dat de theorie niet meer van toepassing is. Met andere woorden: Einsteins theorie voorspelt de ‘Big Bang’, maar kan wat er gebeurt in die Big Bang niet beschrijven. Een andere verklaring van wat zich in die extreme omstandigheden afspeelt is nodig. En dat is waar de kwantumtheorie zijn intrede doet.

Kwantumzwaartekracht
Einsteins theorie beschrijft zeer adequaat wat er gebeurt op de grote schaal van de natuur en kosmos. Op kleine schaal, zoals het ‘single point’ waarin alles is samengebald, laat de theorie het afweten. De natuurkunde moet dus op zoek naar een theorie die net als de gekromde ruimtetijd klopt op macroniveau, maar óók op het microniveau van de allerkleinste deeltjes.

Zwaartekracht is de sleutel. Op de schaal van de deeltjes (de Planckschaal) werkt de zwaartekracht niet op de manier zoals we die kennen. De zwaartekracht is zo zwak, dat die eigenlijk wordt ‘overruled’ door andere processen. Niettemin blijft zwaartekracht een niet te negeren invloed behouden. Die moet beschreven worden in een theorie van kwantumzwaartekracht (quantum gravity). Natuurkundigen zoeken die andere vorm van zwaartekracht in de lege ruimte tussen deeltjes. Zelfs die lege ruimte heeft nog een eigenschap: namelijk zwaartekrachtgolven. Is dat dan het niets, the nothing which exploded? Bestaat er wel zoiets als ‘het niets’?

Tijd voor de oerknal
Een vraag die in de lezing ruimschoots aan de orde kwam is: hoe onderzoek je zoiets? Het meeste, aldus Renate Loll, wordt gedaan door krachtige computers. Met behulp van computers kun je opgestelde hypothetische modellen doorrekenen, om erachter te komen of ze stand houden op alle niveaus, micro en macro. En wat blijkt? Om een model te formuleren dat geldig blijft, niet alleen in het universum zoals we het kennen, maar ook op het ‘single point’ waar alles wellicht ooit is begonnen, heb je hoe dan ook het gegeven tijd nodig. Zonder tijd (samenhangend met causaliteit) stort alles in elkaar. Zonder ruimte functioneert alles daarentegen prima. Het antwoord op de vraag of er tijd was voor de oerknal is dus: ja. Maar waaruit bestaat die tijd dan? Hoe werkt ze en waar komt ze vandaan? Zullen we ooit kunnen begrijpen wat tijd vóór de oerknal – tijd zonder ruimte dus – betekent, of gaat dat ons denkvermogen te boven? Dat zijn fundamentele vragen die de komende jaren onderzocht moeten worden.

Kijk de lezing (Engelstalig) hier terug: Was there a “Time” before the Big Bang?

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]

Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven

tijd2

De tijd als het element waarin onze existentie zich ontvouwt; de tijd als ritme, gestuurd door de biologische klok in onze hersenen: dat zijn twee vormen van tijd die we als individu ervaren, waar we ons persoonlijk toe moeten verhouden. In de derde lezing over tijd ging het over geschiedenis, en geschiedenis is niets anders dan een collectieve ervaring van tijd. Harry Jansen beschreef drie manieren waarop tijd in de geschiedschrijving ingezet wordt. Drie vormen die ook interessant zijn om toe te passen op je eigen leven. Daarom vandaag een dubbelpost op dit blog. Lees over de Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap en hieronder over de Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven.

1. Golvende tijd: Rise and Fall
‘Jaaa, the Rise and Fall of Miriam Rasch!’ riep ik na afloop van de lezing in de kroeg. Soms zit je in de lift, soms gaat alles in het leven bergafwaarts. Sommige mensen hebben het over cycli van zeven jaar (The Seven Year Itch, maar ook is dit idee gebaseerd op de biologische celvernieuwing die elke zeven jaar voltooid zou zijn). Ik geloof daar niet zo in, maar dat je leven in een golvende beweging gaat, herken ik wel. Tijd wordt in dit geval dus gedefinieerd in positief, opgaand en negatief, neergaand. Wat heeft dat eigenlijk met tijd te maken? Ik denk dat het vooral een andere manier is om tijd in je persoonlijke leven te meten. Zoals je kunt zeggen: dat was vóór Pietje en ná het ontslag.

