Caesarion loopt een beetje mank

ceasarion_wieringa

Werkelijk iedereen liep een paar jaar geleden weg met Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Ik las het ook met plezier uit, maar vond het toch vooral een jongensboek. En er was iets met zijn stijl, die dan weer helemaal niet goed paste bij het jongensboekgevoel. Na lezing van zijn nieuwste roman Caesarion weet ik wat het is, want ook al is dit geen jongensboek (ook geen meisjesboek, misschien een homoboek, hoewel er geen homo in voorkomt), die stijl is gebleven en nog duidelijker aan de oppervlakte gekomen. Je kunt ervan houden, ik krijg er rillingen van. Ik noem het: gewild literaire, maar niet doordachte, en daardoor manklopende mooischrijverij.

Laat ik vooropstellen dat Caesarion helemaal geen slecht boek is. En misschien ben ik zelf wel zo’n taalpietleut waar ik een hekel aan heb. Maar ik krijg nu eenmaal de kriebels van een zin als ’Zij snoot haar verdriet in haar zakdoek,’ om met een eenvoudig voorbeeld te beginnen. Verdriet? Haar neus, zul je bedoelen! Het verhaal is meteen naar de achtergrond verdwenen. Het stoort me ook omdat de literatuur hier beantwoordt aan het beeld dat cultuurbarbaren ervan hebben: moeilijkdoenerij van mensen die uniek denken te zijn.

Wieringa maakt het nog veel bonter dan dat. ’Ik liep terug naar Hooters en liet me in die profane omgeving een hamburger bezorgen door een meisje dat borsten voor zich uit duwde als ijsbergen.’ Ze heeft grote tieten? Die koud en hard zijn? Sinds wanneer kun je ijsbergen duwen? En hoe kan ze dan nog een hamburger dragen? Merkwaardig. Het klopt gewoon niet.

Soms doet hij aan iets wat ik maar stapelen noem. De verteller en zijn moeder worden uit hun huis gezet. Ze weigeren te vertrekken. ’Het kan lang duren, maar wanneer de instanties eenmaal hun stralen bundelen tot een zoeklicht, is er geen ontsnappen meer aan. De koppeling van informatie is een stalen hek dat zich langzaam sluit. Een omvattende macht, onpersoonlijk als een chemisch proces, had zich in ons leven genesteld. De datum stond boven onze voordeur geschreven.’ Tel even mee: stralen die een zoeklicht kunnen vormen (1), een stalen hek (2), een chemisch proces (3) dat zich kan nestelen (4) en boven voordeuren kan schrijven (5). Dat wordt me allemaal even te veel.

Op de laatste bladzijden staan mijn favorieten: ’Mijn hoofd was een schaal gevuld met mousserende wijn.’ Aparte schedelvorm. Of stijgen de bubbeltjes zo hard, dat ze in een omgekeerde schaal blijven hangen, zonder last te hebben van de zwaartekracht? En: ’We voelden ons een tankstation dat vierentwintig uur open was.’ Goed, dan weet je in elk geval dat je je allebei hetzelfde voelt, handig, want ik heb geen idee.

Ik hou best van een mooie metafoor. Als hij klopt en het verhaal een extra lading geeft, in plaats van je uit het verhaal te sodemieteren, de taalpietluttige werkelijkheid in. Wieringa kan het heus: ’Het is schitterend en verdrietig, dit hotel, een niet leeggeroofd koningsgraf.’

Na lezing van het boek denk ik wel te weten waarom Wieringa zijn toevlucht neemt tot vergezochte metaforen. Het verhaal is namelijk allesbehalve origineel, misschien probeert hij dat te compenseren door een originele stijl. Maar ook hij kan weten dat ’origineel’ vaak een verkapte vorm is van nep, lelijk of raar. Als in: ’Hij is een origineel type.’

Ik schreef al dat Tommy Wieringa’s boek toch heel nuttig voor mij is, juist omdat het me doet nadenken over wat ik dan wel een goede stijl vind en hoe ik zelf wil schrijven. Wat daar nog meer bij helpt is dat ik na Caesarion ben begonnen in Tegen Sainte-Beuve. Want Marcel Proust leert niet hoe het moet door het negatief te tonen, maar door het zelf te doen. Daar zal ik het een andere keer over moeten hebben.