In deze vorm van tijd zit ook herhaling, een soort eeuwige wederkeer. Het is een cyclische structuur. Kijk bijvoorbeeld naar je schooltijd: je begint op de basisschool helemaal onderaan en na zes jaar zit je in de hoogste klas. King of the school. Vervolgens mag je helemaal opnieuw beginnen in de brugklas. Ben je eindelijk een stoere eindexamenkandidaat, begint de ellende weer van voren af aan als eerstejaars op de universiteit. Je eerste baan, je tweede baan, enzovoort, enzovoort. De liefde? I rest my case.

2. Gefaseerde tijd: Generaties
De gefaseerde tijd is niet een cyclus, maar een opeenstapeling van levensfeiten. Je komt als kindje ter wereld met misschien een paar aangeboren eigenschappen, maar met een zee van tijd voor je. Meteen begint het: je bent een zuigeling, dan een dreumes, peuter, kleuter et cetera et cetera, ik ken alle officiële benamingen voor de verschillende levensstadia niet. Je bewandelt de trap omhoog en misschien doe je aan het eind van je leven weer een paar stappen naar beneden. Wijsheid komt met de jaren is de lijfspreuk.

Sommige mensen hebben een haast ergerniswekkend talent voor het leven deze tijdvorm. Ze vinden hun (al dan niet) grote liefde bij wie ze de rest van hun leven blijven. Ze kiezen de juiste studie, rollen in een interessante baan, dan volgen huwelijk, huis en kind, en nog een kind, en een groter huis. Pas als ze zelf tegen de middelbare leeftijd lopen begint het leven met een beetje drama te strooien, de hoogbejaarde ouders sterven een zachte dood, ze krijgen een beetje last van ouderdomskwaaltjes, wat fijn is, want anders is er niets om over te klagen, de kinderen zijn het huis uit, er komen kleinkinderen, het testament wordt opgemaakt, de hond gaat dood en het bejaardenhuis wacht. Bah.

3. Durende tijd: Herinneringen
Ooit, toen ik nog toneelspeelster wilde worden, las ik een interview met een beroemd acteur, die vertelde hoe hij tranen acteerde. Hij had een theelepeltje dat zo geladen was met herinneringen en emoties uit zijn kindertijd, dat hij het maar tevoorschijn hoefde te halen om de tranen in zijn ogen te doen opwellen. Hij bracht het verleden tastbaar terug in het heden, op een zintuiglijke manier – een historische sensatie, zij het individueel. Dat wilde ik ook!

Later, toen ik allang geen toneelspeelster meer wilde worden, bleef mijn fascinatie voor zulke persoonlijke historische sensaties bestaan. Niet voor niets ben ik nu Proustiaan. Proust, die de tijd als duur meer nog dan Bergson aan de mensen heeft gegeven, in al haar zintuiglijkheid. De tijd als duur ervaar je vooral in de ‘onvrijwillige herinnering’. Een geur, een bepaalde lichtinval, een object – bijvoorbeeld een theelepeltje – brengt je een herinnering te binnen. Nee, heftiger: transporteert je, lichaam, geest en al, terug de tijd in, terwijl je toch in het heden blijft. Met andere woorden: heden en verleden bestaan tegelijkertijd. Conclusie: op zulke momenten ben je onsterfelijk. (Dat denken de acteurs misschien ook op zo’n moment.)

Deze tijd is niet cyclisch en ook niet opbouwend, maar gefragmenteerd. Alle drie de vormen van tijd zijn interessante instrumenten om over je leven na te denken, om andere accenten te leggen en verbanden duidelijk te maken. Maar de tijd als duur, die gefragmenteerd is en je kan overvallen op momenten dat je er het minst op bedacht bent (of waar je je zoals de acteur in kunt trainen), bevalt mij het best. Ze past bij de onbetrouwbare verteller die het toeval willens en wetens ont-toevalt.

Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap

tijd

Tijd als element van het bestaan; de biologische klok die ons begeleidt van geboorte tot dood. Dat zijn individueel beleefde vormen van tijd – hoe gedeeld menselijk of dierlijk ze ook zijn. In de geschiedenis gaat het om de collectief ervaren tijd. Dr. Harry Jansen beschrijft drie manieren waarop de historicus om kan gaan met het begrip tijd: de golvende, de gefaseerde en de durende tijd. Drie vormen die ook interessant zijn om toe te passen op je eigen leven. Daarom vandaag een dubbelpost op dit blog. Lees over de Triptiek van de verleden tijd in je persoonlijk leven en hieronder over de Triptiek van de verleden tijd in de historische wetenschap.

1. Golvende tijd: Rise and Fall
De golvende tijd in de geschiedenis is het duidelijkst in de geliefde historische beschrijving die je kort gezegd ‘Rise and Fall’ kunt noemen. Wereldrijken worden beschreven in hun opkomst, groei en bloei tot aan het onvermijdelijke verval en de ondergang. Tenminste, het wordt gepresenteerd als onvermijdelijk (hoe lang horen we al niet dat de onvermijdelijke ondergang van supermacht Amerika eraan zit te komen?), omdat het zo in het model past. Die golvende beweging blijft echter een presentatie, een van de verschillende manieren om geschiedenis te benaderen.

Deze vorm van tijd sluit aan bij de opvattingen van Augustinus, die tijd zag als een steeds voortdurend nu, die hij definieerde als een ‘uitgestrektheid van de ziel’ (zie ook de lezing van Maarten van Buuren). Paul Ricoeur is een van de moderne filosofen die over de geschiedenis heeft geschreven als de opeenvolging van generaties. De jongere generatie is die van toekomst, die blijft almaar groeien, de middengeneratie heeft de macht in de handen, en de ouderen horen bij het verleden, dat steeds verder afsterft – letterlijk.

2. Gefaseerde tijd: Chronologie
De tweede manier is de ‘gefaseerde tijd’, die terugvoert op Aristoteles’ beschrijving van tijd als de getelde beweging van hemellichamen. Tijd is hier een extern en autonoom fenomeen, dat is te definiëren als het doorlopen van een aantal ‘nu-punten’, met een vóór en een ná. Dat maakt iets als chronologie mogelijk, wat in de geschiedwetenschap natuurlijk een belangrijk concept is. Tussen de verschillende fases zitten breuken, periodes in de geschiedenis waarin van het ene beeld of het ene paradigma wordt overgegaan op het volgende. (Misschien is de huidige situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten daar een voorbeeld van.)

Een voorbeeld van gefaseerde geschiedschrijving is Karl Marx. Na fases van feodalisme en kapitalisme volgt communisme. Zou het mogelijk zijn hierin ook een combinatie te maken met de Rise and Fall-theorie? Het kapitalisme kent een opkomst en ondergang, chronologisch gevolgd door de opkomst en ondergang van het communisme. Dat het zo uiteindelijk niet is verlopen, zegt iets over de weinig flexibele mogelijkheden van dit soort modellen.

3. Durende tijd: Historische sensatie
De laatste van de drie is de tijd als duur. Deze sluit het beste aan bij het gefragmenteerde, postmoderne wereldbeeld van tegenwoordig. In de duur van de tegenwoordige tijd, kunnen verschillende tijden naast elkaar en tegelijk bestaan. Het begrip is afkomstig van de negentiende-eeuwse filosoof Henri Bergson, die de ‘duur’ afzette tegen de kloktijd. Proust nam de duur als uitgangspunt bij zijn zoektocht naar de verloren tijd, waarin het steeds weer erom gaat het verleden aanwezig te maken in het heden (present, zou je kunnen zeggen).

In de geschiedschrijving is deze techniek terug te zien in de ‘historische sensatie’ zoals bijvoorbeeld door Frank Ankersmit beschreven, waarbij het unieke van een historische tijd op een bijna zintuiglijke wijze in het heden wordt opgeroepen. Maar wat ook bij deze tijd hoort is dat zij tegenstrijdige zaken in zich verenigt. Als je denkt aan de paradoxale tijden waarin wij leven – inderdaad eerder in meervoud dan in enkelvoud – is dat wel te begrijpen. De hoogste graad van vrijheid en welvaart gaat samen met een stroom in tegengestelde richting. Verschillende mensen zullen een geheel verschillend verhaal vertellen over de tijd waarin zij gezamenlijk leven. Of is dat altijd het geval? Noemt niet elke generatie de jeugd onhandelbaar en de ouderen star? Misschien is dat de ware manier waarop het verleden steeds weer present is in het heden…

Kijk de hele lezing van Harry Jansen terug: Triptiek van de verleden tijd

[Verschenen op het Studium Generale nieuwsblog]

De biologische klok: prof. Dick Swaab over tijd in het brein

tijd

Als het donker wordt, word je moe; als je de middelbare leeftijd bereikt kom je in de overgang en van vrouwen in de dertig zeggen we dat hun biologische klokje tikt. Tijd zit ingebakken in ons lichaam, in de hele cyclus van de geboorte tot de dood. Dat gaat verder dan je misschien denkt. De meeste kinderen worden geboren in de vroege ochtend van een woensdag of een donderdag. En in de hersenen van overleden mensen is te zien hoe laat zij stierven, omdat de tijd letterlijk stil is blijven staan. Over deze en andere feiten van de biologische, lichamelijke tijd, sprak prof. dr. Dick Swaab in zijn lezing voor de serie Tijd.

Dick Swaab is de bekendste neurobioloog van Nederland; zijn boek Wij zijn ons brein is een regelrechte bestseller. Hij zette het hersenonderzoek op de kaart en nog steeds loopt Nederland dankzij het Instituut voor Hersenonderzoek en de Hersenbank wereldwijd hierin voorop. In zijn boek, met de ondertitel Van baarmoeder tot Alzheimer, laat Swaab zien hoe processen in de hersenen gedrag, karaktervorming en (geestelijke) ziekte en gezondheid beïnvloeden en zelfs bepalen. Vooral de rol van hormonen – in samenspel met de omgeving – is niet te onderschatten, zo blijkt uit de vele voorbeelden.

Hetzelfde geldt ook van ‘tijd in het brein’. De biologische klok bevindt zich op een duidelijk te lokaliseren plaats in de hersenen, in de suprachiasmatische nucleus, ook wel de SCN. Het is dus mogelijk om de biologische klok uit de hersenen te verwijderen en te kweken in het lab. Vanuit dat punt in de hersenen worden al die uiteenlopende lichamelijke reacties op het tikken van de klok geregeld. De klokgenen zijn het resultaat van miljoenen jaren evolutie. Opvallend: zelfs het weekritme heeft een lichamelijke basis. Uit tandemail gevonden in drieëneenhalf miljoen jaar geleden levende voorlopers van de mens, blijkt een weekritme. Velen zullen ervan uitgaan dat het weekritme zijn oorsprong heeft in het Bijbelse scheppingsverhaal, maar dat klopt dus niet. ‘De Bijbel heeft de week te danken aan ons biologisch ritme en niet andersom,’ aldus Swaab.

De klokgenen zijn niet zomaar te negeren in onze beleving van tijd, zoveel is duidelijk. Zelfs Australiërs, die al generaties geleden uit Engeland emigreerden, dragen nog steeds het ritme van het noordelijk halfrond met zich mee (net als hun geïmporteerde dieren). Toch zijn we niet geheel overgeleverd aan de biologie. Dick Swaab houdt zich de laatste jaren veel bezig met onderzoek naar Alzheimer. Bij die ziekte zie je ook een verstoring in de biologische klok (net als bij depressie). Het dag- en nachtritme werkt niet goed meer, waardoor de patiënten onrustig zijn. Er zijn zelfs aanwijzingen dat dit slechte slaapritme ook van invloed is op het aftakelen van het geheugen, waar Alzheimer mee gepaard gaat.

Er is echter een vrij simpele manier om het leed in elk geval deels te verzachten. Door de ouderen bloot te stellen aan veel licht (liefst daglicht en buitenlucht), wordt de structuur in het ritme hersteld. In combinatie met een pilletje van het ‘slaaphormoon’ melatonine is dat vooralsnog de beste Alzheimertherapie voorhanden. Wat dit voorbeeld bovendien laat zien is dat de biologische klok, die zoveel lichamelijke processen beïnvloedt, zelf ook vatbaar is voor invloeden uit de omgeving.

De mens is niet willoos overgeleverd aan zijn brein of zijn genen. Maar zonder kennis van die biologische conditie, zullen we tijd als een concept van de ‘ervaring’ nooit kunnen begrijpen. De interpretatie van die ervaring, het toekennen van betekenis eraan, zoals prof. Maarten van Buuren deed in zijn lezing is niet een ontkenning van de beschrijving van de mens als biologisch wezen met een ingebouwde klok (lees Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn). De patronen waar Van Buuren het over had, die ontstaan in de loop van de tijd, die inslijten in het leven, slijten misschien juist in in de hersenen. Door de omgeving te manipuleren, zijn ook de processen in de hersenen te beïnvloeden. Wij zijn ons brein, maar ons brein is geen kweekje in het lab.

Volgende week gaat historicus dr. Harry Jansen in op het tijdsbegrip in de geschiedwetenschap. De lezing van Dick Swaab kun je hier terugzien.

[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]

Tijd is een scheppende daad van het bewustzijn

tijd

‘Objectieve tijd bestaat niet.’ Professor Maarten van Buuren zet in de eerste lezing in de serie Tijd meteen het publiek op scherp. Tijd bestaat niet als iets buiten de mens, want ‘tijd is een scheppende daad van ons bewustzijn’. Aan de hand van Augustinus, Husserl en Heidegger legt hij uit wat dit betekent voor de manier waarop wij in het leven staan.

Met hoofdstuk XI van zijn Belijdenissen schreef Augustinus een van de vroegste en invloedrijkste teksten over tijd. Er is alleen een heden, stipuleert hij. Daarbinnen bestaan drie tijden: het verleden, heden en de toekomst. Het is de mens die deze tijden tot leven wekt. Tijd is in de woorden van Augustinus een ‘extensie van de ziel’. Dat is te begrijpen als je denkt aan het zingen van een lied: als je begint te zingen heb je het hele lied in je hoofd, de verwachting ervan strekt zich uit in de toekomst. In het hier en nu zing je de melodie, die verdwijnt in het verleden. Dat verleden bewaar je in je geheugen. Zo strekt de tijd zich van het heden uit naar verleden en toekomst. Hetzelfde geldt voor degene die luistert naar het lied, ook die heeft verwachtingen en herinneringen die ‘actief’ zijn terwijl hij luistert.

Ook de vroegtwintigste-eeuwse filosoof Husserl beschrijft tijd als iets innerlijks, namelijk als een ‘bewustzijnstoestand’. Husserl is de grondlegger van de fenomenologie, die het bewustzijn beschrijft als iets intentioneels. Dat wil zeggen dat het bewustzijn altijd op iets in de buitenwereld gericht is, je bent je altijd bewust van iets. Maar hoe zit dat dan bij tijd? Want tijd bestaat toch niet in de buitenwereld, zoals Van Buuren stelt? Inderdaad, bij het bewustzijn van tijd gebeurt iets bijzonders. Dan richt het bewustzijn zich namelijk op zichzelf.

Husserl is wel verweten dat hij te veel van Augustinus heeft overgenomen. Husserl beschrijft namelijk het heden als een ‘uitwalsing van het nu’, vergelijkbaar met de ‘extensie’ van Augustinus. Tijd is een soort ‘actieradius’ van het bewustzijn, waarbij je vooruitreikt naar wat er gaat komen en tegelijk terugreikt in de herinnering aan het verleden. Dat vooruit- en achteruitreiken voltrekt zich met een inzicht in patronen. Denk bijvoorbeeld weer aan het lied van Augustinus: als je de eerste noten hoort, vul je volgens je verwachting het patroon van de melodie aan. Het herkennen van een patroon is een proces van voortschrijdend inzicht. Voortdurend toets je je verwachtingen aan je bevindingen in het heden en als je verwachting wordt doorbroken, kun je haar aanpassen. Als het lied opeens overgaat van majeur in mineur, creëert dat een nieuw verwachtingspatroon voor de rest van wat er komen gaat. Dit heen en weer gaan tussen verwachting van de toekomst, de bevinding van het heden en de herinnering aan het verleden, waaruit een patroon ontstaat, heet de hermeneutische cirkel.

Heidegger was een leerling van Husserl en gaat verder op het ingeslagen pad. Zijn grote bezwaar tegen de opvatting over tijd van Husserl is dat hij het nog altijd beschouwde als een object, ook al lag dat dan in het innerlijke bewustzijn. Heidegger maakt er juist een punt van dat je tijd niet kunt objectiveren. Tijd is iets waar we ons niet aan kunnen onttrekken, dus je kunt tijd ook niet als een object bestuderen. Sterker nog, wij zijn tijd. Heideggers hoofdwerk heet niet voor niets Sein und Zeit. Tijd is het element waarin ons bestaan vorm krijgt. Waar Augustinus spreekt van extensie, Husserl van uitwalsing, heeft Heidegger het over ‘uitplooiing’. Verleden en toekomst zijn ook bij hem in het heden ingebouwd. Opvallend is de grote nadruk die Heidegger legt op het belang van dit zijn in de tijd (ofwel zijn-in-de-tijd), het is zelfs van levensbelang.

Dat illustreert Maarten van Buuren met een persoonlijk verhaal over de periode dat hij een depressie had. Dat het bestaan in de tijd fundamenteel is voor het zijn, voor het leiden van een zinvol leven, ondervond hij toen de depressie dit beschikken over de tijd wegsloeg. In plaats van vrijelijk te kunnen bewegen door de tijd, in de herinnering en in dromen over de toekomst, was alle toegang tot de tijd afgesloten. Dan besta je niet meer, omdat je je niet meer kunt ‘uitplooien’, je actieradius kwijt bent. Het terugkrijgen van je bewegingsvrijheid in de tijd (en ook in de ruimte), betekent het terugkrijgen van je bestaan. Tijdsdimensies zijn in letterlijke zin zijnsdimensies.

Tijd is dus een activiteit van de geest. Ze wordt niet gegeven, maar gemaakt. De gegeven tijd, dat is het banale tijdsbegrip van de kloktijd, waarin de tijd wél is geobjectiveerd. De tijd zoals we die zelf scheppen met onze geest is de authentieke tijd. Daar mogen we best wat aandacht aan besteden. Door de sporen van de tijd te lezen, zoals die zijn achtergebleven in de wereld – bijvoorbeeld de geschiedenis van de Aula van het Academiegebouw – maar ook in ons geheugen, roepen we het verleden terug en wekken we de tijd tot leven. Als we daarbij bovendien de hermeneutische cirkel durven te volgen en onze verwachtingen aanpassen en onze patronen doorbreken, kan ons leven, dat zijn-in-de-tijd, aan betekenis en schoonheid winnen.

De hele lezing Tijd en verhaal is online terug te zien. Kijk volgende week online mee naar de lezing van prof. Dick Swaab over Tijd in het brein.

[Verschenen op het nieuwsblog van Studium Generale]

Tijd

Ik pas op het huis van iemand die zichzelf wil vinden ergens in diep donker Afrika. Best een mooie flat, maar wel enigszins studentikoos. Al na één dag miste ik allerlei zaken waar je niet bij stil staat dat je ze nodig hebt. Olijfolie. Citroensap uit een flesje. Maar ook: een keukendoek, een puntenslijper, een verlengsnoer. Een diep bord. In het keukenkastje vond ik een bonte stapel borden, geen twee dezelfde, maar allemaal net een maatje te klein.

Ik zat op de leren tweezitsbank die schuilging onder een Mexicaanse geweven doek en voelde me vijf jaar terug de tijd in gekatapulteerd. Het zette me aan het denken over alle spullen die ik om me heen heb verzameld. Als een vogel die een nest bouwt en altijd wel nóg een mooie tak kwijt kan of dat hemelsblauwe stukje plastic niet kan laten liggen. En zoveel spullen heb ik niet eens, mijn achthonderd boeken daargelaten. Olijfolie en een puntenslijper – het is ook maar wat je spullen noemt.

Ik probeerde me voor geest te halen hoe het vroeger was, vóór het nest vol spullen. Wat deed ik ook alweer? Oh ja, ik behaalde mijn masterdiploma in de Wijsbegeerte, bijna op de dag af vijf jaar geleden. Misschien kwam het doordat ik in een vreemd huis op een vreemde bank zat, dat het leek alsof ik terugdacht aan het leven van een vreemde. En vier jaar geleden? vroeg ik die vreemde. Drie? Twee? Een?

Op de allerkleinste natuurkundige schaal kan een deeltje op twee plaatsen tegelijk zijn. Tijd, zoals we die gewoon zijn te meten en te gebruiken, geldt daar niet. Teruggaan naar het verleden of reizen naar de toekomst is vooralsnog niet mogelijk, verzekeren de geleerden. Dat een deeltje tegelijkertijd op twee plaatsen kan zijn is ook al wonderlijk genoeg. Als je erover nadenkt, voel je je hersenen protesteren.

Hoewel, in de kunst is het nooit een punt geweest. Beschreef Proust niet precies de ervaring van op twee plaatsen tegelijkertijd zijn? In het heden van Parijs en in de onsterfelijke herinnering aan Venetië, dat in lichaam en geest tot leven komt? Tijdreizen is in Hollywood al jaren mogelijk. Sciencefiction vormt een genre op zich.

Ik denk aan die vreemde die ik ben over één jaar, twee, drie, vier. Welke spullen heb ik dan? Ben ik dan misschien op zoek naar mezelf in donker Afrika? Kon ik de vijf jaar van het korte verleden nog betrekkelijk makkelijk reconstrueren, met de vijf jaren die voor me liggen is dat een stuk lastiger. Ik troost me met de gedachte dat zelfs Proust de toekomst niet kon evoceren, net zomin als de kwantumtheorie haar kan voorspellen. Komt vanzelf goed, over een jaar of vijf.

[Dit is mijn laatste column voor More (86, november 2010). Kijk ook op www.thomasmore.nl]
Lees hier de andere columns die ik schreef voor More

Lummelen of tijdverspilling I

‘Efficiënt op de bank liggen,’ wordt het in een artikel in Vrij Nederland genoemd. Oftewel: dagdromen, reflecteren, mijmeren, rust nemen, tijd geven. Je kunt ook zeggen: lummelen. Dinsdag hield Joke J. Hermsen bij Studium Generale een pleidooi voor een langzame toekomst, naar aanleiding van haar boek Stil de tijd. We moeten weer meer in verbinding komen met onze innerlijke tijd en losbreken uit de ketenen van de kloktijd. Juist omdat er in het regime van de klok geen tijd is (gek genoeg is er van kloktijd altijd te weinig) om na te denken, te herinneren, zelfkennis op te doen.

Nu ben ik helemaal vóór nadenken, herinneren en zelfreflectie. Maar ik ben allergisch voor lummelen. Wekelijks heb ik discussies over het ‘op de bank liggen’ wat in mijn ogen nooit efficiënt is. Zelf probeer ik wel eens overdag op de bank niets te doen, maar het lukt me nooit. Hoe kan dat?

Volgens mij is lummelen ook niet hetzelfde als ‘efficiënt op de bank liggen’. Want dat laatste behelst nog steeds een zekere activiteit: lezen (of tenminste bladeren in een boek), muziek luisteren of herinneringen ophalen. Ook dat laatste is een heel actieve gebeurtenis – lees Proust er maar op na. Het vereist misschien ontspanning om een herinnering tot je te laten komen – de sluisdeuren open te zetten zogezegd – aan de andere kant is er weer een grote inspanning voor nodig om de herinnering vast te houden. Dan mag het lijken op lummelen, er wordt hard gewerkt.

En toch: ik heb soms de wonderlijkste tijdervaringen, alsof ik buiten de tijd kom te staan of een sprong maak naar het verleden. Maar dan lig ik niet op de bank, dan zit ik op de fiets of ik sta voor het podium naar een band te kijken. Ook Proust, die weliswaar heel vaak in bed ligt (of op de bank hangt, maar dat klinkt zo ordinair), wordt toch juist door zijn spontane herinneringen overvallen op de ongemakkelijkste momenten: aan het ontbijt, aan de wandel, wachtend tot hij in de salon mag binnengaan.

Zou het niet juist nodig zijn om wel actief te zijn, maar zonder dat je erbij na hoeft te denken? Want dat is wat al deze gevallen gemeen lijken te hebben: fietsen over de weg die je elke dag fietst. Wachten. Naar een bandje kijken. Bladeren. Dan wordt de geest niet afgeleid door de vraag wat het lichaam moet gaan doen en kan het zich richten op zichzelf.

Blijft de vraag waarom ik zo allergisch ben voor ‘op de bank hangen’. Dat heeft te maken met een heel diepe eigenschap die ik onlangs bij mezelf heb ontdekt: mijn afkeer van verspilling. Maar daar moet ik het een andere keer over hebben.